(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap der Kunsten en Wetenschappen"

>v 



> y^ v 



i^«^ 



VA 









S*S* 



*3 



'/#- 



fe# 






*S 



, * 



1 



f«r<F 






ra 




\V * 








**? 4 u* * 



\'"%r t.'ïj&f 



HARVARD UNIVERSITY. 




LIBRARY 

OF THE 

MUSEUM OF COMPARATIVE ZOÖLOGY. 






( ~\V_J>^^\L 



MAK 31 1916 
) X 1 X 



VERHANDELINGEN 



VAN 11 KT 



BATAVIAASCH GENOOTSCHAP 



\ A \ 



KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN 



DEEL LVII. 



Batavia, s H a i k. 

ALBRECHT & Co. M. NIJMOFF 

i n u 



MAR 31 1916, 



VERHANDELINGEN 



VAX HET 



BATAVIAASCH GENOOTSCHAP 



VAX 



KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN. 



DEEL LVII. 



I) V.T A VIA. 

ALBRECHT & Co. 



's 11 \ i. t. 
M. NIJHOFF. 



1 9 9. 



A 



'A. 



</ 



CATALOGUS 



DER 



Maleische Handschriften 



IIN T HET 



JVIuseum van het Bataviaasch Genootschap van 
Kunsten en Wetenschappen 



DOOR 



Dr. Ph. S. VAN RONKEL. 



INLEIDING. 



De in dezen Catalogus beschreven Maleische handschriften zijn eigendom 
van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, of door 
het Gouvernement van Nederlandsch-Indië ter bewaring aan het Genootschap 
afgestaan. 

Van eenige der eerstgenoemde manuscripten is in 1871 door A. B. 
Cohen Stuart in het Achtste Vervolg op den Catalogus der Bibliotheek een 
inventaris gepubliceerd, welke de nummers 1 — 76 vermeldt; daarin worden 
slechts de titels opgegeven, en niet zonder voorbehoud, gelijk blijken kan uit 
de in den aanvang gegevene mededeeling: „aangaande het eerste gedeelte van 
den volgenden Catalogus, de handschriften in meer beperkten zin behelzende, 
valt slechts in 't algemeen op te merken dat voor de nauwkeurigheid dei- 
inhoudsopgaven, als meerendeels op een vluchtig onderzoek van inlanders 
berustende, niet met zekerheid kan worden ingestaan." 

Vier jaren later, in 1875, heeft Mr. L. W. C. van den Berg in Bijlage 
B van het XIII deel der Notulen van het Bataviaasch Genootschap eene korte 
vermelding gepubliceerd van de nummers 77 — 81. 

Tot de tweede rubriek der handschriften — de aan het Gouvernement 
toebehoorende — behooren de volgende collecties: 

A. de in bijlage A van deel XIV der Notulen (1876) door Mr. L. W. 
C. van den Berg kortelijk vermelde „ verzameling van de Maleische handschriften 
(38 in getal), welke door Dr. A. B. Cohen Stuart was bijeengebracht en bij 
besluit van 22 Juni 1875, No. 32 door de Regeering als dusgenaamde loan- 
collection aan het Genootschap werd afgestaan. 

In de noot op de eerste bladzijde van den inventaris wordt er de aan- 
dacht op gevestigd dat de identifieering der geschriften slechts eene voorloopige 
is, terwijl de verzekering wordt gegeven: ,,voor de juistheid der titels, inhouds- 
opgaven enz. van dezen inventaris, welke van het Departement van Onderwijs, 
»Eeredienst en Nijverheid is ontvangen, kan natuurlijk niet worden ingestaan. 
»De t^d om eenen wetenschappelijken Catalogus van de verzameling te maken 
» heeft mjj tot nog toe ontbroken." 



II 

B. de door H. von de Wall nagelaten collectie, welke bij besluit van 
13 September 1873, No. 9 aan het Genootschap ter bewaring werd afgestaan 
en door Mr. L. W. C. van den Berg is geïnventariseerd in zijn „Verslag van 
eene verzameling Maleische, Arabische, Javaansche en andere Handschriften, door 
de Regeering van Nederlandsch-Indië aan het Bataviaasch Genootschap van 
Kunsten en Wetenschappen ter bewaring afgestaan, 1877"; de inhoudsopgaven 
van de manuscripten dezer zeer belangrijke verzameling zijn veelal te kort, en 
vele onjuistheden van deze beknopte beschrijving moesten verbeterd worden. 

C. eenige „tot dusverre (1880) ter Algemeeue Secretarie bewaarde 
Handschriften", door Mr. L. W. C. van den Berg in bijlage II van Notulen 
XVIII beschreven; daaronder bevinden zich 17 Maleische, vermeld op de 
bladzijden VIII— XTI. (de n°s 116—132). 

D. eenige door K. F. Holle verzamelde handschriften van weinig belang, 
over welker bewaargeving aan het Genootschap verslag is gedaan in de Notu- 
len van 1900 (XXXVIII), October I, ,/, en 1901 (XXXIX) Maart, I, c en 
Augustus 1901, III. Deze handschriften dragen de nummers 262 — 278. 

E. vier handschriften afkomstig van eene bende teungkoe's in Didöh in 
1901 aangetroffen (de n°« 281—284); zie Notulen 1901, 23 December, 
I. <I, 3o. 

F. drie handschriften (de n os 285 — 287) door Toeankoe Radja Keumala, 
zoon van wijlen Toeankoe Asem bij zijne vlucht naar de Gajölanden gedurende 
de vervolging door onze troepen te Tjalöng achtergelaten; zie Notulen 1901, 
23 December. I. d, 2°. 

G. de handschriften, n os 288 — 322, afkomstig uit Keumala, waarover 
men zie Notulen 1901, 23 December, I. d, 1°. en Bijlage VII. 

H. vijf handschriften door den generaal-majoor, toen majoor, G. C. 
E. van Daalen overgezonden (de n os 323—327); zie Notulen 1902, Juni, I. 
15° en Maart, II, 8°. 

J. vijf handschriften (de n os 327 — 331) aangetroffen in de woning 
van Teungkoe di Babah Kroëng Ipöë (Boven-Sennagan) door eene marechaussee- 
colonne in Augustus 1902; zie Notulen 1902, 20 October, II, j, 1°. 

K. de n os 334 — 357 in 1903 aangetroffen in het Gajöland (Karang ampar), 
afkomstig van derwaarts uitgewekene Atjèhsche wetgeleerden en hoofden; zie 
Notulen 1904, November, III, 2° en Bijlage X1I1. 

L. de n oa 367 — 379 aangetroffen in Semelét (Gajöland) en Pameuë; 
zie Notulen 1904, December 111. 2°. a. en Bijlage XIV. 

M. de door wijlen Dr. J. L. A. Brandes verzamelde manuscripten, welke 
tyj besluit van 14 Januari 1906, N°. 31. ter bewaring werden afgestaan; in 



III 

Bijlage I van Notulen XLIV. (1906) is eene lijst afgedrukt van de titels dei- 
handschriften, waaronder een zestigtal Maleische. 

In dezen catalogus is de Collectie van Cohen Stuart aangeduid met 
Collectie C. St., die van Von de Wall met Collectie v. d. W. en die van 
Brandes met Collectie Br. Alle overige bandschriften — zoowel die welke door 
aankoop of door schenking 's Genootschaps eigendom zijn, als de kleine, 
op zich zelf staande of tot grootere loan-collections behoorende collecties 
welke ter bewaring zijn afgestaan — zijn aangeduid met Bat. Gen.; verwarring 
kan hierdoor niet ontstaan, daar bij elk handschrift, waarover iets betreffende 
herkomst of identiteit in de Notulen is medegedeeld, het betrekkelijke deel 
der Notulen is vermeld, en buitendien hierboven reeds werd aangegeven welke 
nummers de in bewaring gegevene manuscripten aanduiden. 

Bij elk daartoe in aanmerking komend geschrift, wordt verwezen naai- 
de overeenkomende exemplaren in andere handschriftenverzamelingen. Die ver- 
zamelingen zijn: 

Leiden, Universiteitsbibliotheek, beschreven in den catalogus van ür, H. 
H. Juynboll, 1809. 

Londen, East India House, beschreven door H. N. van der Tuuk, in het 
Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië, 1849, I, bl. 385 en volg. 

Londen, Royal Asiatic Society, beschreven door H. N. van der Tuuk in 
de Bijdragen voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned. Indié', 3° volgreeks, 
I, bl. 409—474. 

Londen, Britsch Museum, ibid. 3° volgr. VI. bl. 96—101. 

Cambridge, door mij beschreven ibid. 6° volgr. II, bl. 1 — 53. 

's Graven lintje, Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde 
van Ned. Indië, door mij, ibid. 7 volgr. VI bl. 181—248. 

Brussel, Bibliothèque Royale, door mij ibid. 7 volgr. VI, bl. 501- — 519. 

Parijs, Bibliothèque Nationale, door A. Cabaton (zie Revue du Monde 
Musulman, vol V, nuni V, p. 108: ,,la Bibliothèque nationale possède environ 
250 manuscripts malais dont nous venons d'achever Ie catalogue et qui sera 
bientöt imprimé." l ) 

Naar de eenigermate verouderde opmerkingen en zeer beknopte aan- 



1) Deze catalogus is nog niet verschenen, zoodat geene verwijzingen naar de Pari.jsche 
verzameling konden opgenomen worden. 

Enkele der afdeelingen, met name die over de Oendang oendang, van de Papers on Malay 
Subjects, onder redactie van R. J. Wilkinson, Kuala Lumpur, zijn verschenen toen dit werk bijna 
was afgedrukt. 



IV 

duidingen van den inhoud van verhalen in De Hollauder's Handleiding tot de 
beoefening der Maleische taal- en letterkunde heb ik evenmin verwezen als 
naar de bij M. E. Jacquet, in diens Bibliothèque Malaye, Journal Asiatique 
1832, voorkomende titelopgaven, de oude notities van J. Leyden in de Asiatic 
Researcb.es, X, bl. 158 — 289 en de nog oudere titel lijst achter Werndly 's spraak- 
leer van 17 36. 

Naar het werk van Dr. C. Snouck Hurgronje De Aljéhers is niet bij 
elk daartoe mogelijkerwijze in aanmerking komend geschrift verwezen; eene 
verwijzing toch naar eene of andere bladzijde van deel II vau dat merkwaardige 
boek is uiet voldoende, daar telkenmale in genoemd deel belangrijke mededee- 
lingen over Maleische werken en de Maleische litteratuur voorkomen, welke 
de lectuur van het geheele boek voor een ieder, die zich met de Maleische 
letterkunde bezig houdt, onmisbaar maken. 

De taak van den bewerker van dezen catalogus is veelszins gemakkelijk 
gemaakt door de groote nauwkeurigheid en uitvoerigheid waarmede Dr. H. 
H. Juynboll de belangrijke Leidsche verzameling heeft beschreven; niet alleen 
komen in dit werk verwijzingen naar zijn boek tallooze malen voor, maar 
ook werd dikwijls door mij met erkentelijkheid gebruik gemaakt van zijne 
inhoudsopgaven, welke mij meer dan eens van anders onvermijdelijken arbeid 
hebben vrijgesteld. 

Over de inrichting van dezen catalogus behoeft niets nader aangeduid 
te worden, daar elders reeds vau de eigenaardige moeilijkheid der verdeeling 
vau de Maleische litteratuur in hoofdstukken door mij gewag werd gemaakt. 
(Bijdr. t. d. T. L. & V. K. v. N. I. 7° volgr. VI, bl 182). Of de opgegeveu 
jaartallen volgens de Mohammedaansche of de Christelijke jaartelling zijn, blijkt 
van zelf, zoodat het ounoodig voorkwam overal H. of A. D. bij te voegen. 

De transscriptie der Arabische woorden is naar eene systematische 
methode, voorzoover de typenvoorraad der drukkerij het gedoogde; die trans- 
scriptie is bij veel voorkomende eigennamen en bij in het Maleisch overge- 
nomene, zeer dikwijls voorkomende Arabische woorden niet toegepast. Wanneer 
in Maleische teksten Arabische eigennamen op bijzondere wijze worden ge- 
schreven, en daarin regelmaat te ontdekken was, is die afwijkende schrijfwijze 
in de transscriptie gevolgd. 



11 



11 



n 



11 



'1 



INHOUD. 

AFDEELING I. 

VEliHALEN. 

Hikajat Seri Rama (I— VIII) bl. 1 

Sërat Kanda (VIII) » 7 

Hikajat Pandawa (IX) » 12 

Pandawa Pantja Kalima (X) » 1 2 

Pandawa Djaja (XI) » 13 

Pandawa Lima (XII) » 14 

Pandawa (XIII) » 15 

Darma Wangsa (XLV) , » 16 

„ Pandawa Lëboer (XV) » 17 

,, Angkawidjaja (XVI) » 20 

„ Maharadja Garëbak Djagat (XVII) » 20 

Wajang Pandoe (XVIII) » 22 

Hikajat Gëlaran Pandoe toeroeuan Pandawa (XIX) ....„.» 25 

,, Ai-djoena Maugoendjaja (XX) » 27 

Wajang Ardjoena (XXI) » 28 

Hikajat Poerasara (XXII) » 29 

Lakon Djaka Soekara (XXIII) » 31 

Hikajat Agoeng Sakti (XXIV) » 32 

Wajang verhalen (XXV) ...» 33 

Hikajat Tjekel Waneng Pati (XXVI— XXXVI h.) » 33 

„ Djaran Kinanti Astnarandana (XXXVII— XXXV11I) . . . » 42 

„ Pandji Koeda Soemirang (XXXIX— XLI) » 47 

,, Anom Mataram (XLII) » 51 

,, Mesa Gimang (XL1II) » 61 

,, Mesa Oerip Pandji Djaja Lëlana (XL1V) » 66 

Praboe Anom (XLV) » 67 

Naja Koesoema (XLVI— XLIX) » 69 

,, Djai'an Sari dan Djaran Poernama (L) » 72 

Martalaja (LI) » 74 



ii 



ii 



VI 

Hikajat Langlang Boeana (Lil) bl. 75 

Boestan as-Salatïu (LUI— LV1) » 76 

Hikajat Kalilah dan Daminah (LVII— LXIV) » 77 

Bajan Boediraan (LXV— LXX) » 81 

„ Bachtijar (LXXI— LXXIII) » 84 

„ Ghoelam (LXXIV— LXXVI) » 86 

Boenga Rainpaj (LXXV1I) » 88 

Bachtijar- en andere verhalen (LXXVI1I) » 91 

Hikajat Maharadja Boma (LXXIX— LXXXIII) » 92 

Indranata (LXXXIV— LXXXVIII) » 95 

Indrapoetra (LXXX1X— XC) . » 97 

Dewa Mandoe (XCI— XGVI) » 99 

Koemala Bahrajn (XCVII— XCVI1I) » 104 

Bërma Sjahdau (XCIX— C) » 106 

Sjahi Mardan (Cl— C VII) » 109 

Ahmad Moehammad (CVIII— CXIII) » 112 

Hang Toeah (CX1V— CXV) » 119 

Pëlandoek Djinaka (CXVI) » 120 

Soeltan Ibrahim (CXVII— CXXII) » 120 

Radja Damsjik (CXXIII) ............ ■» 122 

Moehammad Moekabil (CXXIV) ...» 123 

Boeroeng Si bëharoe-bëharoe (CXXV) ........ 124 

Hasan Damsjik (CXXVI) » 124 

Aboe Noewas (CXXVII-CXX1X) » 125 

Djauhar Manikam (CXXX— CXXXII) » 127 

Tadj as-salatïn (CXXXIII— CXXXVI) ...» 129 

Hikajat Radja Boedak (CXXXVII— CXXXIX) » 130 

Si Miskin (CXL— CXLIV) » 133 

Nachoda Moeda (CXLV) » 134 

Maharadja Bikrama Sakti (CXLVI— CL) » 135 

Tawaddoed (CLI) * » 138 

Mabmóed (CLIIj » 139 

Koerajsj (CLIII— CLIV) » 139 

Sjah Mandewa (CLV) » 143 

zonder naam (CLVI) » 144 

Samsoe Bahroen (CL VII) » 145 

Indra Walsoeki (CL VIII). » 146 

Indra Maulana (CLIX) » 147 



VII 

Bikajat Sjahr al-Kamar (CLX) . . . . bl. 148 

„ Bikrama Tjindra (CLXI) » 150 

,, Dewa Mëngindra Laksana (CLXII) » 151 

„ Sjahroel Indra (CLXIH— CLXXI) » 153 

„ Djoeragan Djaja Indra (CLXXII) » 159 

„ Radja Tacbir (CLXXI1I) » 101 

„ Djajalaugkara (CLXXIV) » 162 

Tjarita Radja Bërekoer (CLXXV) » 162 

Hikajat Tjindabaja (CLXXV1) » 163 

„ Indra Dewa (CLXXVII-CLXXVIII) » 165 

„ Radja Pëkar Mëdi (CLXXIX) » 167 

Palembangsche Verhalen (CLXXX) » 171 

Sariboe Dongeng (CLXXXI) » 172 

Kleine verhalen (CLXXXII) » 173 

Hikajat Nachoda L Asjik (CLXXXIII) » 173 

,, Marapati Emas dan Marapati Perak (OLXXXLV) . . . . » 174 

„ Dewa Mëngindra (l'LXXXV— CLXXXVI) » 176 

„ Tjandra Hasan (CLXXXVII) » 177 

„ Masjhöed Hakk (CLXXXVIII— CLXXX1X). ...... 177 

„ Israa Jatim (GXC— CXCIII) » 178 

„ Radja Kërang (CXCIV— CXCV) » 179 

„ Pantjalogam (CXCV1— CXCVIIT) » 182 

Bapa Bilalang en Lëbe Malang (CXCIX) » 185 

Hikajat Radja Dëntadjaja dari nëgëri Sëntapoeri (CC) » 185 

„ Darmah Tasijah i^CCI— CCIV) » 186 

„ Rabi c ah (CCV) » 187 

,, Maharadja Djaja Asniara (CCVI) » 187 

Indra Laksana (CCVII) » 190 

„ Indra Bangsawan (CCVIII— CCXIII) » 191 

„ Soeltan Taboerat (CCXIV— CCXVII) » 194 

(Inhoudsopgave daarvan) » 196 

„ Boedjangga Maharadja Indra Maharoepa (CCXVIII) ...» 203 

Indra Djaja Pahlawan (COXIX) » 205 

,, Maharadja Moending Giri dan Panggoeng Karaton (CCXX) . » 209 

AF DEELING II. 
MOHAMMEDAANSCHE LEGENDEN. 

Aubija (CCXXI— CCXXVI) bl. 212 



VIII 

Hikajat Joesoêf (CCXXVII) bl. 216 

„ Wasijjat Loekmau al-Hakïm (CCXXVIII) » 216 

„ Zakanja (CCXXIX— CCXXXI) » 217 

„ Radja Djoemdjoemah (CCXXXII— CCXXXVII) » 218 

„ Maharadja cAli (CCXXXVI1I— CCXLI) » 220 

„ Nöer Moehammad (CCXL11 - CCXLVIII) » 222 

„ Nabi (CCXLIX— CCL) » 225 

„ bërtjoekoer (CCLI— CCLVII) » 226 

„ mëngadjar cAli (CCL VIII— CCL IX) » 228 

anaknja Fatimah (CCLX— CCLXII) . . . » 228 

„ Micradj (CCLXI11— CCLXX) » 229 

„ boelan bërbëlah (CCLXXI— CCLXXIII) » 231 

„ Iblïs dan Nabi (CCLXX1V— CCLXXV) » 232 

„ Nabi clan orang miskin (CCLXXVI) » 232 

„ wafat (CCLXXVII— CCLXXX) » 233 

„ Radja Handak (CCLXXXI— CCXCI) » 234 

„ Fartana Islam (CCXCII— CCXCIV) » 237 

„ Radja Chajbar (CCXCV— CCXCVII) » 237 

„ Pandita Raghib (CCIC) » 239 

Sariboe Masail (CCC— CCCVII) » 240 

SannVoen (CCCV1I1— CCCXI) ' ...» 243 

Tamïm ad-Dan (CCCX— CCCXIII) » 244 

Abóe Samah (CCCXIV— CCCXIX) » 247 

Amir Hamzah (CCCXX— CCCXXII) ' . . » 248 

Moehammad HanafijjaU V CCCXXIII— CCCXXX) . . . . » 250 

-Au Kawin (CCCXXXI— CCCXXXII) » 254 

Fatimah bërkata kata dëngan pëdang c Alï (CCCXXXIII) . . » 254 

Tjaritëra Taboet (CCCXXXIV) » 255 

Hikajat Iskandar Dzoe'l-Karnajn (CCCXXXV— CCCXXXVII) ...» 255 

„ Sajf Dzoe'l-Jazan (CCCXXXVIII— CCCXL1) » 260 

AFDEELING III. 
GESCHIEDENIS. 

Hikajat Sjadjarah Malajoe (CCCXLII-CCCXLV) bl. 268 

„ Radja Bandjar dan Kotaringin (CCCXLVI— CCCLI1I) . . . » 270 

Sjadjarah radja radja Malajoe (CCCLIV) » 274 

Hikajat Nëgëri Djohor (CCCLV— CCCLVI) » 275 



•• 



n 



ïi 



>5 






IX 

Hikajat Raden Alit (CCCLVII) bl. 276 

Sjadjarah Radja Radja Riouw (CCCLVIII-CCCLX11) » 276 

Riouwsche Contracten (CCCLXIII) » 278 

Asal Radja Radja Sambas (CCCLXIV— CCCLXV) » 279 

Hikajat Atjèh (CCCLXVI) » 279 

Asal Oesoel Bangkahoeloe ( CCCLX VII— CCCLX VIII) » 280 

' Toean Gadang Batipoe (CCCLXVIII *). ..... » 281 

„ Toeroenan Radja Baros (CCCLXIX) » 281 

., Radja Radja Palembang (CCCL XX) » 281 

Tjaritëra Asal Soeltan Atjèh (CCCLXXIj » 282 

Eerste Atjèh-expeditie (CCCLXXII) » 282 

Soerat Tjarita Goepërnëment Wolanda përaug nëgëri Atjèh (CCCLXXIII) . » 282 

Geschiedenis van Pasëmah (CCCLXXIV) » 283 

Asal Djagat Pasoemah (CCCLX XV) » 283 

Geschiedenis van Tamboesi (CCCLXXVI— CCCL XXVII . . . . . » 283 

Salasilah Koetaj (CCCLXXV1I1) » 285 

Sjadjarah ka'ada'an nëgëri Bandoeng (CCCLXXIX) » 285 

Geschiedenis der Preanger (CCCLXXX) » 285 

van Blëdoeg, Ngembak en Djono (CCCLXXXI) ...» 286 

„ Java (CCCLXXXII) » 286 

Sadjarah Wangsagoprana Sagara Herang (CCCXXXIII) » 286 

Schetsen over den Java-oorlog (CCCLXXXIV) » 287 

Tjarita Bandoeng Bondowoso di Prambanan (CCCLXXX V) ...» 287 

„ Praboe Anggalarang (CCCLXXXVI) » 287 

Kroniek der Molukken (CCCLXXXVII) » 288 

Hikajat Istamboel (CCCLXXXVIII) » 288 

Sjadjarah Nëgëri Këdah (CCCLXXXIX) » 290 

Hikajat Asal Bangsa djinn dan dewa dewa (CCCXC) » 294 

AFDEELING IV. 
INLANDSCHE WET EN ADAT. 

Risalah Hoeköem Kanoen (CCCXGI— CCCXCII) bl. 296 

Oendang Oendang Malaka (CCCXCIH) » 297 

Hoeköem Kanoen (CCCXCIV) » 298 

Oendang Oendang Tanah Datar (CCCXCV— CCCXCVI- » 298 

Këdah (CCCXCVII) » 299 

Korintji (CCCXCVIII) . » 300 



•1 



M 



H 51 



X 

Oendang Oendang Koetaringin (CCCIC) bl. 300 

Palembang (CD— CDU) » 301 

Bolang Tengah (CDIII) » 302 

,, dan atoeran Palembang (CDIV) » 302 

Djainbi (CDV) » 303 

Lohok Tiga Laras (CD VI) . . » 30:5 

Simboer Tjabaja (CDVII) » 303 

Piagëm orang Pasoemab Lebar (CDVIII) » 304 

Oendang Oendang Pasoemab (CDIX) » 304 

Kanoen Matan (CDX) » 304 

Oendang Oendang përboeatan datoek bësav dëboeloe (CDX1). ...» 305 

Djohor (CDXII) » 306 

Malajoe (CDXIII) » :07 

Adat (CD XIV) » 308 

Moko Moko (CDXV) » 308 

Adat Radja Radja Malajoe (CDXVI) » 309 

„ Palembang (CDXVII— CDXVIII) » 309 

Larangan (CDXIX) » 310 

Përatoeran bambang dalam nëgëri Bangkahoeloe (CDXX) . . . . » 310 

Piagëm Djambi (CDXXI) » 310 

Indrapoera (CDXX1I) » 310 

A F D E E L I N G V. 

GEDICHTEN. 

Sja^ir Ken Tamboehan (CDXXIII— CDXXI V) ....... bl. 312 

„ Lalakon Mesa Koemitar (GDXXV) » 313 

„ Tjarita Wajang (CDXXVI). . » 314 

Bidasari (CDXX VII) » 315 

Jatim Noestapa (CDXXVI1I) » 315 

Damar Woelan (CDXXIX— CDXXX) » 316 

Silindoeng Dalima (CDXXXI— CDXXXII1) » 318 

Poetri cAkal (CDXXXI V) » 320 

cAbd al-moelóek (CDXXXVj » 321 

Soeltan Jabja (CDXXXVI— CDXXXV1I) » 322 

Koembajat (CDXXXVI1I) . ■ » 324 

Zoebrab (CDXXXIX— CDXL1) . . » 326 

Sïdï lbrahim (CDXLI1) » 329 



•»» 



?? 



M 



■i 



II 



>1 



•■ 



11 



V 



V 



11 



11 



XI 

Sjacir Kabr Masjhöer (CDXLIIl) bl. 330 

., Boedjang (CDXL1V) » 331 

„ Soengging (CDXLV) » 332 

„ Madi (CDXLVI) » 3;s3 

.. Tadj al-raoeloek (CDXLVII) » 334 

„ Hikajat Radja Damsjïk (CDXLVII1) » 330 

„ Mambang Djauhari (CDXLIX) » 330 

„ Soeltan Mansóer (CDL— ODLI) » 337 

„ Tjinta Birabi (CDLII) » 3:<9 

„ <Abd as-samman (CDLIII) » 340 

„ Sitti Dzawijjah (CDLIV— CDLVI) » 340 

„ Adham (CDLVIl) » 342 

„ Radja Darma -Adil (CDLVIII— CDLIX) » 343 

„ Emoep (CDLX) » 344 

., luggris mënjërang Kota (CDLXI) » 344 

,, Përang Baudjarrnasin (CDLXII) » 345 

Kaliwangoe (CDLXIII) » 340 

Muntinghe (CDLXFV — CDLXV) » 347 

„ Resident De Brauw (CDLXV1) » 347 

„ Schouw Santvoort (CDLXVII) » 348 

Soeltan Mahmóed (CDLXVII1) » 348 

Përang Wangkang (CDLXIX) » 348 

Radja Siak (CDLXX) » 340 

„ Soeltan Mahmóed di Lingga (CDLXXI) » 349 

., Sinhor Costa (CDLXX1I) » 350 

Singapoera dimakan api ^CDLXXIII) » 350 

Përkawinan kapitan Tik Sing (CDLXXI V— CDLXX V). . . » 350 

Boeab boeaban (CDXXVI) » 351 

Koembang dan mëlati (ODLXXVI1— CDLXXIX) . . . . » 351 

Koemkoema (CDLXXX) » 352 

Djintajoe (CDLXXXI) » 352 

Noeri (CDLXXXII— CDLXXX1II) » 353 

Pëlandoek Djinaka (CDLXXXX1V) » 354 

Sang koepoe koepoe dëngan koembang dan balang (CDLXXXV) » 354 

Njamoek dan Lalat (CDLXXXYI— CDLXXXVII) . . . . » 354 

Djohau (CDLXXXVIII) » 355 

Ponggok (CDLXXXIX) » 355 

„ Ikan Teroeboek (CDXC— CDXCIII) » 355 



•1 



M 



•• 



U ?» 



11 



•• 



XII 

Sjacir Pantoen Soeltan Badroeddin (CDXCIV) bl. 356 

Ampat Poeloeh Doea Malam (CDXCV) „ 35(3 

Patoet Dëlapan (CDXCVI) . „ 357 

Sindiran I (CDXCVII— CDXCVIII) „357 

II (ID— D) „358 

Palembangscbe Gedichten (Dl) 358 

Sja^r Alif Ba Ta (DII— DIII) „358 

Goerindam Doea Belas (DIV) „359 

Përhimpoenan pantoen pantoen Malajoe (DV) „ 359 

Sjacir Boeroeog (DV1— DYIII) „360 

Didactisch Gedicht (DIX) „361 

Lofliederen (DX) „361 

Sja^r Hadj (DX1— DXIII) „361 

Ma^rifah (DXIV) „362 

c-Alam Tasawwoer (DXV) „362 

., Tacrif al-hoeröef (DXVI) . „362 

Sjacirs over mystiek en geloof (DXVII) „ 362 

Sja«ir Kijamah (DXVI1I) , 363 

„ Óesóel (DXIX) „363 

„ Ma c rifat as-salat (DXX) „363 

„ qbarah (DXXI) . . „ 364 

„ Kawaid al-islam (DXXII) „364 

Leerdicht (DXXIII) „365 

Sjacir Bajan Boediman (DXXIV— DXXV) . „ 365 

„ Indjil (DXXVI) „366 

A F D E E L I N G VI. 

ISLaM, STICHTELIJKE LECTUUR, EN RELIGIEUSE 

SUPERSTITIE. 

Koer'an (DXXVII— DXXV1II) bl. 367 

Koer'ancomuientaar (DXXIX— DXXXII) „368 

Chassijjat al-Koer'an (DXXXI1I— DXXXIV) „369 

Doerr (ad-) au-nazïm (DXXXV) „370 

Tadjwid e.a. (DXXXVI) „ 370 

Mir'at al-koeran fitashïl ma c rifat at-tadjwïd (DXXXVII— DXXXVIII). „ 371 

Tadjwid (DXXXIX— DXL) „371 

Raadgevingen omtrent Koeranreciet (DXLI) „ 372 



XIII 

Tartib chatm al-Koer'an (DXLII) bl. 372 

Tanbih al-raa'möen al-ghafil bibajan bacd ma lahoe min al-masail (DXLIII) » 372 

Sabïl al-moehtadin (DXL1V— DXLV) » 373 

Ghajat at-toellab (DXLVI) » 374 

Sirat al-moestakim (DXLVI L— DL V) » 375 

Kitab al-djinajat (DLVI) » 377 

Tanbih al-ichwan fi 'sj-sjoeröet wa'1-arkan (DLVI1) . . . . » 378 

IJah al-albab limoerïd an-nikah bi's-sawab (CLVI1I) » 378 

Bfib an-nikah (DLIX) » 379 

Nazm djauhar al- c azïz fï c akd ankihah al-wara al-wadjiz (DLX) . . » 379 

Nikah (DLXI) » 379 

Mir'at at-toellab fi tashil ma c rifat al-ahkarn asj-sjar c ijjah li malik al- 

wahhab ( DLXII— DLXIII) . » 380 

Tbamrat al-moehammah dijafah li'1- oemara wa'1- koebara, li ahl al- 

mahkamah (DLXIV) » 380 

Arkan al-Islam e.a. (DLXV) » 381 

Erf- en Huwelijksrecht. (DLXVI) » 381 

Erfrecht (CLXVII) » 382 

Kitab al-Faraid (DLXVIII) . . ...» 382 

Minhadj al- c abidin ila djannah rabb al- c alamïn (DLXIX) . . . . » 382 
Sijar as-salikin ila c ibadah rabb al- c a,bidin (DLXX— DLXXI) ...» 383 
Kasjf al-kiram fi bajan an-ni]jah c inda takbïrat al-ihram (DLXXII — 

DLXX1II) » 384 

Kitab Fikh (DLXXIV) » 384 

Taharah en galat (DLXXV) » 385 

Foeröe c al-masail wa oesöel al-wasail (DLXXV1) » 385 

Moechtasar (DLXXV1I) » 386 

Mohammadaansch Recht (DLXXVIII) - . . » 386 

Risalah (DLXXIX) » 386 

Djihad e.a. (DLXXX) » 386 

Sëmbahjang-formules (DLXXXI) » 387 

Sëmbahjang (DLXXXII) » 388 

en Tahlil's (DLXXXIII) » 388 

(DLXXXIV) » 388 

Tanbih al-camil fï tahkïk al-kalam fi'1-nawafil (DLXXXV). ...» 388 

Verhandelingen (DLXXX VI) . » 389 

Fragmenten (DLXXXVII) » 389 

Aauteekeningen (DLXXXVIII) » 389 



ii 



>< 



XIV 

Kitab Fawaid (DLXXXIX— DXC) bl. 389 

Verhandelingen (DXCI) » 390 

Hoedjdjah balighah c ala djaina'at al-moechasamah (DXCII) . . . . » 391 

Mali al-hal bitalb al-halal (DXCI1I) » 391 

Manhadj al-istikamah (DXCIV) » 391 

Ma c rifat al-islam wa'1-ïman (DXCV) » 392 

Moe c amalat (DXCVI) » 392 

Mawa^iz (DXCVII— DCXV1II) » 392 

c Oeddat al-hisn al-hasïn min kalam sajjid al-moersalïn (DIC) ...» 393 
Bidajat al-raoebtadï bi fadl Allah al-moehdi (DC— DCX1V) ...» 394 
Masail al-moehtadï li-ichwan al-moebtadi (DCXV— DCXXIV) ...» 397 

Targhïb al-^amilïn (DCXXV) » 399 

Toehfat ar-raghibïn fï bajan hakikah inian al-moe'minïn (DCXXVJ). » 399 
Zoehrat al-moevid fï bajan kalimat at-tanhïd (DCXXVII— DCXXVIII) » 400 

Doerrat al-faraid bisjarh al- c akaid (DCXX1X) » 401 

Doerr (ad-) ath-thamïn (DCXXX— DCXXXI) . . . . . . . » 401 

h oer (au-) al-moebin f ï ictikad kalimat asj-sjahadatajn (DCXXXII-DCXXXV)» 402 

Doer (ad-) an-nafis (DCXXX VI) » 403 

Djawahir al-^oelöem fï kasjf al-ma4oem (DCXXXVII— DCXXXVIII) » ^03 

Bidajat al-Hidajah (DCXXXIX— DCXLV) » 404 

Oemm al-Barahïn (DCXLVI— DCXLVIII) ...» 406 

Kitab oe&oêl ad-din (DCXLIX) ...» 407 

cAkaid al-ïman (DCL) » 407 

cAkïdah bi miftah al- c akaid (DCLI— DCL1I) » 407 

Geloofsleer van Al-Boecharï (DCLIII) » 408 

Bajan Tadjallï (DCLIV). . ...» 408 

Doerrah (ad-) an-nazïrah (DCLV) » 408 

Eigenschappen van Allah en de geloofsbelijdenis (DCLVI) » 408 

Bajan asj-sjahadah (DCL VII) » 409 

Geloofsleer van Al-Koesjasjï (DCLVIII) » 409 

(DCLIX— DCLXIV) » 409 

en aanverwante zaken (DCLXV) » 411 

„ Wet (DCLXVI) » 411 

Wasijjat al-iehwan al-moestazawwidïn lijaum al-idzn (DCLXVII) . . » 411 

Geloofsleer in vermaningen (DCLXVI1I) » 411 

Tanbïhat al-ghafilïn (DCLXIX) » 412 

Kawaid al-islam (DCLXX) » 412 

Geloofsleer en Plichtenleer (DCLXXI) » 412 



• ■> 



V 



M 



?1 11 



)1 



XV 

Geloofsleer (DCLXXII) bl. 412 

IJajat al-koeloeb (DCLXXIII) » 413 

Achbar al-achirah fï ah wal al-kijamah (DCLXXIV — DCLXXVJ) . . » 413 

Sakarat al-maut (DCLXXV1I — DCLXX1X) » 414 

e. a. (DCLXXX) » 415 

Dzikr (DCLXXXI) » 415 

., en Doe^a (DCLXXXII) » 415 

cAkaid en Salat (DCLXXXIII) » 415 

Kifajat al- c ibadah (DCLXXXIV) » 416 

Islam en Iman (DCLXXXY) » 416 

„ „ „ en Mystiek (DCLXXXVI) » 416 

Kifajat al-moebadï c ala c akïdat al-moebtadi (DCLXXXVII). . . . » 4 1 6 

Bidajat al-moebtadï wa c oemdat al-auladï (DCLXXX VIII). '. . . » 417 

Geloofsleer en Mystiek (DCLXXXIX) » 417 

Hikajat Sjajcb c A bdalkadir Djïlanï (DCXC— DCXCIV) » 418 

Moebammad Samman (DCXCV— DCCI) » 421 

Wasijjat Nabï Moebammad (DCCII— DCCIII) » 424 

Hadith Arbacïn (DCCIV) » 424 

c Oemdat al-moehtadjin ila. soeloêk maslak al-moefradin (DCCV — DCCX) » 425 

Asrar al-insan fï ma c rifat ar-roêh wa'r-rahman (DCCXI — DCCXII) . » 427 
Sabil al-hidajab wa'r-risjad fi dzikr nabdzah min fadail al-koetoeb al- 

haddad (DCCXIII) » 428 

Sjams al-Afak (DCOXIV) » 428 

Hidajat as-salikïn fï soeloêk maslak al-moettakkïn (DCCXV— DCCXVII) » 430 

Kitab al-l : likam (DCCXV III— DCCXXI) » 430 

Tadzakkoer al-gbabï (DCCXXII) » 431 

Kitab Moechtasar (DCCXXIII— DCCXXV) » 431 

Fath ar-Rabman (DCCXXVI) » 432 

Dija '1-wara ila soelóek tarïkat al-ma c böed al- c oela (DCCXXVII — 

DCCXXVIII) » 433 

Djoemlat al-ma c rifab at-tarïkijjah (DCCXXIX) » 433 

Hill az-zill (DCCXXX— DCCXXXI) » 433 

Sjifa '1-koeloeb (DCCXXXII— DCCXXXIII) ...'.....» 434 

Wat vóór de schepping was (DCCXXXIV) » 434 

Kitnb (al-) al-madjmÓe c (DCCXXX V) » 434 

Sjatfarijjah (DCCXXXV1— DCCXXXVII) » 435 

Përatoeran dan asal kadjadian (DCCXXXVIII) . » 435 

Hakïkah Róeh (DCCXXXIX) » 436 



XVI 

Madjmöec al-masail (DCCXL— DCCXLI) bl. 436 

MawiViz (al-) al-bad^ah (DCCXLII— DCCXLIII) » 436 

Moeujat al-moesallï (DCCXLIV) » 437 

Nasïhah (an-) al-anïkah li'1-moetalabbisïn bitarïkah (DCCXLV) . . » 437 

floer (an-) al-hadi ila tarïk ar-rasjadï (DCCXLVI) » 438 

Sjams al-ma^rifah (DCCXLVI1) » 438 

Tarïkah jang dibangsakëu kapada Kadirijjah dau Naksjibendijjah 

(DCCXLVIII) ' » 438 

Bismi'llalii'rrahmani'rrahïm (DCCXLIX) . » 438 

Allahoe Akbaroe (DCCL) » 439 

Bismi'llahi'rrahmanï'rrahim e. a. (DCCLI) » 439 

Grafische voorstelling van mystieke zaken (DCCL1I) » 439 

Mystiek des huwelijks (DCOLIII) » 439 

Orthodoxe Mystiek (DCCLIV) » 439 

Mystiek (DCCLV— DCCLXI) » 440 

Mystieke begrippen (DOCLXII) » 441 

termen (DCCLXIII) . » 442 

,, verklaring der geloofsbelijdenis (DCCLXIV) » 442 

Mystiek in gelijkenissen (DCCLXV) » 4i2 

Primbon (DCCLXVI— DCCLXVII) ...» 442 

Mystieke fragmenten (DCCLXV1II— DCCLXX) » 443 

Hikajat Si Boeroeng Pingaj (DCCLXX1) ...» 444 

Djimats (DCCLXXII— DCCLXXXI) » 444 

Kitab Tibb (DCCLXXXII— DCCLXXXI1I) » 445 

Bahr al-cadjaib (DCCLXXX1V) » 447 

Koetika's en fal's (DCCLXXXV— DCCCII) » 447 

Gebeden, lapal's en formulieren (DCCCI1I— DCCCX) » 4b 1 

AANHANGSEL. 
LIJST DER IN AFDEEL1NG VI VERMELDE AUTEURS. 

AFDEELING VIL 
VARIA. 

Kitab TaPbir (DGCCXI— DCCCXIV) » 456 

Bintang (DCCCXV— DOCCXVIII) » 457 

Chronologie (DCCCXIX) » 458 

Kitab Tarasoel (DCCCXX— DCCCXXIV) » 458 

Dari hal oeclara (DCCCXXVj » 459 



XVII 

cllmoe Boemi (DCCCXXVI) bl. 460 

Hikmat hikmat ^ilmoe (DCCCXXVII) » 460 

Kitib Tëka Tëki tërbang (DCCCXXVIII) » 460 

qimoe Hisab (DCCCXXIX) » 460 

Boestan al-katibïn (DCCCXXX -DCCCXXXI) ... . ...» 460 

Tjërëmin Mata (DCCOXXXII) » 461 

Përhimpoenan përkata'an Malajoe (DCCCXXXII1) » 462 

Kitab alif alifan (DCCCXXX1V) » 462 

Reisverhaal (DCCCXXXV) » 462 

Reis naar Mekka (DCCCXXX VI) » 462 

Pëlajaran ^Abdoellah (DCCCXXXVn) » 463 

ka Mëkkah (DCCCXXXVIII) » 463 

Bab radja-radja (DCCCXXXIX) » 463 

., sjart al-badan j[DCCCXL) .....' » 463 

Geslachtslijst (DCCCXLI) » 464 

Pëngadjaran adab (DCCCXLII) » 464 

Schoolboek (DCCCXLIII) » 464 

Pintoe gërëbang pëngatahoean (ÜCCCXLIV) » 464 

Obscoena Malaica (DCCCXLV) » 465 

Register tjatjah djiwa district Ampënan 1905 (DCCCXLVI) . . . » 465 

Dari hal tanaman bamboe (DCCCXLVII) » 465 

Instructie-Loear Batang (DCCCXLVIII) » 465 

Dari hal Kradënau (DCCCXLIX) » 466 

Leesboekjes (DCCCL) » 466 

Legende van een kanon op Boano (DCCCLI) „ 466 

Brieven (DCCCLII — DCCCLVII) » 467 

Tjangkriman (DCCCLVTH) » 468 

Autobiografie (DCCCLIX) ...» 468 

Pralambang (DCCCLX) » 468 

AANHANGSEL. 
WOORDENBOEKEN EN WOORDENLIJSTEN. 

„Sumatraans Maleische Woordenlijst" (DCCCLXI) bl. 469 

Maleisen en Nederduitsch Woordenboek (DCCCLX1I) » 469 

Dictionnaire Malais (DCCCLXI11— DCCCLXIV) » 469 

Beredeneerd Maleisch Hollandsen Woordenboek (DCCCLXV) . . » 470 

Woordenlijst van het Bataviaasch Maleisch (DCCCLXVI) . . . . » 470 

Pasoemahsch-Palembangsche Woordenlijst (DCCCLX"VII) . . . . » 470 



XVIII 

Engelsch Maleisch en Maleisch Engelsch Woordenboek (DCCCLXVI1I) bl. 470 

Malakasche Woordenlijst (DCCCLXIX) » 471 

Maleisch Nederduitsch Woordenboek (DCCGLXX) » 471 

Algemeen Maleisch Nederduitsch Woordenboek (DCCCLXXI) ...» 473 

Nederduytsch en Maleisch Woordenboek (DCCCLXXI 1) . . . . . » 473 

Maleisch Woordenboek van Leidekker (DCCCLXXIII) »473 

AFDEELING VIII. 
MINANGKABAUSCHE HANDSCHRIFTEN. 

Kaba Malim Diman (DCCCLXXI V) bl. 474 

„ Si Toengga (DCCCLXXV— DCCCLXXVII) » 475 

Tjindoer Mata (Kaba Toeankoe nan Moeda) (DCCCLXXVI1I— 

DCCCLXXXIV) » 478 

Hikajat Nabi Joesoef (DCCCLXXXV) '....» 482 

„ Poeti Baloekih (DCCCLXXXVI) » 483 

„ Nabi (DCCCLXXXVII) » 484 

Radja Rahib (DCCCLXXXVIII) » 485 

Naraka (DCCCLXXXIX) » 487 

Hasan dan Hoesajn (DCCCXC— DCCCXCI) » 488 

Moehammad Hananjjah tatakalo katjië= (DCCCXCII) ...» 492 

Nasöeha (DCCCXCIII) » 493 

Radja Përijangan kawin kanëgëri Atjèh (DCCCXCIV) » 495 

[Oendang Oendang Adat (CDXIV)] » 496 

Moko Moko (CDXV)] » 496 

Minangkabau (DCCCXCV— CMIV) » 496 

Tanah Datar (CCCXCV— CCCXCVI)] . . . . » 507 

Lohok Tiga La ras (CD VI)] » 507 

Hikajat Kijamat (CMV) » 507 

Sjacir Nahoe (CMVI) „......» 508 

Soerat Padato Arak gadang atau halek gadang (CMVIIj » 509 

AFDEELING IX. 
NAGEKOMEN HANDSCHRIFTEN. 

Hikajat Nabi bërtjoekoer (CMVIH— CMIX) bl. 510 

„ Mi^radj (CMX) » 510 

.. Wafat (CMXI— CMXII) . » 511 

„ SannVoen (CMXII1) » 511 



?? 



?? 



n 



•> 



>> 



1> >5 



?? 



•• 



XIX 
Hikajat Sjajch °Abdoelkadir Djilanï (CMXIV) '. bl. 512 

AF DEELING X. 
LATER AANGETROFFEN HANDSCHRIFTEN. 

Koer'ancommentaar (CMX"V) bl. 513 

Mir'at at-toellab f'ï tashïl ma c rifat ahkam asj-sjar c ijjah li'1- malik al- 

wahhab (CMXVI) » 514 

Bidajat al-raoebtadï bi fadl Allah al-moehdi (CMXVII) » 514 

Djawahir al- ( 'oelóem fi kasjf al-raa c loem (CMXVIII) » 514 

Hill az-zill (CMX-IX) » 515 



Alphabetisch Register der handschriften 

I Maleische Handschriften » 51(5 

II Minangkabausche Handschriften » 537 



Nummers der Handschriften met volgnummers van den Catalogus. . » 538 



AFDEELING I. 

Verhalen 



HIKAJAT SERI RAMA. I. 

Bat. Gen. 78, 34V 3 X 22 cM., 312 bl., 32 r. Latijnsch schrift. 
Notulen 27 Juni 1871, IV, d. 

Handschrift van de geschiedenis van Rama, welke is uitgegeven door 
P. P. Roorda van Eijsinga, Amsterdam 1843. Over de redactiën van het verhaal, 
naar de Bataviasche handschriften handelt D. Gerth van Wijk in het Tijdschrift 
voor Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, deel XXXVI, bl. 401 — 434, naar 
welk opstel in de volgende bladzijden meer dan eens verwezen zal worden. 

Over dit manuscript wordt in genoemd opstel gehandeld op de bl. 400, 
407 en 408 ; daar wordt melding gemaakt van een toevoegsel aan het begin 
over de jeugd van Rawana, en van eenige verschilpunten met de uitgave. 

Voorin staat: ,. Historie van Rawana alias Dhosomoeko koning van 

Ngalengko of Historie der Reuzen en Apen als onderdeel van de 

Ramayana (Romo)". 

Na een geslachtsboom van Rawana volgt een „Toneel op Langka (Ceijlon) 
Tijdperk 2387 -\- 1851= 4238 jaar geleden", en daarna volgen de „Handelende 
hoofdpersonen." 

Boven aan den tekst staat: „Anno mundi 1374 (?) Locus Taprobona," 
en de uitdrukking: „Wabihie Nastain Bilallah inie Hikarj at" wat vertaald wordt 
met: In nomen Domini omnipotens D. O. M." (sic). 

Slechts de eerste bladzijde is vertaald; verder is alleen de rechterhelft 

der paginas met den Maleisehen tekst beschreven. Links zijn enkele inhoudsaan- 

duidingen gegeven (welker waardeering bij Gerth van Wijk voorkomt op bl. 

406), waarvan eenige hier volgen: 

Bl. 5. vorst Ditikatja der Reuzen te Silladar Poera. 
Verhandelingen. 1 



BI. 7. Tjitro-bahar, Tjator-boijo (4 schouderige) koning der Baraksa's 
(Keuzen) aan den opgang der zon, zoon van Bromo Rodjo. 

» 18. Bromodjoyo broeder van Niwolokotjo. 

» 22. Ditikoetjo sneuvelt. 

» 27. Toewan Poetri Raksapandi te Dauaar Poera huwd de dochter 
van Bromolodjo. 

» 33. De Reusachtige Rawana wordt naar Langkapoera gewezen. 

» 34. Asomo Rodjo sterft. 

» 35. Begin der eigenlijke Historie van Rawana. 

» 36. Dialogus tusschen Adam en Rawana. 

» 47. Rawana verdeeld zijne heerschappij. 

1 Ario bibisono, broeder 1 / 5 . 

2 zoon 1 / i 

De laatste aanteekening is : 

Soebali Radja Nangada wordt vorst van Lagara. Rama blijft te Lang- 
kapoero, Djanggapalawa, zijn zoon, gaat naar Maharasagala. 

Voor verdere bijzonderheden van dit HS worde naar de genoemde paginas 
van vermelde verhandeling verwezen. 

II. 

HIKAJAT SÉRI RAMA II. 

Bat. Gen. 136, 33V 2 X 21% c.M. 226 bl., 23 r. 
Notulen 1891, Aug. I, h. 

Dit Handschrift is volkomen gelijk aan de uitgave; zeer net geschreven. 
Voorin staat: Copie van een handschrift uit Palembang. 
Dit handschrift is niet in bovenbedoeld opstel besproken, daar het na 
dien tijd in het bezit van het Bataviaasch Genootschap is gekomen. 

III. 

HIKAJAT SERI RAMA III. 

Bat. Gen. 204, 29 1 /* X 19V a cM., 238 bl„ 22—28 r. 

Een slordig en uit niet bij elkaar behoorende gedeelten samengesteld 
handschrift, met twee verschillende handen. 
De eerste bladzijden zijn gescheurd. 



Het i^al' op bl. 6 valt samen met dat van hl. 20 r. 6 v. o. der uitgave, 
bl. 3 r. 8 v.o. met bl. 16 r. 1 dier uitgave, en het begin der zeer geschondene 
eerste bladzijde met bl. 13 r. 4 (y^JS J\ó) der editie. 

Enkele stukken komen met de parallelle gedeelten der uitgave geheel 
overeen ; verder is : 

Hs. bl. 11 r. 6 = uitgave, bl. 23 r. 7 
» » 32 r. 6 » » » 35 r. 5 v.o. 

Na bl. 35 eene lacune ; dan 

Hs. bl. 36 r. 9 v.o. = uitgave, » 24 r. 1 v.o. 

Na bl. 37 komt eene andere hand tot bl. 47; de twee handen wisselen 
zonder goede aansluiting af. 

Het JLaal) van bl. 94 Hs = idem der uitg. bl. 53. 
» » » » 103 » » » » » » 59. 
» » » » 110 » » » » » » 63. 

Dan volgt onmiddellijk de geschiedenis van ,[]£ (jUio en Indra Dewi, 
terwijl hetgeen in de uitgave onmiddellijk volgt in het handschrift op bl. 114 
vermeld wordt. 

Het 'i^l) van bl. 115 Hs. = idem bl. 64 der uitgave; na bl. 115 is 
eene lacune, ook later veelmaals. Verder: 

Bl. 122. Rawana in zee geworpen en door zijn wagen meegevoerd. 

» 133. Ontstaan van Hanoman. 

» 138. Rawana ontvoert Mandoedaki. 

» 153. Strijd van den karbauw ^jyo^ m et Maharadja Balia. 

» 210. Rawana schaakt Sita Dewi. 

■>' 222. De haren van Rawana en Mandoedaki samengevlochten. 

» 234 x^al) komt overeen met idem van bl. 171, r. 6 v. o. der uitgave, 
en het slot van beide teksten is hetzelfde. 

Twee redacties, eene meer uitgebreide en eene die met de editie overeen- 
komt, zijn in dit HS. dooreengemengd. 

IV. 

HIKAJAT SERI RAMA IV. 

Bat. Gen. 252, 33X20 cM., 400 bl., 18 r., gedat. 17 Nov. 1896. 
Uit eene inlandsche leesinrichting. 

Voorin staat, na de mededeeling dat het handschrift voor / 0.10 per 
nacht te huren is, de waarschuwing dat de moslims dit verhaal niet mogen 



gelooven, maar het slechts mogen bezigen om er leering en gelijkenissen uit 
te trekken. 

De tekst is in alles, eene enkele uitweiding uitgezonderd, geheel gelijk 
aan dien der uitgave. 

Achteraan staat weder eene mededeeling aan inlanders en Chineezen 
aangaande de huursom en de noodzaak harer betaling, onder het opschrift 

V. 
HIKAJAT SÉRI RAMA V. 
Collectie v. d. W. 141, 33X21 cM„ 370 bl., 19 r. 

De laatste dertien bladzijden zijn gevuld met een gedicht (19 r.) waarin 
de Ramageschiedenis bezongen wordt. 

Dit HS. begint met het verhaal der ontmoeting van Anoeman Toegangga, 
welke in de uitgave op bl. 151 vermeld wordt. 

Het begin luidt: 

(XÜwj ^f) AxxX&ji L^-oj JUwj LL^o lL&» •JIaS'J <xi^A^J> -cS^c &*za±) 

j-Ijs >)jj.wj t * £-^ i)jj-Mj Ax^yc (jU ii»:spuw (jtS .aJXwj lL>-< (*'n'.r WJ i C^g-WiJ 

^U ^^j (*!^>r WJ ^ us^^- j*$ ^^ e/V^ «y^ f*!^/" ^^ ^^ 
_oJO) lL£-<> ^-^J <Jt ^ WJ e/^r a i-S*/-* ^ 4^ e/^ J (*^ ; ^° *b*" ^-^ ö^jj 

r,— ), J»Cw Ci^o ^f.-^-^ '■^"S^ £/*^ ^/^ (*1^/ JJ ^r ^—^S.^ ja/^^w _^-M (J^ 

-«JLo d/v* Sjiuu ^Ov< <jÏJ Jl-xi 8jA«j <xiy ti/^ij ^*j .^HJ r ^r? «yj^J 
^U^. L*« m;^-<^ c^-VJ (j^**» & i_S^ l " ^*" J&jt ^ f>f- ( ~ ^-H^ 

*e>^ r c_s^V ^^ ^ f^^ «J;^ eA^ S^-J^ 

Het overeenkomstige stuk in de uitgave luidt: 

L^oj JLx^o JIaj AaS" (jlsïi si) _-}. JXjj yj)j <xCaijJ' ^y^» Ll^^o 



^ÏJ JUS' ^J r^JÖ^ ij^o) ttaS'jj ^0) ^s'J) Oj) ^a1< ^U^ (Vc,) JÜ\j 

Omtrent den inhoud van dit handschrift vindt men mededeelingen in 
bovengenoemd opstel, bl. 408, r. 9 v.o. — r. 2 v.o., bl. 411 en bl. 412, r. 1 — r, 5. 

De volgorde der gebeurtenissen is eene andere dan die in cod. Leid. 
1689 (LXIV). 

Hier wordt onmiddellijk de voortzetting van den strijd en het sneuvelen 
van Rawana's vier zonen vermeld. Daarna de dood van Gangga Mahasoera door 

Rama's hand; van de ziel van i > x< (zie Juynboll, Catalogus, bl. 43) is geen 

sprake. 

Ook hier wordt Indratjit als zoon van Rawana voorgesteld; zijn strijd tegen 
Rama wordt in vele paginas beschreven. Rama wordt gewond, maar van het 
voorafgaande (zie catal. bl. 44 bovenaan) is niets vermeld. Maharadja Biboesanam 
en Soegarba en ^j^jUi en Hanoman Nila Angkada helpen Rama. Eerst 
daarna wordt het uitrukken van den berg, hier Bëlagiri geheeten, vermeld, en 
daarna het dooden van de op Sitti Dewi [sic) gelijkende vrouw. Met overgroote 
uitvoerigheid worden de gevechten beschreven; de dood van Indratjit wordt 
eerst op bl. 60 vermeld. Op bl. 68 begint de episode van JUi d^o (ook 
JIülLc). De gebeurtenissen die verder verhaald worden komen vrijwel overeen 
met die welke in zooevengenoemden cod. Leid. voorkomen, maar de volgorde 
is dikwijls verschillend. 

De verwonding van Laksamana staat op bl. 99. 

De samenvlechting der haren » » » 107. 

De drek van den wereldstier » » » 108. 

De zonnestilstand » » » 109. 

^ ^óy (hier J^j) » » » 11 7. 

Verder is het verhaal van dien codex in dit HS. zeer goed te volgen, 
met geringe afwijkingen in eigennamen. 



VI. 

HIKAJAT SERI RAMA VI. 
Collectie C. St. 143, 17 X 13 c.M., 898 bl., 13 r. 
Van dit zeer netjes geschreven handschrift is verslag gegeven op bl. 412 



(3 

van vermeld opstel, waar verschillende bijzonderbeden omtrent de in dit HS. 
vertegenwoordigde redactie worden opgenoemd. 

Het handschrift begiut „met de komst van Hanoman bij Bega wan 
Tjakra, zijn overgrootvader, dezelfde die elders Sang Perdana heet, en Begawan 
Koetama, zijn grootvader", en eindigt ,,met het leggen van den dijk, waarover 
Rama's leger naar Langapoeri trekt". 

Het laatst medegedeelde is het verhaal der apen die twee visschen openden 
en daarin duizenden ingeslikte visschen vonden; met de visschen worden de 
lieden van Hanoman gespijzigd, waarna allen naar het eiland J,)A Ui*, gaan. 
Het Hs. eindigt abrupt met de woorden : ^^ CS* c^o) 4y .0 CS* 
ll^^Lc c^^^w (J^J ij*'* f*\i*Sf» LlS-< iSjï* ^^ öl\iU*u ijJujti (j»-^V^ 

Het eerste gedeelte boven bedoeld (spijziging met de visschen) vindt 
men in de uitgave, bl. 143, bovenaan, maar anders voorgesteld. 



VII. 
H1KAJAT SÉRI RAMA VII. 
Collectie Br. 14, 30X20 c.M., 525 bl., 17 r. 

Over dit handschrift baudelt het bovengenoemde artikel op bl. 408 en 
409 en passim. Het begint aldus : 

,,De Maharadja Bisnoe in de negri Kajangan heeft een zoon S?ri Rama 
geheeten ; eens is deze in Kajangan aan het spelen ; hij ziet de schoone prinses 
Dewi Andjani, die op de punt van een naald in de zee staande haar boete- 
doening volvoert (bertapa), wordt verliefd (kadatangan sjahwah), zijn manikam 
valt in zee en wordt door Maharadja Bajoe in den mond der prinses gebracht". 

De inhoud van het laatste gedeelte is: 

Tilawi gaat naar Ratna Sendari Dewi, en verzoekt zijn ouders haar te 
mogen terugsturen ; de ouders duchten de boosheid van Biboesanam en staan 
het niet toe; hij berust daarin, verwaarloost zijne vrouw en verblijft bij zijne 
andere vrouw Indra Koesoema Dewi. Biboesanam hoort het met ergernis; hij 
bouwt later de stad Boedi Poera Nagara, waar hij Laksamana en Hanoman 
ontvangt. Bardan Tjatradan gaat naar zijn land terug; de naam van dat land 
is Ispahan (!). 

De episode van genoemden codex Leid., zie Catal. bl. 46, r. 4 — 11 wijkt 
hiervan belangrijk af. Boedi Poera Nagara is ^.J' ^Sj) de stad niet door 



Biboesanam maar door Rama gebouwd; in de uitgave, bl. 183, ten rechte 173, 
r. 11 v.b., heet die stad Ajodja Poera Nagara. 

Over het algemeen heeft deze redactie (voorzoover de verbastering van 
de Ramalegende op dezen naam recht heeft) weinig gemeen met die der editie. 

Eene andere Ramagescbiedenis maakt een deel uit van de Sërat Konda; 
men vindt haar in No. 209, deel II en III. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1689, 1755 (2), 1936 en 3248, Nos. LXI1I— LXVI, Catal, 
bl. 40—50. 

Londen, Royal Asiatic Society, No. 22. 

Londen, East India House, M'kenzie-coll. No. 64. 



vin. 

SÉRAT KANDA. 
Bat. Gen. 209, 21X17 c.M., drie deelen. 

Bij gebrek aan betere benaming is aan dit geschrift de titel Sërat Kanda 
gegeven, daar in de met dien algemeenen titel aangeduide Javaansche geschrif- 
ten in dezelfde volgorde als hier het godenverhaal, dat van Watoe Goenoeng 
en dat van Rama (vl. den zgnden Rama Këling) voorkomt. Tot de speciale Ra- 
mamaterie is dit geschrift niet te rekenen, evenmin is het onder de Ardjoena- 
Widjaja stof te rangschikken, welke beide vereenigd voorkomen in cod. Leid. 
2309 en 2048, Vreede-Catalogus der Javaansche en Madoereesche Handschriften 
der Leidsche Universiteitsbibliotheek, III en IV. Evenals in laatstgenoemd 
manuscript verkeerdelijk de titel ,, Boekoe Soerat Romo Kawi" voorkomt, wordt 
in dit handschrift ten onrechte de titel Hikajat Seri Rama aangetroffen. 

Deel I, 366 bl., 15 r. gedateerd 30 April 1884. 
Achteraan staat: 

1892 jiy*x\ ^ lS& j^^j Jji fjVÏÏ uS)^ 
Deze datum is die van het beëindigen van het afschrift: het Hs. is 
gecopieerd naar een uit Bandjaimiasin ter leen ontvangen tekst. Zie daarover 
Notulen XXIX (1891), bl. 97 en XXX (1892), bl. 58, 75 en 90. 

Inhoud : 

In den kajangan is een heerlijke bloem ; Batara Goeroe plukt haar, en 



8 

bewaart haar in een tjoepoe, waaruit na eenen dag een meisje te voorschijn 
komt, dat hij Dewi Seri noemt. Op raad van Narada laat hij haar verplegen 
in eenen tuin. Batara Wisnoe Moerti bemerkt dat de bloem geplukt is; hij 
ziet Dewi Seri en huwt met haar. Dit brengt een gara-gara teweeg, waarop 
Wisnoe en Dewi Seri uit den hemel gebannen worden. 

[Dit verhaal (bl. 1 — 14) wemelt van Javaansche woorden en volzinnen.] 
Daarna volgt het verhaal van Basoenadara en Basoenadari met de twee- 
lingdochters Sintoe en Landap; Sintoe, aan wie eene ellendige toekomt is 
voorspeld, droomt dat zij omgang heeft met Batara Goeroe ; zij wordt zwanger, 
en baart eenen zoon : Watoe Goenoeng. Diens geschiedenis, uit den Babad 
Tanah Djawi bv. welbekend, wordt daarna verhaald 

Ter vergelijking met de overeenkomstige Javaansche geschriften, worden 

hier de hoofdpunten van het verhaal met vermelding der bladzijden aangegeven : 

Bl. 23. Sintoe en Landap ontmoeten buiten Madaugkamoelian (sic) den 

asceet Radja Raksitama van Goenoeng Lapi ; 

» 28. Droom van Watoe Goenoeng. 

» 46. Zwerftochten van Batara Wisnoe Moerti ; geboorte van Raden 

J^'Lfjj en zijne avonturen. 
» 59. Maharadja Adjasila Arga Siba in Madaugkamoelian. 
» 75. Wisnoe en zijn zoon in het veld geworpen; ontmoeting met de 

widadari Indajawati 
» 92. Antaboga de heer van den oceaan en zijne dochter Përtiwi 

(wati); Naga Përtala. 

» 108. Indrapoera met vorst Maharadja Brahmana ; Bërawa Soekandi 

met vort Maharadja Singa Datikoewatja ; de veldheer Raden 

, Tjitra Baha en zijn zoon Raden Rahwana (welke naam op bl. 

131 wordt afgeleid van rah = bloed); avonturen van Rahwana. 

» 137. Hij komt te Langkapoeri, en krijgt twee zoons : Raden Indradjit 

en Raden Dewantaka. 
» 170. Rahwana bestijgt den hemel; ontmoeting met Maroeta, Dasa- 

moeka e.a. 
» 186. Wisnoe incarneert zich als Ardjoena Widjaja; Dewi Seri incar- 
neert zich als Dewi Tjitrawati. 
» 197. De berg Arga Poespita met den asceet Bagawan Djëti ; zijn 
dochter Ratna Sarindi en zoon Bangbang Kërtanadi. Optreden 
van Sëmar en Noeroegareng (sic). 
» 225. Het portret van Tjitrawati gemaakt. 
» 242. Geschiedenis van Langkapoera onder Dasamoeka. 



9 

» 246. Ardjoena Widjaja in Tandjoeng Poera. 

» 252. Strijd van Kërtanadi en twee reuzen. 

» 268. Vervolg van de geschiedenis van Rahwana in Langkapoera. 

» 270. Mahesapati door Ardjoena Widjaja verlaten; Tjitrawati en 

Sarindi. 
BI 277. Dasamoeka als garoede over de zeeën vliegende ; gevecht met 

Rahwana. 
» 301. Langkapoera geheel verlaten. 
» 313. Mahesapati onder Ardjoena Sasra. 
» 328. Mandarapoera onder Bana, zoon van Ratoe Embok met broeder 

Bagawan Rawatamadja ; de eerste door Dasamoeka gedood. 

Deel II. 214 bl., 16 r. 

Het begin, midden in eenen volzin, is aldus: 

).j» Uij y). ^p»») i_r J V ^^ J ^' tl /^^ j uV *^ ^ ^^ ^^ ^y 

^0$ ci^G <jfJo) eS'ü )jy* 

Inhoud : 

Dastarata hoort van eene weduwe dat zij de door hem gezochte vrouw 
als bloemenverkoopster heeft gezien, en dat deze door den vorst is opgenomen. 
Hij doet zich nu voor als kleinzoon der weduwe, en komt zoo bij Poetri 
Bëndondari, die hem bij zich neemt; hij maakt zich bekend, en vertelt hoe 
Rahwana gestreden heeft met Bagawan Rawatmadja, hoe hij Rahwana misleid 
had, en hem nu vreesde. Zij belooft hem hulp. 

Ter vergelijking met den Javaanschen Rama volsta het volgende uittreksel: 

Bl. 13. Geschiedenis van Bagawan Rësi Koetama, wiens stamboom 
langs vele wegen en generaties tot Batara Moelia wordt teruggevoerd. De wida- 
dari Ratna Oendaradi wordt zijne vrouw; zij pleegt overspel en krijgt Andjani, 
Soebali en Soegriwa; daarna volgt het verhaal van de ontdekking hunner 
onechtheid, gelijk ook voorkomt in HS. 78. (I) Avonturen der drie kinderen. 
Bl. 27. Dastarata krijgt Dajaprana en Dajakrama, en bij Soekasalia: 
Logawa en Mardaka. 

» 28. In Langka is Bëndondari, de vrouw van Rahwana, bevallen van 
een kind, dat hij in een kistje in zee laat wegdrijven. 

» 30. Geschiedenis van Nagara Mantilidiradja onder Maharadja Rësi. 

» 31. Geschiedenis van Soebali. 



10 

BI. 43. Geschiedenis van den reus Mangkoeboeana van Boemi Loka; 
vervolg van de geschiedenis van Soebali en Soegriwa. 

» 50. Geschiedenis van Sintadewi, dochter van Maharadja Rësi. 

» 63. Logawa en Mardaka komen bij Langkapoera, waar men bezig is 
met het schieten met pijlen op lontarboomen ; de wedstrijd met 
de bekende gevolgen. 

» 104. Vorst Mahesasoera en Kiskandaran; strijd met de dieren. 

» 114. Soebali wachtende op Soegriwa. 

» 134. Geschiedenis van Andjani (in Wandari) die van Hanoman be- 
vallen is; diens jeugd en avonturen. Vervolg van de geschiedenis 
van Soebali en Soegriwa. 

» 160. Optreden van Sëmar en Noeroegareng. 

» 163. Vervolg van het verhaal van Hanoman. 

» 177, In Boemi Loka: Diktjasinga en Diktjawigraha. 

» 188. Adipati Koembakarna en Aria Bibisan. 

» 190. Hanoman op weg naar Langkapoera; vele avonturen. 

» 209. Seri Rama verleent audiëntie aan al de zijnen; men spreekt over 
Hanoman die al zoo lang weg is; onder dat gesprek komt deze 
juist aan, en doet verslag van zijn wedervaren. 

Dit deel eindigt midden in een zin. 

Deel III, 442 bl., 17 r., gedateerd: Bandjarmasin 17 Nov. 1884, maar 
het afschrift zelf: Batavia, 8 Januari 1893. 

In het begin wordt de afgebroken volzin voortgezet: 

etc. CS)j\Ay* ^> f\. 
Verhaald wordt hoe Hanoman den last krijgt de familie van Wibisan 
(meestal zoo geschreven) af te halen. 

Dasamoeka zendt twee reuzen uit; hun verhaal brengt Rahwana tot 
woede. Hanoman komt bij Ditawilakrama, wien hij mededeelt dat Wibisan, 
door hem uit gevangenschap bevrijd, met Rama in Poentjawati is. Hij strijdt 
met Indradjit. 

Bl. 10. De stad Sangkala Boemi naar Poentjawati gebracht; optreden 
van Soegriwa en Anggada Anila. 
» 25. Santika vertelt zijn droom ; optreden van Sintadewi. 



11 

BI. 32. Rahwana en de patih Rahasta (lU^j^jY Uitvoerige beschrijving 
van den strijd tusschen Soegriwa en Hanoman, waaraan meer dan 
honderd bladzijden gewijd worden. 

» 136. Optreden van den zoon Rahwana Ganggamina in den samoedra 
agoeng. De strijd steeds voortgezet. Optreden van de dieven Ang- 
garsaran en Anggarsarani (bl. 172), van Patala Maraini en 
voortdurend optreden van Sëmar en Togok. 

» 202. Strijd van Hanoman en een djinn ; optreden van Maroeta 
Soeta. 

» 228. Audiëntie van den vorst van Poentjawati. 

» 231. Voortzetting van den strijd. 

» 241. Geschiedenis van Moeloentani in Wiraboemi; de strijd wordt 
algemeen. 

» 260. De sprekende pijl Brahma Kala van Indradjit ; hij sneeft 
(bl. 200). 

» 300. Laksamana in bezwijming. 

» 308. Rahwana op zijnen wagen Djaladara; hij berispt zijne vrouw. 

» 320. Het samenknoopen der haren. Strijd tusschen hem en Hanoman. 

» 333. Rama laat het groote vuur aanleggen. 

» 339. Soeriatmadja (Wibisan) te Langkapoera; Rama wel bewaakt in 

Poentjawati. 
» 352. Dewi Tridjati vertelt hare geschiedenis; zij blijkt de dochter 

van Rahwana te zijn. 
» 363. Sinta Dewi bevalt van Boetalawa; vlucht in het woud. 
» 367. Rama in droefheid over de scheiding. Optreden van de gewone 

wajangfiguren Noeroegareng, Sëmar, setan's. 
» 397. Gevecht van Laksamana en Tendjomaja (Dewi Indra Nadi); 
Datawilakram ï bestrijdt haar; ook Boetalawa, die later met 
haar huwt. 
» 417. Het kenteeken der oorringen. 
» 418 — 442. Rama wordt opgevolgd door Boetalawa. 
Rama vindt zich oud en afgeleefd; hij zegent Wibisan en alle anderen; 
allen willen met hem in den dood gaan, maar hij gedoogt dat niet. Een ieder 
geeft hij opdrachten, een ontzaglijke brandstapel wordt aangelegd; Sinta Dewi 
vraagt drie dagen uitstel alvorens hem in den dood te volgen; ziende dat zij 
nog aan de wereld gehecht is, wordt hij vertoornd op haar, en wijst haar toe 
aan Laksamana. Maar later heeft hij berouw, en bemerkt dat hij haar ten 
onrechte verdacht heeft; Batara Soekma (als Batara ka manoesia) eischt haar 



12 

voor zich op; te vergeefs bestrijdt Laksamana hem; bij is de aloes van Rara a. 
Rama zelf wijst Sinta Dewi toe aan Batara ka manoesia, bestijgt den brand- 
stapel en vaart op ten hemel. 



IX. 



HIKAJAT PANDAWA. 

Bat. Gen. 15. 32 X 20 cM., 476 bl., 23 r. 
Notulen 28 Juni 186G, III, 2. 

In het begin (maka tërsëboet përkata'an ada soeatoe tjarita orang dëhoeloe 
kala dari pada bëhasa Djawa dipindahkën kapada bëhasa Malajoe) wordt vermeld 
dat dit geschrift uit het Javaansch is vertaald. 

Over dit handschrift behoeft hier niet uitvoerig gehandeld te worden, 
daar het door H. N. v. d. Tuuk uitvoerig is geëxcerpeerd iD het Tijdschrift voor 
Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, deel XXV, bl. 489 — 537. Over de taal 
zegt hij : „de taal is alles behalve zuiver en behoort tot hetgeen de leerlingen 
van Roorda ten onregte „de gewone spreektaal" gelieven te noemen. Blijkbaar 
draagt de afschrijver hiervan de schuld, want uit een handschrift in mijn 
bezit blijkt het dat er ook eene redactie in goed Maleisch bestaat." 

Dat HS. is het n° LXXI, Leiden. 

Het in dit HS, vervatte wajang- verhaal is geenszins de echte Pandawa 
Lima, de Maleische bewerking van het Bharatajoeddha, waarvan Van der Tuuk 
uitvoerig verslag heeft afgelegd in deel XXI van genoemd tijdschrift, bl. 1 — 90. 

Een toepasselijk gedicht besluit het handschrift. 

X. 

HIKAJAT PANDAWA PANTJA KA LIMA. 
Collectie C. St. 111. 31 X 20 cM., 354 bl., 21—23 r. 

Een dergelijk verhaal als het vorige. 

Het begin ontbreekt. Het HS. vangt aan met den strijd van Dewa Barata 
met de twee boeta's: cj)j L>J ^A=- ^^ ^h^. ^ &>_}***> c^Jb 

Dit staat, met eenigszins andere woorden, te lezen in IX bl. 6, 



13 



Eakele afwijkingen zijn bv. Koenti in Bada Nagara, hier Dewi 
doerani, hier Mandoerini e.d. 
Het slot is 



Man- 



>l^j \S üyli" J\d ,—jiJ) 






<tió[\> 






£\XX> ^ 

Dit staat in IX op bl. 209, r. 5. 

Telkens zijn er grootere en kleinere afwijkingen van IX te bespeuren; 
van de Bharatajoeddha-stof is in dit geschrift meer verwerkt dan in IX. De nieuwe 
alinea in Tijdschrift XXV bl. 533 komt overeen met bl. 345 van dit HS. 

Het laatste wat hier verhaald wordt is dat Antaradja een witte olifant 
wordt, en zich Liman Pëtak noemt, en Gatotkatja in een banteng verandert: 
Toegoel Oeloeng. (Bij Van der Tuuk, 1. c. bl. 533. r. 2 v. o. Toenggal Oeloeng). 

Zie verder bij XII. 

Dit abrupt eindigende, en door verschillende handen geschrevene HS. 
is uiterst slordig, en vol doorhalingen. 



XI. 



HIKAJAT PANDAWA DJAJA. 

Collectie Br. 2, 25 X 20 cM., 274 bl., 19 r. 

Dit gevlekte en vuile HS. begint met het verhaal van het dobbelen van 
Darmawaugsa met Doerjodana; Aria Manggala en Sangkoeni dienen als bord, 
Sang Sana als dobbelsteen. Het begin van dit handschrift komt overeen met 
hetgeen op bl. G van deel XXI van het Tijdschrift verhaald wordt; de daar 
aangehaalde woorden komen bijna geheel eensluidend voor op bl. 1 van dit 
HS., dat inderdaad met de Londensche Pandawageschiedenis identiek is. 

De bij Van der Tuuk 1. c. onderscheidene alineas vallen in dit HS. op 
de volgende bladzijden : 

v. d. Tuuk Handschrift. 

bl. 10 bl. 36 (na bl. 38 eene lacune). 



13 

14 

15 onderaan 

17 

18 

43 

63 



60 

63 

77 

98 

101 

141 

171 



14 

bl, ibid. bl. 172 

» 65 » 174 

» 67 » 178 

» 79 » 228 (Sasrabahoe hier Satrabahoe). 



XII. 

HIK A JAT PANDAWA LIMA. 
Collectie Br. 3, 30 X 19 cM., 362 bl., 21 a 22 r. 

Het begin ontbreekt. 

Op bl. 12 wordt verhaald van de droefheid van Arja Praboe, en het 
optreden van Maharadja ^jo l^oü. De eerste groote afdeeling begint op bl. 
29 met inhoud: Basoedewa huwt rnet Arsawati en Andanoe. 

De volgende hoofdstukken hebbeu denzelfden inhoud als de afdeelingen van X. 

Br. 3. 
bl. 38 

46 

r - 



51 

5 



r ^3 



c. 


St. 111 


1. 


61 


» 


69 


» 


78 


» 


79 


» 


95 


» 


99 


ontbreekt 


» 


115 


» 


123 


» 


131 


» 


133 


» 


135 


» 


141 


» 


173 


on 


tbreekt 


» 


191 



Ü6 

73 

83 

» 92 

101 

110 

111 

114 

120 

151 

156 

191 

191 » 191 

» 200 » 219 (hier zijn nog 3 afdeelingen tusschen). 

219 » 235 ( » » » 2 » » ). 

» 223 » 237 



15 

bl. 225 bl. 239 

243 » 255 

246 » 257 

» 254 » 265 (opschrift eenigszins anders). 

271 » 279 

275 » 283 

286 .» 293 

298 » 303 

» 304 » 311 (hier is nog ééne afdeeling tusschen). 

306 » 313 

310 » 316 

314 » 317 

316 » 319 

318 » 329 

330 » 331 

» 334 » hebben andere titels dan de laatste 

» 357 » twee capita in C. St. 111. 

Dit HS. eindigt met de vermelding der aankomst van Patara Kësna in 
Martawangsa, waarna de schrijver mededeelt: 

y^ csj\* ^ Jfï iJ^Jjf- ijy. ^ l5*^ ^) }fj=r ^J^ ^ &? 



XIII. 
HIKAJAT PANDAWA. 

Collectie Br. 177, 33V 2 X 21 cM., 245 bl., 23 r. 

Een jonge copie van een teksb die zeer na verwant is aan dien van 
cod. Leid. LXXI, minder met dien van B. GL no 15, met geringe verschillen 
in eigennamen, als Pantjalipoetra: Mantjalipoetra. 

De alinea op bl. 500, in deel XXV van genoemd Tijdschrift valt hier 
op bl. 113; in 't algemeen vertoont dit HS. de redactie van LXX1 voornoemd. 

Van welk wajang-verhaal dit manuscript is, blijkt niet. 

Het begin is : 



16 






Het slot is: 

XIV. 

HIKAJAT DARMA WANGSA. 

Collectie v. d. W. 143, 31 V, X 20 cM., 58 beschr. bl., 21 r. 
Fragment van een pandawa-geschiedenis. 

Het begin luidt: 

C-£«« j+>yó£j> i3Ua«j .c^r^ cj^ <J t ^ l ^r' p*C&ju> AcUw jvi.J Jli' *!yt>J 

tj^i^ ^>iU Iwj ÏAfli" ^la*. L*g u5";^ ^£&)Aa.oJ ^,1^ JICw <)uJj) .y)IO 

*lüLi)J KtXJoj (_fX>J lo.xlS' &^ui ê)óJS JJ.J j) l^o.>- 

In het begin wordt vermeld dat Darmawangsa beraadslaagde met Batara 
Kërasna en Maharadja Mantjapati en de dëmang's en toemënggoeng's over het 
invorderen van de belofte van Doerjodana, dat Batara Kërasna zich daarmede 
belastte, dat hij uittoog door allen uitgeleide gedaan, de stad Astinapati bereikte, 
en de vier bagawan's ontmoette. 

In negen regels wordt dit verhaald; van de ampele beschrijving op bl. 
18 en 19 bij van der Tuuk, in deel XXI voornoemd is hier niets te vinden. 

Het laatste wat hier vermeld wordt is de droom van Batara Kërasna 
waarin Batara Goeroe en Indra hem gelasten de Pandawa's te bewegen om 
Astinapoera te verlaten en zich naar Martawangsa te begeven. Dit geschiedt, 
Ganda Koesoema blijft de stad bewaken. Darmawangsa wordt geëerd en be- 
mind. Kërasna gaat naar Daroewati; Darmawangsa regeert met beleid. 

Dit alles is te vinden op bl. 72, r. 4 v.o. — 1 v.o. en bl. 73, r. 9 van 
voormeld deel XXI; de aldaar aangehaalde woorden (^Ju^ Lo)L jjjo ,/3y>^ 
C^o) i^W/ C^su' ^V luiden nier f!)JJ <-*ï> fj»l)jtUjA -Jj* (i/V, 4 ^ 



17 

Hetgeen in de bl. 18 — 72 verhaald is, is hier samengedrongen tot een 
beknopt verhaal zonder beschrijvingen. 

Ambakarna heet hier Karna, Kësna: Kërasna. Bradjatiksna loengit (bl. 

28, r. 1), 



bl. 



» 



er (bl 


11, 


r. 


2) 


l^^X. 


J 


(volü»-jJ 






•icoper 


i vallen 


in 


het 


referaat 


als volj 


?t: 




HSS. 


134. 














Ref. 


v.d. Tuuk. 


17 






'Laxïl) 






bl. 


32 




24 








» 






» 


38 


r. 5 


30 








» 






» 


43 


» 20 


33 








» 






» 


47 


» 1 


40 








» 






» 


56 


middenin 


45 








» 






» 


65 


r. 15 v.o. 


47 








» 






» 


67 


» 3 


54 




r 


. 2 


v.o. 






» 


72 


» 10 » » 


55 




» 


5. 








» 


72 


» 4 » » 



De meer of minder verbasterde bharatajoeddha-legende wordt in enkele 
wajangverhalen verwerkt, en komt in secundaire versie in een enkel handschrift 
voor; de echte Pandawa-materie echter — die trouwens in HSS. als IX reeds 
eenigermate vermengd is — wordt in geene der vier collecties der hier beschre- 
vene manuscripten afzonderlijk behandeld. 

Die materie is ook vertegenwoordigd in andere handschriften, nl. 

Leiden, cod. 3195a, 3250 (Nos. LXVII en LXVIII) en 3377 (LXXI). 

[zie ook No. 3240 (LXXIV)]. 

Londen, Royal Asiatic Society, No. 2. 

Londen, East India House, No. 87. 

XV. 

HIK A JAT PANDA WA LEBOER. 

Collectie v. d. W. 144, 19 X H 1 /, cM., 197 bl., 15 r. 
Het abrupte begin is: 

■ _o'tt.^. AJ 

De inhoud is als volgt : 

De echtgenoote van Darmawangsa gaat henen. 

Lacune. 
Verhandelingen. 2 



18 

De vorst }UjU_ 8j (°°k JIjJ U-ta) vraagt welke vorsten nog niet aan hem 
onderworpen zijn, waarop het antwoord is: [^ u 5 ^ x ) van Mandapoera Na- 
gara; hij gelast het land aan te vallen en den vorst te vangen ; de grensstreken 
worden verwoest, de vorst is radeloos. In Martawangsa is Ardjoena in de ge- 
daante van Tjekel Soekma Diloeih met de trouwe Sëmar en Tjëmoeris; zij 
vernemen het bericht van den inval, en hegeven zich in den strijd ; de panaka- 
wans met hun gewone optreden helpen den aangevallen vorst, en bezorgen 
hem de overwinning. Nu trekt ÜjÓUJ-j zelf uit; de strijd wordt hervat, en 
de vorst wordt door Tjekel gedood, die daarmede de hand der prinses van 
Mandapoera Koesoemanati verdiend heeft, en den titel Praboe Anom Mangkoe 
Nagara verkrijgt. Alle door de gezanten van IUjU^j verjaagde kluizenaars 
beklagen zich bij Seri Djaja Krama, naar wiens land, Poerawati, de strijd 
zich verplaatst; de vorst verliest den eersten slng en sneuvelt. 37. Krësna gaat 
op verzoek van Dewi Sam badara Ardjoena zoeken, want de Korawa's willen 
Martawangsa aanvallen ; hij wil de vrouwen en kinderen in veiligheid brengen naar 
Poerawati; daar hoort hij hetgeen geschied is; hij komt in Dewalawati en bindt 
den strijd met de overwinnende raksasa's aan. Gatotkatja ziet dit van uit den 
hemel, Krësna verwelkomt hem en noemt hem Ki Poerabaja ; hij onderwerpt 
den reuzenaan voerder en geheel zijn heir. 

BI. 44. De geschiedenis der Pandawa's hervat. Narada spreekt den 
Bagawan in zijn ascese toe; Bima wordt geroepen, maar is niet wakker te 
krijgen, Narada wekt hem; Bima woedend over deze stoornis, mishandelt hem, 
Darmawangsa komt tusschenbeiden, en met Bima en Nakoela gaat hij naar 
Martawangsa, waarheen Krësna alle Pandawa-vrouwen brengt. 

Op bl. 49, r. 1 v. o. staat fasal 10 : mëngatakën Batara Krësna hëndak 
mëntjari Ardjoena dan tërsëboet poela Ratoe Korawa hëndak mënjërang. 

Krësna zoekt Ardjoena te vergeefs, ook Soejodana kan hem niet vinden ; 
de Korawa's rusten zich toe voor den strijd tegen de Pandawa's tot schrik van 
Batari Koenti, die te Astinapati vertoeft. In het eerste treffen vluchten de 
Pandawa's, maar Bima verbetert de kansen. 65. In Indra Poespa is Pantja 
Wira Djaja die elke schoone vrouw bezitten wil ; hij hoort van de vrouw van 
den Pandawa Sastra Widjaja, de zuster van Krësna; haar eischt hij op, en na 
weigerend antwoord ontvangen te hebben, trekt hij ten strijde. Intusschen wordt 
de groote strijd voortgezet. Ardjoena wordt nog steeds gezocht, in Mandoepoera 
vindt Krësna hem vermond, zij herkennen elkaar, Oegrasina hoort met schrik 
wie zijn onbekende helper was. Allen naar Martawangsa. Pantja Wira Djaja 

1) Later Uuuu ) Jf.) 



10 

was ter plaatse verschenen, en een moorddadig gevecht begint. Ardjoena helpt 
de Pandawa's, Karna verwondt hem, waar door de bloem widjaja koesoema 
(bekend ook uit de Hikajat Maharadja Homa) wordt hij weer hersteld. 91. Poe- 
rabaja hoort dat Dewarawati (sic) omsingeld is door het leger van Pantja Wira 
Djaja; Indra en Batara Goeroe bespreken deze zaak, en gelasten Narada aan 
Gatotkatja het bevel om den vijand te bevechten over te brengen. Op zijn pëta- 
pan toefde ook Hanoman in vermomming; met den in zijn ascese gestoorden 
woedenden Gatotkatja raakt hij in strijd. 

95. Zekere widadari Indara Sari deed ascese wegens een onwillekeurig 
verzuim door haar in den hemel begaan; op zeer bijzondere wijze (maninja 
dari oedara djntoeh kapada moeloetnja) had Gatotkatja haar bezwangerd. Hij 
verzoent zich met Hanoman, en gaat naar de belegerde stad; daar woedt hij 
onder de belegeraars, en doodt Pantja Wira Djaja, maar ook Raden Samba was 
gesneuveld, doch met ajar oerip herleeft hij. De groote strijd wordt voortgezet. 

BI. 115. Tjaritëra XII (§ 11 of Tjar. XI is niet aangegeven). 

Indara Sari bevalt van een zoon, die sprekend op zijn „vader" gelijkt; 
Doerga zorgt voor hem, en noemt hem Toenggal; voorspoedig groeit hij in 
den kajangan op, gewoonlijk met den bijnaam Adi Bëramoe aangeduid; 
later vraagt hij wie zijn vader is, en moet drie jaren tapa doen om het te 
weten te komen. 

Zoo doet hij, en daalt naar de aarde af. Eerst komt hij te Mërtjoenagara, 
waar hij twist zoekt en velen doodt, waarna de vorst nederig tot hem komt, 
en hem langdurig te gast houdt. Daarna gaat hij naar Tjantaka onder Dati 
Koemala; hij valt dezen aan, en overwint hem. 

BI. 146. Tjaritëra XIII. Pantjawati wordt belegerd door een door de 
goden vervoekten raksasa, wiens malapataka alleen door Adi Bëramoe kon 
„diroeatkën", Oetara Gangga (en Singa Djëlëma) is zyn naam. Velen hadden 
reeds gepoogd hem te dooden, begeerig naar de schoone prinses die als belooning 
zoude afgestaan worden. 

BI. 160. Tjaritëra XIV. Ook Poerabaja bestrijdt hem, ook Ardjoena, doch 
te vergeefs. Adi Bëramoe komt ter plaatse, goden helpen hem, en hij overwint. 

BI. 172. Tjaritëra XV. Het land en de prinses Poespa Seri Djati aan 
hem afgestaan. Daarna trekt hij naar Astinapoera, onderweg tracht men te 
vergeefs hem zijne vrouw te ontrooven. 

Na bl. 184 eene lacune. Hij ontmoet Gatotkatja, die hem verloochent, 
zij bevechten elkaar met allerlei gedaanteverwisselingen, de natuur komt in 
beroering, de hemel wordt bijkans verschroeid ; Narada daalt af om alles op te 
helderen, waarop de strijdenden scheiden, en Narada den zoon voor den vader 



20 

doet knielen. Vroolijkheid heerscht in Marta. Batara Krësna begeeft zich daar- 
heen, ter feestviering. 

XVI. 

H1KAJAT ANGKAWIDJAJA. 

Bat. gen. 180, 33 y 3 X 21 cM., 198 bl., 26—31 r. 

Dit achteraan Hikajat Pandawa Lima genoemde HS. heeft aanvankelijk 
den volgenden inhoud: 

De Pandawa-vorst Darma Wangsa gaf audiëntie aan Sang Bima. Hun 
gesprek loopt over Sang Ardjoena, wiens vrouw >,J^ is. Uit Djënggala 
Manik komt Sang Fatara Krësna, die evenals Ardjoena naar een kind verlangt; 
beiden gaan naar den Mërbaboe om kinderzegen van de goden af te smeeken; 
Soejodono van Koerawa en Sang Drona gaan met hetzelfde doel derwaarts. 
Op dien tocht laten Petroek en zijne gezellen zich op de bekende wijze gelden. 
Ardjoena en de Pandawa's worden door storm getroffen door den invloed der Kara- 
wa's; hij komt aan den bloemenberg bij den pandita Harma Kanda en diens dochter 
Poergawangsi ; hij huwt met haar en zij baart Poergiwa en Poegiwati (23). 
Dan gaat hij naar zijne eerste vrouw, die intusschen bevallen was van Raden 
Bagoes Tandjoeng Anom. Krësna krijgt een zoon Laksamana Andjasmara; 
Raden Bagoes wordt herdoopt in Abimanjoe, later in Angkawidjaja ; hij ver- 
looft zich met Soendari (38). 

Dit stemt geheel overeen met Leidsch HS. LX IX, en het vervolg ver- 
toont geene afwijkingen, en het begin van LXX wordt hier in dienzelfden 
vorm aangetroffen. 

Verhaald wordt nog dat de vorst van Indrawati Tjiptanggara geneest 
van zijne blindheid, en dat een brief met berichten over de schaking van 
Soedari wordt afgezonden; zie LXX, r. o in den Catalogus. Kort na dit be- 
richt eindigt het HS. abrupt. 

Ander handschrift. 

Leiden, cod. 3221 en 3244, Catalogus, bl., 52—54. 

XVII. 
HIKAJAT MAHARADJA GARËBAK DJAGAT. 

Bat. Gen. 251, 33x20 cM., 205 bl.. 18—19 r., gedateerd 19 Nov. 1892 
Uit eene inlandsche leesinrichting. 



21 

Wajang-verhaal van den volgenden inhoud: 

Darma Wangsa en Dar ma Koesoema zijn in het Pandawaland met Bima, 
Ardjoena, Sakoela, Soedewa, Pringgan dani's zoon Poerabaja, Ardjoena Tandjoeng 
Anom, Angkawidjaja, Soestira, Sëmar en de zijnen en anderen. Zij toonen den 
vorst een ring van Ardjoena, afkomstig van Narada; Gëroeboek, Anggaliak en 
Garang moeten dien aan Narada terugbrengen, die er reeds naar gezocht had 
ook in Astina, waar Drona, Biladewa, Boeloesrawa, Doersasana e. a. waren; 
nergens was de ring, rasoeng djari genaamd, te vinden geweest, eene belooning 
op het vinden was uitgeloofd, en vele onschuldigen, van diefstal verdacht, waren 
gedood op de plaats waar Drona de wacht hield. 

Daar komen Gëroeboek en de zijnen, vol angst dat de belooning hun 
ontgaan zal, Abiasa helpt hen, zij komen in strijd met Drona, worden over- 
wonnen, en geven hem een valschen ring hun door Abiasa geschonken; zij 
begeven zich naar den Soeralaja, een zwijn en een raksasa bevechten hem, 4000 
maal bedriegt Gëroeboek zijne tegenstanders met een valschen ring, wat steeds 
eene teleurstelling wordt voor Drona en hen die de belooning begeeren. 

Eindelijk geeft Gëroeboeg den ring aan Narada (bl. 28). 

Op hun terugtocht worden zij door de teleurgestelden aangevallen en 
gedood; Lesan Poera en Samba nemen het voor hen op, en verslaan de aan- 
vallers. Lodera komt daar op zijn wereldreis, en doet de lijken herleven; ijlings 
gaan zij terug. 

Op raad van Drona eischt de vorst de hoofden van Sëmar en de zijnen; 
door den nood gedwongen moei de vorst den eisch inwilligen, en Ardjoena zal 
hen onthoofden. Bl. 58. Maar Sëmar verandert van gedaante, en noemt zich Tjatrik 
Marga Sëmirang. Zijne drie zonen waren met Lesan Poera en Samba terugge- 
komen, zij hooren wat hen te wachten staat, en gaan naar Ardjoena, die 
deernis met hen krijgt en hun geen leed doet; zij vinden den veranderden Sëmar 
en herkennen hem niet, met zijne toestemming baden zij zich in den vijver 
der gedaanteverwisselingen, en veranderen zich: Gëroeboek in Garëbak Djagat, 
Anggaliak in Laja Anggalaja, Nalagareng in Nala Goeriang Nala. 

Sëmar weet iets van Bandjarnagara, welks vorst Bandjar Parsangga 
Gëroeboek indertijd gedood had; hem valt Nala Goeriang met de anderen aan. 
Garëbak Djagat wordt daar vorst, en laat te Astina door zijne twee broeders 
het hoofd van Drona opeischen ; hevige strijd, de broeders weerstaan allen, 
Drona gevangen en weer verlost door Bambang Soetama. Zij vluchten naar de 
Pandawa's om Ardjoena's hulp te vragen ; de twee volgen hen, Ardjoena be- 
strijdt hen veertig dagen. 

Garëbak Djagat en Tjatrik Marga Sëmirang gaan hen zoeken, vinden 



22 

hen nog strijdende; ook hen bevecht Ardjoena, zijne krachten begeven hem, 
hij verdwijnt. Drona wordt onthoofd, en het lijk wordt ten toon gesteld ; Barn- 
bang Soetama was gevlucht. 

BI. 127. In Djënggala is Darawati; eenen droom volgende gaat hij naar 
Astina, ontbindt daar de gevangenen, trekt verder naar het Pandawaland, pleegt 
overleg met de Pandawa's om in Bandjarnagara het hoofd van Drona te stelen ; 
dit gelukt, het hoofd wordt op het lichaam geplaatst en Drona herleeft. Garë- 
bak Djagat gaat naar het Pandawaland om den vorst van Djënggala te straffen ; 
hij vecht met Poerabaja en anderen, drie maanden lang. De vorst belooft hem 
Drona uit te leveren, indien hij den hemel kan bestormen. Hij neemt dat op 
zich, en bestrijdt de goden. 

BI. 160. Darawati gaat Ardjoena zoeken, en vindt hem versteend op den 
Meroe, eene straf der goden! 

In den hemel woedt de strijd, de goden verliezen, en roepen de hulp 
der Pandawa's in. Garëbak Djagat beschouwt zich als overwinnaar en eischt 
Drona op ; allereerst bedreigt hij Narada, deze geeft hem een raadsel op, indien 
hij dat raden kan zal Narada zijnen wil volgen. 

Narada en Batara Goeroe gaan naar Ardjoena en onttooveren hem. 
Garëbak Djagat had het raadsel opgelost en wilde hemelheer worden. Ardjoena 
komt ter plaatse, een geducht gevecht vangt aan. Drona ziet het aan, Tjatrik 
Marga Sëmirang bespringt hem, en nederig vraagt hij om genade. Ardjoena 
verliest den strijd. Opeens wordt Garëbak Djagat door een pijl getroffen; hij 
verdwijnt en Gëroeboek verschijnt; evenzoo gaat het met de drie anderen. 
Sëmar spoedt zich naar de Pandawa's. 

Algemeene herkenning en vergeving. Ardjoena gaat naar Marta, Drona 
naar Astina; groote vroolijkheid is alom. 

XVIII. 

WAJANG PANDOE. 

Bat. Gen. 241. 33 X 21, 281 bl., 18 r. gedateerd 6 Aug. 1890. 

Door eenen dalang van Kampoeng Padjagalan verteld aan den schrijver 
op Pëtjenongan, uit wiens leesinrichting dit HS. afkomstig is. 

Inhoud : 

Bramana doet Parikanan ontstaan, die naar de aarde moet afdalen met 
Maja Sitti. Een der goden, voor een langen lakon willende zorgen, incarneert 
zich in Sëmar, en stelt zich aan Parikanan voor als diens verzorger door de 



23 

«■oden gezonden. Zij stichten de stad Mandili Diradja. Sëmar laat vier werktui- 
gen worden tot menschen: Gëroeboek, Anggalia, Tjëmoeris en Gareng. Sitti 
Maja bevalt van Koemoenoejoesoe BI. 5. Vorst Koesambërat en zijn dochter 
Maliwati ; een vorst uit de zee vraagt haar, wordt afgewezen, en bestrijdt den 
vader, die vlucht naar Parikanan. Koemoenoejoesoe huwt met Maliwati, en gaat 
tapa doen op den berg Kali Sarang. 

BI. 12. In den hemel besluiten Batara Djaja, Langlang Boeana, Batara 
Lodera en Dewa Roedji om Doerga en zijne zuster Kamirati naar de aarde te 
zenden met vijf der dewa's; hunne stad wordt Tjampaka Wëdar. Doerga wordt 
Kalitnantara en Kamirati: Soeragini; hij vraagt om de hand van Sadatwati, 
de dochter van Batara Goeroe, de twee boden krijgen een weigerend antwoord 
en binden al de goden. 

Narada roept Koemoenoejoesoe ter hulp ; deze helpt, maar wordt op den 
berg Indra Gila geworpen. Narada doet het kind van Maliwati ter wereld 
komen ; dat kind, Sakoetëram genaamd, gaat de goden helpen, maar wordt 
ook op den Indra Gila geworpen, aan den anderen kant. De goden moeten 
toegeven, en de twee boden brengen Sadatwati naar hun heer. Het huwelijk 
wordt gesloten, maar in de sponde wordt hij papier, en zij inktschrijfsel ; dit 
wordt door Narada aan Koemoenoejoesoe gebracht; deze valt Soeragini in 
Tjampaka Wedar aan, doodt haar, en zij verdwijnt terwijl er een omslag om- 
laag valt (saroepa amplop), dat bij het papier blijkt te passen. De vijf patih's 
verdwijnen en worden een pajoeng en vier pijlen. 

Koemoenoejoesoe en zijn zoon vestigen zich in de stad, die nu Sapta- 
rangga genoemd wordt. Sakoetëram huwt met Maja Sari, dochter van den vorst 
van Koentah Diwa. Koemoenoejoesoe en zijne vrouw trekken zich terug naar 
den Kali Sarang, die nu Gadjawiah genaamd wordt. BI. 53. Ook Parikanan 
wordt kluizenaar, hij en zijn zoon keeren tot hun oorsprong terug. Sakoetëram 
krijgt eenen zoon ^ Q^ en later )jGLj 

In Manggada is vorst Tjitra Dewa met zoon Tjitra Koesoema en doch- 
ter Tjitrawati; de zoon verslaat allen die dingen naar hare hand; de vader 
vraagt hulp aan Sakoetëram, deze zendt ^X'L» die overwint en huwt met 
Tjitrawati (bl. 80). 

Nu over Dati Kamoedjan zoon van Boeat Lawa en Sitti Maja 
dochter van Indradjit; Dati Kamoedjan huwt met Kaliwati; hij wordt 
vorst in Pantjawati, dat herdoopt wordt in Band j ar Katoeman. Sakoetëram 
treedt af en wordt vervangen door .^jGw )-£Lj wordt patih, hij gewint 
Poerasara, Sëntanoe en Sambiwara van wie de oudste den vader vervangt. 

Koesambërat, de schoonvader van Koemoenoejoesoe geeft het rijk over 



24 

aan zijnen zoon, deze aan zijnen zoon, tot op Wangsapati die zich vorst van 
Warta noemt. Diens sperma valt in zee, een visch eet het op, Batara Djagat 
opent den visch, en er komt een meisje uit, dat wegens haren stank Laramis 
genoemd wordt. Wangsapati voedt haar op, wegens haar stank wordt zij door 
ieder geschuwd; dan wordt zij overhaalveervrouw op de Dërmajoe-rivier. Daar 
zal een koningszoon haar genezen. 

BI. 95. Poerasara gaat tapa doen, de vogelen nestelen op zijn hoofd en 
broeden er jongen uit, Sëmar wekt hem, en hij vervloekt de përit-vogels, zoo- 
dat zij weinige jongen krijgen, tot heden toe. Hij gaat zwerven, komt bij 
Laramis en geneest haar van haren stank, maar haar boot, een poesaka nog 
wel, verdwijnt; die was in een knaap veranderd, evenzoo haar stank. 

Daarop gaan zij naar Wangsapati, die hen doet huwen, waarna hij met 
haar teruggaat. Sëntanoe had inmiddels drie kinderen gekregen: Dewa Brata, 
Tjitëranggada en Tjitërasina. 

BI. 120. Poerasara gaat tapa doen, Laramis heeft een vrijage met Sën- 
tanoe, Dewa Brata tracht haar te dooden, Sëmar redt haar en brengt haar bij 
Poerasara. Sëntanoe zet hen na, de beide broeders duelleeren, maanden lang, 
de heele natuur komt in beroering. Onderwijl bevalt Laramis van Ganggasoeta. 
Het duel duurt jaren, Batara Djagat scheidt hen en verzoent hen ; beiden gaan 
terug, Poerasara gaat naar Wangsa, Sëntanoe gaat tapa doen. Dewa Brata 
verzoekt Poerasara om te regeeren, maar hij voelt zich oud, en laat zijne kin- 
deren Ganggasoeta, Gandamana, Ken Tjaka en Ken Tjaroepa roepen; Laramis 
gaat naar Saptarangga, dat herdoopt wordt in Ngastina. Daar regeert zij. 

BI. 146. In Basmak 2 ) is een vorst met drie dochters : Amba, Ambaliki 
en Ambawati. De nageboorte van de jongste wordt tot twee reuzen Goembaga 
en Goembagi, die de vader gevangen houdt. Vorst Basmak looft zijne dochters 
uit aan hem die de reuzen overwinnen kan; na vele anderen komt Dewa Brata 
en verslaat hen en krijgt de drie dochters. 

Tjitrasina en Tjitranggada vragen ieder om eene ; dit wordt goedgekeurd, 
en men viert de drie huwelijken. Maar Dewa Brata verlaat zijne vrouw, Amba 
verkleedt zich als man, vindt hem en smeekt om mede te gaan, doch wordt bij 
ongeluk door hem gedood; hare ziel voorspelt hem straf. 

BI. 180. In den Soeralaja hooren Tjitra Anggada en Tjitrasina dat zij 
naamgenooten hebben in Astina, menschen, geen batara's ! Zij gaan daarheen, en 
gelasten hen een anderen naam aan te nemen, na weigering volgt strijd, eindelijk 
sneven de prinsen van Ngastina. Abiasa en Ganggasoeta willen geen vorst wor- 

1) Zie den inhoud van HS. B. G. 15. weergegeven in Tijdschr. Ind. T. L. en V. K. deel 
XXV. bl. 489 sqq. 



25 

den ; de eerste moet huwen met Ambaliki en Ambawati. In den hemel 
worden de goden bestookt door de naga's Nagarangsang en Nagakilat ; de 
goden roepen Abiasa ter hulp, deze komt met Ken Tjaka en Ken Tjaroepa, 
die weggeblazen worden; steeds loert Nagakilat op Dewi Mampoeni, Gandamana 
wordt weggeblazen en komt met de anderen op de vroegere tapa-plaatsen. 
Narada bedwelmt de zwangere Ambawati en doet uit haar een zak met drie 
kinderen te voorschijn komen, en werpt dien in het hemelsche strijdperk, met 
veel moeite kan Nagakilat het openen, de drie kinderen Dastarata, Pandoe 
Dewa en Widoera Bambang Sittadjit zijn niet ongedeerd, in den hemel worden 
zij opgevoed. Dewa Nata doodt Nagakilat, Dastarata krijgt van Dewa Rodji 
toovermiddelen, de andere naga wordt eveneens gedood. 

BI. 253. In Widara Këndang is vorst Basoe Kawiti met dochter Koenti 
Nila ! rata en zonen Basoe Dewa en Aria Praboe; die dochter moet op Poelau 
Këntjana wonen, god Soeria bezwangert haar. De vader wil haar uithuwelijken, 
ziet haren toestand, wil haar dooden, wordt doer Soeria daarin verhinderd, die 
haar kind uit haar oor doet komen; het wordt Soeria Tamoedjoe genaamd en 
in Martalaja opgevoed. 

Dastarata wordt vorst in Ngastina, Abiasa naar Widai*a Këndang waar 
wedstrijden zijn om Koenti, die door Pandoe Dewa Nata verworven wordt. BI. 
275. In Gandarsina is Gandardesa met dochter Gandawati en zoon Angandara, deze 
wil Koenti hebben, Abiasa met zoon en schoondochter komen daar ; een strijd ont- 
brandt, Gandardesa wordt overwonnen en geett Gandawati aan Pandoe, die ook Roek- 
mani, de zuster van den overwonnen Larasoema krijgt. Allen gaan naar Ngastina. 

Dit moderne, Bataviaasch getinte, wajangverhaal heeft nog een vervolg, 
gelijk blijkt uit de woorden. 
Si (jjn^' «cüi Ll^olj ^l£oJ' jil Si ^jXejxe^ J'Ü )d) h\S.\s>. j) 

Zie daarover het volgend nummer. 

XIX. 
HIKAJAÏ GËLARAN PANDOE TOEROENAN PANDA WA. 

Bat. Gen. 253, 33 X 20 V 2 cM., 198 bl., 19 r., gedateerd 15 April 1390; 
uit eene inlandsche leesinrichting. 

Dit HS. vangt aan met het verhaal van Widara Këndang, dat in het 
voorgaande nummer op bl. 253 begint. Het verhaal is hier echter uitvoeriger, 
en op het eind wordt vermeld dat Dastarata Roekmani verkrijgt, en dat Abiasa 
wederom tapa gaat doen op den berg Indrakila. 



26 

Op bl., 83 gaat de geschiedenis verder als volgt: 

In Koesambërat zijn twee prinsessen Irangwati en Irang Danoe, reeds 
999 prinses hadden ze ten huwelijk gevraagd, thans komen de prinsen van 
Widara Këndang om hare hand. Een groot gevecht vindt plaats. Basoe Dewa 
en Aria Praboe komen daar, tijdens het gevecht van Djoerit Wësi en Bandjar 
Patoman, zij geraken met dezen in strijd, Basoe Dewa overwint honderden en 
verkrijgt de beide prinsessen. Hij volgt zijnen vader op in Widara Këndang, 
om kinderzegen te verwerven gaat hij een gouden hert zoeken. 

Bl. 108. In Giri Gasar is vorst Mesa Sëmbawa van het geslacht Siloe- 
man uit de zee; deze had de prinsessen van Koesambërat gevraagd, is nu 
woedend en verandert zich in Basoe Dewa, zijn patih in een gouden hert, en gaat 
naar Widara Këndang ; kort daarna komt de echte Basoe Dewa terug en be- 
merkt het bedrog, maar degeen die het gouden hert heeft kan niet verdacht 
worden ; zij vechten een jaar lang, totdat Mesa Sëmbawa verdwijnt, en weer 
zich zelf wordt. Ook het hert verdwijnt. Nu wil Basoe Dewa Irang Danoe 
dooden maar Aria Praboe brengt haar op den Wilis. 

Bl. 126. Nu over Ngastina. Gandawati verlangt naar kinderen ; het 
blijkt dat Koenti en Roekmani nog maagd zijn. Dit brengt opschudding te 
weeg in den hemel, het feit was te wijten aan de defectheid der mannelijk echt- 
genooten. (Hier verwijst de Pëtjenongansche schrijver naar de uitvoerige, afzonder- 
lijke werken, bij hem te verkrijgen.) De goden veranderen zich in dieren en 
doen de copulatio voor aan Pandoe Dewa Nata, hij doet het na, schiet uit 
boosheid op de goden, en wordt in den hemel gehaald om gemarteld te worden ; 
de vrouwen treuren, maar Abiasa komt en troost ze. 

De god Basoeki gaat in den buik van Irangwati, en wordt na ne- 
gen maanden geboren als Kakarsana. Koenti droomt van haren heengeganen 
man, en wordt deswege zwanger, vijftien maanden lang, eindelijk bevalt zij 
van Darmakoesoema. Later bevalt zij van een zak dien niemand openen kan. 
In alles helpen Sëmar en de zijnen, zij dringen zelfs in den hemel door om 
raad te vragen; na eenigen strijd kunnen zij Batara Goeroe spreken ; deze geeft 
een wapen, zij gaan terug, openen den zak, en er uit komen Wala Koedara 
en Aria Djaja Sina. Volgens anderen werd de zak geopend door wilde dieren 
in het woud, volgens weer anderen werd de zak door Darmakoesoema opengekrabd. 
Wederom wordt Koenti door eenen droom zwanger, en baart een kind dat 
Bambang Djanawi, Djanaka, Ardjoena, Kawistana en Soerialaga genaamd wordt. 

Bl. 180. Roekmani, door Koenti onderricht, wordt ook door eenen droom 
zwanger en baart Këmbar Soelasi en Sakoela Soedewa. Roekmani bestijgt vrijwillig 
den brandstapel en gaat ten hemel. Sëmar blijft zorgen voor de vijf Pandoe-zonen, 



27 

Dit gemoderniseerde wajangverhaal wordt met een toepasselijk vers 
besloten. 

XX. 

HIKAJAT ARDJOENA MANGOENDJAJA. 

Bat. Gen. 191. 33 X 21 1 /, c.M. 177 beschr. bl. 36—37 r. gedateerd 15 
Maart 1876. 

Een wajang-verhaal, welks inhoud aldus begint: 

Een land Pantjawati; de vorst aldaar was opgevaren ten hemel, en 
niemand wilde er regeeren. Drie apen: Soegriwa, Pépoet Poetih en Hanoman 
bespreken de zaak. Ook eene stad )Zsi ).)J rnet vorst Ganda Koesoema en twee 
broeders Ganda Widjaja en Ganda Prawata en den garoeda Paksi Térdjang 
Sioet ; hij hoort van Ardjoena in het Pandawaland, en gelast den garoeda de 
vrouw van Ardjoena te stelen. Darma Koesoema vertelt een waarschuwenden 
droom van hem aan den vorst van Djënggala Manik, wat dezen tot groote 
waakzaamheid aanzet; desniettegenstaande voert de garoeda zijn voornemen uit. 
Gatotkatja achterhaalt hem en ontneemt hem de vrouw, doch moet haar weer 
loslaten ; deze poging wordt door anderen in de lucht en op den grond herhaald, 
telkens verwisselt zij van grijper, maar wordt toch door den garoeda ontvoerd. 
Ardjoena gaat haar zoeken den 8 en Februari 1878 De korawa's trekken naai- 
de verlatene stad. 

Intusschen was de garoeda met vele belagers in strijd geraakt, o.a. met 
Anggada en Hanoman. De pandita Drona zet de korawa's aan om Sadewa en 
Kawintarsah te vangen; een geweldige strijd ontbrandt; Petroek en de zijnen 
treden als naar gewoonte op. Sadewa en Sakoela gevangen. Kawintarsah ver- 
dwijnt, Ardjoena door Anggada naar Pantjawati gevoerd. 

Op bl. 45 begint een gedeelte over de avonturen van Kawintarsah, hoe 
zij de uitruisting van Ardjoena vindt, en zich Ardjoena Mangoendjaja noemt. 

Evenals het voorafgaande stemt ook het volgende in hoofdzaken overeen 
met cod. Leid. 3241 (LXXV), nu en dan met eenigszins andere namen. 

Het schrift is onduidelijk en de taal zeer gebrekkig. Achteraan een vers 
over de beteekenis van vele in het verhaal voorkomende eigennamen. 

Vermelding verdient dat het slot niet een gevecht, maar een algemeene 
verzoening is. 

Ander handschrift: 

Leiden, cod. 3241, Catal., bl. 62 — 64. 



28 

XXI. 

WAJANG ARDJOENA. 

Bat. Gen. 244, 38 X 21 cM., 202 bl., 21 r., gedateerd 22 Mei 1897. 
Uit eene inlandsen e leesinrichting. 

Evenals alle voor deze inrichting door Moehammad Bakir ibn Sjafi c an 
ibn Oethman ibn Fadlï „toekang adjar anak mëngadji" gemaakte boeken is 
ook dit zeer uitvoerig: de huurprijs per nacht is ƒ 0.10. 

Dit op met roode lijnen bedrukt kasboekpapier geschreven wajangverhaal 
heeft den volgenden inhoud: 

In de Pandoe-stad zijn Bima Aria Roepa Tala Mëndala Griri, Ardjoena 
Soerialaga Kawistana, Sakoela, Sadewa, Ratoe Pandawa, Gatotsoera Peringgan- 
dani, Minantawan, Minatëradja, Angkawidjaja, Tandjoeng Anom, Dropadi, Soem- 
badra, Seri Kandi, Sëmar, Gëroeboek Nalagareng, Petroek en Tjëmoeris. 

Ardjoena uit zich over de slechtheid van Darawati (in een gesprek met 
locale Bataviasche aardigheden); hij wordt ziek, allen doen geloften voor zijn 
herstel, en hij herstelt op eens. De vorst van Djënggala Darawati acht zich en zijne 
vrouw beleedigd, en trekt zich gebelgd naar Ngastina terug. De pandoe-prinsessen 
waren: Këbon Aroem, Seri Kandi en Dropadi; verder waren in Ngastina Pandita 
Drona, Baladewa, Karna, Boeloesrawa e.a. Darawati vraagt om hulp tegen Ardjoe- 
na ; een gevecht ontstaat tusschen Samba en Wirsasena die verliest. De vorst van 
Djënggala doet een eed en zweert Ardjoena te zullen onthoofden; enkelen 
waarschuwen daartegen, doch zonder gevolgen, sommigen worden gevangen 
gezet. De vorst van Marta krijgt last Ardjoena te onthoofden, deze geeft zich 
over, en het afgehouwen hoofd wordt naar Ngastina gezonden. Angkawidjaja, 
Bambang, Soemitra en Soendari omhelzen het lijk ; het lichaam gaat met hen 
onder de aarde en volgt het hoofd op deszelfs tocht boven den grond; onder 
het paleis aangekomen hereenigt zich het lichaam met het hoofd, doch zulks 
geschiedt alleen des nachts, overdag is het gescheiden. De drie medegekomenen 
hebben verbodene liefdes; spoedig wordt dit ontdekt, een groote strijd ontstaat, 
bataillons worden neergeveld, Ardjoena wint steeds veld, eindelijk vlucht de 
vorst van Djënggala in den hemel, waar hij opgenomen wordt. In Marta is 
groote opgewondenheid en ongerustheid. 

Bl. 75. De vorst van Ngastina vraagt hulp in Langka Diradja, en 
bergt zich daar met Drona; Angkawidjaja valt die stad aan, Ardjoena bestookt 
den hemel, maar Narada onthoofdt hem. Zijn lichaam wordt in de rivier der 
widadari's geworpen, uit zijne ledematen ontstaan Soekmaroepa, Soekmadjanis, 



29 

Soekmamatjam en Soekwawarna. Widadari's minnekozen met hen, wat groote 
beroering in de natuur te weeg brengt; Ardjoena herleeft, de vijf bestrijden de 
goden; dezen vluchten naar den berg Parasoe, worden vandaar verjaagd, vragen 
overal om hulp, ook bij den zee-god, die zich echter aan Ardjoena onderwerpt. 
BI. 109. De goden roepen de hulp der zon in, overal achtervolgt hen 
Ardjoena, die zich telkens vermomt en zoo hunne hulde ontvangt. Bima, Sa- 
koela en Sadewa worden ongerust, en gaan naar Langka, waar Angkawidjaja nog 
strijdende was; Gatotkatja belegert die stad om Darawati te vinden, ook Ardjoena 
komt daar, algemeene vlucht naar Marta. De goden roepen de hulp van den 
vorst van Marta in, Ardjoena treedt in onderhandeling, en Darma Koesoema 
eischt zijne onthoofding, hij wordt onthalsd, en zyn lichaam op den aloen-aloen 
geworpen. Ontzettende droogte gaat heersenen, alles versmacht, men begrijpt 
dat Ai-djoena's dood daarvan de oorzaak is, de goden worden gedwongen hem 
te doen herleven, velen. o.a. Drona, verzetten zich daartegen, de oneenigheid 
ontaardt in strijd. De vier uit Ardjoena ontsprotenen gaan naar zijn lijk, hunne 
vrouwen de widadari's volgen hen en kussen het lijk; nieuwe wezens ontstaan, 
Ardjoena herleeft te midden van het strijdgewoel. De vijf nieuwe Ardjoena's 
worden door den opperste der goden naar Marta gebracht, eindelijk valt er 
regen, maar de strijd vermindert niet, allengs verdwijnen allen, en zoo eindigt 
de strijd. De goden vragen vergiffenis aan Ardjoena ; algemeene verzoening, 
feest in Marta. De vreemde vorsten keeren naar hunne landen terug. 

Een toepasselijk vers besluit het handschrift. 

XXII 

HIKAJAT POERASARA. 

Bat. Gen. 178. 34 X 21 cM., 150 bl., 17 r., met ^ele groote platen. 

Een sterk Bataviaasch getint wajangverhaal van den volgenden inhoud : 
Sangjang wil een mensch maken en naar de aarde doen afdalen. Na 
een poedja van negentig jaren kwam er een lichtglans, en daaruit een jonge 
man, de god noemt hem Sangkara en geeft hem de widadari Asmajawati, die 
met hem naar de aarde gaat ; de god draagt het hemelrijk op aan Sangjang 
Poenggoeng Batara Goeroe en verandert zich in loerah Sëmar om Sanggara (sic) te 
vergezellen. Zij tooveren de stad Soekta Doerdja te voorschijn, twee malen achtereen 
komt een cycloon benevens een leelijke man op Semar's gebed te voorschijn; hij 
noemt hen Gëroeboeken Anggaliak Alias Petroek. Sanggara krijgt drie zonen : San- 
tanoe, Sambiwara en Poerasara. Over den tweeden wordt niets verteld, de eerste en 



30 

derde gaan zwerven met Sëmar, Gëroeboek en Petroek honderden jaren, vinden 
Dewi Sëiiwati met wie Sëntanoe, op verzoek van Sanggara huwt, waarna deze 
naar den hemel terugkeert, en Sëntanoe en Poerasara zijn rijk verdeelen. Spoedig 
gaat Poerasara weer zwerven, en gaat met de panakawan's naar den Parasoe. 

Batara Goeroe voorziet de komst van eenen die grooter dan hij is: van Poe- 
rasara; hij gelast batara's hem tegen te houden, langdurig strijden zij met hem, en 
verliezen en verdwijnen; vier anderen vallen aan als wilde dieren, met hetzelfde ge- 
volg; Poerasara begeeft zich naar den Parasoe. Sëntanoe heeft intusschen eenen 
zoon Raden Përbata gekregen. Honderden jaren is Poerasara in tapa; Batara 
Goeroe zendt vier batara's als jonge vrouwen vermomd en vergezelt hen zelf ; zij 
trachten den asceet af te leiden, zonder gevolg. Ook Batara Djagat wendt eene 
vergeefsche poging aan, twee vogels nestelen op zijn hoofd, doch hij beweegt 
zich niet, vervloekt de përit's die tot heden toe niet vele jongen meer krijgen, 
dan staakt hij den tapa en gaat weer zwerven met de anderen. Eerst dan eindigt 
de beroering in de natuur. 

BI. 37. In Wirata was Bagawan Wangsapati, gehuwd met Wargawati 
en dochter Raramis met een mooi uiterlijk, maar een on verdragelij ken stank ; 
haar vader gelast haar overhaalveervrouw te worden en aan iederen reiziger 
medicijn te vragen. Poerasara komt op haar veer, besmeert de prinses met 
koenjit van den Parasoe en geneest haar ; zij geleidt hem naar haren vader, die 
hen doet huwen, waarop beiden naar Soektadoerdja gaan ; zij wordt zwanger, 
en hij gaat weer tapa doen. Sëntanoe wordt verliefd op zijne schoonzuster 
Raramis, tracht haar te bepraten, en zij om er een eind aan te maken eischt 
als liefdepand zijn land. Zijn zoon Përbata bespiedt hem en wil uit ergernis 
Raramis dooden, wat Sëmar verhindert door met haar in het bosch te vluchten. 
Den volgenden dag mist Sëntanoe zijne vriendin, en volgt haar spoor ; de achter- 
volgden komen aan den berg waar Poerasara in tapa is, en kunnen hem niet doen 
ontwaken, eindelijk maakt Sémar hem door zingen wakker en vertelt hem alles. 
Sëntanoe komt ook daar op zijn speurtocht, hij bevecht Poerasara maanden 
lang zonder te eten of te drinken ; de bosschen verbranden door den gloed der 
krissen, de geheele natuur is in opschudding. 

Onder Batara Goeroe's schaduw baart Raramis eenen zoon : Ganggasoeta 
die alras naar zijnen vader vraagt. BI. 122. Steeds strijden de broeders, de 
hemel verwelkt, de aarde beeft; alle dieren sterven; dit duurt jaren. Eindelijk 
scheidt Patara Djagat hem, en voorspelt de komst van Poerasara's nazaat Bam- 
bang Djanawi, die Ardjoena genaamd zal worden. Met wrok in het hart geven 
de broeders den strijd op, de goden beloven Poerasara dat Sëntanoe en zijn 
zaad zal gestraft wordeu. Steeds smacht Raramis in het 'bosch; daar het kind 



31 

i 

steeds naar zijnen vader vraagt, besluit zij naar Wirata te gaan. Poerasara 
hoort in den slaap een kind huilen. 
Einde abrupt. 

XXIII. 

LAKON DJAKA SOEKARA. 

Bat. Gen. 246, 33 X 21 cM., 96 bl., 34 r. 
Uit eene inlandsche leesinrichting. 

Inhoud : 

Pandita Dipa Koesoema op den Indra Kila krijgt eene dochter Ratna Sari. 
Deze droomt van Ardjoena in het pandawaland, en kwijnt van liefdesverlangen, 
de vader verandert zich in een vogel en gaat Ardjoena lokken; deze volgt hem 
en den 22 en October 1894 huwt hij met de dochter, die hij zwanger achterlaat 
om tapa te gaan doen op den Pakëmbangan, waar een pandita is met dochter 
Katnawati; met haar huwt hij, en laat haar zwauger achter. Hij komt terug 
in het pandawaland bij Soembadra en Seri Kandi, zijne beide vrouwen. Ratna 
Sari baart Djaka Tilangin, Sëmar voedt hem op, later gaat hij zijnen vader 
zoeken. Ratnawati baart Bambang Soekara; ook die gaat zijnen vader zoeken. 

Vorst Bandana, met dochter Danoedjawati wil alle pandawa's verdelgen. 
Djaka Tilangin echter overwint hem. Bl. 22. In Karang Këntjana is Parwa 
Koesoema met dochter Birantawati die alle pretendenten afwijst; de vorst van 
Astina Soejodana en Pandita Drona willen haar doen huwen met Doersasena. 
De vorst der pandawa's Darmawangsa heeft eenen zoon Pantjawala, die de 
prinses van Karang Këntjana laat vragen, een gevecht is het gevolg. Bl. 36. 
Djaka Tilangin mengt zich in het gevecht en wint, ook Bambang Soekara 
vecht mede. Zij Tjeiden en de gezant van Astina Gatotsoera Përinggandani wor- 
den bij den vorst toegelaten; zij kennen elkander niet, moeten elkaar bevechten 
en dooden elkaar. 

De hemel komt in beroering, Batara Goeroe laat levenswater brengen, 
waardoor zij herleven. Narada maakt hen aan elkander bekend. Djaka Tilangin 
huwt met Birantawati. Doersasana is naijverig en wil haar bezitten, en ontvoert 
haar. De afgezant komt in het Pandawaland terug met Soekara, dien Ardjoena 
omhelst; ook Djaka Tilangin komt daar. Ardjoena, Soekara, Djaka Tilangin 
en hunne volgelingen gaan naar Astina, waar spoedig strijd ontstaat. Doersasena 
was daar met zijne ontvoerde geliefde; hij moet vluchten, Birantawati wordt 
bevrijd, hij wordt gevangen, Astina verwoest, de vorst en Drona verbergen zich. 



32 

BI. 67 Dastarata incarneert zich als pangeran Djatiwitana, hij helpt 
den vorst en Drona, ontmoet Sëmar en de zijnen, en wil den sleutel der ge- 
vangenis bemachtigen, verkrijgt dien, en bevrijdt de gevangenen. Hernieuwde 
strijd. Te vergeefs bestrijdt Ardjoena Djatiwitana, ook Bima, vele weken; ook 
Praboe Djënggala en bijna allen uit het Pandawaland worden gevangen. BI. 78. 
Pandoe Dewa incarneert zich als pangeran Djatiwilaga; hij zal de Pandawa's 
helpen, ontmoet Ardjoena en Bima die tapa willen gaan doen, brengt de be- 
zwijmden weer bij, bevecht Djatiwinata, overal, in de zee en in den hemel, de 
o-eheele natuur komt in beroering. Batara Goeroe bemoeit er zich mede, en 
zendt Narada om de vechtenden te scheiden; Dastarata krijgt ongelijk. Allen 
gaan naar den soeralaja terug. 

XXIV. 

HIKAJAT AGOENG SAKTI. 

Bat. Gen. 260, 33 X 20 cM., 138 bl., 15—17 r., gedat. 18 Oct. 1892. 
Uit eene inlandsche leesinrichting. 

Inhoud ; 

Batara Goeroe is met Narada in gesprek. God Agoeng Sakti maakt 
opschudding met de widadari's. De twee goden veranderen zich in vlinders, 
paren met wijfjesvlinders, en hernemen hunne gedaante, maar uit die copulatie 
ontstaan ontelbare haarrupsen, die allen plagen door hevige jeuking. De goden 
willen Agoeng Sakti wegjagen, hij wordt vermorzeld en herleeft, wordt weer 
stof, herleeft weder, hij is winnende. Batara Goeroe en Narada, ten einde raad, 
zoeken hulp op aarde en vinden een koperen afgodsbeeld ; dat beeld gaat leven, 
zij noemen hem Batara Toengkang, en deze zal hen helpen. Maar Agoeng Sakti 
had een gouden beeld gevonden, doet het leven en noemt het Agoeng Doekat, 
deze zal hem helpen. Hij ontmoet Batara Toengkang; strijd. Agoeng Sakti 
vervolgt de twee goden, dezen vluchten naar den Parasoe, vragen nederig eenen 
asceet aldaar om hulp; hij blijkt niemand anders te zijn dan Agoeng Sakti! 
zij vluchten. 

Indra die in den oceaan geworpen was wordt door Agoeng Sagara gered, 
de andere goden komen daar, en Agoeng Sagara is weer Agoeng Sakti; hij 
verandert zich in Hanoman en in vele anderen. Bl. 70. Brahma doet tapa in 
de zee om de jeuking kwijt te raken; Agoeng Sakti verschalkt den vijand als 
Agoeng Boeana, weer vluchten de goden; naar den hemel vlieden zij, en 
sluiten alle toegangen. Agoeng Sakti doet zich voor als medicijnmeester, wordt 



33 

binnengelaten, maar weldra ontdekt verdwijnt hij, en verandert zich in god 
Kamadjaja in Agoeng Nagara, geeft daar les in kasaktian, en maakt zich bekend. 
Strijd ontstaat. De goden zien in hunne boeken dat Sëmar hen redden moet, vier 
hunner gaan hem roepen. Maar hij is niet wakker te krijgen uit zijnen slaap, 
zij voeren hem slapende naar den hemel, ook daar kan men hem niet wekken. 
Nu moeten de Pandawa's helpen, twee goden gaan Sakoetarama halen. 

BI. 107. Intusscheu strijden nog Batara Toengkang en Agoeng Doekat 
in alle elementen, ook in den hemel; daar worden zij brons, en tot wapens 
gesmeed. Sakoetarama bevecht Agoeng Sakti,' doch moet den strijd opgeven. 
Nog steeds slaapt Sëmar ; in het nymphenverblijf schrikt hij wakker uit zijnen 
droom, en is zeer verbaasd, en ook onthutst omdat hij eenen tand verloren 
heeft. Op eens doorschiet Sakoetarama Agoeng Sakti ; deze vliegt in Sëmar's 
mond, en wordt tand. Allen verheugen zich, de helpers gaan terug. 

XXV. 

WAJANGVERHALEN. 

Bat. Gen. 220, 35 X 21 1 /, cM., 87 bl., 32 r. Latijnsch schrift. 
Notulen 1876. bl. 30, en 1879, bl. 123. 

Dit met bleeken inkt geschreven HS bevat drie lakons ; 

bl. 1 — 30 de lakon Poerabaja sakit ; 

» 37 — 59 » » Maharadja Baladewa; 

» 65 — 87 » » Marakrama. 

Uit de aangehaalde plaatsen der Notulen blijkt dat deze wajangverhalen, 
die te Batavia voorgedragen worden, door Gr. Busken Huët zijn aangeboden, 
en dat het eerste uit den mond van een huisjongen is opgeschreven. Oor- 
spronkelijk waren er vier verhalen ; bij Van der Tuuk, die over eene uitgave 

> 

zoude adviseeren, is een, Branta Koesoema, verloren geraakt. 

XXVI. 

HIKAJAT TJEKEL WANENG PATI I. 

Bat. Gen. 132, 32 X 20 cM., 176 bl. 21 r. 
Notulen 3 Febr. 1860, II, c. 

Een bijna geheel vergaan en verteerd exemplaar, geheel onleesbaar. 

Voorin staat: .,Alg e Secretaris Baud." 

In Not. XVIII; XII, sub No. 17 staat: „het einde van dit fragment 

Verhantleling'en. 3 



34 

sluit zich aan bij het begin van dat, hetwelk in No. 1 37 der verzameling von 
de Wall is vervat." 

XXVII. 
HIKAJAT TJEKEL WANENG PATI II. 
Bat. Gen. 139, 35 X 22 cM., 238 bl., 16—19 r. 

Dit HS. is eene copie van I. 

Het heeft geheel denzelfden inhoud, dezelfde eigennamen en hetzelfde 
abrupte slot met dezelfde woorden als cod. Leid. 1709 (LXXV1), welks inhoud 
in Juynboll's catalogus bl. 65 — 67 geresumeerd is. 

XXVIII. 

HIKAJAT TJEKEL WANEN G PATI III. 

Bat. Gen. 142, 23x17 cM., deel I, 976 bl., 15 r. deel II, 948 bl., 15 r. 

Naar een HS. van Van der Tuuk en dat van de collectie v. d. W. 
No. 136 door Raden Djaja Sapoetra overgeschreven tekst, voor een deel critisch 
bewerkt door genoemden geleerde en L. W. C. v. d. Bei-g. 

Tot bl. 162 zijn aan den voet der paginas varianten aangegeven; even- 
zoo is deel II ingericht. Het geheel is ontstaan door een bij genoemde geleerden 
gerezen plan om eene uitgave dezer hikajat te bewerken. 

Voorin staat eene aanteekening van ,. Raden Djojo Sipoetro": 

I. „Hikajat clari toewan v. d. Tuuk dari no. 1 — 404 moepakat sama 
hikajat jang dari toewan van de Waal, dari no. 1 — 418, abis hikajat dari 
toewan v. d. Tuuk ada lain sekali tjaritanja. 

II. Hikajat Kelana Praboe Djaka saja priksa dari no. 172 — 491 samoewa 
moepakat dengan hikajat jang dari toewan van de Waal itoe, dari no. 418 
sampe djilid jang kedoewa no. 304." 

Daarna volgt eene lijst van alle eigennamen die in het verhaal voorkomen. 
Zie verder sub v. d. W. 136, het volgende nummer. 

XXIX. 

HIKAJAT TJEKEL WANENG PATI IV 

Collectie v. d. W. 136, 33 X 20V 2 cM., deel I, 590 bl., 19 r., deel II, 
528 bl., 19 r. 



35 



Het begin is 






Over den oorprong van het verhaal wordt dan het volgende medegedeeld : 
Adapoen ditjaritërakën oleh orang jang ampoenja ini dari pada dalang 
Soemirada namanja ij al ah jang amat masjhoer kapada tanah Djawa dan tanah 
Malajoe sjahadan maka adalah dalang Soemirada itoe adalah ia mënaroeh birabi 
akan anak pangeran Aria Djaja Wirata namanja maka anaknja itoe bërnama 
Raden Tjandradewi tërlaloe sangat baik parasnja sabab itoelah dikarangkën 
soeatoe lalakon ini soepaja dapatlah pënghiboer hati jang birahinja itoe dan 
soepaja lipoerlah dëndam jang didalam hatinja itoe dan dalam itoepon birabi 
dimana akan hilang dëndam itoe akan përinja djoega poen dalang ditjaritërakën 
ini arakian maka adalah karangan ini sakadar mëngambil adanja djoega karëna 
tidak tërsamarkën dirinja roepanja daripada sangat mabok birahinja itoe lëbih 
poela sëgala toean jang arif dan bid^aksana mëmatoet dia karëna poen 
dalang orang jang tëlah tidah chabarkën dirinja lagi maka barang kidoeng dan 
kakawin itoe setërëbit tërëbitnja tiadalah dalang tahoe akan salah dan bënarnjalagi. 

Daarop begint het verhaal aldns : 

In den hemel zijn Batara Asmara Dewa en Asmara Djaja met de andere go- 
den genoegelijk bijeen. Batara Kala had de wereld rondgereisd en kwam bij Batara 
Asmai-a Djaja, wien hij vertelde dat alles op aarde zooveel stiller was dan weleer, 
toen de paudawa's er nog waren, en dat hij bevonden had dat het land Java 
zeer geschikt was voor de goden om daar vorsten te worden. Hij veroorlooft Dewa 
Asmara Djaja naar de aarde af te dalen, onder beding dat hij Sang Soera Dewa 
tot patih zal aanstellen indien hij vorst wordt. Met dezen en zijne vrouw daalt 
hij af naar den Indrakila. 1'atara Goeroe en Batara Indra vervloeken Batara 
Dewa Sangjang Toenggal, en doen hem worden tot poenggawa van Ardjoena, 
want zij willen ,,mëndjadiken soeatoe lalakon dari pada Sang Ardjoena". Zij 
ontbieden Ardjoena en Maharadja Darmawangsa; dezen komen met Sikoela, 
Sidewa en Sang Bima; Batara Goeroe vertelt aan Darmawangsa dat hij over 
Ardjoena wil beschikken, „karëna akoe hëndaklah bërboeat soeatoe lalakon 
soepaja hidoeplah namamoe didalam doenia ini". 

Daarna gelast de <.,od Ardjoena zich te incarneeren in den vorst van 



6 



36 

Koripan, en Dewi Samandara in den vorst van Daha, die juist tapa doen op 
het eiland Noesa Seri om de goden om kinderzegen te vragen. Sangjang Toeng- 
gal wordt een sarodja-bloem in den mond van Rangka, deze geeft daarvan te 
eten aan zijne vrouw die zwanger wordt; Ardjoena doet zich een pinang moeda 
worden en valt in den schoot van den vorst van Koripan, die er zijne echt- 
genoote van te eten geeft, de Padoeka Mahadewi eet er een weggeworpen stukje 
van op. De vorst van Daha komt op hetzelfde eiland kaoel doen, wat een 
feestelijk samenzijn geeft. Dawi Sambadra doet zich als eene boenga tandjoeng bij 
den vorst van Daha neervallen, hij en zijne vrouw eten er van, en de Padoeka 
Mahadewi raapt een stukje op en eet dat. Eene vroolijke vischpartij besluit 
den dag, en men besluit het verblijf op het eiland op te breken; de beide 
vorsten spreken af dat kunne kinderen, zoo ze van ongelijke sexe zijn, met 
elkander zullen huwen ; zij komen resp. in Koripan en Daha aan. 

Tot hiertoe is een belangrijk verschil met cod. Leid. 1709 waar te ne- 
men ; zie den Catal. bl. 65, tweede alinea. 

Op bl. 38 wordt verder verhaald dat de Padoeka Likoe van Koripan 
bevalt van Raden Kërta Boeana, bijgenaamd Raden, „jU-j door de menseben 
genoemd Aloeng Koripan; de përmajsoeri kan niet baren als haar tijd gekomen 
is, wichelaars voorspellen de grootheid van het nog ongeboren kind, en gelasten 
den vorst wederom naar Noesa Sari (sic) te gaan om zich af te zonderen. 

De beroemde dalang Awang Sari vertelt dat toen de vorstin ééne maand 
zwanger was, de vrouw van Ki Rangka bevallen was van een zoon die dadelijk 
spreken kan, zijne gedaante verandert en zich voorstelt als Sangjang Adji 
of Sëmar, die Ino in alles zal helpen en een langen lakon zal doen ont- 
staan ; hij troost zijne ouders over zijn leelijk uiterlijk door hen er op te wijzen 
dat anders geen lakon of kakawin meer zou gemaakt worden, en toont hun in 
het geheim zijn ware gedaante. Hij groeit op en wekt ieders lachlust op. 

Eindelijk bevalt de vorstin van eenen zoon dien een oude asceet den 
naam geeft van Ino Kërtapati Oendakan Soerangga *), bijgenaamd Raden 
Asmara Djaja, vele hooge ambtenaren bieden hunne zonen aan als pëngasoeh van 
den prins, nl. Djoeroedeh, Poenta, Këi-tala, Prasonta en Toeras. Wederom krijgt 
de përmajsoeri eenen zoon Tjarang Tinangloeh, bijgenaamd Raden LJM .\S UuS 
en later eene dochter , M < èl£) 

Bl. 50. In Daha was enkele jaren na den terugkeer van den vorst de 
vorstin zwanger geworden, en bevallen van Raden Galoeh Lasmi Poeri Tjandra 
Kirana; Ken Bajan en Ken Tjindang en Ken Pasiran en Ken Pëtalangan en 
vele anderen worden aan haar toegevoegd. Later krijgt de vorstin eenen zoon 

1) Later: Rawisoerangga. 



37 

Raden Goenoeng Sari, bijgenaamd Raden Përbata Sari ; weer later wordt Raden 
Galoeh Adjëng geboren, en ook Raden Galoeh We. 

BI. 61. In Mandjapah.it wordt Raden Bangbang Djaja Indra geboren; de 
vader zoekt vriendschap met den vorst van Koripan, die een zeer bij zonderen 
kris voor hem laat maken, terwijl hij twee wonderkrissen voor de prinsen van 
Koripan en Daha bestemt; daarna wordt de vriendschap gesloten, onder aan- 
bieding van vele geschenken. 

BI. 86. In Angsoka bevalt de gemalin van Soekma Djaja van Astra 
Widjaja. Vele jaren daarna gelast zijn grootvader Naracla hem tapa te gaan 
doen op den berg Sila Barata, waar hij Bangbang Djaja Indra zal ontmoeten, 
met wien vereenigd hij de wereld zal overheerschen ; Indra wil hem tot onder- 
werp maken van een langen lakon. In Mandjapahit dwingt Bangbang Djaja Indra 
zijne ouders hem te laten reizen, en zonder hun verlof gaat hij tapa doen op 
den Sila Barata; hij noemt zich: Adjar Djaja Kasoekma en Astra Widjaja 
noemt zich : Adjar Adi Soekma. 

In Koripan en in Daha gaat het vroolijk toe ; het plan rijpt om voor 
Ino de hand van Tjandra Kirana te vragen. 

BI. 122. De vorst van Gagëlang krijgt een zoon Sang Marcljaja, bij- 
genaamd Raden Mantri G en eene dochter Raden Angling Ningrat. 

In Koripan vermaken Ino en zijne kadajan's zich kostelijk. 

Het huwelijksaanzoek wordt gedaan en aangenomen, groote vreugde 
heerscht in Koripan, waardoor de vorst zijne op Noesasari afgelegde belofte 
vergeet. Dat bemerkt Batara Kala, die Sotja Wiudoe als straffer wil gebruiken. 

(Eerst op bl. 149 komt deze Sotja Windoe ter sprake, in cocl. Leid. 
1709 reeds op bl. 62; trouwens de uitvoerigheid in dezen tekst is ongeëvenaard.) 

Sotja Windoe wordt in den droom vermaand Ino onschadelijk te maken 
voordat hij groot is ; daarna is het verhaal geheel zooals in cod. Leid. 1709, 
welks bl. 110 (Catal. bl. 67, r. 1) hier samenvalt met bl. 203. 

Het begin der tweede alinea van de aangehaalde catalogus -bladzijde valt 
hier op bl. 256; de namen der vier prinsessen zijn een weinig anders ten aan- 
zien harer landen. 

Het verhaal van den boedjangga Kelana Brahmana (cod. Leid. 2283, bl. 
130) begint hier op bl. 308. Verder is cod. Leid. 2283, bl. 151 = bl. 332, 
bl. 164 aldaar — bl. 354 hier, bl. 202 aldaar = bl. 384 hier, bl. 211 aldaar = 
bl. 396, bl. 218 *) = aldaar bl. 452 hier (Ki c [$£ J^jJ hier c Uj c^^AaT) 
bl. 347 aldaar — bl. 562 hier. 

De komst van Kelana Goeling Patirat uit Palembang wordt hier op bl. 



1) Dit cijfer lijkt mij onwaarschijnlijk. 



38 

3 van deel II vermeld; zeven landen heeft hij volgens dezen tekst veroverd, 
voordat hij Matavam onderwierp. De geboorte van Tjitra Angling Baja wordt 
vermeld op bl. 86, waar ook die van Mesa Tandraman verhaald wordt. 

De naam uuy» (.«jjJ luidt hier (bl. 148) oU (j*^/. 

Het begin van het beleg van Sotja Windoe, tevens het begin van cod. Leid. 
2284, valt hier op bl. 189; de Klinganeezen-geschiedenis begint hier op bl. 
323. Bl. 192 van dien codex valt hier op bl. 450. 

Dewa Soekmanasa heet hier Soekmasana, overigens is tot liet einde toe 
de inhoud van dat HS. hier getronw terug te vinden. 

Aan het slot wordt opgemerkt dat dit verhaal uit oude tijden is, en dat 
dergelijke labelen thans, als niet overeenkomstig den koeran, niet gemaakt worden. 

Ter vergelijking met de citaten uit cod. 1709 en 2283 (Catal. bl. 72), volge 
het gedeelte van bl. 38 uit dit HS. dat de geboorte van Kërtaboeana vermeldt: 

(JüJÜLj ^Ju) Lli^.o li^-o) .-.j^'t i-iJi' jdlij^j <xlLels*. ^*i »£jo ilSsi (J-S^c c^o) 
(j^J O^ (ji.^J |i^4 ui*;^ d*\ ^LJj CS^c aUaCcJ r^_) r^) üjsC i jlL 

XXX. 

HIKAJAT TJEKEL WAN ENG PATI V. 
Collectie v. d. W. 137, 31 1 /,, X 20 cM., 176 bl., 23—24 r. 

De bl. 1 — 63 hebben zoo zeer van de inwerking van den inkt geleden 
dat zij bij de minste aanraking uiteen vallen, en na korten tijd geheel onlees- 
baar zullen zijn. 

Dit HS. bevat een fragment dat begint kort vóór het optreden 
van den boedjangga Këlana Brahmana (in IV op bl., 308), met de woorden 

"— ^.' (j-^ f-^ j^ j^ ^j^ £>\j J^r- ijs&fj* ^JuUwjj' cS-< ^Lflftj) 

die in IV op bl. 305 n. 3 v. o, voorkomen. 

Het fragment eindigt in de beschrijving van het huwelijk van Pangeran 
Adipati in Gagëlang. De laatste zin begint: 

Deze woorden vindt men in IV op bl. 49, r. 1, de zin wordt niet als 
daar voortgezet, maar voorzien van het volgende slot: 



39 

dj*cj^c tjsJJb JJ Ju«j aJCLj <LfJ J^ «^^^H 1 <j?* ojuj i' CJ--< 

Op de eerste schutbladzij de staat: Alg. Secretaris Baud, en daaronder 
drie regels Gudjarati-schrift; op de tweede: „Ten gebruike ontvangen bij miss. 
Eerste Secretaris van het Gouv*. dd. 5 Julij 1856, No. 1247". 

XXXI. 

HIKAJAT TJEKEL WANENG PATI VI. 
Collectie C. St. 113, 34 X 21 cM., 658 bl., 17 r. 

Voorin staat: „naar een HS. van Batavia, thans in het bezit van H. 

N. v. d. Tuuk, Batavia 1870'; dit HS. is niet identisch met cod. Leid. 3245 

(LXX1X). 

De redactie is korter dan van IV, het verhaal is hetzelfde; alleen heet 

Dewi Samandara hier: Dewi Soembadra. De geboorte van Raden Kërta Boeana 

wordt vermeld op bl. 37, die van Raden Galoeh op bl. 49 en van Goenoeng 

Sari op bl. 60; op bl. 81 moet bl. 60 volgen. 

Ter vergelijking worden hier de voornaamste capita vermeld: 
Bl- 81 Lï^i'ls^c) Xxi LSf" (j^^-J <j^ ë&x£ w»-U>« 

» 151 Ujj ^AsxL* is^i (J'o ,[xi ijJüS J <xJuulm-S' 

» 164 ^-^) *ƒ * J jr?- (J^ J l^-ÓwjJ * * 

» 175 ^^r^ u^ i^j^ U' J culiiü). <j£> * » 

» 203 <_5V^ d/ü &LjrlLc r^.l^ ii,ii ol, » » 

» 263 li >] t-i*"^ i^ iy^ ^S^" L — > ^ J .r^ <j^j * * 

» 315 lU^JTU^J e^o^ty (_S"^- $£ <J^ » * 

» 378 ^y <*Sj£>^ ' — 'i; uf^^JJ ^vii .a«j ^ (j"4-<> » * 

440 C^o) i'-.), J^ ^^ e^^T^ i*^ L ^l' * y> 

537 i/W^j ^ U^** 3 ' e^ J ^; e^ ^ ^'^ » » 

Het slot, de vier huwelijken, wijkt eenigszins van IV af. 

XXXII. 

HIKAJAT TJEKEL WANENG PATI VIL 

Collectie C. St. 113 b. 25 X 19 cM., 545 bl., 19 r. 

Een vrij oud, zeer gehavend en doorgevreten exemplaar. 



» 



» 



40 

Het begin is: 

De dalang Soerengrana vertelt. De goden vreezen dat wegens de ledig- 
heid op Java de dalangs geen stof' meer zullen hebben; zij willen Naja Koesoema 
doen afdalen naar de aarde, en voorzien hem van op wonderbaarlijke wijze ontstane 
wapenen, benevens een wit paard uit de tranen van zijne vrouw Darasila. Zij 
daleu af' en stichten Koripan ; ook Daha, Gagëlang en Singasari ontstaan. Zij 
baart Lëmboe Soemirang en later Raden Mas Ajoe Këntjana, Lëmboe Amang Loe- 
hoer, Lëmboe Amang Djaja en Lëmboe Amang Djaja en Lëmboe Amang Sari. 

De vier zonen gaan naar Martapoera om te jagen, de goden slaan hen 
orade. San«ïancr Toenggal laat een stuk van zijn vleesch vallen, dat wordt tot 
drie vrouwen, van wie éene leelijk is; Lëmboe Soemirang verbergt ze. 

Naja Koesoema smeekt voor zijne vier zonen om vier nymphen; zij 
ontstaan uit liet zweet van Brahma: Soekma Djiwa, Soekma Maja, Soekma 
Nila en Soekma Gini. De oudste der zonen verbindt zich met Soekma Djiwa 
en wordt vorst van Koripan, de tweede met Soekma Maja en wordt vorst 
van Daha, de derde met Soekma Nila en wordt vorst van Gagëlang, de vierde 
met Soekma Gini en wordt vorst van Singasari. Daarna verdwijnen de ouders. 

Soemirang geeft in het geheim de drie sëlir's aan hooge ambtenaren. 
De vier broeders gaan naar de Sëgara Kidoel, de goden laten eene bloem 
vallen, de vier vorstinnen eten er van. De vorstin van Koripan baart Asmara 
Djaja genaamd Ino Kërtapati, getiteld Si Koeda Roesanggi ; de patih gewint 
Djarodi, de dëmang: Poenta, de toemënggoeng : Kërtala, de djaksa: Djarodi toea. 
In Daha wordt geboren : Lasminingpoeri, genaamd Galoeh Tjandra Kirana, 
de patih gewint: Bajan, de dëmang: Sangkit. In Koripan wordt verder geboren: 
Raden Sandi Baradja, genaamd Raden Tjarang Tinangloeh, in Daha nog: 
Përbatasari, in Koripan nog : Angloeng Karsa, genaamd Raden Lasmining- 
rat, in Gagëlang: Ratna Kamoedagang en Raden Sirikan, in Singasari: eene 
niet genoemde dochter. 2 ) 

Voor het overige is deze tekst van bl. 34 af' gelijk aan dien van IV; 
bl. 34 komt nl. overeen met bl. 17 aldaar. 

XXXIII. 

HIKAJAT TJEKEL WANENG PATI VIII. 
Collectie. Br. 168, 35 X 22 cM., 476 bl., 26 r., gedat. 30 November 1892. 
Dit HS. bleek bij onderzoek eene copie van C. St. LI 3 b. te zijn. 



1) Dit alles i.s met enkele wijzigingen liet begin der Hikajat Djaran Kinanti Asmarandana. 



41 
XXXIV. 

HIKAJAT TJEKEL WANENG PATI IX. 

Collectie Br. 175, 34 X 21 cM., 25 r. 

deel [, 342 bl. 
» II, 382 » 
Dit HS. bleek na onderzoek een afschrift van v. d. W. 136, op dezelf- 
de wijze verdeeld. 

XXXV. 

H1KAJAT TJEKEL WANENG PATI X. 

Collectie Br. 175 a . 22 X 17 1 /, cM., 274 bl., 16 r. 

Verkorte wedergave van het eerste deel van IX; de pagina's van dat 
HS. zijn op de randen vermeld, echter zonder opgave van het origineel. 

XXXVI. 

HIKAJAT TJEKEL WANENG PATI XI. 

Collectie Br. 281, 35X22 cM., 239 bl., 26 r., gedat. 28 Januari 1893. 

Het fragment begint even vóór de naamsverandering van Mesa Oeloen 
in Dëmang Oerawan, met enkele Javaansche woorden, gevolgd door (JJL, tJ.C*. 

<xjuli" ,i)^JU Jli c)^) deze woorden vindt men terug in IV, deel I, bl. 460: 
Si ^yl^" ^>^ji (J^^° ij^i) £^ uSLT^ / &^ ^ d^J* l -^ WJ { ^-£-° 

Het fragment eindigt bij de vier huwelijken en de troonsbestijging in 
Sotjawindoe, als in cod. 2284, bl. 112 vermeld wordt. Enkele eigennamen ver- 
schillen, bv. ëlfiS ^JL*jJ tier: c {& JL,)J, Nenek hj^ hier: Nenek ^^Jfc, 
Kasetra'an hier: Setrana e. d. 

Een didactisch vers beslaat de laatste drie bladzijden. 



42 
XXXVI' 1 . 
HIKAJAT TJEKEL WANENG PATI XII. 

Collectie Br. 803, 24 X 19 cM., 328 bl., 20—23 r. 

Dit HS. is gedateerd 13 Augustus 1833, en bleek na onderzoek het 
origineel te zijn van XI. 

Andere handschriften : 

Laden, cod. 1709, 2283, 2284, 3245, 3236, 3209, 3378. Catal. bl. 64—79. 

Londen, Royal Asiatic Society, Nos. 23, 27, 28 en 45. 

Londen, East India House, Nos. 50 en 51. 

XXXVII 

HIKAJAT DJARAN KINANTI ASMARANDANA I. 

Bat. Gen. 181, 20 X 16 cM., 546 bl., 16 — 17 r. 

Uit het Javaansch vertaald door dalang Soerengarana. 

Inhoud : 

Batara Goeroe, Batara Brahnia, Batara Indra, Batara Bajoe, Batara 
Doerga en Batara Maha Bisnoe bespreken het feit dat hemel en aarde ver- 
velend zijn geworden sedert de Pandawa- vorsten weder naar den hemel zijn 
gegaan, en er geen stof meer voor kidoengs is. Zij besluiten Naja Koesoema naai- 
de aarde te zenden; van vele poesaka's voorzien daalt hij met zijne vrouw Batari 
Darasila af; zij weent daarover, en uit hare tranen ontstaat het paard Si rangga 
ranggi. Zij dalen af in Koripan en heersenen daar, en krijgen tot zonen 
Lëmboe Sëmirang, Lëmboe Amang Loehoer, Lëmboe Amang Djaja en Lëmboe 
Amang Sari. ' 

Als dezen gaan jagen, maakt Sangjang Toenggal uit zijn eigen vleesch 
drie vrouwen, waarvan eene leelijk is, en laat ze vóór Sëmirang's voeten vallen ; 
deze verbergt ze en gebruikt ze in het geheim. Naja Koesoema verneemt dat 
er in Madjapahit vier prinsessen zijn : Poetri Poeri Këntjana, Dewi Lasminingrat, 
Rasmi Dewi en Raden Rasminingroem, benevens een prins Raden Brawidjaja; 
in Bali waren prins Raden Agoeng Koesoema en prinses Raden Dewi Ali-ali, 
die verloofd was met Brawidjaja, terwijl Agoeng Koesoema verloofd was met 
Dewi Angrawati uit Toeban. Naja Koesoema laat de vier prinsessen voor zijne 
zonen vragen, wat ingewilligd wordt. Na de huwelijken wordt Lëmboe Sëmirang 
vorst van Koripan, Lëmboe Amang Loehoer van Daha, Lëmboe Amang Djaja 



43 

van Gagëlang en Lëmboe Amang Sari van Singasari, evenzoo Brawidjaja van 
Madjapahit en Raden Agoeng Koesoema van Bali. Daarna gaat Naja Koesoema 
naar den hemel terug. De drie verborgen vrouwen bevallen in het geheim. 

BI. 25. In Koripan bevalt de mahadewi van Kërtaboeana of' Raden 
Bandjar Këtapang en de përmajsoeri van Raden Asmara Djaja djoedjoeloek 
Ino Kërtapati met bijnaam Koedara Sërangki, later van Raden Sandi Biradja 
bijgenaamd Raden Tjarang Tinangloe, daarna van Ratna Wilis bijgenaamd 
Tjandraningrat. De vorstin van Daha baart Lasminingpoeri, bijgenaamd Raden 
Galoeh Tjandra Kirana, later Përbata Sari; in Gagëlang baart de vorstin Ratna 
Kamoeda Agoeng en de Mahadewi: Djaja Koesoema en Soekma Koemara; in 
Singasari wordt geboren Ratnawati, in Bali: Anta Koesoema, Anta Djoeita 
en Djoeita Këntjana, en in Madjapahit Sëkar Këntjana, 

Batara Kala rooft Raden Galoeh Tjandra Kirana; zij wordt naar het 
bosch Martawangsa gevoerd, en noemt zich Rara Birangti. Ino gaat jagen, vindt 
haar en in liefde ontvlamd neemt hij haar tot zich; zijne moeder wordt boos 
op haar, zendt Ino uit om wild te zoeken, laat den palimbaja roepen, en 
gelast hem Rara Birangti te dooden; de beul brengt haar in een bosch, door- 
steekt haar en doet haar lijk op een vlot in zee drijven. BI. GO. Batara Kala 
doet haar herleven en een man worden, en noemt haar Mesa Këlaua Sira 
Pandji Asmara Djaja. Van sakti voorzien gaat zij naar Lasëm, waar twee door een 
vloek tot menschen geworden goden zijn: Enggana en Engganoe, die aangewezen 
zijn om Masa Këlana te bedienen; zij gaan naar den berg Mërtjoe Dewangga. 

Ino intusschen had niets gevangen ; hij komt bij de plek waar Rara 
Birangti gedood was, en leest haar schrift op een pandanblad ; hij bemerkt 
in Daha dat de prinses verdwenen is, en gaat zwerven onder den naam Djaran 
Kinanti Asmarandana. De vorst van Wiraboemi heeft eene dochter Raden 
Oedajasi en eenen zoon Doerpasina; deze vorst wordt door Djaran Kinanti 
overwonnen en gedood ; de dochter huwt met hem, de zoon sluit zich bij hem 
aan doch treedt spoedig op als vervanger van zijnen vader. Ino gaat zwerven 
met zijne vrouw, en komt in Wauggara, waar de prinses Goenoeng Këndang 
is; hij houdt zich daar niet op en gaat naar Mataram. waar prinses Angling 
Kartika en prins Singa Mërdjaja zijn, hun vader wordt door Ino gedood, en 
hij trouwt de dochter. 

BI. 108. Mesa Këlana Bira Pandji Asmara Djaja doet nog steeds 
tapa; Maha Bisnoe versterkt hare sakti, zij gaat zwerven en noemt Enggana: 
Djaja Paksi en Engganoe: Paksi Widjaja. Zij komt in Lasëm. De vorst 
aldaar heeft eene dochter Martajasa en eenen zoon Martadjaja; 
zijn broeder te Tandjoeng Poera heeft twee dochters Raden Soekma 



44 

Dewi. verloofd met den prins van Lasêru en Koemala Dewi. De ewenrer doodt 
den vorst van Lasêm. Martadjaja onderwerpt zich. en vervangt zijnen vader. 
Ook de vorst van Tandjoeng Poera wordt door haar gedood, en de twee doch- 
tera worden aan haar uitgeleverd. 

BI. 135. In Koripan wacht men te vergeefs op Iuo, overal wordt hij 
gezocht, alleen vindt men de beschreven panden-bladeren, waardoor de vorst 
de zaak begrijpt, en de vorstin gaat haten. Tegen zijns vaders wil gaat Raden 
Kërta Boeana Ino zoeken: hij wordt vervloekt en in eenen boeta veranderd: hij 
noemt zich Boeta Gangga Wila Raksa. rooft de prinses Angling Karsn. Tjarang 
Tinangloe gaat uit hartzeer zwerven, en tapa doen op den berg van Bagawan 
Këtani. Kërta Boeana was naar den berg Djanggala gegaan. Batara Doerga komt 
aan eerstgenoemden berg, Danoeradja genaamd, en helpt Tjarang Tinangloe: 
deze zwerft verder onder den naam Mas Taman Pëndjiloeiuan Këlana Sasra 
Widjaja. en komt te Pamoetan. welks vorst eene dochter Sotja Këntjana heeft, 
zijn broeder te Pëlaboehan heeft eene dochter Danta Kantjana. Mas Taman 
doodt den vorst, vervangt hem, en huwt met de prinses, de broeder wil den 
doode wreken, maar wordt ook gedood, waarop Ma< Taman naar Pëlaboehan 
gaat en met de prinses huwt. 

BI. 184. Boeta (^angora Wila R iksa en Raden Angling Karsa worden 
geholpen door Batara Bajoe en gaan zwerven. Mas Tamau wil zijne ouders 
terugzien, gaat naar Pandan sa-alas. waar ook Boeta Gangga gekomen is: hij 
bestrijdt Mas Taman. wordt gedood en herleeft in zijne gedaante van Kërta 
Boeana. Batara Kala wil zijn gunsten betoonen; te samen gaan zij Ino zoeken. 
Kërta Boeana noemt zich Mesa Siloeman Pandji A goeiig Koesoema. Angling 
Karsa noemt zich Ken Miloe Rara. De vorst van Pandan sa-alas had eene 
dochter Xilawati: hij bestrijdt de twee broeders en sneuvelt. 

BI. 2 , J! 1 . Djaran Kinanti was nog in Mataram, en gaat weer zwerven. 
Hij komt te Poerbalingga. waar ook Mas Taman en Mesa Siloeman komen; 
in die stad was geen vorst, de patih biedt haar Djaran Kinanti aan: Mas Taman 
eiseht ze op, een strijd ontstaat. Batara Brahma bemoeit er zich mede, en doet 
eenen orkaan waaien die Mas Taman en de zijnen opheft en in het woud van 
Madjapahit neerwerpt. Mesa Siloeman bezwijmt van schrik, en bijgekomen 
herkent en omhelst hij Djaran Kinanti. Mas Taman en Ken Miloe Rara vinden 
zich in een bosch. zij verkleedt zich als man en noemt zich Sang Soera Ning- 
rat. en hij : Sang Soera Këlana. zij gaan naar den patih te Madjapahit. verhuren 
zich daar als dalangs: Sang Soera Këlana en de prinses verlieven op elkaar. 

BI. 282. Djaran Kinanti en Mesa Siloeman zoeken hunnen broeder tever- 
geefs : zij komen in Soebira Limbangan. Djaran Kinanti noemt zich Mesa 



45 

Djaladri Sira Pandi Anggoeng Asmara en Mesa Siloeman : Mesa Binanggoen 
Amaksa Djaja. De vorst dier stad heeft eene dochter Raden Andajasari; hij 
wordt door de twee broeders onderworpen, en biedt zijne dochter aan. Te 
Bandjar Wangi heeft de vorst twee dochters Lasmi Poeri en Lasmi Dewi, zijn 
broeder te Bandjar Sagara heeft eenen zoon Soekma Koemara verloofd niet 
Lasmi Përi, en zijn broeder in Bandjar Mas heeft eenen zoon Satia Koemara, 
verloofd met Lasmi Dewi. Die drie vorsten verbinden zich tegen de twee broeders, 
maar vaders en zonen sneven, en de twee prinsessen worden uitgeleverd. Nu 
gaan zij naar Madjapahit en zien met bevreemding de vermeende dalangs; zij 
worden goed ontvangeu. Sang Soera Këlana vergaat van liefdesverlangen, en 
gaat poedja doen op den goenoeng Indra ; daar zegt een kluizenaar hoe hij zijne 
geliefde moet winnen. Teruggekomen brengt hij benzoë ; de rook wordt een 
slang die de prinses bijt, men laat op den Goenoeng lndra om medicijn vragen, 
ieder die haar genezen zal, zal haar krijggen, Soera Këlana geneest haar; hij 
noemt zich Poetra Sinom Praboe Djaja Koesoema en zijne zuster : Aria Binoeman 
Soekma Wilis; het huwelijk wordt gesloten. 

BI. 305. Mesa Këlana vermeide zich nog in Lasëm, gaat daarna zwerven 
met de buitgemaakte prinsessen ; men komt te Toeban, dat zich onderwerpt. 
Dan gaat zij naar Madjapahit, en eischt de prinses en Poetra Sinom op ; de eiscb 
wordt afgewezen, en de strijd ontbrandt, eindelijk komen Mesa Këlana, en 
Mesa Djaladri tegenover elkander, en sluiten vrede. Men is verbaasd over hare 
gelijkenis met Rara Birangti, zij wint ieters gunst, en wordt zóó bevriend met 
Mesa Djaladri, dat hij Rara Birangti vergeet. 

BI. 344. In Daha treurt Përbata Sari steeds om zijne zuster, en gaat op 
aanwijzing van Batara Bajoe zwerven onder den naam Mesa Djinawi Sira Pandji 
Koesoema Indra, en komt in Djadjar Tjampaka. De vorst aldaar heeft eenen 
zoon Raden Soekma Barata, zijn broeder in Papari Rama heeft eene dochter 
Raden Majaliki, die met elkaar verloofd zijn. 

Met hen komt de zwerver in strijd ; de patih's loopen naar hem over, 
Soekma Barata wordt gevangen genomen en ondei'werpt zich, de beide vorsten 
sneven. Daarna gaat hij naar Madjapahit, en komt bij de desa van Kjahi Gëde 
Lodaja, onder den naam Gamboe Soerata Djaja, en hoort daar wat in Madja- 
pahit is voorgevallen. De vorst laat den nieuwen gamboe spelen, hij trekt de 
aandacht, vooral van Mesa Këlana, die onafscheidelijk van hem is; zij herkent 
hem als haren broeder en maakt zich aan hem bekend. 

BI. 390 Eaggana en Engganoe veranderen zich in garoeda's, en brengen 
Mesa Këlana, haren broeder en hunne volgelingen in éénen nacht naar Daha ; de 
vrouwen trekken hunne vrouwekleêren weer aan, en komen bij hare ouders, maar 



46 

de vader wantrouwt en verjaagt ze. In Madjapahit had men de verdwijning van 
Mesa Këlana bemerkt; Mesa Djaladri gaat haar zoeken met Mesa Binanggoen; 
hij gaat naar Bali; de vorstin aldaar weet wie hij is, ook Mesa Binanggoen kent 
zij, en hunne geschiedenis vertelt zij aan haar hof; zij ontvangt het tweetal 
goed. Ino verlangt naar Mesa Këlana en Rara Birangti ; hij huwt met de oudste 
der Balische prinsessen, die hij alras medeneemt naar Java. De god .uJUo 
doet een storm waaien om de varenden te verdelgen, het schip van Kërta Boeana 
wordt in Balambangan aan land geworpen; Batara Doerga helpt hem, en deelt 
hem mede dat Ino niet dood is, gelast hem naar Madjapahit te gaan, om alles 
aan Tjarang Tinangloe te zeggen en met hem naar Daha te gaan. 

BI. 450. Ino was aangespoeld op Poelau Wirama Dewa, waar de wida- 
dari ^Ju Dewi is, zij brengt hem bij, en bemint hem. Haar vader Batara 
Gangga merkt dat, bestrijdt hem, hoort echter zijne geschiedenis, en keurt de 
verbindtenis goed. Beschrijving van grove scènes. 

BI. 466. Kërta Boeana kwam te Madjapahit aan, en openbaart het 
doel zijner zending. Dan gaat Poetra Sinom Ino zoeken, en laat zijne vrouw 
achter; buiten de stad vindt hij Mesa Binanggoeng, en maakt kennis met 
de Balische prinses. Zij besluiten naar Bali te gaan, omdat god LJ Jj^ c .i 
en Ratoe Tjakranagara daarheen gaan met kwade bedoelingen. Laatst- 
genoemde is vorst van Sotjawindoe ; hij had van Raden Galoeh Tjaclra Kirana 
gehoord, en besloten met zijne vasallen naar Daha te gaan. Hij kwam en liet 
de prinses opeischen. Op raad van Përbata Sari wordt drie maanden uitstel 
gevraagd. Kort daarna komen Poetra Sinom en Mesa Binanggoeng aldaar, zij 
bestrijden den wachtenden eischer zeer hevig. Batara Gangga openbaart Ino, 
die steeds bij -*)Ju> is, dat Raden Galoeh Tjandra Kirana niemand anders 
dan Rara Birangti is, en dezelfde als Mesa Këlana; in eens verplaatst de god 
hem naar Daha, hij maakt zich onzichtbaar, gaat in het paleis en verlost zijne 
geliefde. Juist dringt Ratoe Tjakranagara het paleis binnen, wordt door Ino 
gebonden, maar toovert zich terug in zijn kamp. 

BI. 506. Dewa ^JXo^ wil heel Java onderwerpen; vele landen buk- 
ken. Batara Gangga brengt \ x< bij hare schoonouders te Koripan, waar zij 
alles vertelt. Daar komen ook de vorsten van Bali en Madjapahit met hunne 
gezinnen, en de vorstin van Bali vertelt dat Poetra Sinom Tjarang Tinangloe 
is, en al de rest. Allen gaan naar Daha ; daar vindt eene algemeene herkenning 
plaats; de përmajsoeri van Bali zegt waar Ino zich bevindt; ook hij wordt 
herkend. De vorstin van Koripan erkent hare fouten tegenover hare schoon- 
dochter. Ratoe Tjakranagara onderwerpt zich, Daha is in feestdos, vele huwe- 
lijken worden gesloten, A \^ wordt Mahaclewi, de prinses van Bali wordt Likoe. 



47 

BI. 523. Nu nog over Dewa ( JX< T i Hij trok naar Daha, en levert 
daar een reeks van tweegevechten ; zijn vasal, de vorst van Balambangan, sneeft, 
ook die van Pasoeroehan e.a., Përbata Sari en Kërta Boeana worden door den dewa 
betooverd en gevangen, door tooverij verlost hen Tjarang Tinangloe, die de 
aanvoerders doodt. Eindelijk doodt Ino den dewa, en wordt vorst van Koripan ; 
Tjarang Tinangloe wordt vorst in Madjapahit, Kërta Boeana in Singasari, de 
prins van Bali, Poetra Nagara, in Bali. Ino neemt den titel Ratoe Praboe 
Agoeng aan. 



Al de landen bloeien. 



XXXVIII. 



HIKAJAT DJARAN KINANTI ASMARANDANA II. 

Collectie Br. 158, 34 X 21 cM., 341 bh, 28 r. 

Dit HS. gedateerd 27 Februari 1892, bleek bij onderzoek eene copie 
van het vorige manuscript te zijn. 

De titel Hikajat Djaran Ganti Asmarandana is onjuist. 

XXXIX. 

HIKAJAT PANDJI KOEDA SOEMIRANG I. 



Bat. Gen. 177, Deel I, 34X20 cM., 154 bh, 16 r., gedat.30 Juni 1888 



II, 33 X 20 



112 



15 



24 



1888 



Vóór in deel I staat dat de schrijver zijn taak heeft aangevangen den 
20«» Juni 1888 = den 9 en Sawal (sic) 1304. 

De inhoud van dit geschrift verschilt weinig van dien der door Juynboll 
sub. LXXXVI en LXXXVII beschreven teksten, doch is meer gedetailleerd, 
gelijk uit het volgende résumé kan blijken. 

(BI. 1- — 8 bevatten eene inleiding). 

Den vorst van Koripan wordt een zoon geboren : Raden Ino Kërtapati, 
getiteld Raden Asmaraningrat, die vier panakawans krijgt: Djarodi, Poentih, 
Karta en Përsanta ; den vorst van Gagëlang wordt een zoon Raden Singa Mantri 
geboren, den vorst van Daha eene dochter, Poetri Galoeh Tjandra Kirana, en uit de 
Padoeka Likoe: Galoeh Adjëng. ,,Maka Mahadewi tiada dapat anak satëngah tjerita 
ia dapat anak namanja Përbatasari, tatapi didalam ini tjarita ia tiada bëranak." 

Galoeh Adjëng en hare moeder zijn zeer naijverig op hare halfzuster. 
Allen gaan naar den tuin Bandjaran Sari, Tjandra Kirana gevolgd door Ken 



48 

Bajan en Ken Sanggit; de twee prinsessen krijgen oneenigheid over een vogel, 
in alles is Galoeh Adjëng der halfzuster onaangenaam. 

BI. 30. De vorst van Koripan laat voor Raden Inoe Kërtapati de hand 
van Tjandra Kirana vragen, wat aanvaard wordt tot ergernis van Galoeh Adjëng. 
Hare moeder laat haren bi-oeder een tooverkruid uit het woud halen, en ver- 
giftigt de përmajsoeri; de vorst wil haar dooden, maar wordt door haar bekoord. 
Eiken dag weent Tjandra Kirana op het graf van hare moeder. De vorst van 
Koripan hoort alles, en laat voor Tjandra Kirana een gouden pop maken met 
oude doeken omhuld, en een zilveren pop die in fijne stoffen wordt ingepakt. 
Galoeh Adjëng kiest de laatste, Tjandra Kirana vindt in haar prachtigen pop 
eenigen troost; Galoeh Adjëng wil hare keuze herroepen, doch Tjandra Kirana 
weigert; haar vader kiest partij tegen haar, en knipt haar de haren af. Door 
hare droefheid beeft de aarde. Diep gegriefd verlaat zij 's nachts de stad met 
Ken Bajan, Ken Sanggit en de Padoeka Mahadewi. Op de eerste pleisterplaats 
laat zij eene vesting bouwen ; zij kleedt zich in manskleederen. en noemt zich 
Këlana Pandji Samwirang Asmarantaka. Ken Bajan noemt zich : Koeda Prawira 
en Ken Sanggit : Koeda Përantja. Zij geeft last allen die uit Koripan komen 
te berooven; velen worden hare volgelingen. Zoo worden velen van Koripan 
daar aangehouden ; ook uit Mëntawan worden eenigen gevangen, enkelen vluchten, 
en melden het aan hun vorst die de uieuwe stad laat aanvallen; in een scherp 
gevecht worden de twee Mëntawansche hoofdlieden gedood, en de anderen onder- 
werpen zich. 

Nu trekt Pandji Samwirang tegen Mëntawan op; de vorst had al be- 
sloten zich over te geven; hij levert zijne dochters Poespa Djoeita en Poespa 
Sari uit, die dadelijk door Pandji bekoord worden. Met deze prinsessen trekt 
Pandji verder, en geeft ze aan de twee verkleede dienaressen, die ze, tot beider 
verbazing, niet intiem aanraken. Eiken nacht troost Pandji zich met haar 
gouden pop. 

BI. 118. De vorst van Koripan wilde kostbaarheden naar Daha zen- 
den als geschenk voor Ino, de brengers passeeren de nieuwe stad, hun schat 
wordt opgeëischt, bijna allen sneven of worden gevangen, de schat wordt buit- 
gemaakt. Ino verneemt het en trekt tegen de stad op, daar Pandji Samwirang 
hem had laten aanzeggen den schat te komen halen. Hij bestijgt zijn paard 
Si Rangga Ranggi en snelt naar de nieuwe vesting, wordt door Pandji Sam- 
wirang bekoord, en doet den begonnen strijd staken. Hij wil met Pandji slapen, 
maar zij weigert, vreezende herkend te worden ; zij geeft hem het geroofde terug, 
benevens een kleed van haar als aandenken. Dan gaat hij naar Daha, waar 
Padoeka Likoe den vorst overreedt Galoeh Adjëng aan Ino uit te huwen; 



49 

's nachts bezoekt Pandji heimelijk Daha, zij vernielt al de benoodigdheden, 
Ino weigert als bruidegom getooid te worden, en deukt aldoor aan zijn 
nieuwen vriend. 

Deel II. 
Voorin staat: 

^ .yt>lj' ir. o J)y,j 26 

In den huwelijksnacht neemt hij geen notitie van zijne bruid. Pandji 
denkt steeds aan Ino ; zij zendt de onderworpenen naar hunne landen terug, 
laat de Padoeka Mahadewi achter, en gaat naar den Wilis. Ino smacht naar 
Pandji, walgt vau zijne vrouw en gaat naar de nieuwe stad, waar hij de Ma- 
hadewi over de vertrokkene hoort weeklagen, waaruit hij begrijpt dat Pandji 
Tjandra Kirana is. Haar gaat hij zoeken onder den naam Pangeran Pandji 
Djajeng Koesoema, Djarodi noemt zich : Wirocn, Poeutah : Andaka, Kërtala : 
Kalang, Kjahi Përsanta: Kjahi Loerah Samar. 

BI. 24. De vorst van Sidajoe heeft eene dochter Galoeh Nawaug 
Tjandra; Ino komt daar en verslaat hem, en krijgt de prinses als buit. In- 
tusschen was Galoeh Adjëng schier razend om hare eenzaamheid geworden, 
doch haar vader heeft geen deernis, daar het op hem toegepaste toover middel 
bijna uitgewerkt heeft. Ino komt te Djagaraga. welks vorst twee kinderen 
heeft : Raden Wirantaka en Nilawati ; hij doodt den vorst ; onderwerpt den 
zoon, neemt de dochter, en beiden volgen hem. 

BI. 40. Paudji en hare dienaressen togen voort ; de ingewijden wisten 
reeds wie zij was, zij ging weer als vrouw gekleed. Zij komt aan den berg, 
waar Bigoe Gandasari tapa doet : den Wilis, en wordt door de ascete, hare 
tante, die van haar komst reeds wist, ontvangen. 

Djajeng Koesoema zoekt. Na veertig landen bezocht te hebben, komt 
hij in Gagëlang, welks vorst eenen zoon had Raden Sirikan, getiteld Singa 
Mantri; hij wordt plechtig ingehaald, zijn uiterlijk wekt de jaloezie van den 
prins op. 

Op raad van hare tante verkleedt Tjandra Kirana zich weer als man, 
en noemt zich Gamboe Warga Asmara, Poespa Djoeita wordt Gamboe Mëlari, 
Poespa Sari: Gamboe Entjik Asmara, Ken Bajan : Gamboe Sëkar Sari, Ken 
Sanggit: Gamboe Mëlangi. Allen kleeden zich als mannen, en gaan naar Ga- 
gëlang ; velen sluiten zich bij hen aan, 's nachts liefkoost Gamboe Warga 
Asmara haar gouden pop. De Gamboe's komen in Gagëlang en trekken de 

algemeene aandacht. Ino (Djajeng Koesoema) kust voortdurend den regenboog- 
Verhandelingen. 4 



K 



O 



kleuriger! saboek dien hij van Pandji Samwirang had gekregen ; Sëmar deelt 
hera mede dat er Gamboe's gekomen zijn; hij laat ze in Kampoeng Karang 
Pësantrian komen om te spelen, en wordt bekoord door Warga Asmara, die 
hij naar Pandji Samwirang vraagt, op wie zij zooveel gelijkt. 

BI. 72. Er waren twee broeders van den vorst van Djagaraga : de vorsten 
van Lasëm en van Poedak Satëgal, die om hunnen broeder te wreken Gagëlang 
aanvallen. Ino bestrijdt hen, en in zijn afwezigheid geniet Nilawati van Warga 
Asmara; de twee vorsten moeten zich overgeven. Die van Poedak Satëgal heeft 
eene dochter Koesoemawati, die van Lasëm : Soembasari, die beiden aan Ino 
afgestaan worden. Nilawati zegt aan Ino dat Nawaag Tjandra van Warga 
Asmara houdt, wat deze ontkent. Warga Asmara moet overal den lalakon 
Pandji Samwirang spelen; Ino bespiedt haar voortdurend, ziet haar met den 
gouden pop spelen, overvalt en kust haar; zij werpt haar gouden pop weg. 
Eindelijk heeft hij dus Tjandra Kirana gevonden, met alle anderen gaan zij 
naar Koripan. Eerst komen zij aan de vesting van Pandji Soemirang, die zij 
wegens de treurige daaraan verbonden herinnering vernielen. Onder de oude 
namen komt men in Koripan aan, waar Ino verwelkomd wordt. Als tegenge- 
schenk geeft Tjandra Kirana haren man de twee prinsessen van Mëntawan. 
De vorst van Daha verneemt alles en gaat naar Koripan ; de vorst van Gagëlang 
wordt daar genoodigd, hij komt en begrijpt hetgeen geschied is. De vorst van 
Koripan geeft de regeering over aan zijnen zoon, die Praboe Anom genoemd 
wordt, het huwelijk wordt gesloten, Nilawati wordt mahadewi, Galoeh Nawang 
Tjandra: padoeka likoe. De oude likoe en hare dochter worden ontboden, Galoeh 
Adjëng moet huwen met Singa Mautri die haar walgt. 

De vier gezellen van Ino krijgen hooge rangen en huwen met de 
hof juffers van Tjandra Kirana. Wederom krijgt de broeder der oude likoe last 
een toovermiddel te halen, maar de bliksem doodt hem; de vorst negeert de 
likoe, en zij sterft van verdriet. 

Wirantaka wordt vorst van Djagaraga, Poespa Sari wordt zijne gemalin. 
De oude vorst van Koripau trekt als bagawan naar den Wilis, waar hij zijne 
zuster Gandasari ontmoet. Singa Mantri wordt vorst in Gagëlang, de vader 
wordt bagawan. Koripan en Gagëlang bloejen. 

XL. 
HIKAJAT PANDJI KOEDA SOEMIRANG II. 
Collectie Br., 12G, 27V 2 X 21 V> cM., 162 bl.. 17 r 






51 

Van dezelfde redactie als I, alleen met eenig verschil in eigennamen; 
zoo noemt Tjandra Kirana als man verkleed zich hier Pandji Sëmirang Asma- 
ranata, Ken Bajan : Koeda Përpandji en Ken Sanggit : Koeda Prawira. 

Het einde van deel I valt hier op bl. 61. Ino verandert zijnen naam 
in Mesa Wirang Pandji Wahan. 

Een vers van 2 1 / 2 bl. besluit het verhaal dat eindigt met de woorden 

XLL 

HIKAJAT PANDJI KOEDA SOEMIRANG III. 
Collectie C. St. 125, 35 X 20 cM., 239 bl. 27 r., gedat. 23 Sapar 1248. 

De volle titel van het verhaal is hier: Pandji Soemirang Sira Pandji 
Pandaj Roepa. 

Uit eene uitvoerige, indertijd door Dr. Brandes gemaakte, thans in 
zijne nalatenschap bewaarde inhoudsopgave van dit HS. blijkt, dat de redactie 
eene andere is dan van I en II, d. i. die van het door Juynboll onder Nos. 
LXXXVI en LXXXVII beschrevene type, doch dezelfde als die van No. LXXXV, 
(cod. 3242). 

Volgens mededeeling van Brandes komt ook de tekst van dien codex 
geheel met dien van dit HS. overeen. 

Andere handschriften: 

Leiden, cod. 3242, 3384, 3237 en 3365, Catal bl. 90—96. 

XLII. 

HIKAJAT ANOM MATARAM. 

Collectie v. d. W. 135. 33 X 20 7 S cM., deel I, 476 bl., 19 r., deel II, 
408 bl, 19 r. 

Begin : 

Ö M (sic) J\d jj«j ^J J^.^ ^ lAü ^'; j 
Inhoud : 

Een god, Batara Indra Djaja, huwde met eene prinses uit Madjapahit 
en werd vorst van Koripan, zij kregen vier zonen, de oudste werd vorst van 



-. 



2 



Koripan, de tweede van Gagëlang, de derde van Këdiri, de vierde van Singa- 
sari. De eerste krijgt de zoons Raden Asmaradjaja en Poetra Ino bij de maha- 
dewi, en bij de përmajsoeri Raden Koesoema Oendakan Rawi Sërangga, bijge- 
naamd Raden Kërtapati. In Këdiri had de përmajsoeri eenen zoon Raden Wira- 
tandji bijgenaamd Raden Nagara. 

De god ^j^jS) J was verliefd op de bidaclari Taudjoeng Biroe; zij 
wordt door hem achtervolgd en incarneert zich in Seri Batara Indra Singasari ; 
kort daarna beviel de përmajsoeri van Singasari van Raden Kantjanawati, bijge- 
naamd Raden Lasmining Rat, en van Raden Poetra Koesoema, bijgenaamd 
Raden Përbata Sari en Raden Tjandra (onduidelijk). In Gagëlaog werden geboren: 
Raden Poespa Kantjana, eene ongenoemde en Raden Wisamarta. Na twee jaren 
werd in Koripan Raden Rasaning Rat geboren, en daarna Raden Setradjaja; 
Asmaradjaja wordt verloofd met Poespa Kantjana, Ino met Tjandra Kirana, 
Nagara Indra met Raden Rasaning Rat en Përbata Sari met Ratna Lasmi (de 
ongenoemde?) l ). De vorst van Madjapahit, de broeder van de përmajsoeri van 
Koripan, had twee dochters Raden Sëkar CJKxiS en \JSj3J£J6 verloofd 
met Raden Wisamarta; de vorst van Bali, een broeder van de ma- 
hadewi • van Koripan had eene dochter Raden Tjandra Koesoema, verloofd 
met Setradjaja. De god (^^.x^l.J voelt zich gekrenkt, gaat naar Singasari, 
verandert zich in een hommel, komt zoo in het paleis, Lasmining Rat volgt het 
insect tot in het bosch, het dier verdwijnt en zij is alleen; zij zwerft en komt aan 
de grens van Koripan, waar zij onder den naam Ken Pa tam Tjandra haren intrek 
neemt bij eene onde vrouw. Van hare verdwijning wordt kennis gegeven te 
Koripan ; Asmaradjaja en Ino gaan haar zoeken, met hunne volgelingen. Ken 
Patam blijft bij hare gastvrouw tot haar elfde jaar ; zij wordt ontdekt door de 
twee prinsen. Asmaradjaja neemt haar tot zich, zij zegt haren waren naam 
niet, en geeft voor van geringe afkomst te zijn. 

De god die haar in het woud gelokt had, ziet haar met groote woede, 
in het slaapvertrek van Asmaradjaja en maakt dat de vorst van Mënggada 
verlangen krijgt naar de prinses van Gagëlang, Poespa Kantjana, die hij dan ook 
laat vragen; daar zij reeds verloofd is met Asmaradjaja wordt dit geweigerd. De 
vorst van Mënggada trekt tegen Gagëlang op, de zonen van dien van Koripan 
gaan naar deze stad om haar te helpen ; de ontmoeting vindt onder weg plaats, 
een gevecht ontstaat, de vorst van Mënggada ziet dat hij verliezen zal, trekt 
zich terug en gaat tapa doen. De god neemt de gedaante van den vorst van 



1) De vermelding van de geboorten en de verlovingen is op verschillende punten verward; 
uit bet beloop van liet verbaal zijn de verhoudingen op te maken. 



53 

Koripan aan, en gelast Ken Patam te do-oden; zij wordt door een wachter naar 
het bosch gevoerd en schrijft daar iets op pandan-bladeren; de wachter kan 
haar niet dooden, de god bestuurt zijnen arm en hij verwondt haar, waarop 
hij angstig wegvliedt. 

BI. 94. Intusschen waren de prinsen van Koripan ter jacht gegaan; 
zij vinden Ken Patam en hooren van hare onafscheidelijke slavinnen wat 
geschied is, en lezen het op de pandan-bladeren geschrevene, waarin de opdracht 
vermeld stond haar lijk naar Singasari te brengen. Aldus doen zij ; tijdens het 
vervoer neemt Batara Kala haar, brengt haar in den hemel, en doet haar her- 
stellen. Zij verkleedt zich als man. Batara Kala stelt Asmaradjaja gerust door 
eenen brief dien hij hem in den schoot werpt; met Ino gaat hij zwerven. 

BI. 109. De vorst van Mataram ging ter jacht, en ontmoette Ken Patam, 
die zich Mesa Praboe Djaja noemt, en bij hem in dienst treedt, en zijn gunste- 
linge en aangenomen kind wordt; hij noemt haar Kaden Praboe Djaja, en 
installeert haar te Mataram. Ino en Asmaradjaja zwerven in treurigheid; Ino 
gaat jagen, god Bajoe doet hem den weg verliezen, zoodat hij en zijne gezellen 
honger en dorst lijden; Asmaradjaja is doodelijk ongerust, en gaat tapa doen 
onder den naam Adjar Larasraara. Ino en de zijnen doen zóó sterke ascese, 
dat de god hun den weg moet openen, en hem sakti en wapenen verleent. 

Hij neemt den naam Mesa Agoeng Pandji Gangga Koemara aan, en 
geeft zijnen këdajans andere namen, en leeft van het berooven van reizigers. 
Een jongere broeder van hem (nu Raden Nagara Indra genoemd) gaat tapa doen 
uit leed over zijne twee verdwenen broeders, noemt zich daarna Tjitapoetra, 
en treedt als dalang op. 

Adjar Larasmara eindigt zijne ascese, noemt zich Mesa Lara Pandji 
Wira Soekma, geeft zijnen gezellen andere namen, en leeft van roof; Ratoe 
Këmbang Koening wordt door hem verslagen en zijn zoon Djajengpati sluit 
zich bij hem aan. 

BI. 140. Mesa Praboe Djaja was nog steeds in Mataram; de prinses 
aldaar, Tjandra Koesoema, wordt door den vorst van Më(n)tawan voor zijn zoon 
Wilamarta gevraagd, na weigering volgt strijd, Raden Praboe Djaja strijdt 
geducht, de vorst van Mëtawan sneeft, ook die van Mataram, Wilamarta on- 
derwerpt zich, Raden Praboe Djaja wordt vorst van Mataram onder den naam 
Sang Praboe ing Mataram, of Ratoe Anom ; uit Mëtawan worden Raden Rana- 
warta en Raden Tjitrawati en uit Padjang Raden Nilawaras en Raden Krama- 
djaja aan haar uitgeleverd. Zij gaat met allen zwerven. 

BI. 154. Nu over Mesa Agoeng Pandji Gangga Koemara; hij komt 
aan de verblijfplaats van den vorst van Wilangit, rooft diens dochter Arsa 



54 

Koesoema, en verslaat zijn leger, waarna de vorst zich onderwerpt en de prins 
Raden Djajeng Sari zich bij hem aansluit. 

Intusschen was Tjitapoetra in het land van Bandjarakan gekomen; de 
prinses aldaar heette Tjandra Sari ; hij komt daar in dienst als wajangvertooner, 
spoedig ontstaat er tusschen hem en de prinses eene innige verhouding, in het 
geheim echter, en weldra ontvoert hij haar; allen gaan de wildernis in. 

BI. 178. Mesa Lara Pandji Wira Soerama (sic) was naar Daha getrok- 
ken, en wekte daar ieders verbazing door zijne gelijkenis met den verdwenen 
Raden Nagara Indra; hij wordt er bevriend met Përbatasari. 

BI. 186. De vorst van Mënggada hoorende dat de prins van Koripan 
verdwenen is, laat de prinses van Daha schaken ; Batara Kala ontrukt haar 
aan hem, en doet Sangjang i^JjS) J tot boeta worden ; deze noemt zicb Kala 
Sëranti, en sticht de stad Djadjaran Sari. De prinses van Daha was terechtge- 
komen iu Wiraboewi, waar zij onder den naam Poespawati liefderijk verpleegd werd. 
Intusschen waren Pandji Wira Soekma en Përbatasari haar gaan zoeken met 
Djajengpati ; hij noemt Përbatasari : Djaran Adipoetra, komt met beide gezellen te 
Poetrasena, zij bestrijden den voist, overwinnen hem, plunderen de stad, en krijgen 
de prinsessen Ratna Kartika, Ratna Taroewati, Raden Tjandra Sari, Raden 
Engarwangi en Raden Ratna Sari en twee prinsen, die echter in hun waardig- 
heid hersteld worden. 

BI. 200. Ratoe Anom Mataram ontmoet twee boden van Pandji Wira 
Soekma die zij herkent; dan trekt zij met hen naar Lasém, de vorst van Lasëm 
echter bestrijdt haar; de drie prinsessen Raden Koesoema, Raden Arsa Djoeita en 
Raden .) xLm* worden haar uitgeleverd na het sneuvelen van den vorst; 
zij deelt den twee boden mede, dat hun heer de verdwenen prinses van Daha 
is gaan zoeken, en trekt met hen verder na van hen gehoord te hebben dat 
Ino niet bij hun heer is. Zij komen in Tatnbak Lalangan, waar de prinsessen 
Raden Nawang Sari en Raden Sela Rasmi aan haar uitgeleverd worden ; van- 
daar gaat zij naar Wiraboemi, waar Poespawati (Koesoemaning Rat), als 
pënoengkoel wordt afgestaan ; in een droom verneemt zij dat deze prinses voor Ino 
bestemd is, en aan haar maakt zij zich bekend, en vertelt haar alles, hoe zij 
door den hommel gelokt was, in Koripan door Asmaradjaja genomen was en 
nu Mataram had verlaten. 

BI. 230. En nu over Pandji GaDgga Koemara in Wilangit. Voor hem 
had Raden Djajeng Sari prinsessen buit gemaakt en ook prinsen, nl. Kërta- 
djaja en Raden Arsiwati van Tandjoeng Poera, Raden Sërangkapati en *% 
uit Palembang, Raden Intën Koesoema Lasmi en Raden Ratna Kantaka uit 
Soekandana. Hij gaat weer zwerven, komt te Wangkar, waar de prinsessen 



55 

Raden Amaja Rasmi, Raden Nawangwati en Raden Wilakërta aan hem uitgeleverd 
worden. Dan naar Madjapahit. Daar was juist een feest; Pandji Gaugga Koe- 
mara bespiedt de prinses, en verneemt van een asceet allerlei nieuws, o.a. dat 
de prinses van Daha verdwenen is ; diezelfde asceet vertelt den vorst van Ma- 
djapahit dat Pandji Gangga Koe m ara de prins van Koripan is, waarop hij den 
zwerver wel ontvangt. Hij krijgt de prinses Sëkar Kantaka lief, en mag met 
haar huwen. 

BI. 273. Dalang Tjitapoetra nu ontmoette de gezanten van Gagëlang, die 
naar Koripan ten huwelijksaanzoek gingen; hij en zijne volgelingen bestrijden hen, 
verslaan hen en rooven hunne schatten. Daarna gaan zij naar Koripan ; Setradjaja 
haalt hem over om met zijn gezelschap een maand te blijven, hij wint ieders 
gunst, Rasaning Rat volgt hem overal en wordt heimelijk zijne vrouw. Dan naar 
Mënggada; Setradjaja en broeder gaan de verdwenen zuster zoeken. Dalang 
Tjitapoetra was eerst naar Paudan sa-alas gegaan, en had de lieden uit die stad 
verslagen, de twee vorstelijke kinderen (een ervan heet Raden Nawang Koe- 
soema) worden hem uitgeleverd; hij trekt verder met Rasaning Rat (dikwijls 
Arsauing Rat genoemd). 

BI. 294. De twee boden van Pandji Wira Soekma hadden in Lasëm 
gehoord dat hun heer niet meer in Daha was, en gingen hem zoeken ; zij 
ontmoeten Setradjaja die naar zijne verdwenen zuster zoekende was en sluiten 
zich bij hem aan; hij en zijn broeder noemen zich Bangbang Djaja Mërta en 
Këlana Nalakërta, zij vernemen dat Pandji Wira Soekma naar JU&" was 
gegaan en gaan ook derwaarts. In die stad had men de prinsessen Kantaka 
Sari en Rana Wira Sita aan Pandji Wira Soekma uitgeleverd ; weldra ont- 
moeten Bangbang Djaja Mërta en Këlana Nalakërta hunnen broeder, dien zij 
onstuimig omhelzen. Na eenig oponthoud gaat Pandji Wira Soekma met al de 
zijnen weer verder, en zij vermeien zich aan het zeestrand. Zij worden over- 
vallen door Kala Sëranti van Djadjaran Sari met zijn heir van geesten; de 
nacht maakt een eind aan het gevecht, den volgenden dag doodt Pandji Wira 
Soekma hem op aanwijzing van Jang di Rama Radja; de gedoode keert tot 
zijn goddelijken oorsprong terug: Sangjang \^j£) d die hem zijn gouden stad 
geeft en hem alles vertelt wat hij voor snoods gedaan heeft. Een feest van 
veertig dagen werd gevierd, en Pandji Wira Soekma bestijgt den troon als 
Batara Wira Soekma (zijn luister wordt in verzen beschreven , en Kantaka 
Sari wordt zijne gemalin. 

BI. 336. De vorst van Këdiri (Daha) hoort daarvan, en schrijft hem 
een brief waarin hij hem verzoekt Përbatasari terug te zenden, maar deze 
weigert aan die uitnoodiging gevolg te geven. 



De vorst van Sanggora laat door zij non zoon Raden Kakak Bakoeng de 
prinses van Siogasari vragen, nl. Raden Ratna Djoeita, die pas acht jaren 
oud was; het aanzoek wordt geweigerd, en van beide kanten rust men zich 
toe ten strijde. De vorst van Singasari vraagt om hulp aan Batara Wira Soek- 
ma, die Këlana Nalakërta en Bangbang Djaja Marta tot hem zendt. De strijd 
begint, de vader van Raden Kakak Bakoeng sneuvelt evenals zijn vriend de 
vorst van Wangkapoera, de dochter van den eerste Raden Nilawati en twee 
kinderen van den laatste : Raden DJantrapoeri en een ongenoemde worden ge- 
vangen. Daarna "'aan de overwinnaars terug ; Wira Soekma oefent zich in asceset 

BI. 388. Ratoe Anom was van Wiraboemi naar Gagëlang gegaan, waar 
ieder haar bewonderde; Wilamarta is nog steeds bij haar. 

Nu over den vorst van Djagaraga; zijn broeder Loerah Pënggarang, een 
woesteling, zocht eene vrouw, en werd gewezen op de prinses van Gagëlang; 
om te slagen noemt hij zich Asmara Djaja en wordt goed ontvangen, maar 
ieder verbaast zich over zijne leelijkheid, en Ratoe Anom doorziet hem spoedig 
en laat menschen halen die én Asmaradjaja én Ino kenden. 

De man die indertijd Ken Patam had moeten dooden was niet naar 
Koripan teruggekeerd, maar asceet geworden onder den naam Adjar Dirnma- 
djaja; hij had van een goeroe vernomen dat Ken Patam als Ratoe Anom 
Mataram in Gagëlang vertoefde, en hoe het Asmaradjaja en Ino vergaan was, 
en spoedde zich naar Gagëlang, waar hij door Ratoe Anom (aan wie hij ver- 
klaarde de beul van Ken Patam te zijn) tot toemënggoeng werd verheven, en 
den gewaanden Asmaradjaja denonceert, doch deze liegt zich door alle aantijgingen 
heen. maar zijn aanzoek om de hand der prinses wordt niet beantwoord. 

BI. 432. Mesa Agoeng Pandji Gangga Koemara had Madjapahit verlaten, 
en leefde van roof. Dalang Tjitapoetra was naar Mënggada gegaan, welks vorst 
tegen hem uittrok; toen de strijd hevig was. kwam Sira Pandji ter plaatse. 
die een oogenblik meende dat Tjitapoetra zijn broeder was, en zich bij hem 
aansloot; weldra zijn de vorst van Mënggada en zijn vriend de vorst van aü. 
gevangen, thans hoort Pandji nieuws uit Koripan, maar niet veel goeds; hij 
herkent Rasaning Rat (die den naam Ken Widaras voerde) en omhelst haar; zij 
hoort met droefheid dat haar broeders haar zoeken. Een feest van veertig 
etmalen wordt gevierd, waarna Pandji en Tjitapoetra naar Gagëlang trekken; 
Ratoe Anom herkent Raden Ino Kërtapati dadelijk doch laat niets blijken; 
Loerah Pënggarang wordt steeds meer in het nauw gebracht. 



Deel II. 

De vorst van Djadjaran Sari. Praboe Wira Soekma, hoort dat Ratoe 



57 

Anom Mataram naar Gagëlang gegaan is, hij roept de zijnen bijeen, enkelen 
uit hun tapa, en trekt naar Gagëlang; buiten de stad komt Sira Pandji, die 
alles gehoord had, zijn broeder tegemoet, eene algemeene herkenning vindt 
plaats. Loerah Pënggarang stelt voor tegen Wira Soekma op te trekken. Deze 
schrijft aan Katoe Anom Mataram dat hij om harentwille daar is gekomen, 
waarop zij zich tot hem begeeft buiten de stad; allen gaan dan verheugd naai- 
den paseban, groote vroolijkheid heerscht, Loerah Pënggarang wordt meer en 
meer in het nauw gebracht en gehoond, en vlucht naar den berg Pawan om 
ascese te doen ; ook Kakak Bakoeng was daar. 

BI. 65. De vorsten van Toemasik, Bantar, Poedak en Pamoetan gaan, 
beducht voor eene ontmoeting met Wira Soekina, ascese verrichten. Tn Gagëlang 
waren deze laatst» 1 en Ratoe Anom en Sira Pandji en Tjitapoetra bijeen, en 
namen den buit in ongvaim'st dien hunne afgezanten in Maleische landen had- 
den gemaakt ; onder dien buit bevinden zich de prins en prinses van Kambodja : 
Nawang Rama en Raden Nila Poespa, van Palembaog: Raden Ratna Poespa 
en Raden Nila Koesoema, van Kampoeng: Raden Koemoeda Agoeng, Raden 
Setradjaksa en Raden Lasmi Poeri, die gelijkelijk verdeeld worden, maar Ratoe 
Anom doet afstand van haar deel daar zij, volgens haar zeggen, al]een met de 
prinses van Wiraboetni wil blijven. Wira Soekma kan zijne liefde voor de 
prinses van Gagëlang Poespa Kantjana niet langer inhouden; eene nagasari- 
bloem laat hij een hommel worden en de prinses in den vinger bijten ; nie- 
mand kan de daardoor ontstane pijn bezweren, eindelijk wordt Wira Soekma 
ter hulp geroepen, hij kan haar uit hare bezwijming bijbrengen, lokt een gelof- 
te van haren vader uit haar aan ieder die haar geneest ten huwelijk te geven, 
wrijft haar met de nagasari-bloem, en geneest haar. De vorst van Gagëlang 
en al zijne gasten gaan naar de segara-kidoel; Wira Soekma bemint zijne 
nieuwe vrouw die niet vermoedt dat hij haar verloofde van vroeger is. 
Tnsschen Wira Soekma en Ratoe Anom ontstaat eene verwijdering, welke 
echter spoedig eindigt. Koesoemaning Rat herkent hare beide broeders, 
meerdere herkenningen vinden plaats, maar de prinsessen van Daha en 
Singasari blijven onder hare vermomming verborgen, hoewel enkele toespe- 
lingen van Ratoe Anom bij sommigen twijfel doen opkomen ; eindelijk komt 
Wira Soekma te weten dat Koesoemaning Rat, de zoogenaamde pënoengkoel 
van Wiraboemi, de prinses van Daha is, en deelt dit voorzichtig aan Pandji 
mede die het betreurt dat zij nu eenmaal gehuwd is met Ratoe Anom ; allen 
vermaken zich aan het strand, Batara Kala daalt neder en neemt onder een 
hevig onweer Koesoemaning Rat uit hun midden weg, en werpt haar in een 
woud; allen zoeken, en allen weten nu dat zij de prinses van Daha was. Ratoe 



58 

» 
Anom wil haar gaan opsporen; Djaran Adipoetra en Batara Wira Soektna en 

Sira Pandji sluiten zich bij haar aan. 

Eerst geleiden zij den vorst naar Gagëlang terug; ook Wisamarta sluit 
zich bij de genoemden aan, ook Tjitapoetra. 

BI. 153. De prinses van Daha was terechtgekomen in een bosch in 
Toemasik, welks vorst juist uit zijn tapa terugkeerde; zij wordt door hem 
opgenomen, en noemt zich Ken Lam Aras [(>**,) S) op haar verzoek krijgt 
zij een ascesehuisje in den paleistuin. 

De zoekenden verdeelen zich in groepen: Djaran Adipoetra voegt zich 
bij Tjitapoetra, Wisamarta bij Pandji; 's nachts slaapt Ratoe Anom in de om- 
helzing van Wira Soekma die haar als zijn besten vriend beschouwt; tot zijn 
smart scheidt zij zich met Wilamarta van de anderen af om alleen te gaan 
zoeken, daarna vertrekken Pandji, Tjitapoetra, Djaran Adipoetra en Wisamarta. 

Na eene maand zwervens komt Pandji in Toemasik, en Sëmar hoort 
dat een in het woud gevondene jonkvrouw in de stad verblijft. Pandji noemt 
zich: Mesa Koesoema Djaja, Wisamarta: Koeda Dëraspati, deze zegt een broeder 
der gevondene te zijn en wordt bij haar toegelaten; Mesa Koesoema Djaja, door 
hem ingelicht, vliegt door tooverkracht naar haar verblijfplaats, en ontvoert haar, 
(Haar naam wordt meestal .^ ) rJ geschreven); de vorst bezwijmt van smart 
toen men 't hem berichtte, doch door strenge ascese vergeet hij haar. Mesa 
Koesoema Djaja beschouwt Koesoemaning Rat thans als zijne vrouw, en 
laat in de onderworpene landen gezellinnen voor haar zoeken; in vroolijkheid 
zwerft men door de wouden. 

BI. 187. Ratoe Djadjarau Sari intusschen was, te vergeefs zoekende, naar 
Toeban getrokken; vandaar was hij naar Bali gegaan, onder den naam Mesa 
Wiraras (? ^ï^). 

lil. 190. Nu over den brahmaan Bërdja Sakti, bij wien, behalve zijn 
zoon Bangbang Tjitra Nata, Loerah Pënggarang en Kakak Bakoeng vertoefden; 
hij liet voor zijnen zoon de prinses van Bali vragen; daar was Mesa Wiraras 
(die zijne twee gezellen als Gamboeh Nalakërta en Gamboeh Djajamarta had 
voorgesteld) wel ontvangen, en werd getuige zelf onzichtbaar van de ontvangst 
van den brahmaan met diens zoon en twee gasten. Op het huwelijksaanzoek 
antwoordt de vorst dat de prinses reeds toegezegd is aan Setradjaja van Koripan; 
uit het onzichtbaar slaat Mesa Wiraras Loerah Pënorgarancr [ n h e t gezicht, 
en werpt hem tegen den grond; hij doet een groot vuur uit zijn mond 
komen, maar Mesa Wiraras toovert uitdoovend water te voorschijn, komt naar 
voren in de gedaante van een boeta, en Loerah Pënggarang neemt de vlucht, 
en wordt tegen Bangbang Tjitranata aangeworpen door den boeta, die plot- 



59 

seling verdwijnt. Hij wil de prinses (Koesoema Tjandra) met zich voeren ; 
ziet haar bewaakt door Ken Bajan en Ken Soenggit, laat Djajamarta in haar 
slaapvertrek dringen ; deze wordt ontdekt, Loerah Pënggarang en Kakak Bakoeng 
vallen hem aan, maar- worden door den onzichtbaren Mesa Wiraras geboeid, 
en evenzoo wordt Tjitranata verblind. De helden van Bali moeten wijken voor 
den indringer, die de prinses met hare twee hofjuffers ontvoert en naar Mesa 
Wiraras brengt; door de lucht wordt zij op zijn schip gebracht; Djajamarta 
behandelt de prinses als zijne vrouw, en deelt haar mede dat Mesa Wiraras 
de prins Asmaradjaja van Koripan is. In Bali bracht de Brahmaan de drie 
jongeren weer bij, en gaat met alle helden scheep om den roover te achter- 
volgen ; zij halen hem in, een zeegevecht ontbrandt, Këlana Nalakërta werpt 
Kakak Bakoeng in zee, Bangbang Djajamarta verwondt Tjitranata doodelijk; 
Mesa Wiraras dwingt Brahmana Bërdjasakti tot de vlucht, en woedt onder de 
Balineezen uit toorn over de wonde zijnen broeder Djajamarta toegebracht; 
aan die wonde bezweek hij. Men brengt het lijk naar het eiland Noesa Sari; 
poedja wordt gedaan, Jang di Rama Radja daalt af, brengt levenswater, het 
lijk wordt er mede gewasschen eu herleeft. Toen dat water weer naar den 
hemel werd gebracht, viel er iets van op de wonde van Tjitranata, die herleeft; 
zij vinden Loerah Pënggarang terug en gaan naar Bali ; drie tiende der uit- 
getogenen kwam levend terug; eerst nu verneemt de vorst dat de vorst van 
Djadjaran Sari de roover was. Deze ging van Noesa Sari naar Toeban. 

BI. 226. Dalang Tjitapoetra was al zoekende den Indrakila beklommen ; 
Sang Pëlangkit deelt hem mede dat de verdwenene in Toemasik bij Ino is ; 
dan naar Bandjar Koeion, waar Koesoemawati Poespa Kartika aan hem uitge- 
leverd wordt; met hem zet hij zijn zwerftocht voort. Ratoe Anom ing Mataram 
hoorde na veel zoekens van Dewa < j)^, dat de verdwenene bij Ino in Toe- 
masik was, en keerde terug naar Mataram; daar wordt zij door vijf bidadari's 
gebaad, waarop zij hare vrouwegedaante herkrijgt. Eene bidadari, Nila Oetama, 
gaat naar Ratoe Djadjaran Sari, verandert zich in een hommel, laat zich door 
hem achtervolgen en voert hem over bergen en dalen in het slaapvertrek te 
Matai'am; een geheime brief hem in het gezicht geworpen openbaart hem dat 
de slapende Ken Patam Tjandra, de prinses van Singasari, is ; in dien nacht werd 
dus Lasmining Rat zijne vrouw. Vreugde in Mataram. Djajamarta en Këlana 
Narakarta ontdekken de afwezigheid van Wira Soekma met schrik, en gaan 
hem zoeken. In zijn pëtapan hoort de vorst van Toemasik dat ,»«.) rj door 
Pandji Gangga Koemara geroofd is, waarop hij met den vorst van Pamoetan 
naar Gagëlaug trekt, Loerah Pënggarang en Kakak Bakoeng sluiten zich bij 
hen aan. 



60 

Paudji Gangga Koemara nu had halfc gehouden in Tjamara, waar Raden 
Ratna Kantaka en Raden Poespa Lara aan hem uitgeleverd werden ; gewaar- 
schuwd voor den vorst van Toeniasik haast hij zich naar Gagëlang. In Mataram 
stelde vorst Wirakoesoeina voor om naar Singasari te gaan om te hooren of 
de prinses al gevonden is; eerst wordt het huwelijk gevierd van Wilamarta met 
Tjandra Koesoema, daarna gaan allen op weg, maar eerst naar Gagëlaug. 
Daarheen togen ook de verbondene vijandelijke vorsten (van Pakoelon, Poedak 
Satëgal, Poedak Sajoena, Pamoetan, Bëlantara, Toemasik, Tjakaraga, Loerah 
Pëuggarang en Kakak Bakoeng\ de vorst van Gagëlang vraagt om hulp in 
Singasari en Madjapahit, in Koripan en Daha ; daar alle prinsen afwezig zijn 
trekken de oude vorsten ter hulp. De vorst van Tjagaraga laat nu voor Loerah 
Pënggarang Poespa Kantjana opeischen, wat ruw geweigerd wordt. De strijd 
ontbrandt. Pandji was dichtbij gekomen; hij mengt zich in den strijd. Batara 
Wira Soekma, uit Mataram medegekomen, eveneens; Djajamarta en Këlaua 
Narakarta komen ook daar: alle prinsessen waren dns in Gagëlang bijeen. De 
vier vorsten komen daar een voor een aan, en de strijd wordt hervat: allerlei 
toovermiddelen worden aangewend ; twee der verbonden vorsten sneven, Kakak 
Bakoeng vlucht naar den bi*ahmaan Bërdjasakti om hulp. In Gagëlang vindt 
eene algemeene herkenning en opheldering plaats, terwijl de vijandelijke vor- 
sten naar den brahmaan gingen om goeden raad; in Gagëlang wordt Wirakoe- 
mara met Raden Ratna Djoeita in den echt verbonden, Raden Nagara met 
Nawang Sari, evenals Ino met Ratna Koesoema. 

BI. 332. De gevluchte vorsten waren aangekomen bij hun brahmaan, 
die hun strenge ascese laat doen en met hen en een anderen brahmaan naar 
Gagëlaug gaat. Daar vierde men het huwelijksfeest van Përbata Sari en Wisamarta 
met Ratna Lasmi en Nawang Kartika ; ook huwden Wira Koesoema en Ino 
met Raden Kartika Sari en Ratnawati. De aanval vau den vijand verrast de 
feestvierenden ; 's nachts ontvoeren twee brahmana's Poespa Kantjana en Ratna 
Djoeita. 

Den volgenden morgen trekken alle prinsen uit om ze te zoeken ; 
zij overvallen het vijandelijk kamp, waar Loerah Pënggarang en Kakak 
Bakoeng de twee prinsessen reeds lastig vielen ; Loerah Pënggarang wordt 
dadelijk gedood, Kakak Bakoeng vlucht, de twee brahmanen achtervolgen Ino 
en de zijnen in de lucht, ontrukken hun de prinsessen, moeten ze weer loslaten; 
eindelijk worden ze behouden in Gagëlang teruggebracht. Den volgenden nacht 
doen de twee brahmanen weder een poging tot oplichting; Kakak Bakoeng geven 
zij de gestalte van den vertrouwde van Ino ; in die vermomming krijgt hij van 
Ino gedaan de prinses van Madjapahit, Sëkar Kantaka, aan hem mede te geven 



61 

ter bewaking, maar Wira Koemara ontdekt het bedrog, en doodt Kakak Bakoeng, 
doch wordt door een der brahmana's verwond. Ino doodt Ratoe Toemasik, 
Tjitranata wordt door zijnen bediende Përsanta gedood; 's nachts trekken de 
twee brahmana's zich teiTig naar de bergen. 

Zes widadaris smeeken Batara Kala om een geneesmiddel voor den 
gewonde en krijgen een geneeskrachtig badwater, Lasmining Rat past het toe, 
en Wira Koemara herleeft. Brahmana Bërdja Sakti hondt 't in den strijd tegen 
allen uit, en doet allen machteloos worden, alleen Tjëmoeris houdt stand, Për- 
santa helpt hem, overwint den brabmaan en dwingt hem allen te outtooveren; 
deze onderwerpt zich en biedt zijne dochters aan, gaat ze halen, geeft ze over 
en gaat naar zijn përtapaan terug. De vorsten van Poedak Satëgal en Tjakaraga 
onderwerpen zich; de twee brahmanendochters worden aan Setradjaja en Wira 
Koemara toegewezen (zij heeten Ratna Sandari en Nila Oetara); laatstgenoemde 
bedankt, waarop lno haar neemt. Ino volgt zijnen vader op in Koripan; even- 
zoo de andere prinsen in hunne landen; enkelen vervangen hunne schoonvaders. 
Een groot kroningsfeest vereenigt alle vorsten van Java; Kërtala, Përsanta en 
Tjëmoeris treden in hun gewone rol daarbij op. De verschillende prinsessen 
worden mahadewi en përmajsoeri en likoe in verschillende landen ; de jonge 
voist van Koripan wordt Koesoema Widjaja Tjakrawati genaamd, die van Daha: 
Sang Praboe Asmara Indra; hunne gemalinnen zijn de schoonste van alle vrouwen. 

In de beschrijving van een bij het feest behoorend spiegelgevecht eindigt 
het HS. abrupt. 

XLII1. 

H1KAJAT MESA G1MANG. 

Collectie v. d. W. 138, 31'/ 2 X20 cM., 424 bl., 19 r. 

Inhoud : 

God Indra had twee zonen Dewa Gangga Maha Sakti en Dewa Maha 
Bisnoe; dezen deden driehonderd jaren tapa; de oudste wil afdalen naar de 
aarde, en zijn broeder vergezelt hem. Zij dalen af tusschcn Wiraboernen en 
Mandjahan; Gangga Maha Sakti noemt zich Këlana Gangga Koesoema Mala 
Pataka; Batara Kala Indra wordt zijn poenggawa onder den naam Indra La- 
jangan; zij verwoesten vele landen. Hij sticht en bevolkt een stad en noemt 
zich Ratoe Agoeng Gangga Sakti; hij krijgt vier zonen, die hij doet huwen 
en vorsten worden in Koripan, Daha, Këlang (Gagëlang) en Singasari; daarna 
trekt hij zich in tapa terug en gaat Batara Kala heel Java bereizen. 



62 

]u Koripan wordt geboren luo Kërtapati bijgenaamd Ino ing Koripan, 
en uit de padoeka likoe Raden Lila Përbangsa; in Daha: Raden Galoeb Ratna 
Lasmi Poera en uit de Mahadewi een zoon. Verder in Koripan : Tjarang Tinang- 
loe en uit de mahadewi Raden Ratna Wilis bijgenaamd Galoeh Poespaning Rat. 
De vorst van Gagëlang (dit is met Q£ op bl. 5 bedoeld) krijgt : Raden Sangka- 
ning Rat en Angling Jaja, die van Singasari; twee dochters en Përbatasari — 
lacune. Ino wordt verloofd met Lasmi Poeri ; Lila Përbangsa loopt uit Koripan 
weer daar hij ook zich met de prinses van Daha wilde verloven, en gaat tapa 
doen onder den naam Bikoe Djarang Tarida. Na strengen tapa ziet hij dat de 
vorst van Koripan in Daha het verlovingsfeest viert, hij vliegt er heen, en 
rooft de prinses met vier dienaressen, en sluit haar op als zij hem haren haat 
uit. Ino verlaat met 400 volgelingen Daha om haar te zoeken; hij komt aan 
de tapaplaats van Bagawan Seri Narapati, en doet daar tapa onder den naam 
Adjar Wirapati Arga. Lacune l ) De prinses van Tjampaka Djadjar was door 
den patih op last van Djaja Koemara in het woud gebracht; Raden Singa 
Përtala, de prins van Djamaraug, bemerkt dat de prinses er niet meer is, hij 
moordt de stad uit en neemt Raden Djaja Asmara gevangen; Djaja Koemara 
wil niet zeggen waar hij zijne zuster verborgen heeft, de toemënggoeng die 
hem moet dooden laat hem vrij, en hij gaat zwerven en wordt asceet. De 
prinses (Arsa Djoeita) was met hare volgelingen door den patih naar haar 
oom te Wiraboemi gebracht; daar deelt hij de mislukte huwelij ksaanvrage van 
den vorst van Djamarang, diens overwinning en terugtocht naar zijn land mede. 
Arsa Djoeita sluit zich aan bij Raden Djaja Soekma, Raden Koesoema Djaja 
en Raden Nawang Koesoema; maar weldra gaan dezen den vorst van Dja- 
marang aanvallen. Djaja Soekma en de zijnen vinden Tjampaka Djadjar 
verwoest; hij trekt naar Djamarang en valt het aan; 's nachts verlaat de 
toemënggoeng dat land, den volgenden dag begint de strijd; die van Djamarang 
verliezen den strijd, Singa Përtala sneuvelt, en spoedig daarna zijn vader; dan 
gaat Djaja Soekma Djaja Koemara en Ino van Koripan benevens diens broeder 
zoeken. Eerst gaan hij en zijn broeder tapa doen. 

Bl. 66. Mesa Këlana Pandji Marang Koesoema was in strijd gekomen 
met Ratoe Këmbang Koening dien hij doodde; toen woedde hij tegen de 
lieden van Pandan sa-alas ; de zoon van den gedooden vorst, Djajengpati, wordt 
gevangen, de vorst van Pandan sa-alas wordt gedood; Djajengpati wordt 
begenadigd, groote buit word behaald, de prinsessen Raden Galoeh Koe- 
soema Arsa en (van Pandan sa-alas) : Raden Poespawati en Raden Ratna Djoe- 
ita worden hem gebracht. Daarna begint hij een zegetocht; de vorsten van 
1) In liet schrift niet merkbaar; de tekst loopt schijnbaar door. 



03 

Bëndoer en van Poedak en van Sanggora bieden huüne dochters aan, (deze en 
verschillende prinsen worden allen op bl. 80 bij name genoemd). 

BI. 9(5. Raden Galoeh Tjandra Kirana zat nog steeds in de gevangenis 
van Bikoe Djarang Tarida, nog steeds trachtte hij haar te bepraten ; Batara 
Kala bevrijdt haar en werpt haar met hare vier gezellinnen in het woud bij 
Tandjoeng Poera. Zij wordt gevonden door den vorst van Tandjoeng Poera 
wien zij mededeelt Ken Araswati te heeten; hij neemt haar als kind aan maar 
zijne dochter uit de Padoeka Lika, de leelijke Wira Bakoeng wil niets van 
haar weten, in tegenoverstelling met de përmajsoeri, die haar verwent en haar 
Raden Ratna Koemala Galoeh Tandjoeng Poera noemt. 

Ino deed godenvermurwenden tapa: Sangjang Darmawati daalde af, en 
deelt hem mede dat hij zijne verloofde spoedig zal ontmoeten en dat zijne 
broeders Tjarang Tinangloeh en Goenoeng Sari hem zoekende zijn, en geeft 
hem tooverwapenen (twee malen verteld). Hij noemt zich nu Mesa Këlana Pandji 
Marang Koesoema, en zwerft naar Këmbang Koening, dat hij met de zijnen 
(Sëmar en de anderen) aanvalt ; de vorst roept den koning van Pandan sa-alas 
ter hulp, een geduchte strijd ontbrandt, Pandji wint, en toont zijne genade aan 
de verslagenen l ). In Tandjoeng Poera wordt wajang gespeeld, Pandji gaat kijken, 
en verneemt dat de dalaug den lakon van zijn eigen (Ino's) avonturen speelt, voor- 
zoover die bekend zijn; hij ontmoet Ratna Koemala, die hem geheel bekoort; hij 
vraagt haar ten huwelijk, tot woede van Wira Bakoeng die zweert het huwelijk te 
zullen verijdelen; in den huwelijksnacht wil de bedroefde Ratna Koemala niets 
van hem weten, en tracht de op den loer stoende Wira Bakoeng hem van haar 
afkeerig te maken, doch te vergeefs. Sëmar herkent de vier dienaressen, en 
Pandji komt zoo te weten dat Ratna Koemala de gezochte Tjandra Kirana is. 
Hij blijft daar wonen en zendt zijne poenggawa's uit om landen te veroveren, 
en zijne broeders te zoeken 

Bl. 183. En nu over Tjarang Tinangloeh en Goenoeng Sari; zij deden 
tapa op den Wilis; Batara Kala gelast hen hun broeder te gaan zoeken en geeft 
hun de macht om van gedaante te veranderen en te vliegen; zij kleeden zich 
als dalangs en noemen zich Agoeng Asmara en Agoeng Kirana, ook hunne 
volgelingen nemen andere namen aan. Zij komen in Mataram, en geven daar 
wajangvoorstellingen. De prinses aldaar heette Arining Rat, die weldra verliefd 
werd op Agoeng Asmara, die daartoe een mantra gereciteerd had; op haar 
verzoek bezoekt hij haar 's nachts, in de gedaante van een hommel, en op hare 
bede ontvoert hij haar met Ken Soenggit en Ken Bajan, met achterlating van 



1) Geheel anders verteld dan op bl. CG sqq. 



64 

een brief waarin hij zijne daad vermeldt, en mededeelt dat hij buiten de muren 
vviiclit. Het leger van Mataram trekt uit, maar Agoeng Kirana bindt allen met 
een toovertouw; de vorst, dat ziende, durft niet uit te trekken; hij geeft zich 
over, stemt toe in het huwelijk en krijgt zijn schoonzoon lief. 

BI. 217. Djaja Soekma en Koesoema Djaja deden nog steeds tapa; 
Batara Bajoe geeft hun toovermacht, en deelt hun mede dat Tjarang Tinangloeh 
en Goenoeng Sari thans Këlana Adi Soekma en Mesa Ganggan Koemara heeten. 
Zij noemen zich Këlana Djajeng Sari Pandji Marang Goenoeng en Darma Ri 
Djaja, en trekken naar Tjirëbon, welks vorst hem zijne dochter Poespa Arsa 
aanbiedt. Dan naar Mërtjoe Nagara; de vorst aldaar was ziek en werd verpleegd 
door den vorst van Wangkar; hij had twee dochters: Arsa Koemala en Ratna 
Kantaka, die van Wangkar had drie kinderen: Ratnawati Mërtjoe, Djajeng Sari en 
Arsa Kartika. De kranke vorst gelast Këlana Djajeng Sari tot vorst uit te roepen 
en sterft; hij wordt vorst onder den naam Seri Batara Anom Sang Praboe 
Mërtjoe Nagara, Arsa Koemala wordt zijne gemalin. Djajeng Sari zijn vriend. 

De vorst van Këbalan had drie broeders ; de jongste van hen, Sërangga, 
doodde zijn vader, en ging tapa doen om sterk te worden, en heel Java te 
veroveren ; hij noemt zich Adjar Bakti Koeasa, en doet 28 jaren tapa, een 
£od deelt hem mede dat Këbalan wordt aangevallen en dat later alleen Mesa 
Këlana Pandji Marang Koesoema hem zal kunnen dooden. Batara Goeroe vervloekt 
den god die den vadermoorder geholpen had, en doet hem tot boeta worden. 

De poenggawa's van Pandji hadden vele landen onderworpen, en buit 
en prinsessen veroverd ; nu tasten zij Këbalan aan ; een groot gevecht vangt 
aan, te midden waarvan Adjar Bakti Koeasa arriveert, zich bekend maakt en 
zijne landslieden helpt. Hij sluit de vier poenggawa's in een gevangenis, verdrijft 
hun leger en rooft den buit, voor den troon van Këbalan bedankt hij, noemt 
zich Toemënggoeng Bapang Tjakra Bima, en wacht op de wraak van Pandji 
Marang Koesoema. 

BI. 256. Deze was nog vergenoegd in Tandjoeng Poera, waar Wira 
Bakoeng niet afliet van hem lastig te vallen en Ratna Koemala te sarren. 
Vluchtelingen melden hem de ramp zijner poenggawa's, ijlings neemt hij af- 
scheid, haast zich naar Këbalan en ziet de gevangenis, die hij wegtoovert. 
Onmiddellijk wordt de strijd voorbereid maar 's nachts bindt Pandji allen die 
in Këbalan waren aan elkander vast en bevuilt hunne gezichten ; ontwaakt 
maken zij zich los en beginnen een woesten strijd met allerlei gedaantever- 
wisselingen, Toemënggoeng Bapang Tjakra Bima ontvlucht in de gedaante van 
een arend, de vorst van Këbalan en zijn broeder geven zich over en bieden 
hunne dochters aan; de buit bestaat uit honderd prinsen en prinsessen en vier- 



65 

honderd karren met kostbaarheden ; daarna gaat hij eenigszins ongerust naar 
Tandjoeng Poera terug. Daar had Wira Bakoeng iemand opgedragen een adjar 
te zoeken om Ratna Koemala kwaad te doen; de bode had op een berg Toe- 
mënggoeng Bapang Tjakra Bima aangetroffen, en dezen bewogen om de prinses 
te ontvoeren, wat hij doet na zich in een garoeda veranderd te hebben. Batara 
Kala bemerkt dat, ontrukt haar aan den garoeda, die zijne oude gedaante herkrijgt, 
en brengt haar in den hemel in den hof Bandjaran Sari ; de god geeft haar 
de levensbloem Widjajamala, en doet haar een man worden met den naam 
Mesa Gimang Pandji Noesa Indra; zij daalt naar de aarde af. 

BI. 330. Een bode uit Tandjoeng Poera berichtte Pandji Marang Koe- 
soema de verdwijning zijner echtgenoote ; hij zendt al de zijnen naar Tandjoeng 
Poeva en gaat alleen zwerven. 

Er waren drie broeders, vorsten in Mëtawan, Pëngawan en Bëlautara ; 
de eerste had drie kinderen : Koeda Mandja Agoeng, een slechtaard, en twee 
dochters; eerstgenoemde zendt Kangga Sari uit om de prinses van Koripan 
te rooven, aan welken last hij met gemak uitvoering geeft. Sëmar met de zijnen 
en de vier dienaressen waren Ratna Koemala gaan zoeken ; hen ontmoette 
Kangga Sari ; Sëmar werpt hem in eene rivier die hem meevoert, en Sëmar 
herkent de prinses van Koripan. Gezamenlijk trekken zij voort, en ontmoeten 
Mesa Gimang die zich aan hen bekend maakt; zij verandert de prinses van 
Koripan in een 'man met den naam Mesa Wira Asmara Oendakan Wajang 
Djaja, en doet ook hare dienaressen mannen worden; allen trekken naar Mën- 
tawan. Daar was Kangga Sari, die niet verdronken wa3, en Toemënggoeng 
Bapang Tjakra Bima ontmoet had, met dezen reeds aangekomen. Zij maken 
plan om de prinses van Mataram die met den dalang Agoeng Asmara gehuwd 
was te rooven. Aldaar was tegen de twee dalangs eene ontstemming ontstaan, 
en de vorst wilde hen bedwelmen en gevangen nemen, wat gelukte. Toen hij 
op hen liet schieten, bleken zij onkwetsbaar te zijn, hij kon hen niet dooden 
en liet hen in de gevangenis werpen. De prinses van Mataram ontvlucht. De twee 
bedwelmden komen bij, verbreken hunne boeien en vallen hunnen vijand aan; 
de strijd wordt algemeen, de vorst van Sagara Madoe, wiens dochter den dalang 
Agoeng Kirana beminde, wordt gedood, zijne vrouwen doorsteken zich evenals 
de vorst en vorstin van Mataram. Het huwelijk van Agoeng Kirana wordt geslo- 
ten. Allen gaan de verdwenene vrouw van Agoeng Asmara zoeken. De twee dalangs 
noemen zich Këlana Adi Soekma en Mesa Pëndjara Koemara (zie deze namen op 
bl. 217), zij gaan naar Wilangit, waar juist bruiloft was en de vorst van Pakëmbang 
als besan aanwezig was. Zij teisteren de legers van de beide vorsten die spoedig 
tegen hen uittrekken, en nadat hun legers verslagen zijn, hen alleen bevechten. 

5 
Verhandelingen. 



00 

BI. 421. Ratoe Anom Mërtjoe Nagara nu was dicht bij Wilaugit ge- 
komen, en had alles gehoord. 

Hier eindigt het verhaal. De veronderstelling ligt voor de hand, dat nog 
een deel moet volgen, dat echter niet aanwezig is. 

XL1V. 

H1KAJAT ME>A OERIP PANDJI DJAJA LÈLANA. 

Bat. Gen. 187, 30 X 19 cM., 136 bl„ 19—29 r., van verschillende tijden 
en handen ; gehavend. 

Het beloop van het verhaal is over het algemeen hetzelfde als dat van 
cod. Leid. 3251 (No. LXXX1X), met gering' verschil in genealogieën en enkele 
feiten. 

Het begin is als volgt: 

In Java is de vorst van Koripan met drie broeders, nl. de vorsten van 
Singasari, van Gagëlang en van Daha. In Koripan zijn vier vorstelijke kinde- 
ren; Raden Kërta Boeana, Raden Ino Kërta Dipati, Raden Tjarang Tinangloe 
en Raden Ratna Wilis; de panakawans zijn: Sëinar, Poenta Kërtala, Wirana 
Galang en Andaga. In Singasari zijn de vorstelijke kinderen: Raden Banjoe 
Oeloen en Poespa Sari, in Gagëlang: de prins Sarikam die onnoozel is; in 
Daha: Raden Përbata Sari en Poespaning Rat Tjandra Kirana. 

Van incarnaties der goden is geen sprake. 

Daarna volgt het verhaal der huwelijksaanvrage evenals in cod. cit. De 
zee waarin Ino geworpen wordt heet Laoet Koelzoem, de berg waar de ascese 
plaats vindt: Gandara Oenam. De aangenomen namen zijn: Mesa Oerip Pandji 
Djaja Lëlana en van Sëmar: Këbo Tandraman (bl. 35). De naamsverandering 
in Ken Angling Brangti valt op bl. 70, die in Këlana Mesa Anggoelati Sira 
Pandji Anggoeng Asmara op bl. 87, die in Soerengrana Pandji Koesoema 
Indra op bl. 106, die in Mesa Pandjëlëma'an Sira Pandji Koesoema Indra 
op bl. 117. 

Na het verhaal van de onderwerping van Wiraboemi eindigt het HS 
abrupt met de woorden: ^i ^ ^jty&J ^.^ ^stifj aliw CJ^ i-wit 

Ander handschrift: 

Leiden, cod. 3251, Catal. bl. 9G — 100. 



67 
XLV. 

HIKAJAT PRABOE ANOM. 

Collectie 0. St. 129, 32X20 cM., 361 bl. 23 r. 



Een fragment van den volgenden inhoud: 



Ratoe Anom Koesoema Joeda gaat met zijne eehtgenoo ten naar Koripan, 
waar zijn vader bem verwelkomt en de regeering aan bem overdraagt. Hij denkt 
plotseling aan zijne vrouw Dewi Noer Sari; na lang beraad laat hij de vorsten 
van Madjapahit, Daba, Gagëlang, Singasari en Bali bij zich komen om geza- 
menlijk naar Bidantan, en vandaar naar de Sagara Kidoel te gaan. Weldra is 
de geheele vorstenstoet in Koripan bijeen, waar hun wordt medegedeeld dat 
Ratoe Anom zijne vrouw wil zoeken, en dat aan de Zuid-Zee nog eene gelofte 
moet ingelost worden. Spoedig gaan allen op weg, en komen te Bidantan, waar 
zij wel ontvangen worden; na enkele dagen gaan de jonge vorst van Koripan 
en zijn zoon en gastheer, de vorst van Bidantan, zwemmende naar de verblijf- 
plaats van Batara Gangga, en na hun vertrek laat de bagawan van Bidantan 
nog vele vorsten derwaarts komen. 

Dewi Noer Sari verlangde zeer naar haar kind Mesa Dewa Përtala 
(de vorst van Bidantan) en haren man, die dus juist van pas komen; Batara 
Gangga schenkt Ratoe Anom een tooverdoosje en wondermacht, en staat hem 
na zeven dagen toe met zijne vrouw en zoon terug te gaan. Zij gaan terug, 
en zijne vrouw ontmoet zijne andere vrouwen die haar vertellen dat haar man 
veel gezworven had, bedrogen was door de prinses van Bëlambangan, en haar 
bestreden en gedood had in Mataram; dat Përbata Sari door Ino in den strijd 
gedood was, hoe Ino zelf door Indra's pijl was gesneefd, dat in Daha Pandji 
Këlana Koesoema Dewa geboren was, en de moeder Daha verlaten had en vorst 
in Përwata Nagara was geworden onder den naam Ratoe Ajoe Kantjana Sari, 
hoe Ino, herleefd, eene vrouw Rara Gading was geworden, hoe Ino naar den 
Ringgit was gegaan en vervolgens naar Gagëlang ; hoe Përbatasari, herleefd, 
de moeder naar Daha had teruggebracht, en de vorst van Mënggada haar 
ten huwelijk gevraagd had, en deze door Ino en Përbatasari was bestreden. 
Na drie dagen gaat de schier eindelooze vorstenstoet van Bidantan weg, 
Bagawan's, Ratoe-anom's, kleinkinderen, allen naar de Zuid-Zee, waar de gelotte 
van het geven van duizend karbouwen met gouden en duizend met zilveren horens, 
twee duizend runderen, en zeven gouden bergen en een algemeen spiegelgevecht, 
benevens het aanstellen der nieuwe vorsten nog door den bagawan van Koripan moet 
ingelost worden, en een groot offer aan Batara Gangga moet geofferd worden. 



68 

Al deze zaken geschieden met groote vroolijkheid en feesten, welker 
beschrijving vele bladzijden vult. Batara Gangga zelf woont het eenigen tijd l)ij, 
en verdwijnt daarna in de zee als een snelle bliksem. Na de feesten gaan alle 
vorsten naar hunne landen terug; sommigen gaan tapa doen; die van de 
prinsen van Bidantan en Përwata Nagara wordt uitvoerig beschreven, evenals 
de ff oden-saven welke door de asceten verworven worden. 

BI. 140. In het Westen waren vier broeders; 1° vorst in Wangkapoeri, 
2° in Tambak Kantjana, 3° in Maudja Nagara, 4° in Djadjaran Sari; in 
z waren tapa werden zij onderwezen door Bërma Sakti, die hen wapende tegen 
Ratoe Anom Koesoema Joeda, die zijn kleinzoon Dewa ( Jj . •) gedood had. 
In den patih van den eerste had Batara Sangjang l •« A \ \S .j) die wegens een 
liefdesavontuur met bidadari Tandjoeng uit den hemel verdreven was, zich geïncar- 
neerd evenals Batara Sangjang Toenggal zich iu eenen poenggawa van Ratoe 
Anom geincarneerd had, een manier van doen om uit de later doode lichamen weer 
als goden op te stijgen; eerstgenoemde vorst had drie kinderen: Pangeran Dj aja 
Koesoema, Pangeran Koesoema Widjaja en Raden Mas Angling Bërangti. 
Verder was daar Dipati Wirasari een bloedverwant van de gemalin van den 
vorst van Mënggada, die gedood was in den strijd om de prinses van Daha, 
en zelf indertijd voor Ino naar Wangkapoeri gevlucht. Deze vertelt zijn vorst 
van de overwinningen van Mesa Soesoepan Sira Pandji Këlana Asmarapati, nu 
Ratoe Anom Koesoema Joeda in Koripan, die zijnen broeder Raden Kërta 
Boeana tot vorst van Astina Djadjar, en zijnen broeder Tjarang Tinangloe tot 
vorst van Madjapahit, en zijne twee zonen tot vorsten van Bidantan en Përwata 
Nagara gemaakt had, Daha, Gagëlang, Singasari en Bali als vasalstaten kon 
beschouwen, en ook Mënggada overheerschte. Toen de vorst vernam dat Mënggada, 
het land waar een broeder van hem geregeerd had, aan Ino onderworpen was, 
werd hij woedend, en zwoer dezen te bestrijden. De beschrijving van dien strijd, 
zijne voorbereiding en verloop, de uitbreiding daarvan tot de verbondene landen 
vult bijna het geheele verdere gedeelte van bet HS. 

Eerst op bl. 304 begint het verhaal van den strijd tusschen den vorst 
van Tambak Kantjana en dien van Madjapahit, en op bl. 310 dat van den 
strijd tusschen Ratoe Anom Koesoema Joeda en den vorst van Wangkapoeri, 
die wedijveren in wonderkracht; het sneven van den laatste staat op bl. 321. 
r. 1 v.o. 

Als de vijand gedood is, en verscheidene zijner prinsen zich onder- 
worpen hebben, worden huwelijken gesloten en vorsten aangesteld; Angling 
Bërangti huwt met Ratoe Anom Përwata Nagara. Eindelijk gaan alle vorsten 
terug; alles wat vernield is wordt hersteld, het verlatene wordt weer bewoond, 



69 

alle vorsten volgen de werken van den vorst van Koripah na, alle rijken leven 
in vrede, en zenden elkander gezantschappen. 

Het slot is; tammatlali kissah Ino Bastari ditammatkën kapada 
siang hari kissahnja Ino ing Djönggala ditjëritërakën orang dëhoeloe 
kala diboeat lalakon oleh Batara Kala pacla sagënap nëgëri mëugoembara 
poela dalam soerat sëdia lama mëngarang dia bërsama-saraa dalam wajang 
asal moela pSrtama Batara Kamadjaja toeroen mendjëlëma habislah soedah 
tjarita Koripan tiada habis dikaraugkën karëna tida tërkatakën bëliasa Djawa 
di malajoekën. 

Dit verbaal wordt gevormd door het slot der Hikajat Pandji Soesoepan 
Mesa Kalana, vertegenwoordigd in cod. 2005, (LXXXIV) Catal. bl. 82—90, 
én een verlengstuk bij de Pandji-legende, welke steeds bij de vermelding der 
huwelijken en de aanstelling der jonge vorsten — soms voorafgegaan door eene 
beschrijving van het verblijf aan de Zuid- Zee — eindigt; het is dus een voort- 
gezet Pandji- ver haal. 

XLVI. 
HIKAJAT NAJA KOESOEMA I. 

Bat. Gen. 131, 34X21 cM., 206 bl., 30 r. 
Notulen 3 Februari 1880. 

Een fragment van een Pandji-verhaal, zonder begin en slot, onduidelijk 
en vol lacunes. 

Over den inhoud zie bij II. 

XLVII. 
HIKAJAT NAJA KOESOEMA II. 

Collectie v. d. W. 1 39, 33 X 20 cM., 290 bl., ] 9 r. 

Hetzelfde fragment, naar het schijnt eene verbeterde copie van het voor- 
gaande nummer. 

Het begin is: ^U. jl* Jté )fij CSy» CS<* c^o *y c^ot ^j) 

jj Ll^Ol J^ J y <&£> i»iwj <ÜXjj ^vIjÓ U^j) {_S r*^ /- JUw <J^\j <Z-J£ j£.SX< 
C^X*X<c ÏJj ^j) iL< JCjAaÏJ <üli J|J yo3.i C_Cc ^«lï .J ,)^S jJ^r^ 

I.JuuJ ).Jo ^\Ji jXm 



70 

Er wordt verhaald dat Sira Pandji en zijn broeder vertrokken uit Ga- 
gëiang; als vroegere namen worden opgegeven Raden Oendakan Agoeng Asm ara 
en Këlaua Soekma Djaja. Pandji begeeft zich naar zijne echtgenoote Raden 
Koesoema Dewi. bij wie hij herhaaldelijk vertoeft, zonder echter Raden Galoeh 
te kunnen vergeten. Een luisterrijk feest viert men ten eere van hun huwelijk. 

Daarna is sprake van Soekma Djaja en Soekma Lara, die zich meester 
maken van Majawati prinses van J\^ ü^'h en * n ö a g^ an g ve ^ e kostbaarhe- 
den ontvreemden. Këlaua Soekma Djaja en Pandji beloven den dief te straffen ; 
zij weten niet wie hij is; een der goden incarneert zich in Oendakan Agoeng 
Asmara, die door Pandji verpleegd wordt. Met behulp van dit kind (eigenlijk 
Batara Dewa Soekma) worden de twee roovers overwonnen; dezen keeren naai- 
den kajangan terug. 

Op bl. 67 wordt zonder overgang gesproken van Lëmboe Soemirang 
die voor Ratoe Anom in Malajoe landen veroverd had ^S ^lïS'j *St»»- LL£-« 
c^A £) yl Jb L> cu. |U JlC^ iVjlsU> 'i <1 ^.ju^j ixd i*&\ <3*£ ,j^J ?^*V 

Daarna wordt verhaald van de gezantschappen van Ratoe Anom naar 
Gagëlang, van Dalang Soengkeng Anom, zijne naamsverandering in Mesa Adi 
Marta Këlaua Desa, zijn verblijf in Martapoera, zijne verdwijning, ontmoeting 
met Ratoe Auom bij wie ook Sira Pandji en zijn broeder vertoeven met Koe- 
soema Dewi en de anderen, hunnen oorlog met den vorst van Soetjoendoe en 
dien van Sanggora. die na langen strijd verslagen worden, evenals de vorst van 
Wilangit; na de overwinning wordt wajang gespeeld o. a. door Ratoe Anom. 
eu worden de prinsessen van Wiraboeni en Bandjar Koelou in liefdesavonturen 
gewikkeld. Na afloop vau alles gaat men naar Gagëlang. 

De laatste woorden zijn: ^J\ Jtf )fij ^J J^ ^aJ ^). CJ^ 

^J**») ^- f w j£±j~< )fiy uyi 'ij< ,_$0) (j*.ju CS-* l^-o) £ï)J }öUï Jj^lsJ 
JU i.l=- sJw, ij^b ^j\S ^/Vrf ^^^ A>>^ ffli (j»-^ ^ Üóji $ <-^>J 

c^oj ^ixLCj <x!li> j_5»L) ^y^sju (JX«J iXjJ (j-V <jy^ 

Dit geschrift is blijkbaar een gedeelte van de Hikaiat Naja Koesoema, 
en wel aansluitende aan het laatste gedeelte van cod. 1699 (LXXXIII), met 
verwisseling van de volgorde vau enkele gebeurtenissen (zooals de ontmoeting 
van Pandji en Këlana Soekma Djaja en de verschijning van Oendakau Agoeng 
Asmara Praboe), doch met dezelfde eigennamen. 

De naam aan dit fragment gegeven: Hikajat Tjarang Mesa Gambira 
moet onecht zijn; de naam komt in den tekst zelven niet voor, en kan 
niet anders dan eene verkeerde lezing ziju van Tjarang Mesa Kambar (Sari), 






71 

welken titel Tjandra Kirana voerde voordat zij Ratoe Anom ing Malajoe 
genoemd werd. 

XLVIII. 

HIKAJAT NAJA KOESOEMA TIL 

Bat. Gen. 130, 33 1 /, X 2V/ a cM., 170 bl., 27—30 r. 
Notulen 3 Februari 1880. 

Slordig en moeilijk leesbaar fragment, met het vreemde begin: 

Op deze wijze is liet geheele HS. gespeld. 

Over den inhoud wordt bij het volgende nummer meer medegedeeld. 

XL1X. 

HIKAJAT NAJA KOESOEMA IV. 

Collectie v. d. W. 140, 33X^0 cM., 190 bl., 19 r. 

Dit evenals het vorige geschrift Hikajat Këroemoeng getitelde HS. 
schijnt eene verbeterde copie van Bat. Gen. 130 te zijn. 

Het begin is: iJ^ èj ^ ^)y ^UcLU >^ c).U *juï jf\u J\> U 

^J[z J\ó \jcV C^i^j ^J\ aSo ^ Ji ^j^ La**j i-S^i) f^ *^*i *j^ ^ J 

Dit fragment sluit zich niet bij het slot van XLVII aan. 

Het begint midden in een gesprek tusschen Mesa Adi Marta en Namang 
Koesoeraa, die elkaar beminnen ; hij ontvoert haar naar den berg Martapoera ; 
Ratoe Anom volgt hem daar en maakt zich aan hem bekend. Later wordt een 
gevecht geleverd tusschen Sira Paudji en Ratoe Anom; Dewa Brama helpt 
haar, en zet Sira Pandji en Këlana Soekma Djaja gevangen, tot grooten schrik 
van Marta Adining Rat, en tot smart van den vorst van Koripan, die besluit tot 
een tocht naar het gebergte. De vorst en vorstin van Daha gaan naar Gagëlang 
in de hoop iets omtrent hun kind te vernemen; zij ontmoeten onderweg het vor- 
stenpaar van Koripan en gaan gezamenlijk naar Gagëlang. Ratoe Anom bevrijdt 
twee broeders die zich als Ino en Tjarang Tinangloeh bekend maken ; kort 
daarna maakt Ratoe Anom zich aan hare ouders bekend, wat tot vele ophel- 
deringen en ontdekkingen aanleiding geeft. De vorst en vorstin van Madjapahit, 
benevens anderer landen vorsten worden uitgenoodigd naar Gagëlang te komen. 
Daar wordt veertig etmalen lang feestgevierd; vele huwelijken worden gesloten, 



72 

en ten slotte worden de volgende verheffingen afgekondigd : Kaden Ino tot vorst 
van Djënggala, Tjarang Tinangloeh van Gagëlang, Raden Goenoeng Sari van 
Krdiri. Raden Oendakan Soekma P*ati (soms: Soekma Djaja) van Wiraboemi. 
Raden Oendakan Praboe Eajangan van Malajoe, terwijl van alle prinsessen 
wordt vermeld wie përmajsoeri, mahadewi of padoeka likoe worden. Daarna 
worden de huwelijken luisterrijk gevierd. 

Deze episode vormt het slot der Pandji-materie, doch de tekst zelf is 
niet voltooid; de laatste woorden zijn: £>) ,&><£ s»i' tCf^ ,_cV c^tf CS<< 

^Ui *aJuj_) (J.\a>>»jj Ajux* jjéi luUu i^Sf^ ^L>~* i_T^ rr^^° <^V XaxL-o Kvs^J 
s .Ui l. ~&ï> i_S*^' > ?- BJygj Ci-J'J (J;^ <-^>} L1 f A ^ Ct ^. ^-^'r? ijj^" i --^'^ ijf^V" 

>j&0< (Jjl^c *Lu ,Jk! «JI. iU (JlCu C_£--c .f*^^ ^a-'^ t ^ ^ óCJu) .f}^" }~ 
^«-S C^C^" .ö l >-^V.' |Vj^ ^..wj.Xc.3 jjlJ »xLe ^"ium^J &aj _^j.a,M 

Ander handschrift: 

leufen, cod. 1699, catal. bl. 79—82. 

L. 

HIKAJAT DJARAN SARI DAN DJARAN POERNAMA. 

Bat. Gen. 179, 32 X 20 cM., 184 bl., 23 r , gedat. 3 Juli 1851. 

Een van Javaansche woorden overvloeiend, op een wajangverhaal gelijkend 
verhaal van den volgenden inhoud : 

In Soekadaua is vorst Maharadja Lodaja Soekma Batara, wiens beide 
vrouwen sterven bij de bevalling van Djaran Poernama en Djaran Sari. Deze 
kinderen worden door widadaris bewaakt tot hun zesde jaar, toen ook de vader 
stierf. Zij lijden gebrek en gaan zwerven; zij komen aan een hol waar de door 
den garoeda Mahameroe geroofde prinses van Misr Ratnawati is. De prinses 
neemt hen liefderijk op; de garoeda komt thuis, ruikt menschevleesch, maar 
vindt hen niet. 

Bl. 13. Er was een groote visch Tjaratjas, die aan land spoelt, dooi- 
de twee knapen geholpen wordt en hen met de prinses wegvoert; de garoeda 
vliegt hun achterna, gaat in zee en verdrinkt. De visch komt in Bëlambangan. 
De patik Bangoe wandelde aan het strand, en neemt de drie door den visch 
aangebrachten op. 

Zekere pandita Pëloenggoen had eenen zoon Mas Dadoega; na 's vaders 
dood ontmoet de zoon Njai c Ilmoe Këdaran die hem tegen afstand van een 
gouden kris les geeft in het minnen. Verder was er zekere Lëmboean Dana, 
gehuwd met Lëmboean Dini; de eerste gaat naar Madjapah.it om een kind te 



73 

zoeken. Daar was Praboe Maiigkoerat met dochter Ratna Mindi Sasi ; deze gaat 
naar den tuin Sikardja waar Lëmboean Daua juist vertoeft. Hij verandert zich 
in een b>libis en laat zich door haar vangen, verandert zich weder, licht haar 
op en brengt haar bij zijn vrouw, die haar liefderijk verpleegt. 

BI. 60 De patihs Gadjah Mada en Gadjah Doejoeng zijn wanhopend en 
gaan haar zoeken in Bëlambangan. Daar ontmoeten zij Patih Bangoe met Djaran 
Sari en Djaran Poernama, die zij met zich medenemen naar Madjapahit; de 
twee nemen op zich de prinses op te sporen. Zij duiken in den vijver van den 
tuin Sikardja, en vinden kort daarna Lëmboean Dana ; Djaran Poernama is 
bang, Djaran Sari trekt er alleen op uit, vindt de prinses en vertrouwt haar 
toe aan zijnen hangen broeder die haar bij haren vader terugbrengt. Hij ver- 
telt dat zijn broeder gedood is, en verhaalt nog veel meer, doch vindt geen 
geloof, zooclat hij maatregelen neemt om Djaran Sari bij zijne terugkomst te 
laten dooden. Deze had intusschen Lëmboean Dana en zijne vrouw gedood; 
daarna gaat hij terug, en wordt door lieden van zijnen broeder, die hun diets 
maakte dat hij de van gedaante veranderde Lëmboean Dana was, aangevallen ; 
in de meening verkeerende hem gedood te hebben gaan zij terug. 

BI. 100. In Tandjoeng was vorst Gëde Lodaja Sakti Nagara, met dochter 
Ratna Mindi Sari. Deze komt in den Sikardja, ziet daar Djaran Sari uitgeput 
liggen, brengt hem bij, biedt zich aan hem aan, en gaat met hem naar haren vader. 

De vorst van Madjapahit wil Poernama Sari met zijne dochter doen 
huwen, en bereidt een groot feest voor. 

BI. 114. Patih Bangoe was naar Bëlambangan teruggegaan, en voelde 
eeue zondige begeerte voor Ratnawati ; zij ontwijkt hem, hij beschuldigt haar 
van wulpsehheid en gaat haar als slavin in Madjapahit verkoopen. Zekere Djaran 
Ginanggoeng te Sidajoe laat door zijne moeder haar op de slavenmarkt koopen 
in Madjapahit, en huwt met haar. 

Djaran Sari, die inmiddels met Dewi Mindi Sari gehuwd was, gaat zijnen 
broeder zoeken om hem te straffen. 

Nu over de dochter van den overleden patih van Pasoeroean Gadjah Banjoe; 
Rara Roendasari. Zij gaat haren lang verdwenen broeder Djaran Ginanggoeng 
zoeken, en wordt op haren weg door twee raksasa's achtervolgd. Djaran Sari 
kruist haren weg, beschermt haar, en doodt de vervolgers die de opdracht van 
Djaran Poernama badden iederen onbekende aan te houden; hij trouwt met haar. 
BI. 140. Djaran Ginanggoeng dacht aan zijne zuster. Zijne vrouw 
(Ratnawati) ging baden in eene rivier, waar ook Djaran Sari en Rara Roenda- 
sari komen; dezen komen bij haren man, zijne zuster herkent hem, en alles 
wordt opgehelderd. 



74 

Djaran Sari noemt zich Djaga Gërantang. De vorst van Madjapahit 
heeft een hoozen droom, welks kwade uitwerking door het vangen van een 
bepaald dier moet verwijderd worden. Djaran Sari en Djaran Ginanggoeng 
gaan naar Madjapahit en laten hunne hanen veohten tegen die van Djaran 
Poernama; hunne hanen winnen. In den nacht maakt Djaran Sari zich aan 
patih Gadjah Mada bekend, besluipt den slapenden broeder, rooft diens kris, 
en doodt Patih Gadjah Doejoeng daarmede. De verdenking valt op Djaran 
Poernama, die voor den landraad moet komen. Den nacht daarop doodt Djaran 
Sari den vorst van Madjapahit, maakt zich bekend, maakt amok, en doet allen 
vluchten. Djaran Poernama verbergt zich, wordt ontdekt, vernedert zich voor 
zijnen broeder, staat hem Dewi Ratna Mindi Sasi af, en wordt gedegradeerd 
tot grassnijder. Na eenigen tijd wordt hij begenadigd, en met eenen titel 
tevreden gesteld. 

In Tandjoeng had Mindi Sari eenen zoon Koeda Lajapan gekregen, die 
na eenigen tijd zijnen vadei gaat zoeken. Deze had in Madjapahit twee zonen 
gekregen: Kasjini en Kasjiwi. Djaran Poernama was nit schaamte in balling- 
schap gegaan. De zoon meldt zich bij zijnen vader te Madjapahit. Gëde Lodaja 
Sakti staat zijne dochter toe haren zoon te gaan zoeken; zij gaat en vindt 
hem in gevecht met Kasjini en Kasjiwi, en dat wel op last van hunnen vader. 
Zij neemt hem mede en sluit Djaran Sari in een gevangenis. Kort daarna 
bevrijdt Koeda Lajapan zijnen vader die hem erkent; hij gaat tapa doen, en 
de zoon vervangt hem als koning. 

LI. 

H1KAJAT MARTALAJA. 

Bat. Gen. 5, 34 X 21 cM., 138 bl., 17 r. 
Notulen 1 Februari 1806, II. <l. 

Een niet vele Javaansche woorden vermengd fragment, van den volgen- 
den inhoud : 

In Martalaja is vorst Indra Bajoe, met de tweelingkinderen Indra Bajoe 
en Dewi Indra Koemala Ratna; toen zij negen jaar oud waren stierf hun va- 
der, en volgde de zoon hem op. De prinses verlangt en dwingt om naar den 
tuin Bandjaran Sari te gaan. 

Dicht bij den berg Kaf is de reus Indra Kësna, en in Zamin < j*. 
is Dewa Birama, die in de ■ vlakte Anta Bëranta een paleis had; toen hij naai- 
den hemel ging om de uitlegging van eenen droom te vernemen, zag hij den 
tuin Bandjaran Sari, bespiedde de daar toevende prinses en ontvoerde haar. 



75 

Intusschen baren de zes vrouwen van Inclra Bajoe zes zonen : Dewa Pahlawan, 
Dewa Bangsawan, Dewa lndra Mëngawan, Tjandra Lela, Pahlawan Moeda en Koe- 
mala Dewa, terwijl twee gemalinnen, Koeraala lndra en Seri Banoen, een groenen 
leeuw en eenen gewapenden held baren. De zes moeders willen hen in het verderf 
storten, en bewerken dat de twee met hare kinderen verbannen worden. Zij 
komen aan de vlakte Bëlanta lndra, waar zij een paleis aantreffen. Daar komt 
Langlang Boeana; hij noemt de kinderen Mërtjoe Singa Perkosa en Sjams 
Bahróen, en geeft hun de vrije beschikking over twee djinns. Iemand van 
Martalaja komt dat te weten, en vertelt alles aan de zes moeders, die 
hunne zonen uitzenden om de twee moeders met hare kinderen te vergiftigen. 
Zij komen aldaar, doch kunnen het vergift niet geven, en spelen met de twee, 
die met tooverpijlen allerlei monsters verwekken, die gaan vechten, zoodat de 
zes met vrees en beving teruggaan. 

BI. 54. Hun vader laat de twee tot zich komen om hunne kunsten te 
vertoonen. Daarna gelast hij de zes zijne zuster te gaan zoeken, en zij schrijven 
een valschen brief aan Sjams Bahróen, waarin de vorst hem schijnbaar den 
last geeft de verdwenene te zoeken. Tegen den raad hunner moeders gaan de 
twee met de zes op weg. Sjams Bahroem doodt een reuzenvisch en werpt den 
kop in de stad Moezdadjdjar ; de vorst aldaar belooft de hand zijner dochter 
aan hem die den kop zal kunnen verwijderen. Hij komt in de stad en vermag 
den stank verspreidenden kop te verwijderen, bedankt voor de hem aangeboden 
eerbewijzen, ontvangt daar eenige inlichtingen, bevrijdt met hulp zijner twee 
djiun's den betooverden slang Batara Gangga, en komt in eenen tuin van 
Poespa lndra, de dochter van Malikoean die verloofd was met lndra Sah Përi, 
prins van Moezdjadjdjar. Hij ontmoet haar, en laat de bewakers door zijne 
djinn's bevechten. 

De vorst zendt om hulp naar Birama lndra te Moezdjadjdjar. Hij 
en zijn zoon trekken er dadelijk op uit, en bestrijden hem en zijne twee 
djinn's in een hevig gevecht. Eindelijk daalt Langlang Boeana af en be- 
werkt eene verzoening. Algemeene vrede heerscht, feesten worden gevierd, het 
huwelijk der prinses Poespa lndra wordt gesloten. 

Sjamsoe Bahróen gaat wéér verder, en komt bij de vlakte Anta Bëranta ; 
reeds is de top van het paleis te zien 

Hier eindigt het HS. abrupt. 

LIL 
HIKAJAT LANGLANG BOEANA. 
Bat. Gen. 20, 33 X 21 cM., 101 bl., 20 r., gedat, 1283. 



7G 

De inhoud van dit verhaal komt geheel overeen met de uitvoerige in- 
houdsopgave van H. C. Klinkert in het Tijdschrift voor Nederlandsen Indië, 

1808, bl. 107 — 119. 

Van dit werk getuigt de heer Klinkert: »Het is in zeer zuiver Maleiseh 
geschreven, en schijnt opgesteld in een tijd toen de Maleiers nog onbekend 
waren met de Arabische dichtvormen, want daarin wordt alleen van panton en 
söloka gesproken. Het woord sjair komt er niet in voor. 

De Maleiers zelven houden het voor zeer oud. Er komen veel minder 
Arabische woorden in voor dan in de Sri Rama, uitgave van Eijsinga. Ook is 
het veel boeiender dan dat werk. Hoogst zelden komt het voor, zoodat ik 
geen tweede exemplaar heb kunnen vinden om daarmede het mijne te vergelijken". 

Dat een goed gesteld Maleiseh geschrift onder de handen van latere 
eopiïsten -medeauteurs minderwaardig worden kan is bekend, en wordt ook door 
de qualiteit van dezen tekst bewezen. 

LUI. 

BOESTaN AS-SALaTïN I. 

Bat. Gen., 280. B. bl. 72 — 78, 29r. (33X21 cM.,) 
Notulen 23 Dec. 1901, I. d. 2°. 

Twee verhalen (van Haroên ar-Rasjïd en Sjafi'ï en van eenen Arabier) 
uit den Boestan as- Salatin, het omvangrijke werk van Nöeraddin ibn cAli ibn 
Hasandji ibn Moehammad ar-Ranïri, op last van soeltan Iskandar II in 1010 
H. in Atjeh samengesteld. 

LIV. 

BOESTaN AS-SALaTiN IL 

Bat. Gen. 280 C, bl. 78 — 101. 29 r. 

Het zevende boek van den Boestan, niet als cod. Leid. 2199 (1) dat 
drie fasl's telt, maar evenals cod. 3234 (1) in vier fasl's verdeeld: 
I. bl. 79, over verstand, deugd en ondeugd. 
IL ,, 93, ,. de gelaatkunde. 
UI. .. 103, ,, den tasjrïli en den tibb. 
IV. ., 120. ,, het huwelijk en de vrouwen. 
Dit gedeelte is gedateerd 4 Djoem. I, 1270. 



77 
LV. 

BOESTaN AS-SALaTïN III. ' 

Bat. Gen. 286 D, bl. 1G1 — 221, 29 r. 

Verhalen uit den Boestan, nl. het verhaal van Taif (Niemann's Bloem- 
lezing. I, bl. 2U8) en verhalen over Ibrahïm ibn Adham. 

In het begin staat echter het begin van de Kalilah dan Daminah, welker 
voortzetting op bl. 181 gevonden wordt; een vreemd slot en eene vermaning 
besluiten dit gedeelte dat gedateerd is 19 Moeharram 1289. 

BL 221 —2(33 zijn ledig. 

LVI. 
BOESTaN AS-SALaTiN IV. 

Bat. Gen. 310, 20X12 cM., 129 bl.. 15 r. 

Notulen 23 Dec. 1901, I, d 1°. en bl. CXLIX sqq. 

In het begin het verhaal van een vorst die aan vijf geneeshceren een 
middel vraagt om de pijn van den doodstrijd niet te voelen. 

Op bl. 5 begint § 4 van het zevende boek, over het huwelijk en de 
vrouwen, op bl. 36 § 2 over de gelaatkunde, op bl. 58 § 3 over de 'ilm tasjrih 
en de 'ilm tibb. Na bl. 92 eene lacune. Het einde is abrupt. 

Andere handschriften : 

Leiden: cod. 1971, 1694 (6° boek), 1973 (6° boek), 1974 (6° boek), 

1918(2), (7» boek), 2199(1), (7° boek), 3234(1), (7" boek). 
Londen, Royal Asiatic Society, no. 2. 
Brussel, Bibl. Royale, no. 21514 (7° boek). 

LVII. 

HIKAJAT KALILAH DAN DAMINAH I. 

Bat. Gen. 29, 35 X 22 cM.. 322 bl., 22 r., Latijnsch schrift. 
Notulen 30 Juli 1867, II, g. 

Dit HS. in eene copie van II, het eindigt midden in eenen zin in het 
verhaal van den ongeduldigen koning van Jemen. 



78 
IAI1I. 

HIKAJAT KALILAH DAN DAMINAH U. 

Bat. Gen. 135, 31 X 22V 2 cM.. 109 beschr. bl. (aan één kant), 31 r. 

'Net handschrift met titels en verzen in rood. 

Voorin staat: ,,Jang a(m)poenja Gouvernement di kantoor Algemeene 
Secretaris di Batavia." 

Na bl. 51 eene lacune van 17 bl. 

Het HS. eindigt abrupt. 

Over dit HS. handelt Brandes in zijn in Prof. De Goeje's feestbundel 
op bl. 79 — 110 voorkomende verhandeling Het onderzoek naar den oorsprong 
van de Maleische hikajat Kalila dan Damina ingeleid, en wel op bl. 81 en 91 sqq. 

Daar leest men dat dit HS. op een belangrijk punt afwijkt in indeeling 
van de andere bekende HSS. en dat het in dit HS. voorkomende beantwoordt 
aan bl. 28 — 179 en 249 — 397 van Gonggrijps uitgave, zoodat het ..raamverhaal" 
en de inleiding ontbreken, behalve voorzoover het eerstgenoemde verder in 
het boek nog vermeld wordt. Na over het abrupt eindigen van het HS. (nl. 
aan het begin van het verhaal van den koning van Jemen) gehandeld te hebben, 
zegt Brandes: ..Hier dus zou men een tekst van den 13- verhaligen vorm heb- 
beu gehad, die veel meer beantwoordt aan wat men verwachten kon, dan nu 
met Gonggrijps uitgegevenen het geval is. Toch stelle men zich niet voor dat 
het HS. overigens bizonder veel verschil vertoont met de door dezen gebruikte. 
Het tweede gedeelte ervan, om een voorbeeld te geven, begint midden in het 
slot van de geschiedenis van den Arabier en zijne vrouw, die slechts in de 
Maleische teksten voorkomt, en bij Gonggrijp op bl. 23 aanvangt". 

Zie verder sub IV. 

LIX. 
HIKAJAT KALILAH DAN DAMINAH III. 
Bat. Gen. 229, 20 X 14 cM., 14 bl., 13 r. 

Twee verhalen die ook in cod. Leid. 2010 (CCXXIX) voorkomen nl. de 
tjarita saorang bodoh dan saorang tjërëdik : zie ed. Gonggrijp, lo ed. bl. 123. 
en het verhaal van den koopman Barzaghan die beweerde dat 100 kati's ijzer 
door muizen waren opgegeten. 

Een versje besluit het HS. 



79 
LX. 

HIKAJAT KAL1LAH DAN DAMINAH IV. 

Collectie Br. 146, 34 X 22 cM., 82 bl., 29 r. 

Dit handschrift is eene copie vau II. 

Voorin heeft Brandes geschreven: ,,Het begin ontbreekt daar het Hds. 
dadelijk met het eerste hoofdverhaal aanvangt. Op bl. 47 een groote lacune, 
nl. Gonggrijp, 2° ed. bl. 157 — 218. Iets lager op diezelfde bladzijde ver- 
moedelijk geen leemte, maar een uitbreiding in 't Hds. van De Hollander en 
anderen (?), die men bij Gonggrijp, ibid. 220 — 224 overgenomen vindt. Op 
1)1. 53 mist men echter weer Gonggrijp bl. 242 — 249. Het slot is het begin 

van het verhaal van den koning van Jemen. 

Vau het Pantjatantra-raam verhaal hier geen spoor. Tot en met het 7° 
hoofdverhaal; de radja singa, en daarna in 8 nog mergadipati Gonggrijp, 2° 
dr. 162, 176 en 288 moeten bijvoegsels van den uitgever zijn; hier vindt men 
ze niet". 

LXI. 

HIKAJAT KALILAH DAN DAMINAH V. 

Collectie Br. 321, 34x21 cM., 222 bl., 26 r., gedat. 5 Juni 1893. 

Dit HS. is eene copie van een manuscript in het bezit van Dr. C. 
Snouck Hurgronje, vroeger eigendom van De Hollander, waarover men zie bl. 
16 van de uitgave van Gonggrijp. Daar dat handschrift door Gonggrijp tot 
grondslag voor zijne editie genomen is, behoeft over de caracteristica van zijn 
inhoud hier niet gehandeld te worden. 

LXII. 

HIKAJAT KALILAH DAN DAMINAH VI. 

Collectie. Br. 510, 34 X 21V 2 cM., 299 bl., 24 r. 

Afschrift van een HS. van Van der Tuuk, nu cod. Leid. 3195 (CCXXVD. 

Achterin eene inhoudsopgave en deze aanteekening van Brandes : ,,De 
volgorde der ingeschoven verhalen in het eerste hoofdverhaal is als in het HS. 
van De Hollander en dus geheel afwijkend. De drie door Gonggrijp in zijn 
uitgave aan de Kalila dan Damina toegevoegde verhalen worden hier natuurlijk 



80 

•.«•mist, zie 2" ed. bl. 162, 17G en 288. Ook vindt men hier niet ibid. 220— 224, 
voorkomende in het HS. van De Hollander, maar naar alle waarschijnlijkheid 
eene uitbreiding van den tekst, men vergelijke slechts het daar op bl. 200 voor- 
komende verhaaltje, in dit HS. bl. 153. Van het Pantjatantra-raamverhaal hier 
geen spoor. Tot en met het 7° (zie ook 8 a ) hoofdverhaal radja singa". 

LXIII. 

HIKAJAT KALILAH DAN DAMINAH VII. 

Collectie v. d. W. 184, 34V 2 X 21 cM., 94 bl. 17 r. 

De tekst van den Tamil Pantjatantra (paiïjatandiram) volgens de Maleische 
bewerking van 'Abdallah ibn 'Abdalkfulir Moensji, gelijk die is uitgegeven door 
H. N. v.d. Tuuk en heruitgegeven als zesde stuk van het „Maleisen Leesboek 
voor eerstbeginnenden en meergevorderden", en te Singapoera, o. a. in 1825, 
en vertaald door Klinker i; in 1871. 

De tekst verschilt niet van dien der uitgave- Van der Tuuk. Alleen 
staat in den aanvang niet 1281 — 1835 H. maar 1251 — 1835 H., met dezelfde 

datums, in plaats van _*,lï.i J»j • ^XiJ Jo, en in stede van (zie bl. p r. 3), 

r ^5 j afj- 'ui J e/v-' v 

JL si ;ilJo cJai en meer dergelijke afwijkingen en fouten, zooals de spelling 
van Kalilah en van Daminah met een alif op het einde. 

Alle bladzijden zijn omlijst, en de afzonderlijke verhalen zijn door in 
cirkeltjes geplaatste cijfers aan den rand aangewezen. 

Eene lijst van de vijf boeken en de verschillende verhalen komt achteraan 
voor, besloten met de woorden Jf.^jS Isui &>U»- JÏJJs&j r)Jx». ah^-J c£* 

De namen der vijf boeken zijn gevocaliseerd, nl. ^iil^Lo *$\f™ 

>(^V^ L-f t ^ Uj >f*"^j} en fjl)^ ^fStj iS^^ waar * ü C ^ e Tamil-spelling vrij goed 
behouden gebleven is. 

De tekst draagt denzelfden datum als de uitgave. 

LXIV. 

HIKAJAT KALILAH DAN DAMINAH VIII. 
Collectie v. d. W. 185, 33 X 20 V 3 cM , 106 bl., 19 r. 



81 

De inleiding (uitgave bl. i — p\ ontbreekt. 

Ook hier zijn enkele afwijkingen, meest door schrijffouten. 

Ook het slot rnet den datum der uitgave ontbreekt hier. 

Van de omvangrijke litteratuur over dit boek is hetgeen op de Maleische 
versie betrekking heeft vermeld in den catalogus van Juynboll, bl. 221 en 
222, waarnaar verwezen moge worden. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1729, 1757, 3195, 1989, 1992, 2010, 1931 (Nos. CCXXIV— 

VCXXX). 
Londen, ivoyal Asiatie Society, Nos. 38, 59 en 71. 
Brussel, Bibl. Royale, No. 21508. 

LXV. 

HIKAJAT BAJAN BOED1MAN I. 

Collectie Br. 357, 31 X 20 cM., 164 bl. 23—24 r. 

Een handschrift, zonder begin en zonder slot, van het, ook onder andere 
titels als Hikajat Chodjah Majmoên, Tjaritëra Chodjah Moebarak, Tjarita Taifa 
bekende, verhaal dat ontleend is aan het Perzische Toêti-nameh, hetwelk het 
Sanskrit (,'oekasaptati tot origineel heeft. 

Over enkele teksten van dit verhaal handelde Dr. Brandes in Tijdschrift 
v. Ind. T. L. & V. K. XLÏ, bl. 431—498. 

Zie over dit HS. verder sub II. 

LXVI. 
HIKAJAT BAJAN BOEDIMAN II. 

Collectie Br. 102, 33V 2 X 21V 2 cM., 108 bl. 20 r. 

Dit HS. is eene copie van I. 

Voorin staat: „Het raamverhaal gelijkt op dat van 0". 

Hiermede is het in de genoemde verhandeling, op bl. 432, besproken 
manuscript bedoeld, dat door Juynboll sub No. CVI uitvoerig is beschreven. 

Dit HS. bevat de volgende verhalen : 

Vogel tjëmpërling; Sitti Sabarijjah ; Straffen van ontrouwe vrouwen; 
Het halve leven; Astoêr; De prinses door haren man om haar schranderheid 
bemind; Sitti Hasanah, Soeltan Adam, De vorst van Hindoestan en de slangen- 
Verhandelingen. 6 



82 

vorst; De prins en de kikvorsen, Martasijjah en hare trouw aan haren man; 
Djohan Maligan ; De vrouw die in de zee gezocht werd. 

Naar de rangorde op bl. 433 van genoemde verhandeling, 1° kolom, 
vastgesteld, vertegenwoordigen deze verhalen de nummers: 

l, 15*.—. 17. 18,—, 20, 23, 7. 8. 3.—. 24. 

LXVII. 

HIKAJAÏ BA.TAX BOEDIMAX III. 
Collectie. Br. 115, 34 X 21 1 , cM., 125 bl.. 28 r. 

Dit HS. is eene copie van het in bovenvermelde verhandeling met B. 
aangeduide manuscript. 

Het begin ontbreekt. De inhoud, die in kolom 3 van bl. 433 1. c, is 
opgenomen bestaat uit : 

(12) liet leveuswater (13) Saböer niet verbrand; (14) e_?.\jj\ ). 
(15) Bibi Sabarijjah; (16) \X<£ —). die in de dieren kan gaan en in de 
menschen; (17; Het halve leven; v 18j Astoêr; (19) De echtgenoote en de goendik; 
(20) Sitti Hasanah; (21) Beproef uwe vrienden; (22) De zoon nog erger dan 
de vader; (23) Soeltan Adam; (24) De in zee gezochte vrouw. 

LXVIII. 

HIKAJAÏ BAJAX BOEDIMAX IV. 

Collectie Br. 545. 34X22 cM., 110 bl., 25 r. 

Dit HS. is eene copie van het door Juynboll als Xo. CVI beschrevene, 
in de bovenvermelde verhandeling met C aangeduide, manuscript-Van der Tuuk, 
waarover men die verhandeling passim, en den catalogus, bl. 129 raadplege. 

Het origineel voert den datum 2ö Sja c ban 1209, 6 Juni 1852 te Baros. 

LX IX. 

HIKAJAT BAJAX BOEDIMAX V. 

Collectie v. d. W. 173. 33 X 20 V 2 cM., 204 bl.. 19 r. 

Voorin is de titel Hikajat Chodjah Majmóen. 

Deze tekst is in de bovenvermelde verhandeling niet besproken: in de 
noot op bl. 432 staat te lezen: ..behoudens dit Hds. bevindt zich in de ver- 






83 

zameling van v.d.W. nog een ander, No. 173. Dit kon nog niet verwerkt 
worden". 

Van de Perzische bron is in dit HS. geen sprake, evenmin van de 
gelofte van Majinoên, die beide in VI vermeld worden. 

Het begin is na de enlogie: CJ1> J^^y. J\Jm f^ )jjf- ojU»- j) 

o*,.) «jJii' -lib <«^^P f'^Ji 1 r 7~b <-^" Vr?" ^ (jb**s\J e^-xUw C^-cf 
jljj ,j)J j»**iU Sfiuu ..i^i is\A^a_i o sAaS J;J r ^r^ ej^ (_T^ Axwjlilo 



Het hoofdverhaal (het door Brandes dus genaamde „raamverhaal") is zeer 
uitvoerig, en voor zoover het begin betreft ideutisch met dat van HS. C, zie 
genoemde verhandeling, bl. 495 — 497, alleen wordt niet van één dinar (bl. 
490, o.c., r. 1) maar van tien gesproken, en wordt het land werwaarts Majmöen 
reisde Jaman genoemd ; Soeltan Ja c koeb wordt niet genoemd, evenmin (natuur- 
lijkerwijze!; Jaman, er staat alleen ^^o! ^Jo- Vóórdat de bajan verhalen 
doet, vertelt hij van de beproevingen in het graf en de helsche straffen. 

De verhalen zelve zijn niet dezelfde als in C. (cod. Leid. 3208) en wel, 
met afwijkingen in de eigennamen, op de bl. 30, 59, 77, 120. 108, de Nos. 15*, 
17, 10, 24, (11), van kolom 1 op bl. 433—434 der verhandeling. Met dit 
laatste, zeer uitvoerig vertelde verhaal eindigt het HS. zoodat van het slot van 
het ,, raamverhaal" geen sprake is. 

Iutusschen zijn de verhalen nu en dan gewijzigd, vooral het laatste van 
des koningsdroom. De vorst heet ^jx van het land ^.Uyc twee mantri-zo- 
nen ^Ua> en ^^Ju w> (ook ^jJu .*£-) gaan de droomprinses zoeken, zij 
komen in ^. <dü sluiten zich aan bij ecu ouden man, die hunne zooals latei- 
blijkt verstandige opmerkingen ten onrechte voor gekkenpraat houdt, gelijk zijne 
dochter Sitti Sara hem aantoont. Zij laat door hare bediende Dalimah den 
twee jongelingen versnaperingen brengen, zij komen daar en voelen dat zij de 
droomheldin is; zij teekenen haar uit, een van hen meldt het in ^.Uic, Sara 
is werkelijk de in den droom geziene, de mantri en mangkoeboemi worden 
uitgezonden, Sara wordt door hen in staatsie naar ^«Üvr geleid, en het 
huwelijk wordt gesloten. Hj eene jachtpartij doodt de vorst een hert, ziet hoe haar 
jong haar betreurt, en denkt met schrik aan zijne kinderloosheid, daarna vaart hij 
naar het eiland Birama Dewa. Zij laat gouden en zilveren voorwerpen aan 
boord van een schip brengen, verkleedt zich als een man, neemt den naam 



84 

)i}yo ),SJ) KL>- *i)d aan, zij speelt raet den koning schaak, wint hem allerlei 
dingen af, o. a. een paard; dat wordt bevrucht; zij doet zich voor als een bij wijf' van 
den gezagvoerder ^)j, hij gaat tot haar in; zij, nog steeds onbekend, geeft 
hem zijn paard en ring terug, en vertrekt. Na eenigen tijd baart zij een 'zoon 
ras^, ^*juj; ook het paard brengt een jong ter wereld. Zoo was de last van 
den vorst dat hij bij zijn terugkeer een zoon, een veulen van zijn paard en 
zijn ring aan zijn eigen hand moest vinden, uitvoerbaar geworden, raet hulp der 
twee jongelingen. 

De knaap groeide op (Geen slot). 

Dit alles is, met geringe wijzigingen, de Hikajat Nachoda Moeda of 
Sitti Sara, die afzonderlijk behandeld wordt (no 77 B. G.), hetzij als vreemd 
ingeschoven verhaal, hetzij als variatie op het droomthema van 11, in elk geval een 
geheel vreemd element, dat als een heterogeen invoegsel beschouwd moet worden. 

LXX. 
HIKAJAT BAJAN BOEDIMAN VI. 
Collectie v. d. W. 174. 33 X 21 cM., 270 bl., 12 r. 

Over dit HS. behoeft, na de uitvoerige mededingen door Dr. Brandes 
in zijne verhandeling, niet meer bericht te worden; het is A van zijne IISS., 
telkenmale genoemd, en de grondslag der verhandeling'. 

Het HS. is gedateerd; 18 Dzóelh. 1278. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1956 (1), 3208 en 2199 (2), CataL, bl. 12G — 181. 

Londen, East India House, n os 285 en 327. 

Londen, Royal Asiatic Society, n° 4. 

Over de uitgegeven fragmenten zie Juynboll's catalogus, bl. 125. 

LXXI. 

HIKAJAT BACHTUaR I. 

Collectie Br. 121, 24 V 2 X 16V a cAL, 196 bl., 17 r. 

Fragment, nl. copie van het manuscript dat besproken is door Bran- 
des op bl. 42 (van den overdruk) van zijn in deel XXXVIII van het 
Tijdschrift voor Ind. T. L. & Vk. v. N. I. verschenen opstel »Nadere 
opmerkingen over de Maleische bewerkingen van de geschiedenis der 10 
vizieren, Hikajat Golam i Hik. Zadabaktin, Hik. Azbak), Hik. Kalila dan 



85 

Damina (laatste gedeelte), en de daarvan te onderscheiden, bij de Maliers voor- 
handen uiteenloopende Hikayat's Baktiyar." ; de afzonderlijke verhalen van dit 
fragment zijn aldaar geresumeerd op bl. 62 — 81. 

Voor alles wat de verhouding der verschillende redactiëu en die der 
Hikajats Ghoelam en Hikajats Bachtijar betreft, alsmede voor de eigenaardig- 
heden van dit fragment moge naar vermelde verhandeling verwezen worden. 

LXXII. 

HIKAJAT BACHTIJaR II. 
Collectie Br. 503, 34 X 22 cM., 62 bl., 25 r., gedat, 1269. 

Dit HS. is eene copie van het manuscript van Van der Tuuk dat door 
Dr. Juynboll beschreven is sub no CXXVII, waar vermeld wordt dat Brandes 
op het titelblad heeft geschreven : 

,, Redactie overeenkomende met de in de Kalila dan Damina opgenomen 
verhalen. Het is dit HS. dat door Van der Tuuk bedoeld moet zijn in zijn ver- 
slag over no. 63 van Raffles verzameling. Deze tekst sluit zich bij die van 
Lescallier enz. aan". 

De negen verhalen in deze redactie vervat zijn in den catalogus, bl. 
155 en 156 opgenoemd. 

LXXIII. 
HIKAJAT BACHTIJaR III. 
Collectie v. d. W. 179, 33X21 cM., 86 bl., 19 r. 

Ook over dezen tekst kan ik kort zijn, omdat die bijna woordelijk is 
afgedrukt door A. F. v. Dewall in 1880, 2° druk 1901, met supprimeering van 
een der verhalen, en Dr. Brandes in zijne genoemde verhandeling uitvoerig er 
over handelt op 1)1. 41 en 43 — 45 (raamverhaal), en bl. 46 — 52, (inge- 
schoven verhalen). 

De hier vertegenwoordigde redactie zoude men de „kleine Hikajat Bach- 
tijar" moeten noemen; zie genoemde verhandeling, bl. 83. 

Behoudens enkele taalkundige verbeteringen en castigationes is dit 118. 
zeer volkomen afgedrukt. 

In zijnen inventaris zegt Mr. L. W. C v. d. Berg van dit HS : 



86 

„Deze prins (Bachtijar) was toen ziju vader vluchtte voor een jongeren 
broeder, die hem van den troon wilde stooten, te midden van een woud gebo- 
ren, en door zijne ouders verlaten. Hij werd daarop door een koopman, Idris 
geneeten, opgenomen, en grootgebracht. Later werd hij één van de staats- 
dienaren zijns vaders, die intusschen . een ander koninkrijk gevonden had, 
en besliste de hem als zoodanig voorgelegde geschillen met rechtvaardigheid. 

Wegens een vermeenden aanslag op bet leven des Konings werd hij 
echter in de gevangenis geworpen ; en zou de doodstraf hebben ondergaan, had 
hij niet door allerlei fraaie vertellingen de uitvoering daarvan weten te ver- 
schuiven. Zelfs de Koning kwam herhaaldelijk naar hem luisteren. Bij één van 
die bezoeken was ook Bachtijar 's pleegvader Idrïs tegenwoordig, die zijn 
pleegkind vertelde, hoe hij hem in het bosch had gevonden. De vorst, dit 
verhaal hoorende, begreep toen dat het zijn zoon was, die door Idrïs was 
opgenomen, erkende Bachtijar als zoodanig, en stond hem zijn rijk af". 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 3197 (1) en 3374 (No.s. CXXV.II en OXXVIIT). 

Londen, Royal Asiatic Society, No. 63. 

LXXIV. 
HIKAJAT GHOELaM 1. 
Collectie v.d. W. 132. 33 1 /, X 21 cM., 216 hl., 19 r. 

Keurig handschrift, met geëncadreerde paginas, en het Arabisch en op- 
schriften in rood, van het verhaal dat ook als Hikajat Radja Azbach en Hikajat 
Radja Zadah Bochtiu bekend is. 

Terecht zegt Dr. Juynboll: (Catal. bl. 154): ..Eeue inhoudsopgave hier- 
van is overbodig, dajir die van 't raamverhaal uitvoerig door Dr. de Hollander 
eu die der ingevoegde verhalen door Dr. Brandes gegeven is in zijne boven- 
vermelde verhandeling". 

Volledigheidshalve zij het referaat van Mr. L. W. C. v.d. Berg hier 
overgenomen: „Geschiedenis van Gholam, zoon van Zad Bochtin, Koning van 
c Aoan in Perzié'. Koning Zad Bochtin werd door één zijner staatsdienaars den 
mangkoe boemi) van den troon gestooten. en moest met zijne vrouw in de 
wildernis vluchten, alwaar Gholam geboren werd, doch door zijne ouders moest 
worden achtergelaten. Een roo verhoofdman vond hem, voedde hem op. en 
maakte eveneens een roover van hem. Op zekeren dag echter werd hij gevangen 
genomen en bij zijn vader, die intusschen zijn rijk had teruggekregen, gebracht; 



87 

doch aangezien hij aan den vorst beviel, strafte deze hem niet, maar verbond 
hom zelfs aan zijn dienst. Later toen de vorst meende hem betrapt te hebben op 
pogingen tot overspel met de Koningin, werd hij in de gevangenis geworpen, en 
zonde ter dood gebracht zijn, als hij niet door zijne verhalen en zijne toespraken 
de executie telkens had weten te verschuiven. De rooverhoofdman. die hem 
had opgevoed, en gehoord had dat Gholam een voornaam persoon was gewor- 
den, kwam naar de hoofdplaats, om hem te bezoeken; doch hem, in plaats 
van in aanzien, in de gevangenis vindende, was hij zeer bedroefd en vroeg om 
vergiffenis voor hem aan den vorst, daarbij mededeelende hoe hij Gholam eer- 
tijds in het bosch had aangetroffen. Uit dit verhaal begreep de vorst, dat 
Gholam zijn eigen zoon was, waarop hij hem niet alleen in vrijheid stelde, 
maar hem ook zijn rijk afstond, terwijl de gewezen rooverhoofdman tot vizier 
werd verheven". 

Over de uitgave te Batavia 18t50 zie Brandes, o. c. bl. 10 (overdruk). 

De negen verhalen (zie verh. bl. 39, waar VI boven in den staat in 
I V veranderd moet worden), komen in dit HS voor : 

I, bl. 23, II, bl. 30, III, bl. 55, IV, bl. 78, V, bl. 90, VI, bl. 115, 
VII, bl. 1 34. (Ibraha hier Jatarahanna, cod. Leid. '. 7 ! 8 Jatarahonna), VIII 
146, IX (^U:^)) bl. 182. 

LXXV. 
HIKAJAT GHOELaM II. 

Collectie v. d. W. 133, 20V 3 X 167 3 cM., 348 bl., 15 r. 

Deze tekst is die der uitgave 1800, waarnaar verwezen wordt. 
Ook hier is het Arabisch, en een deel der opschriften in rood. 
De laatste bladzijden zijn gevuld met eene lijst der verhalen, met begin 
en slot van het ,, raamverhaal" op elf gesteld; minder juist is de titel dier lijst: 

LXXVI. 

HIKAJAT GHOELaM III. 

Collectie v. cl. W. 134, 33 X -1 cM., 25G bl., 19 r. 

Eenigszins afwijkende te lest : zie den staat in Brandes' verhandeling, bl. 
10 (overdr.). 



88 

L. W. C. v. d. Berg in zijnen inventaris zegt: „andere redactie van 
hetzelfde werk". 

Het begin is geheel anders, nl. 

CJ"-* eJ^> S^V^l^ 4^ l —^ |»J^ ^ J OsSjJIj c^a=^ yyUi ^J c^o) 
*UJ Jo£ 8.Ü: ''-jJ.Uo ,_s*) ll/,i ^Jaï C^o) O^uJ); j-.)i u?;^ ^V* 1 ^^ 

.. -sjLaj' C_£vc ^]L«mj 1 atÖ'>c («ob.i iJJCjj jj)j JÜÓJ iJjCjj i> i uwj i.^< /Sy* 1 Z^- 

l^~J <pj iJW-jl ^-^^ji \*)$ ^Q LijWV.^ j**) '-^-£-< i^*^ lfc ^S , J ^vK^w **£■ 

£J> JÏ L^>J ^^V.^-y r u/V ^"^ J^" *^ ^"uii/- J^°f d^" c/ J uf*!; 

iJL^o) ij^-ji (J\ l '* sw ^-^y?-ji 

Daarna volgt het verhaal van de dochter van den mangkoeboemi, hier 

)ójjb U^) genoemd; alles wordt in veel korter termen dan in I en II verteld, 

en de Arabische verzen zijn hier veel minder in aantal. De Arabische versregel 
die in II op bl. 3b' voorkomt, wordt hier reeds op bl. 10 aangetroffen (in I 
op bl. 17). 

De verhalen zijn dezelfden, en wel op de bladzijden; 17. 32. 56, (na 
bl. 60 een hiaat), 86, 104, 132, 160. (na bl. 162 eene lacune\ 178, 220. 
Deze laatste bl. is die van den jawm attasi'', de overige bladzijden wijzen, 
evenals sub I, het juiste begin van het eigenlijke verhaal, niet van dan dag aan. 

De tiende dag begint hier op bl. 244, de elfde op bl. 246. 

Het verschil in redactie tusschen dit HS. en I-II is niet ffelegren in 
den tekst, daar die na het afwijkende begin bijna woordelijk overeenstemt, 
maar in de eigennamen, gelijk ook uit Brandes' opgave op bl. 10 zijner ver- 
handeling blijken kan. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1718, 1723, 1750, C.ital. bl. 153— ! 55. 

LX XVI f. 

BOENGA RAMPAJ. 

Bat. Gen. 24, 20 X 16 cM., 322 bl., 15 r., gedat. 1847. 
Notulen 29 Januari 1867. VIII. 






89 

Verschillende verhalen, voor een deel uit den Bachtijar ontleend ; enkele 
bladzijden zijn verkeerd ingebonden, op bl. 101 volgt bl. 232. 

1°. In Badr is koning Mahniöed met dochter Badarijjah en mantri Djam en 
eene hofjuffer Zoelajchah; deze wordt door een onopzettelijk vergrijp door den koning 
verwond, maar als deze berouw heeft goed behandeld. De vorst gaat naar Mekka; de 
mantri wil de prinses verleiden, zij ontvlucht; de minister zendt een leugenachtigen 
brief naar Mekka. Zij gaat naar c Irak, waar zij gevonden wordt door prins Sjah 
Djohan, en in eenen boom gaat, doch op zijn gebed er weder uit komt, met hem 
huwt en hem twee kinderen scheukt. Met dezen gaat zij naar Badr onder de hoede 
van mantri c Alkas; deze wil haar verleiden en doodt hare kinderen; zij vlucht 
en ontmoet eenen Aethiopischen roover die haar begeert, maar zij vlucht naar 
[spahan, waar een koopman haar neemt. c Alkas laat den vorst leugens berichten. 
Als koopman verkleed vlucht zij naar Toeran; daar was de vorst gestorven, een 
bijzondere olifant nadert haar, wat een teeken is dat zij vorst moet woi'den, wat 
dan ook geschiedt. Zij laat haar beeldtenis tentoonstellen met den last dat ieder die 
er bij weent gevat moet worden ; eerst geschiedt dit met den Aethiopiër, dan met Sjah 
Djohan. l Alkas wordt in een twist gemengd, gaat naar Mekka, en daarna met Mah- 
móed en mantri Djam naar Toeran, waar de vorst(in) hen allen laat opbiechten. 
De Aethiopiër en de koopman worden begiftigd, de twee mantri's gepijnigd ; 
met vreugde herkent haar vader haar. 2 ) 

2°, bl. 43. Soeltan Moeghoel, genaamd c Oethman, heeft een zoon Boerhan 
al- c Arifïn en vier ministers; dezen voorzien het ongeluk van den prins en 
raden aan de prinses van Damascus, Zajn al-Barijjah ten huwelijk te vragen. 
Het huwelijk wordt gesloten; de vader wordt ziek, geeft ernstige vermaningen, 
en sterft; zijn zoon wordt vorst en betracht de deugd. 

3°, bl. 09. Dit verhaal is hetzelfde als no. 1 van cod. Leid. 1721. 

4°, bl. 80. Dit verhaal is hetzelfde als no. 2 van cod. Leid. 1721. 

5°, bl. 94. Het verhaal van c Abdarrahraan en c Abdarrahim, dat voorkomt 
op bl. 109 — llo van cod. Leid. 1931, en in De Hollanders Bloemlezing op bl. 
119 sqq is uitgegeven. 

0°, bl. 110. Dit verhaal is hetzelfde als no. 3 van cod. Leid. 1721, 
waar echter slechts de tweede heil' 4- - voorkomt; het voorafgaande gedeelte heeft 
dezen inhoud : 

Op den Boekit Sagoentang is Datoek Pikrama met dochter Hoesujiiah. 
Een Atjéhsche cliel Samir wil daar gaan stelen, hoort den hond. den vogel 
këtitiran, de kat, het paard en de kris spreken, durft dus niet te stelen en 
wordt daar knecht, en later de aangenomen broeder der prinses Malini. 

1) Ook op bl. 172 sqq van Bat. Gen. 42; zie aldaar. 



90 

Hij gebruikt de dieren en don kris; het verhaal is verder als in cod. 
cit. en o|> het eind wordt medegedeeld dat met deze legende de voorliefde van 
Palembangers voor krissen, këtitiran's, honden, katten en paarden verklaard is. 

7°. bl. 125. Dit verhaal is hetzelfde als no. 4 van cod. Leid. 1721. 

8°. bl. 130. In Baghdad is een koopman, die een kikvorsen uit den 
muil van een slang loskoopt met zijn eigen vleesch; hij wordt gebeten, ziet 
zijne bemoeizucht in. gaat naar Turkestan en wordt daar bedrogen met ijzer 
dat door de muizen zoude opgegeten zijn. Dan naar Toeran, waar hij een half 
wit half zwart menseh ontmoet, die den raad van een kind volgende gewoon 
van kleur wordt, en hij een gezin leert kennen welks kind door een ichneumon 
zoude zijn opgegeten (uit den Hitopadeca). 

Vandaar naar Zamïn ( 'Ambar waar de vorst den geleerden een raadsel 
voorlegt, dat door het kind Mahbóeb wordt opgelost. Vandaar gaat de koop- 
man naar Koêfah; daar ruilen een rijke handelaar en een arme visscher van 
vrouw, met het gevolg dat deze rijk en gene arm wordt. Dan gaat hij naar 
jüL* waar de Hindi Farma Zenggi is; hij vervoegt zich bij Bibi Zoelajchah 
de vrouw van Amir Hasan die hij in het Hindoêstanï a ) aanspreekt; Farma 
wil haar verleiden, maar wordt met vijf slechte rechters door haar opgesloten, 
waarop de vorst dezen laat dooden en Farma verbant. Nu gaat de koopman 
naar Baghdad, waar hij knecht wordt bij Djamal, met wiens dochter Zajnab 
hij huwt. 

9°. bl. 187. Mansöer de Gbaznawide verkleedt zich en gaat spionneeren. 
en ontmoet den fakir Makböel. Den volgenden dag laat hij dezen aanhouden, 
doch hij vlucht ; vele keeren gaat dat aldus, 's Nachts leert de vorst van hem, 
overdag legt hij hem moeilijkheden in den weg, maar de fakir redt zich uit 
alles, hij wordt uit armoede soldaat en brengt het tot wezier. Hij wijst den 
vorst op iemand die beter is dan hij ; bij dien gaat de vorst in de leer en 
wordt ten slotte fakir. 

10*. bl. 210. Dit verhaal is hetzelfde als no. 5 van cod. Leid. 1721. 

11°. bl. 258. In Aden is vorst Mahmöed Sjah. Ook zijn daar twee 
vrouwen van wie ééne in haren slaap haar kind dooddrukt, en het tegen het 
andere verwisselt ; eene aanklacht volgt. 

Lacune e Alkas Mantri gaat naar Aden en verklaart 's vorsten droom; 
de vorst laat Zajnab halen, huwt met haar, en gaat naar Ceilon, zeggende dat 
hij niet terug zal keeren voordat zij bevallen is. Dan heeft het verhaal geheel 
hetzelfde beloop als de Hikajat Nachoda Moeda of Hikajat Sitti Sara. waarheen 
verwezen worde. 



1) Zie Tijdschrift voor Ind. T. L. & V. K. deel XLIII, bl. 583 sqq. 



91 

li'". bl. 27"). Geschiedenis van het Halve Leven, in Niemann's bloem- 
lezing, eerste stukje, bl. 213 uitgegeven, tevens het achtste verhaal van cod. 
cit. De man is hier een teekenaar Hang Koemala, de vrouw eene borduurster 
Dang Seri; het verhaal wordt gevolgd door eene moraal. 

13°, bl. 287. Dit verhaal is hetzelfde als no. 9 van eod. Leid 1721. 

14°, bl. 224. In Jemen is koopman ïshak die met zijnen zoon Salim 
ernstige gesprekken voert. De vader sterft. De zoon wordt vervolgd door een 
dollen kameel, valt in een put waarin een krokodil is; hij klemt zich vast aan 
eenen wortel waaraan een muis knaagt, maar met één sprong redt hij zich. 
Daarna (uu volgt bl. 102) ontmoet hij eenen armen man die hem zijne onge- 
lukken verklaart als gevolgen van zijne zonden, en hem een leerzaam verhaal 
van den duivel doet. \ r erder leidt hij een godvruchtig leven. 

15°, bl. 238. In Hindöestan is een koopman wiens zoon zijn geld ver- 
brast ; na 's vaders dood vervalt hij tot armoede, vindt eenen door den vader 
verborgen schat, wordt weer rijk, en is door ervaring wijs geworden. 

10°. bl. 211. Het eerste gedeelte van het verhaal is identisch met no. 
(3 van cod. 1721; het tweede (de schildpad en de aap, de overspelige vrouw, 
beide uit den Pahcatantra) met no. 7 van dien codex. 

LXXVIII. 

BACHTUaR-EN ANDERE VERHALEN. 

Bat. Gen. 197. 22^2 X 177 2 cM.. 148 bl., 13 r.. gedat, 12 Djoem. I, 1223. 

De verhalenbundel zelf is gedateerd 1081; voorin wordt het geschrift 
genoemd : Hikajat dari pada c Alaaddïu Sjah Patani mënoeroenkën riwajatnja 
kapada bandahara Firoes. 

Het HS. heeft toebehoord aan Abbé Favre. 

Bl. 1- — 1 1 bevatten regels voor vorsten. 

Daarna volgt een verhaal van zekeren ldris die. aan het strand wan- 
delde, en eenen krokodil redde; toch wil deze hem dooden, maar een reiger 
bemoeit er zich mede. en een dwerghert redt hem; aan deze fabel worden 
didactische beschouwingen vastgeknoopt. 

Van bl. 24 — 29 een verhaal van een tijger, een geit en het dwerghert, 
met beschouwingen tot bl. 32. 

Dan het verhaal uit den Ba/an Boediman dat door Brandes is weerge- 
geven op bl. 47(3 sqq van deel XL1 van het Tijdschrift voor Ind. T. L. en 
V. K. (verhaal 14*); het verhaal is hier zeer kort, en de vorst heet Soeltau 
Ibrabïm in Ramtasjam. 



92 

Hl. 54 begint de hikajat Bibi Sabarijjah, het 15* uit den Bajan Boe- 
diman en 21° uit den Bachtïjar; zie Tijdschrift, bl. 479 sqq. 

BI. 74 begint het verhaal den vorst van Babil en het overgaan der 
ziel in andere lichamen, d. i. verhaal 16 van den Bajan Boediman, 21 van 
den Bachtïjar; zie Tijdschrift, bl. 480 sqq. 

Bl. 107 een verhaal van vier kampoenglieden die rijst gingen koopen 
met eenen vreemdeling; deze wordt ziek achtergelaten, komt bij eene vrouw 
die hij bij ongeluk verwondt, waarop hij bijkans doodgeslagen wordt; het 
kampoeughoofd onderzoekt de zaak, en bepaalt ieders schuld. Na vele beschou- 
wingen over de strekking van dit verhaal begint op bl. 123 het verhaal van 
het halve leven, het 22° van den Bachtijar. 

Op bl. 135 eindelijk een verhaal van Soeltan c Alam Sjah in Bandar 
Kóefah en den prins Ahmad ; de vorst is hoovaardig en verkwistend, zijne 
ministers willen hem verjagen, maar hij komt tot inkeer. Er komt een slang 
die zeven jonge dochters eischt, doch door den prins gedood wordt; de stad bloeit. 

De tekst van dit HS. is zeer gebrekkig. 

LXXIX. 

HIKAJAT MAHARADJA BOMA I. 

Bat, Gen. 215, 32 X 20 cM., 236 bl., 28 r., gedat. Batavia, 14 Sept. 1870. 

De inhoud van dit verhaal, de Maleische bewerking van het Oudjavaan- 
sche Bhomakavya, komt geheel overeen met het excerpt door Van der Tuuk 
gepubliceerd in deel XXI van het Tijdschrift voor Ind. T. L. en V. K.. bl. 91 sqq. 

De bloem widjaja koesoema heet hier widg'aja, niet widjaja mala zooals in 
cod. Leid. 3256(1). De namen aan de raksasa's gegeven zijn hier JU*,, Vj 

( jj££ji) ) }±J^ )j^- ^J\i f I^J^c ^\s f ^')J ^J\s en ^x*Li i^; hieruit 
blijkt reeds dat er nog al verschil in de eigennamen is met het Londcnsche 
handschrift (zie v.d. Tuuk, bl. 93 noot 4). In het onmiddellijk volgende is geen 
verschil te bespeuren; alleen heet Baroena hier Barawan. Nu eens wordt Pa- 
soedewa, dan weer Basoedewa geschreven. Hier (op bl. 14) wordt nog de zuster 
van Baladewa en Kësna : Sambadra genoemd; de vorstin Rakmi heet hier 
Rakmani, wat meer op den naam in den Pandawa Djaja gelijkt. Djantaka is 
hier vorst van Naraan, eene verbastering wellicht van Manoeranagara ; zijne 
gemalin wordt Daiisila genoemd, de patih Moedra : Moedara, Soerana : Soerama, 



93 

De nieuwe alinea bij Van der Tuuk, bl. 99 valt hier op bl. 94. De 
berg Kandarana heet hier Gandaranam (bl. 112). De gevolgen van de oplichting 
van Samba en zijne vrouw worden hier zeer uitvoerig medegedeeld; de ontvoering 
zelve wordt vermeld op bl. 126. Op bl. 134 begint het verhaal van Hanoman 's 
optreden; de berg waar hij ascese doet heet Darmasena. In het algemeen is, 
naar van der Tuuk's uittreksel te oordeelen, geen redactieverschil van het 
Londensche met dit HS. te constateeren. 

Achteraan is een vers van drie bl. over de hoedanigheden van het verhaal. 

LXXX. 
HIKAJAT MAHARADJA BOMA II. 

Bat. Gen. 360, 31 X 19 cM., 380 bl, 20—21 r., gedat. 2 Aug. 1850. 

Dit in 1904 aangekochte HS. is zeer nauwkeurig en volledig; hoewel 
van dezelfde redactie als I is het veel volkomener, en veel meer een typus van 
het echte Boma-verhaal. 

De redactie is dus als die van het Londensche MS. De uit de nageboorte 
ontstane raksasa's heeten hier Tamara, Djarasanda, Saksa, Sapara, Wirangkasa 
en Sang Përlamba. 

De bloem heet Widjaja Koesoema en Widjaja Moelia; Boma wordt da- 
delijk Maharadja Boma Antara genoemd. Evenals in het Londensche HS. volgt 
nu het verhaal van Baroena en den gadjah mina. De vorst van Pradjotaksëna 
heet hier ^^Jj (bl. 13). In al het volgende is nagenoeg geen afwijking, 
alleen heet Basoedewa ook hier Pasoedewa. 

Djantaka van Manoeranagara komt voor op bl. 25. (Evenals deze eigen- 
naam zijn alle andere gevocaliseerd). Hij treedt op met Maharadja Bajoe, de 
vrouw heet Darsila. Samba heet hier voluit (bl. QQ) Samba Prawira Djaja. 
maar Angkëri heet hier lc) ; deze treedt samen op met Bagawan Patih 

oJ &>££. Kilasoeri hier: Nilasoeri ; Hanoman treedt op op bl. 230. 

De zeer uitvoerige rest is door Van der Tuuk uiterst kort weergegeven. 
Over het vervolg van het verhaal van Ardjoena en Tjëmoeris en Sëmar, dat 
ook in I voorkomt, is in het exeerpt niet gesproken. 

De verheffing van Samba is inderdaad het laatste tafereel. 

LXXXL 
HIKAJAT MAHARADJA BOMA III. 
Collectie v. d. W. 142, 32 X 20 cM., 284 bl., 19 r. 



94 

Op den omslag is de titel Hikajat Sang Samba. 

De bloem, eene tandjoeng ëmas, heet hier boenga widjaja. Boma wordt 
hier I'oma Raksnsa geheeten; de hulp-raksasa's heeten Pati Moedara. 
j")j JU. )sl* l.l*. ili ).l*»« i)J i'i, , JjCcj) a*w en »Xa5J i^ wat met 
I overeenkomt, behoudens af schrijvers- verschillen als j vcor ; ) voor JI e.d. 

De bloem widjaja madjoe heet hier widilja mala, de berg Tanoenan 
hier Tanoenanda, maar later Tanoenan, Pasoedewa heet hier evenzoo: ook de 
in I voorkomende zuster Sambadra wordt hier (bl. 17) aangetroffen, Rakmi 
hier: Rakmani; met dergelijke kleine verschilpunten gaat het verhaal zelf geheel 
parallel aan dat van het Londensche exemplaar voort ; de eigennamen (als 
Djantoka, Manoerinaga(ra), Darisila e.a.) vertoonen meer overeenkomst met 
die in het excerpt dan met die in I. 

De nieuwe alinea op bl. 99 van het excerpt valt hier insgelijks op bl. 
99, die op bl. 100 (de 2° nl.) hier op 140; de berg Kandarana hier Kandara- 
nam ; de alinea 3 van die bl. valt hier op bl. 145. 

Het slot is: 

Volgt de datum, zonder jaar echter. 

LXXXIT. 
HIKAJAT MAHARADJA BOMA IV. 
Collectie Br. 1. 26 1 /, X 20 V s cM., 222 bl. 19 r. 
Voorin staat: *y ^Uj cS* ^tJb fy jüi jty cïyÓJ u^olX**. ^) 

Daarna volgt eene verzekering dat men de woorden des dalangs niet 
moet gelooven, daar zijn doel slechts is de menschen te doen lachen. 

De bloem heet hier Widjaja Mali, de raksasa's: Patïh Dati, Sang Për- 
lamba, Patih Djarasanda, Patih Saksa, Datja Saparan en Sang Irangkasa. 

Het verhaal vertoont geenerlei afwijking. Pasoedewa hier evenzoo, Bala- 
dewa: Baliadewa, Rakmi: Rakma, Manoeranagura : Manoenaoara. 

Gatotkatja's grootvader (excerpt, bl. 100) komt hier op bl. 114 ter 
sprake; de laatste alinea van het excerpt vangt hier aan op bl. 118. 



95 
LXXXIIL 

HIKAJAT MAHARADJA BOMA V. 

Collectie Br. 154. 33 X 20 cM., 226 bl., 23 r. 

In het begin wordt er op gewezen dat het geheele verhaal leugen is, 
en de lectuur ervan slechts dient tot afleiding. 

Dit HS. bleek eene copie van B. Cl. 215 te zijn! In het versachteraan 
zijn enkele strofen uitgelaten. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 3220 en 3256 (1) 2°., Catal. bl. 142—144. 

Londen, Royal Asiatic Society, No. 15. en aant. no. 2/1. 

LXXXIV. 

HIKAJAT INDRANATA I. 

Bat. Gen. 3. 20 Vi X 34 cM., 19 r. 

Notulen 16 Januari 1866 III o. 

De inhoud van dit verhaal is medegedeeld in den catalogus van Juyn- 
boll, bl. 135—137. 

Het daar genoemde eiland Tjinta Birahi heet hier ook Poealara Pëling- 
gam. Het kind van de vrouwelijke sjajtan heet hier niet Raden Djanaka maar 
Raden Djinaka. Ook hier (bl. 21) wordt de naam Indranata verklaard met: 
glans welke de wereld verlicht. De zeven prinsessen heeten hier: (bl. 35) 
Tjandra Koesoema van Mësir, Nöer Lila van Baghdad, Ratna Sari van c Irak, 
Indra Wasi van Siam, Ratna Tjahaja van Koêfah, Tjandra Maha Dewi van 
Përanggi en Tjandra Paksi van Këling. De zeven prinsen zijn: (bl. 101) Dewa 
Lila Mëngarna, van Priaman ; deze bestrijdt Mësir waar hij door Indranata 
overwonnen wordt; (bl. 112) Tjarangpadapa van ^LX deze gaat naar Bagh- 
dad; (bl. 120) Tjarang Këling; Darmadjati (verloofd met prinses 5), Mandali 
(verloofd met prinses 7); Marmadi (verloofd met prinses 4); en A a ^u«j(of 
wc^jwj en j*4x»j\ verloofd met prinses 6. 

Op bl. 155 volgt het verhaal van prinses Sari Këntjana en haar 40 
(niet 20) aanbidders. De namen der vijf overblijvende prinsen zijn: Koeda 
Këlana, Këlana Djaja, Këlana Wira Pati, Tjarang Sari en Mesa Këlana. Het 
verhaal over het dooden van den broeder van het monster ,^^ «j'lw dat in 
cod. Leid. CX voorkomt, wordt ook hier aangetroffen. 



96 

LX XXV. 

HIKAJAT INDRANATA 11. 

Collectie v. d. W. 163, 30 y 20 cM., 193 bl. 17 r. 

Dit HS is van nagenoeg dezelfde redactie als I. 

Het eiland heet alleen Tjinta Birahi, het monster xoi' öLmu». haar zoon 
Raden tl/U»». De prinsessen zijn, (bl. 36) ïjandra Koesoerna, Noerïlah, Ratna 
Sari, Indrawasji. Raden Tjahaja, Tjandra Mahadewi, eu Tjandra Paksji, de 
namen der landen zijn dezelfde als in I, maar slecht gespeld. De zeven vrijers 
zijn: Dewa Lila Mëngarna, Tjarang Padapa, Tjarang <öJl^ Darmadjati, Mandali, 
Amarmadi en ) x^^, 0°k hi er "ordt de prinses Sari (later Seri) Këntjana 
voorgesteld door 40 aanbidders omgeven. De namen der vijf overgebleven 
prinsen (bl. 149) zijn eenigermate bedorven; de beschrijving van de reis van 
Indra Lëlana is hier eenigsziiis anders dan in I. Het dooden van den broeder 
van het monster, hier Poera genoemd, komt ook hier voor. 

LXXXVI. 

HIKAJAT INDRANATA III. 

Collectie C. St. 74, 21X17 cM., 235 bl. 15 r: gedat. 23 Maart 1868. 

Geheel hetzelfde verhaal. 

Tjandrawati hier : Tjandawati, later : Tjindrawati. 

De monster-reuzin hier : Sibatoe Gëmbar, haar zoon : Djinaka. De zeven 
prinsessen (bl. 45) zijn hier dezelfden als in I; de zeven koningen (Leid. CIX. 
bl. 108) staan hier op bl. 96. Evenals in de andere HSS wordt ook in dit 
exemplaar aan het slot verhaald dat Indra Lëlana den broeder der reuzin, 
Raksasa Ngoera, vermoordt. 

LXXXVII. 
HIKAJAT INDRANATA IV. 

Collectie C. St. 131, A, bl. 1 — 229, 17r. (27X21 cM.), gedat. 26 
Mei 1863. 

Hetzelfde verhaal. 

De reuzin hier: yj; jfo, het eiland Tjinta Birahi hier ook Poe- 
lau Pëlenggam Tjahaja. In de détails is dit exemplaar hier en daar iets 
uitvoeriger. 






97 

De l e alinea van Juynboll, bl. 136 valt hier op bl. 86. 

De 2° » » » » 136 » » » » 163. 

De geboorte van Indra Lëlana wordt op bl. 174 verhaald. 

Het slot is uitvoerig. 

Achteraan is een gedicht, van 8 bl., waarin vermeld wordt dat de schrijver 
een përanakan Bali is, en dat verloopt in een kort verhaaltje over Ino en 
zijne naamsveranderingen. 

LXXXVIII. 
HIKAJAT INDRANATA V. 

Collectie C. St. 135, 31 X 20 cM., 208 bl 17—18 r. 

Wederom het gewone verhaal. (Op den rug staat : Soeltan Roem.) 
Sari Kantjana (bl. 127) heeft evenals in al de andere HSS. veertig aan- 
bidders. Arinda Lëlana (bl. 137) voor Indra Lëlana is ongewijfeld een schrijf- 
fout. De raksasa dien deze held ten slotte doodt wordt ^.^c geheeten, en is 
de vader van Si Batoe Gëmboer. 

Aan het slot een gedicht van 10 bl., eerst over vogels en over visschen, 
» 
benevens het huwelijk, de gesprekken en het dikirren van twee goerame's. 

Daarna het begin van eene rijmelarij over den oorlog. 

Andere handschriften: 

Leiden, cod. 3196 en 3170, Catal., bl. 135—137. 

(De verwijzing aldaar op bl. 135 naar Notulen Bat. Gen. XIV, bl. XX, 
n. 126 berust op eene foutieve opgave aldaar; het bedoelde manuscript draagt 
den titel Indranata op den rug en op het schutblad, doch bevat een verhaal 
zonder naam, dat beneden onder no. CLVl medegedeeld wordt.) 

LXXXIX. 
HIKAJAT INDRAPOETRA I. 

Bat. Gen. 125, 33 X 20 cM., 224 bl., 19 r. 
Notulen 3 Febr. 1880, II, c. 

Gehavend HS. waaraan de eerste bladzijde ontbreekt. 

De inhoud van dit verhaal is medegedeeld in Juynboll's catalogus, bl. 
121 sqq. Hoewel in het algemeen het beloop van het verhaal in dit HS. weinig 
afwijkt, verschillen nu en dan de eigennamen, terwijl de volgorde der gebeur- 
tenissen somtijds een andere is. 

Verhandelingen. 7 



98 
Het citaat bij Juynboll, bl. 124 luidt hier 



e^j)^ jJ C-£^ (J'1>-t^ |^ J i — a ~^ *& tt^" ö'^ ' — 'l/J uS"*^ e/^ TT^' 

De afwijkingen in eigennamen kunnen blijken uit de volgende opschriften 
van hoofdstukken: 

BI. 3. J\a ;J ^ < ) CS-< J&f* (steeds zóó) ^yé sJ) jft&* ^sji 

^.x» .si) iu&* ^j ,j)j ijê^ (_5^ J ijr ^ ^V- <Jl&j' ^/Ufc». (_f.ï 

L$yU U^ J <-Sy W *J) <>>) I^^Cctd 

bi. 30. ^ ^j ^^ ^^ ^ jui' ^'ü jlgï ^/i^ usy 

»li »-ói»^ A--K i — J^liU uTr^ >^ y^ J s ^ (*yV ; J^'^' i_5V U J (jA* (J 1 ^ 

Bl. 48. y^U^o ^ tjb ^iyjj s£r^ £^ J <-£ƒ« j^ J^*** iSf 

JfjSx* JUö ^^ü ^ £> c/^" 7 & ^ ^}j Ü^ J^ d fji <Sj*> j^ J^' 

Bl. 121. ^j c_fo ^x<J ^ y^y'J (_^jj' .jJ) JUCiï ^Us^o j_5y 

Bl. 142. Ja &1& ^ JljbAJjj ^J fa ^jyi ^Ai) ^Uê^ ^y 

^y,i jSi) juïï ^y ^j y cj^ <xj^ ^^i ^jj) y/ij&o i^y u^ ^^ 

^jyi ^jJ) JUaï ^/liü^ ij^i ^IJ ^.^ jj) JujS jf JJ ^Jj^ ^jyi ^ 

JUaï ^/Ia^c ^y ^j ^aj ^^ ^yj <jtiy e^<) r ^ ^j) ^yJj^ 

^yji' jjj jji jxj ^c>ó*- ^yi <ü 5 i jUj l _$- r ü .jj) 

Bl. 193. J& r^)j jj) JL ^y ^j ^ ^jj) jlq- ^^^ ^y 

^jL< J*s jjj ^^ Jl£ü ^l^ ^y ^|j ^ ^^ ^^aj^ ^yi ^j 



99 

XC. 

HIKAJAT INDRAPOETRA II. 

Collectie v. d. W. 168, 33 X 20 1 /, cM., 288 bl., 19 r. 

Eenigszins andere tekst. 

Het bovenvermelde citaat is anders dan in I. nl. 

^Jo *!)j) CS* e^oj e/^/ J^*" *^ Pf yJ! ^ *$fi ^ ^-^ 
ö Lij ^jIj i £u«j >yó Jjji c^j) e/V|; <j^ j ^^-^ e/Vy r^ ^V ^vj 

Axwu */"}}# ij^ ivf^ ^*^ t\i iJ '•^V.' iA/ir****' <J'^ ij*^^ J>i iJ , *^>) 

• °"-> *-G 77^rr< ^& ^" C^o) r 7-^ (J^ 

Daarna wordt 's vorsten gelofte vermeld, van 40 slaven en 40 slavinnen 
vrij te laten en 40 moskeeën te bonwen en de armen te spijzigen indien Allah 
hem eenen zoon schenkt ; een paar regels verder volgt de geboorte van Indrapoetra. 

Met de afwijkingen in tekst en eigennamen is de loop van het verhaal 
zeer goed te volgen. 

De sub I aangehaalde capita komen hier voor op de bl. 5, 30 (andere 
bewoordingen, meer gebeurtenissen vermeldend), en op bl. 59 (tweede gedeelte), 
de pericoop van bl. 48 van I is hier niet aangeduid, dan verder: bl. 121 van 
I = bl. 73. (^x^yT hier ^ ^), bl. 142 van 1= bl. 100 ( V £\ 

Ja] .ƒ Jxl jAJj>. ^j-JJi hier beter ^^33 <^J —). ^i)\ Catal. bl. 174 = bl. 

151 (jiïjjc hier ^ t ±) Catal. bl. 198 = bl. 176, Catal. bl. 229 = bl. 

205, bl. 193 van I = bl. 236. 

Over het algemeen is het excerpt van Dr. Juynboll ook op dit HS. geheel 
van toepassing. 

Andere handschriften : 

Leiden, Cod. 1690 en 1933, Catal. bl. 121 — 125. 

Londen, Royal Asiatic Society, nos 9, 37 en 55. 

'*■ Gvavenhage, nos 542, 525 en 221 (II, III en IV). 

Brussel, no. 21509. 

XCI. 

HIKAJAT DEWA MANDOE I. 

Bat. Gen. 16, 32X20 cM., 212 bl., 23 r. 
Notulen 28 Juni 1866, III, i. 



100 

Achteraan staat: Onrust, 8 December 1850. 

Inhoud : 

In Gangsa In dra is Krama Radja ; dezen voorspellen de sterrewichelaars 
dat wel de bijwijven zullen baren, maar nooit de vorstin. Zij laat nu den vorst 
alle bijwijven wegdoen; daarna gaat hij jagen. Zij beveelt de twee aangenomen 
kinderen Raden Ganta Soera en Raden Ganta Sina den vorst te bespieden. 

Hij komt bij het bosch Tjakramaja, waar de prinses Mëngarna Lila 
Tjahaja, dochter van Praboe Indra en Ramaja Dewi is. Krama Radja wil niet 
terugkeeren voordat de vorstin zwanger wordt; Praboe Indra vertelt hem dat 
hij geslaagd was in het uitvoeren van een bevel uit Langkadoera om een 
witten olifant te vangen, hoe hij daar mede een ongeluk had gehad en deswege 
zich in het bosch had teruggetrokken. Hij huwt met de prinses, die weldra 
zwanger wordt. Na drie maanden gaat hij naar Gangsa Indra terug ; Mëngarna 
Lila Tjahaja baart Dewa Mandoe. 

BI. 23. Zekere Arkas Malik gelast Ghajbar Sjah en Isma'ïl: de prinses 
van Langkadoera Lila Ratna Koemala te vragen ; boos over eene ontvangen 
weigering gaat Arkas Malik naar zijnen grootvader Krama Dewa, die de prinses 
in een olifant omtoovert. Zij hoort van twee vogels dat Dewa Mandoe haar 
verlossen zal; inderdaad ontmoet deze, die was gaan zwerven, den olifant, ont- 
toovert haar en doodt duizenden van Arkas Malik 's benden, waarna hij haar bij 
hare ouders terugbrengt. Haar vader echter gelooft haar verhaal niet en gelast 
zijnen zoon Radja Balia : Dewa Mandoe te vangen. Darman Sjah. broeder van 
den vorst van Langkadoera, helpt Dewa Mandoe; hij verlieft op de prinses 
Pëlangkam Tjahaja. Hij dringt in het paleis van Lila Ratna Koemala binnen, 
bevecht de wakers, en weet den vorst van de waarheid van het verhaal te 
overtuigen. Weldra huwt hij met Pëlangkam Tjahaja, en met Lila Ratna Koe- 
mala buiten weten der eerste vrouw. 

BI. 86. Arkas Malik wordt door den vorst van Langkadoera beoorloogd ; 
Dewa Mandoe verlaat zijne vrouwen om verwijtingen te voorkomen; overal 
wordt hij gezocht; hij komt bij Dewa ^taJu* die hem een koemala. en bij 
Dewa Arkas Zanggi die hem tooverwapenen geeft; eindelijk vindt Balia Dewa 
hem, en beweegt hem om terug te keeren; eene verzoening vindt weldra plaats. 
De strijd wordt hervat, de vorst van Langkadoera onderwerpt zich, doch de 
zoons van Darman Sjah trekken zich teruo-. 

BI. 110. Krama Dewa laat Dewa Mandoe door een tooverpijl in zee 
schieten, en bouwt dicht bij Langkadoera eene stad, waar de prinses Soeria 
Pitam Dewi gaat wonen. Dewa Arkas Malik herhaalt nu zijn aanzoek, wat in 
goede aarde valt. 



101 

Dewa Mandoe zwemt twee jaren lang ; eindelijk wordt hij door Dewa 
Arkas Zanggi geholpen, hij huwt nu met de prinses Mandoe Raksa Dewi; in 
zwangeren toestand wordt zij door hem verlaten, en zij baart een meisje dat 
zij in een kistje laat wegbrengen. Dewa Mandoe vindt het en neemt het tot 
zich, en gaat naar Darman Sjah, waar hij verneemt dat Lila Ratna Koemala 
na drie dagen zal huwen met Arkas Malik ; maar hij gaat heen en neemt 
Soeria Pitam Dewi en Lila Ratna Koemala tot zich. Woedend valt Arkas 
Malik hem aan ; eerst brengt Dewa Mandoe zijne vrouwen en Darman Sjah 
naar de vlakte Tasik Auta Pramana, waar men zich met de vondelinge, die 
Boedjangga Dewi genoemd is, vermaakt. Dewa Mandoe en Mandoe Raksa Dewi 
vereenigen zich weder; zij herkent haar dochtertje. Intusschen woedt de strijd ; 
bet paleis van Krama Dewa wordt verbrand, eindelijk wordt deze met Arkas 
Malik door Dewa Mandoe gedood, en Balia Dewa wordt door Arkas Zanggi 
gevangen maar gespaard. Allen gaan naar Langkadoera, waar vroolijkheid 
heerscht. Daarna gaat Dewa Mandoe naar Gangsa Indra om zijnen vader te 
zien ; hij komt te Tjakramaja, waar Mëngarna Lila Tjahaja hem omhelst. 

Krama Radja gaat naar Tjakramaja om te jagen, en wederom moeten 
Ganta Soera en Ganta Sina zijn gedrag bespieden; hij verzoent zich met Më- 
ngarna Lila Tjahaja, ontmoet zijnen zoon en kleindochter en doet afstand van 
de regeering ten zijnen behoeve. De jaloersche gemalin sterft kort daarna, en 
de mangkoeboemi, die hare partij had gekozen wordt gedood. 

XCII. 

HIK A JAT DEWA MANDOE IL 
Bat. Gen. 202, 20 X 15 cM., 398 bl., 13 r., Gedat. October 1823. 

Lacunes op bl. 11 en 401. 

Het verhaal is hetzelfde als in I, maar deze tekst is uitvoeriger, vooral 
op het laatst. Na de vermelding van den dood der vorstin (hier op eene andere 
plaats dan in I beschreven) verhaalt deze tekst nog hoe de mangkoeboemi 
tegen den vorst wil opstaan, geen volgelingen vindt en in ballingschap gaat. 
Daarvan wordt kennis gegeven aan Kramaradja te Tjakramaja, die ijlings terugkeert, 
waarop Tjakramaja met een too verslag verdwijnt. Met grooten praal wordt 
Dewa Mandoe als vorst gehuldigd; een lijkmaal wordt voor de overledene 
gegeven; de last om den mangkoeboemi te vatten was reeds uitgevaardigd. 
Na een feest van veertig dagen vindt de inhuldiging van Dewa Mandoe en 
zijne vier vrouwen plaats; de vreemde vorsten gaan terug, de helden krijgen 
hooge ambten, Gangsa Indra bloeit. 



102 

Zeer waarschijnlijk vertegenwoordigt deze tekst den meer oorspronkelij ken 
en volledigen vorm van bet verhaal, en I eene verkorte, in enkele opzichten 
gebrekkige, redactie daarvan. 

XCIII. 

HIKAJAT DE WA MAN DOE III. 

Collectie v. d. W. 157, 32 X 20 cM.. 366 bl. 19 r. 

Hetzelfde verhaal met enkele geringe verschillen in de eigennamen. 

Opmerking verdienst dat de scène met den witten olifant hier voorkomt, 
en wel op bl. 12, alleen wordt die olifant hier gadjah kasaktian genoemd; de 
mededeeling in van den Berg's inventaris, bl. 29, sub no. 158, is niet juist. 

Ook in dezen tekst is de slotredactie uitvoeriger dan in I, maar niet 
zóó uitvoerig als in II. 

Op het laatst wordt vermeld dat Dewa Mandoe als vorst den naam 
Soeltan Indra Mandoe aanneemt. 

XCIV. 

HIKAJAT DEWA MANDOE IV. 

Collectie v. d. W. 158, 20V 2 X 16y s cM., 470 bl., 15 r. 

Gedateerd: Bandoeng 14 Djoem. II, 1273. 

Voorin staat: Miss. Ees. Preanger Reg. 25 Sept. 1857, no. 3340. 

Het begin van dit HS. komt, in tegenoverstelling met de vorige num- 
mers, overeen met dat van het Brüsselsche manuscript. De meeste titels en 
eigennamen zijn gevocaliseerd : Dewa Mandoe heet steeds Dewa Mëndoe, Dewa 
Arkas; Malik Dewa Raksa Malik, wat wel de betere lezing is. 

Een verschil met de andere HSS. is dat het verhaal van Praboe Indra 
(in III Poerba Indra, hier Përi Indra) onmiddellijk aan hót begin medege- 
deeld wordt. Later heet de verbannen prins weer Poerba ludra, wat waar- 
schijnlijk de beste lezing is. Het verhaal begint met eene generatie vroeger dau 
de andere HSS. 

De uitvoerigheid, vooral aau het slot, bereikt hier een zeer hoogen 
graad; na het verhaal der huldiging van den jongen vorst die hier geen 
bijzonderen titel aanneemt, wordt eene uitvoerige beschrijving oresreveu van 
verschillende verheffingen vau helden en van huwelijken. 

Het verhaal zelf is niet gewijzigd. 



103 

xcv. 

HIKAJAT DEWA MANDOE V. 

Collectie. C. St. 136, 32X20 cM., 111 bl., 36 r., gedat. Batavia 1869. 

In het begin is de redactie geheel anders. 

In Gangsa Indra is Praboe Indra met zijnen zoon Dewa Mandoe en diens 
speel noot Angkaran Dewa. Beiden gaan zwerven. 

Reeds op bl. 2 wordt Arkas Malik in het hol Anta Sina vermeld; hij 
zendt zijnen hoofdman der reuzen Djoeranggarawa naar de vlakte ju.»*w om 
vruchten te zoeken. Dewa Mandoe bevecht hem, in gezelschap van Angkaran 
en Lila Ratna Koemala (over wier herkomst niets vermeld is). Op bl. 9 is 
Dewa Mandoe de zoon van Krama Dewa Radja! 

Verder is het verhaal geheel identiek met dat der andere HSS. met 
gering verschil in eigennamen als Soeria Pitam Dewi : Pitam Soera Dewi, doch 
eene bladzijde later (54) is de naam weder als in 1. 

Het HS. eindigt met het bericht van het gaan van allen naar Langka- 
doera, en de ontvangst aldaar. Van de rest niets. 

De laatste drie bladzijden bevatten een toepasselijk vers. 

XCVI. 
HIKAJAT DEWA MANDOE VI. 

Collectie C, St. 137, 28 X 23 cM., 274 bl., 18 r. 

Enkele afwijkingen vallen te constateeren. 

Dat de jaloersche vrouw den vorst twee spionnen toevoegt wordt niet 
verhaald. Beter dan in I en II wordt verteld hoe Poerba Indra vroeger in 
ongenade gevallen was bij Krama Radja's vader, en uit Gangsa Indra was 
geweken naar een ver dorp, omdat de witte olifant, die verblijf hield aan 
den voet van den berg ï> ^y.lüs] (in IV Langkawi Ratna), door hem ge- 
vangen, was losgebroken en velen in Gangsa Indra had gedood. 

Vooral in détails van opgaven van tijd en aantal zijn vele afwijkingen. 

Het slot is nagenoeg als dat van II, maar de verdwijning van Tjakra- 
maja is niet vermeld. 

Andere handschriften : 

Londen, Britsch Museum, no. 1. 

Londen, Royal Asiatic Society, no. 46. 



104 

Londen, East-lndia House, no. 210. 
Brussel, no. 21515. 

XCVIT. 

HIKAJAT KOEMALA BAHRAJN I. 

Bat. Gen. 129, 26 1 /, X 20 cM., deel I, 41(5 bl. 21 r. ; en deel II, 424 
ML, 20—22 r. 

Wormstekig handschrift op Javaansch papier; het begin ontbreekt, de 
laatste bladzijde gescheurd. 

Notulen Februari 1880, II, c. 

De titel is . ,y niet j,su. 

Deel I begint midden in het verhaal van de drie vondelingen (wier na- 
men overeenkomen met de in cod. Leid. 1937 (no. CXI1I) vermelde), en hunne 
opneming door Malik al c Adil van ±£c), waarop de vermelding volgt van het 
avontuur van Malar Sah en Toelela Sah met de prinses Bëranta (niet Bëlanta) 
Indra, wier huwelijk — na lange voorbereiding met schaking en strijd, en 
waarbij een noeri een belangrijke rol speelt — op bl. 101 beschreven staat. 

Op bl. 102 staat eene korte inhoudsopgave, die beantwoordt aan het 
verhaal van cod. cit. 

Het vervolg; het optreden van Mëngoenoeng Seri van Tjandra met zeven 
koningen: Sjah c Alam Daksina, Sjah c Alam Dewa, Sjah °Alam Koening, Sjah 
c Alam di Mërtjoe, Sjah c Alam Pëdang, Makoeta Bali en Poetri Koemkoema 
Këmbar Boeang, en de strijd van Koemala Bahrajn met Saksïu van ^jjj j) 
schijnt van dien codex af te wijken. Zeer uitvoerig worden de verzoening met 
Sinaran Boelan en de met tusschenpoozen woedende strijd beschreven. Het 
eiland van Soeltan j^ heet hier: eiland van Soeltan Bin, en diens dochter 
evenals in cod. cit. Majang Mëngoeraj. 

Op bl. 254 volgt de inhoudsopgave: cSiS )yï JlGu ^/UiU ,_sy 

j^ kS^ C^o) ^-r^<j {j»f) £> r~)j ji^ ^ A*^" P^ pj> &ji ^S 

\jcksJ\ i^SLx, ,jLiLj ^f*> <— tsL<, 
Daarna (op bl. 816) het verhaal van Waraga Singa te Tëdjo Maja 
(cod. cit. Tindo Maja); uitvoerig is de beschrijving van het gevecht tusschen 
den tijger Danoe Moga (cod. cit. Danoe Moeka) en den apenkoning Boedjangga 
Warana (cc. Boedjangga Warna); de dood van den eersten, in genoemden 
codex niet vermeld, komt hier voor op bl. 413, waarna het gevecht voortwoedt. 



105 

De inhoud van deel II, waaraan het begin ontbreekt, is aldus : 

In het vervolg van den strijd treden allerlei monsters op ; Poetra Gangga 
Dewa mengt zich er in, Toelela Sjah neemt meer dan eenmaal de vlucht. (Op 
bl. 21 eene lacune). 

c Alam Sjah Röemi krijgt van velen hulp ; eindelijk bestijgt Gangga Dewa 
zijn ros Kardan Kilat, de sti'ijd wordt als van Seri Rama met den apenkoning 
van Langkapoeri, ten slotte wordt Waraga Singga gedood door Pikrama Indra. 
Intocht van lndra Përtawi, de gevangen vorst wordt bevrijd, Gangga Dewa 
omhelst zijne ouders; met zijne vrouwen en Malik c Adil gaat hij weer tei'ug, 
een tijd van feestvieren breekt aan, alle vorsten gaan naar hunne landen terug. 

Bl. 118. De djinn Tëruar Boga werpt Sjah c Alam van Përtawi in zee; 
daar ontmoet hij eene prinses, die hem door eenen draak ontrukt wordt; na 
velerlei avonturen wordt hij gered. Gangga Dewa, die den titel Soeltan Is- 
kandar c Alam aangenomen had, gaat zijnen vei'dwenen broeder zoeken, maar 
deze komt tot hem, vertelt hoe hij in de zee Boeram Loka geworpen was, hoe 
de djinn die hem dat aangedaan had gedood was, hoe hij door den draak inge- 
slikt Lila Noer Tjahaja gevonden had, hoe de draak gedood was, en hij later 
Radja Moendam Birahi had ontmoet. Een groot feest viert zijne terugkomst. 

Radja Kaindra'an Indra Wiradja, die zijne dochter in den buik des draaks 
geplaatst had, hoort alles en draagt Këinbar Sakti c Alam op den vorst van Përtawi 
te straffen. Het vogelenheir biedt Lskandar c Alam hulp, evenals de apenkoning 
Boedjangga Warana en vele andere dieren. Toelela Sjah maakt zich als 
gewoonlijk belachelijk; het gevecht begint nadat Indra Wiradja getracht heeft 
de gezanten van lskandar c Alam te dooden; in den strijd treden vele oude 
bekenden op, van allerlei toovermiddelen wordt gebruik gemaakt. De strijd 
wordt onderbroken door de liefdeshistorie van Boedjangga Lela, zoon van 
lskandar Sjah, in den tuin Pënglipoer Tjinta; hij wordt terug ontboden, en 
de strijd woedt weerom. Eindelijk wordt Këmbar Sakti c Alam door Maharadja 
c Alam Përtawi gedood, alle hemelingen vliegen terug, Batara Goeroe doet de 
gedooden herleven, waarna Maharadja c Alam Përtawi gedood wordt, en zijne 
gemalin zich doorsteekt. Ook hen doet Batara Goeroe herleven, en zij komen 
bij hunne reeds wanhopig gewordene volgelingen terug; de vrede was hersteld, 

Ide afgebroken vrijage wordt weer opgevat, maar Boedjangga Lela wekt zijns 
vaders toorn op, wordt vervloekt en in een gouden ree veranderd ; hij dwaalt in 
het woud, welks vruchten tot hem spreken. (Intusschen vervangt Radja c Alam 
Përtawi Maharadja Wiradja als vorst des hemels.) De gouden ree ontmoet 
Arkas Zanggi die hem in bescherming neemt; toch wordt hij het object der 
eerzucht van de velen die hem willen vangen, totdat eene prinses zich zijner 



10(3 

aantrekt, en haar vader Radja c Alam Sjah hem tracht te vangen. Tusschen 
hem en haar ontstaat eene liefdesverhouding, tot afgunst van velen, vooral 
van Radja Dewa Hamat; de ree was weder Boedjangga Lela geworden. 

Arkas Zanggi verandert zich in een woesten kater, dien niemand vangen 
kan, en die velen der wangunstigen doodt. Radja c Alam Sjah bevecht Boedjangga 
Lela; Arkas Zanggi ging daarop lskandar c Alam door de lucht halen ; hij komt 
ter plaatse en bevredigt c Alam Sjah. Alle vorsten der aarde en der zee worden 
opgeroepen om naar Indra Përtawi te gaan. waar ook alle dieren komen. Boe- 
djangga Lela ziet zijne vrouw en familie weder, groote vreugde heerscht, liefde 
en echtbreuk vieren hoogtij, wat hevige twistingen ten gevolge heeft. 

Pikrama Indra uoodigt allen bij zich, de oude vorst abdkjueert, en ver- 
deelt zijne waardigheden tusschen zijne kleinkinderen; ontzaglijk gedrang is 
alom van wege de feesten in het paleis. Vele huwelijken worden gesloten. (Op 
bl. 418 eene herhaling der voorgaande pagina.) De oude vorst en zijne gemalin 
worden na verloop van tijd ziek en sterven ; men begraaft ze met staatsie. 

XCVIII. 

HIKAJAT KOEMALA BAHRAJN II. 

Collectie v. d. W. 182, 33V 2 X 21 cM., deel I, 476 bl., 19 r., deel II, 
348 bl., 19 r. 

Dit HS. is blijkbaar eene copie van I, op dezelfde wijze in twee deelen 
verdeeld; zonder belang voor de tekstcritiek. 

Ander handschrift: 

Leiden, cod. 1937, Catal, bl. 140—142. 

XCIX. 

HIKAJAT BËRMA SJAHDaN I. 

Bat. Gen. 216, 33 X 21 cM., 465 beschr. vele onbeschr. bl., 41 r. 

Zeer fijn en ineengedrongen schrift; de inkt hier en daar ingevreten; 
het HS. is afkomstig uit Bengkoelen. 

Het eerste gedeelte loopt tot bl. 213. Van bl. 217 tot bl. 231 staat een 
gedicht op de hoedanigheden van het verhaal; op bl. 233 tot bl. 241 weder 
een didactisch gedicht, gedagteekend 29 Dec. 1874, daarna onbeschreven blad- 
zijden tot bl. 263. 



107 

Als schrijver wordt genoemd Sjajch Ibn Aboê Bakr jang diatas angin; 
de eerste bladzijde is geschonden. Het eerste verhaal heeft tot opschrift 

J) ~j fat» )si ti ü^y CS* )jij*~ &ja**) £j fa) ^JJ ^)Jj*-A CS«> 

Jlfy» ~j$* c^o) J^-j l«w ; J>) fa) ü^J £jUi t^y )jól«£ ^Jj s^um 

Hieruit blijkt reeds dat de eigennamen dichter bij het Leidsche dan bij 
het Londensch HS. (zie beneden) staan; daar van dezen roman reeds eene 
inhoudsopgave door Juynboll in zijnen catalogus, bl. 163 sqq, gegeven is kan 
eene opgave van titels en vindplaatsen van hoofdstukken volstaan. 

Bl. 10, përkata'an radja Ardan doedoek kapada maharisi Bajoe. 

» 17, përi mëngatakën bangsawan dan boediman radja Mardan Sjah 
c Alam dan përi mëngatakën tatkala ia djadi daripada radja Mardan 
doea orang anak laki-laki saorang bërnama Radja Diradja dan 
saorang bërnama Bërma Sjahdan. 

» 23, përkata'an Maharadja Mardan Sjah c Alam pada tatkala itoe 
baginda pon sëdang lagi bersoeka-soeka'an salama toean poetri 
Soekanda Lila Tjahaja itoe hamil. 

» 25, përkata'an Bërma Radja Diradja dan përi mëngatakën ia bër- 
përang dëngan anak radja Indra itoe dan përi mëngatakën 
tatkala ia kawin dëngan toean poetri Tjandra Lila Noêr Lila. 

» 33, përi mëngatakën tatkala Bërma Sjahdan Indra Mëngindra di- 
tërbangkën oleh enangda toean poetri anak radja djinn jang 
bërnama Jui' qS Sjah ^Alam dan përi mëngatakën toean poetri 
J)^y=- ,^lo gila birahi sabab mëlihat pëtanja Berma Sjahdan maka 
disoeroehnja ambil kapada enangnja dibawanjaka nëgërinja hampir 
kapada sisi boekit Kaf dan përi mëngatakën radja Sjah Gërak 
Gëmpah c Alam tërlaloe hajran mëlihatkën roepa Bërma Sjahdan. 

» 37, akan toean poetri Noêr al- c ajn di nëgëri Safardan. 

» 49, përi mëngatakën tatkahi Bërma Sjahdan përang dëngan saorang 
radja djinn jang bërnama sU, JLo .... dan përi mëngatakën 
tatkala radja bërchijauah mënjoeroeh akan anaknja radja Ardjau 
përgi mënoeloengi Bërma Sjahdan 

» 55, përi mëngatakën tatkala akan soerat Maharadja Sjah Gërak 
Gëmpah c Alam datang ka nëgëri Safardan kapada Maharadja 
Darjanoes itoe dan përi mëngatakën tatkala Maharadja Darjanoes 
datang ka nëgëri Mada'in .... dan përi mëngatakën ia bër- 
përang dëngan Bërma Sjahdan itoe dan përi mëngatakën tatkala 
toean poetri Nöer al- c Alam bërtëmoe dëngan Bërma Sjahdan 



108 

maka diadjarnja pëlbagaj kasaktian .... dan përi ruëngatakën 
Bërma Sjahdan ditjoeri oleh saorang djinn tërlaloe saktinja sërta 
dëngan gagah dan përkasanja itoe Soemboe Lawan namanja 
maka diboeangkënnja ka tasik Bahroe Allah. 
Dit alles stemt in inhoud (behalve de naam Safardan. zie Catal. bl. 164. 
r. 1 v.o.) en volgorde geheel met eod. cit. overeen. 

De hoofdstukken zijn hier niet zooals daar het geval is genummerd ; de 
opschriften zijn meestal vrij lang, terwijl ook de kleinere gedeelten met op- 
schriften in rood voorzien zijn. 

De redactie is dezelfde als in codL cit. 
De hoofdstukken vindt men terug: 
Cod. Leid. 7 HS. bl. 63. 

» » 8 » » 68. 

» » 9 » » 92. 

» » 10 » » 97. 

» » 11 > » 112. 

» » 12 » » 115. (Het paard heet hier ,_ , i ^ jjLx=>. 

de gelijkstelling met Perz. asp lijkt mij gewaagd). 

Dan verdwijnen de opschriften, om weer te voorschijn te komen bij 
Cod. Leid, 15 HS. bl. 167. 

» » 16 » » 187. 

» > 17 > » 199. 

» » 18 » » 208. 

Evenals in cod. cit. ontbreken van hier af de opschriften. 
Op bl. 275 begint een gedeelte dat denzelfden inhoud heeft als hoofd- 
stuk 19 van cod. cit. ; hoofdstuk 20 is niet aangeduid, hoofdstuk 21 begint 
op bl. 321, 23 (met opschrift) op bl. 357, 24 (met opschrift) op bl. 381. 25 
(idem) op bl. 392. en het zeer lange hoofdstuk 26 (idem) op bl. 408. 

Het HS. eindigt evenals het Leidsche, waaraan het zeer verwant is. 

c. 

HIKAJAT BëRMA SJAHDaX II. 

Colletie C. St. 118. 31 X 20 1 /, cM.. 278 bl., zeer verschillende handen, 
gedat. Batavia. 28 April 1858. 

Een fragment, met begin 'jj. JLÉ ^ Jf ^J t&^j .j_^ 






««C^««k=w 






109 

Op bl. 4 begint hoofdstuk 17, dat denzelfden inhoud heeft als 18 van 
cod. cit. 

Dan J^ 18 (niet genommerd) op bl. 36. 

» 19 » » » » 57. 

» 20 (met gebrekkig opschrift) » » 106. 

» ' 21 » » 124. 

» 22 niet aangeduid 

» 23 (opschrift van 13 regels^ » » 160. 

» 23 (sic) » » 207. 

» 24 (met gebrekkig opschrift) » » 236. 

» 25 » » 249. 

Geheel dezelfde redactie als de vorige. 

Aan het eind wordt medegedeeld dat Sjajch Abóe Bakr ibn c Oemar de 
schrijver is, die 128 jaren oud is geworden, en leefde ten tijde van Noach. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1976, 1980 en 3256 (2), Catal. bl. 163—171. 

Londen, Royal Asiatic Society, No. 12. 

CL 
HIKAJAT SJaH-I MARDaN I. 

Bat. Gen. 51, 20 X 16 cM., 139 bl., 15 r., gedat. Buitenzorg, 1869. 
Notulen 5 October 1869, IX, bl. 59. 

De inhoud van dit verhaal is opgeteekend door Van der Tuuk en Juyn- 
boll, op bij de opgave der andere handschriften te vermelden plaatsen. 

Dien inhoud vertoont ook dit exemplaar ; alleen de eigennamen behoeven 
eenige vermelding. 

Het rijk waar de vader regeert heet ..ll^-*. r &0, de zoon heet Sjajch 
Mardau; Dar al Mardjóem heet hier Dahr al Mardjóen, de prinses: Koemala 
Dewi, Dar al Kijam hier: A\^\) &j. Salain ad-Dïn komt voor op bl. 20, Loek- 

man op bl. 24, zijn onderricht eindigt op bl. 36. De verschillende scènes zijn 
te vinden : 

De ontmoeting met de djinn's op bl. 46. 

De garoeda's » » 49. 

Het huwelijk met Tjandrasari » » 52. 

Prinses Djoelóes-al c asjikïn » » 61. 



110 

De ziel in het gordijn op bl. 72. 

De strijd met de prinsen » » 91. 

De verandering in een aap » » 94. 
(Indra Lëlana hier: Wira Lëlana.) 

Het rijk van Si-poetar c alam niet genoemd » » 111. 

De vorst van Noesantara (naam » » ) » » 131. 

De jonge vorst heet hier Adi Lela niet Adi Moelja. 

CII. 

HIKAJAÏ SJaH-I MARDaN II. 

Bat. Gen. 147, 25% X 20% cM., 34 bl., 31 r. Latijnsch schrift. 
Van dezelfde hand als No. 146. 

Zeer gebrekkige copie, waarin bijna alle eigennamen oningevuld zijn, 
zoodat de identifieering niet gemakkelijk was; een der weinige ingevulde eigen- 
namen is in het begin Dar El hhatan. 

Het korte fragment loopt tot aan de ontmoeting met Loekman, en eindigt 
midden in een zin. 

GUL 

HIKAJAT SJaH-I MARDaN III. 
Collectie v. d. W. 149, 34x20 cM., 142 bl., 19 r. 

Hetzelfde verhaal met enkele afwijkingen in de eigennamen. Het land 
heet Dar al Djasan, de prinses van Dar al Mardjóem : Koemala Ratna Dewi, 
Tjandrasari hier: Tjintarasa. 

Op bl. 92 wordt genoemd Radja Poetar c Alam van ) jo. ^.J oaet zoon 
Indra Lëlana; het land van K^.J wordt niet genoemd. 

CIV. 

HIKaJAT SJaH-I MARDaN IV. 

Collectie v. d. W. 150, 34 X 20 cM., 184 bl., 16 r., gedateerd: 
Malaka 1287. 

Dezelfde redactie. Enkele eigennamen: Dar ( j"\ al-Chanan, Dar al- 
Chijam, Dar al Madjöem, Tjandrasari hier: Tjandra Seri. 

Op bl. 161 wordt vermeld: Radja Poetar c Alam van ^ J )j met twee 
zoons: Indra Lëlana en Indra Boeana, wat een der zeer weinige afwijkingen is. 



111 

Het HS. eindigt in den strijd van den held van den roman met Indra 
Lëlana, en zijne herkenning van zijnen zoon Indra Dewa. 

CV. 

HIK A JAT SJaH-I MARDaN V. 

Collectie v. d. W. 151, 30X20 cM., 44 bl., 21 i\, gedateerd 1263 H. 
1847 A. D. 

Dit HS. bevat eene episode uit den roman, gelijk voorin staat: 1) 
e-.jj c-JUisJu, s^jx*, waarop volgt AtsJLJ —), Oj^ ói.A ^Isiy C^f- '^\^>- 

o j) ci^>) £};*? ' aC&.Lc .il (JJJx (Xj.lsuu <dJyuJt>.j ci^xc), jV^j ,<-iXvuL) ,j!j 

r iju«^c ,jy £lxL& JlCw CJ^c L Jtó*- &;V" 3^* £ü ^ ^" 3^*** A> ^^ ^f*?" ?^*^° 

Het fragment wordt besloten met het huwelijk van Tjandra Sari; het 
verhaal wijkt niet af, maar de redactie is uitvoeriger, en van andere inkleeding 
dan die der vorige HSS. 

CV1. 
HIKAJAT SJaH-I MARDaN VI. 
Cellectie C. St. 140, 20 X 16 cM., 142 bl. 14 r. 

Evenals in enkele andere exemplaren wordt ook hier in den aanvang het 
viervoudige nut van het lezen van dit verhaal vermeld. 

Het land heet ^UL*»!) ,lJ, de pandita; een brahmaan uit ,La!) r ft>J 
de vorst Si Poetar c Alam heet hier te regeeren over Bengkalis, zijn zoon wordt 
Wira Lëlana genoemd, en de vorst van Noesantara heet hier iXc-O *»».iX5|. 
in (é lCuJCKj. 

Het verhaal is hetzelfde, maar de tekst verschilt nu en dan van dien der 
voorgaande HSS. terwijl de volgorde der episoden niet geheel dezelfde is, en de 
beschrijvingen eengszins uitvoeriger zijn. 

Achteraan een opwekkend vers van godsdienstige strekking. 

CVII. 

HIKAJAT SJaH-I MARDaN VII. 
Collectie Br. 536, 34 X 22 cM., 63 bl., 26 r. 



112 

Dit HS. is eene nieuwe copie, waarschijnlijk naar een manuscript van Yan 
der Tuuk. Uit het kreupel Arabische bericht achteraan LKsS) )sx c -ai) JS* 
i sjJA) ^UaLJ^ j) .UisuS) ^IkLJ) &lCs\S) t< yj^J^c *^> 

^DssjA) -xj^Lftiï ^/r) (iiy^n r*«U5) ii**j ^_J A»*S^£^ ^j^-^ blijkt dat in het 
orgineel behalve dit verhaal ook de Bachtjar voorkwam. Daar nu het HS. v. d. 
Tuuk, thans cod. Leid. 3197 behalve dezen roman ook den Bachtjar bevat, en 
dat HS. hetzelfde jaartal (1269) draagt, blijkt dat deze copie naar genoemden 
codex (3197 (2) = CXXIII) is vervaardigd. 

Yan dezen, ook Hikajat Indra Djaja en Hikajat Bikrama Ditja Djaja of 
Widjaja genoemden, roman zijn andere handschriften te: 

Leiden, cod. 1733, 19 1 9, 2300 (1), 2192 (3) en 3197 (2), Oatal bl. 148 153. 
Londen, East India House, No. 373 b. 
Londen, Royal Asiatic Society, No. 60. 
Londen, Britsch Museum, No. 14. 
's Gravenhage, No. 524. (V). 

CYIII. 

HIKAJAT AHMAD MOEHAMMAD I. 

Bat. Gen. 127, 34 X 21 cM., 234 bl., 19 r. 
Notulen 3 Februari 1880, II c. 

Zeer net, maar niet compleet HS. van het ook Hikajat Sërengga Bajoe 
geheeten verhaal dat door Juynboll in zijnen catalogus is geanalyseerd op bl. 
144_147. 

Het verhaal der Leidsche codices verschilt niet van dat hetwelk in dit 
HS. vervat is; het slot van cod. CXV1 valt hier op bl. 183, en dat van cod. 
CXYII op bl. 190; daarna gaat bet verhaal aldus verder: 

Raden Man tri doet de drie prinsessen te voorschijn komen die zich 
vereenigen met de prinses van Boedalsjah, en Tjandrawati als origineel van 
het portret aanwijzen. (De drie anderen zijn dus: Ratna Koemala van Boemi 
Ratna, Poespa Ratna en Ratna Dewi van Boedalsjah.) 

De vorst van Tg^ gaat met vier broeders Mësir aanvallen. De vorst 
van Indragiri wil aan den koning van Mësir een geschenk zenden. Waridjana, 
de zoon van Salomo, en broeder van Dewi Sodja was onder de zee een machtig 
heer geworden, en neemt zich voor met zijne dochter Tjandrasari en zijnen 
zoon Aliman naar het eiland Mandjëti te gaan. Er Maja roept al zijne ver- 



113 

wanten op om Mësir te helpen. Daarheen gaan nu Waridjana en Dewi Sodja. 
Ook de vorst van Lëbar Gangsa, de zoon van Lëboer Gangsa, Soetama genaamd, 
gaat Mësir aanvallen. 

Intusschen was de strijd tusscheu Mësir en JuTJ ontbrand. Përinggen- 
dani verslaat velen, de vorst van Lëbar Gangsa vereenigt zich met hem. Raden 
Mantri, Ahmad en Waridjana woeden geweldig; de vorsten van JuifJ en 
Lëbar Gangsa worden overwonnen en nemen met him volk den islam aan, 
welk vooi'beeld door den vorst van Indragiri gevolgd wordt. Sjahr Banoen, de 
vrouw van den vorst van Lëbar Gangsa, biedt Waridjana een door haren man 
aaugelegden lusthof aan, waarin een passend paleis gebouwd wordt. 

Aliman gaat jagen, en ontmoet Ratnawati, dochter van den djinnvorst 
Siloeman; hij bemint haar, doch zij is reeds verloofd met den prins van Sa- 
wang Gantoengan. Bedroefd gaat hij terug; zijne ouders willen hem troosten, 
en de vorst van Mësir laat alle jonkvrouwen voorkomen, maar de bedoelde is 
er niet bij. Daarna worden boden gezonden naar Siloeman, die niet toestemtin 
eene vrije keuze voor zijne dochter ; zoo ontstaat onmin. 

Hier eindigt het HS. abrupt met de woorden: ^Juk** ~\ , CS* ^^ 
y)J J& (jlrpj.L ),\jj <LuJ CJ--0 <xJUi J)! ^ïkï J»=pwj i_s*^ i-j')j ó1)Xjj ,j»ji 

^_^>jb ±s6 ^JS yCiïy c^j) i'U <XJ^ mt^^ A>. Cl^öls „/^ ,jj^ CSï^i Xsi' 
■.j) L^*Jb (j^ - aIacI»- .^Juu. _^. ^& jjlsü.)^ ^j)J ti;ü (JJ^c ~>t 
Met deze woorden eindigt ook het HS. van het Kon. Inst. v. d. T. L. 
&. V. K. v. N. I. te 's Gravenhage. 

CIX. 
H1KAJAT AHMAD MOEHAMMAD II. 
Bat. Gen. 185, 33 X 20 7 a cM., 212 bl., 21—22 r. 

Dezelfde tekst (minus 14 bladzijden) en redactie als van I, in slechte 
spelling en gebrekkige taai. Het slot is abrupt, en komt overeen met r. 2 van 
bl. 220 van I. 

Hoewel het HS. feitelijk midden in eenen zin eindigt, staat er toch na 
de woorden JJL l^^Lo ^b ^J <xljU" ,jJy ^U ^Jxs wv<* ój£> CS* 
ójli ^5$ ^jjub jJ'ÏJ tammat inikh hikajat Ahmad Moehammah oleh doea 
poeloeh satoe hari boelan Hapit djam poekoel doea pada hari arba c adanja. 
Verhandelingen. 8 



114 



CX. 



HIKAJAT AHMAD MOEHAMMAD III. 

Collectie C. St. 107, 33 X 20 cM., 204 bl. verschillende handen en 
ongelijk aantal regels. 

Slordig HS. met eenigszins afwijkend begin; in plaats van Syrië wordt 
hier van Bënoea Hasjim gesproken. 

Het begin van cod. CXVII valt hier op bl. 165, het slot daarvan op 
bl. 174. 

Het HS. eindigt abrupt in denzelfden zin als I, ééne regel eerder 
met de woorden A i^Sxx» )ss.£- 

De redactie is niet verschillend, maar de tekst vertoont afwij kingen, bv. 



C. St. 107. 

C^aLo ^J****/. L5") CS* ^O JLÏ 

fèji Ujh &k t?Jji *lr" ^ 



) jK^LO —.) . yJ- l Uj j «XilWwjJ 



' J 



$ A^'s 



öSl's)) <xü' 



i_5yw u;)y Uüw) Jlvii" ^L ^_f) j$ 



B. G. 127. 

i_syj a^ jjso p.j*w <xj)j) c.^-0 

CJ^c C^-oj J»iso ^li" C <) J^ J vioo» 

^UaS U^ p\iji £j£ o#U> l _ s ^* r J 



C 



V 



i ó**2-) ,.]<Xj6J 



> j c^~Jw*uJ CJU 






U (X^*.X«wC 



CXI. 



HIKAJAT AHMAD MOEHAMMAD IV. 
Collectie C. St. 120, 31 X 19 cM., 227 bl., 18—21 r. 

Zeer net exemplaar, van dezelfde redactie; vooraf gaat de mededeeling 
dat het verhaal tot vertroosting van bedroefde harten uit het Javaansch is 
vertaald. 

Het slot van cod. CXVI valt hier op bl. 171, dat van CXVII op 
bl. 185. 



115 

Het HS. eindigt abrupt in de beschrijving van den tuin met de woorden 
tXiió Lis ^ta v<ji )J K>* l^aLc iS\s ^i <k1)jUï yoly Lj <jylj j_5j^ i_syu < Lu - jj 
Deze woorden staan in III op bl. 199, r. 11 en 12. 

CXII. 

HIKAJAT AHMAD MOEHAMMAD V. 

Collectie Br. 435, 25 X 20 V 8 cM., 258 bl. 17—19 r. . 

Niet duidelijk geschreven HS., abrupt eindigend in de episode van Ali- 
man die verneemt dat Katnawati reeds verloofd is met den prins van Sawang 
Kantoengan, dus dicht bij het slot van I. Nu en dan geringe verschillen in 
eigennamen. 

Daar het begin dezer Hikajat alleen uit het résumé van het Javaansche 
gedicht (Vreede, Catalogus, bl. 205 sqq) bekend is, is het vereischt het begin 
der Maleische versie, dus wat voorafgaat aan bl. 68 van cod. 3249 (zie Juyn- 
boll, bl. 145), bekend te maken, ook ter vergelijking met de opgaven in 
Tijdschrift voor Ind. T. L. & V. K. VIII, bl. 268—279, XVII, bl. 548—557, 
Tijdschrift voor Ned. Indië, 1899, bl. 31 sqq, en Bijdr. v. h. K. I. v. d. T. L. 
& V. K. v. N. I. 5° volgr. X, bl. 715, noot 3. 

Zoo volge dan dat begin, volgens den tekst van Bat. Gen. 127. 

„Vertaald uit het Javaansch in het Maleisch tot vertroosting van be- 
droefde harten". 

In Sjam is een pandita-vorst met broeder Praboe Sangara van Pringgendani 
en zoons Moehammad en Ahmad. Na zijn dood noemt zijne weduwe zich NjaiRangda, 
geeft hun eene goede opvoeding en koopt voor hen den vogel ^ U~>. In Abes- 
synië was een koopman, die droomde dat die vogel hem mededeelde dat wie 
zijn hart opeet koning, en wie zijn kop opeet man tri zal worden. Na veel 
zoeken vindt hij dien vogel bij de weduwe die hem voor 20,000 dinaren niet 
wil afstaan. Een pandita geeft hem iets dat haar op hem doet verliefd worden, 
waarop zij hem den vogel geeft; spoedig laat hij dien braden. De zoons komen 
thuis, bemerken wat geschied is, stelen den half garen vogel uit de keuken, 
Ahmad eet den kop en Moehammad het hart. De koopmau ontsteekt in woede, 
en gelast zijn legioen beiden te dooden, maar Sambali de slavin der weduwe, 
waarschuwt hen, zij vluchten in de wildernis en komen na veel zwerven in 
een grot bij den asceet Sjajch Djagoeng, die hun geheime wetenschappen leert 
en een onweêrstaanbaren kris geeft. Daarna gaan zij weder zwerven, ontmoeten 
de ben zoekende 300 Abessyniërs, en dooden ze met den wonderkris. 



116 

BI. 16. In Mësir was de vorst gestorven en zijne drie zonen twistten 
over de opvolging; de patik herinnerde zich des vorsten last om hém als koning 
te huldigen dien zijn witte olifant op den rug zou aanbrengen. Intusschen 
waren de broeders onder een grooten boom (asljj' olS') gaan uitrusten ; Ahmad 
ging water zoeken, onverwacht kwam een witte olifant bij Moehammad, nam 
hem op en troostte hem met de verzekering dat hij vorst, en zijn broeder 
mantri in Mësir zou worden. Maar hij scheurde zijn tulband in kleine 
stukken en wierp die achter zich op den grond; in Mësir aangekomen werd 
hij gehuldigd. • Ahmad had water gevonden; hij mist zijnen broeder, en volgt 
de sporen van den olifant en de tulbandsnippers, en komt aan de rivier 
van Mësir. Hij wordt kort daarna opgenomen door eene weduwe, die 
eene pleegdochter Rara Soemëkar heeft. Zijne schoonheid wordt beroemd, 
velen komen hem zien, en beminnen hem. De dochter van den Datoek 
Bëndahara, Poeti'i Sitti Baghdad, hoort daarvan, en laat de weduwe ont- 
bieden. Haar gelast zij Ahmad te halen; hij komt, betaalt de poortwachters 
met te voorschijn getooverd geld, en ontmoet Sitti, die van hem bekoord 
wordt. Tevergeefs tracht zij hem te verleiden; zij bedwelmt hem, hij 
braakt den vogelkop uit, zij slikt dien in, en jaagt hem weg. Als de 
wachters om geld vragen, kan hij het niet meer te voorschijn too veren ; hij 
begrijpt alles, gaat terug naar Sitti en eischt den vogelkop op; zij loochent 
echter alles. Eene hofdame wijst hem een riool, waarlangs hij met moeite 
ontkomt ; men denkt dat hij gedood is. 

BI. 32 Twee djinn's hadden drie poesaka's gëerfd ; een pijl, een doek 
en een schoen. Over de verdeeling krijgen zij twist, zij zien Ahmad loopen, en 
verzoeken hem de zaak te beslissen; de pijl kon dooden en kwam, geroepen, 
wéér terug, de doek leverde alles wat men verlangde, met den schoen kon 
men vliegen, Hij zegt dat zij den pijl, dien hij zal afschieten moeten naloopen; 
zij doen zulks, hij neemt den schoen en den doek, roept den pijl terug, en 
vliegt naar Sitti om haar te dooden. Maar zij boezemt hem liefde in; zij be- 
zwijmt en braakt den vogelkop uit, hij slikt dien in en verlaat haar. Dan gaat 
hij naar de weduwe en hare pleegdochter. Sitti komt weer bij, en zendt 400 
man uit om hem te dooden, maar hij doodt de aanvoerders en verjaagt de 
rest ; zij zendt dan duizenden die eveneens afgeslagen worden. Hij slaapt bij Rara 
Soemëkar, doch denkt aan Sitti, en vliegt naar haar toe om haar te dooden ; 
zij vernedert zich voor hem; bij bemint haar en brengt haar door de lucht 
naar een eiland, waar zij in een paradijsachtige verblijfplaats in liefde leven. 
Maar weldra verlaat zij hem in zijnen slaap, neemt de poesaka's, vliegt omhoog, 
doodt eenen garoeda die haar aanviel en komt in Mësir terug. 



117 

Hij ontwaakt en ziet zich beroofd en verlaten ; hij wil sterven en be- 
graaft zich tot aan den hals in de aarde. Na drie dagen hoort hij een witten 
parkiet aan zijn wijfje zeggen dat het land Soelajman's eiland <jü»!w$' 
heette, en de boom waarop zij zaten uit den hemel afkomstig was, dat zijn tak 
een paard (een sëmbërani hidjoe) en zijn twijgje een zweep, waarmede men de 
zee kan doen verdrogen, en zijn bast de toom en het tuig kon worden. Hij 
springt op, de vogels vliegen weg, hij neemt de proef met den boom en 
verkrijgt het dier en de voorwerpen. 

BI. 49 Nabi Soelajman had eene dochter Dewi Sodja die op Boelan 
Mandjëti regeerde; haar broeder heerschte onder de zee en was Waridjana 
genaamd; haar neef was Radja Hadjrak. Zij kwam terug van den berg Kaf, 
en op haar eiland aangekomen ontdekt zij sporen van een mensch. Zij laat 
den indringer zoeken; Ahmad wordt gevonden, aangevallen, omsingeld, maar hij 
verslaat allen, waarop Dewi Sodja hem zelve bestrijdt. Plotseling verschijnt 
c Oemar Maja, verzoent ze, maakt alle gedooden met zijnen waaier weer levend, 
en doet hen weten dat Ahmad, de broeder van Moehammad den vorst van Mësir, 
voor haar bestemd is. Hun huwelijk wordt nu gesloten. Vluchtelingen hadden 
om hulp geroepen, en zoo kwamen Raden Sadar Sapal, Dewi Asmai en Poetri 
Koerajsjin (bekende figuren uit den Hamzah-roman) aan, hoorden dat de 
vrede gesloten was, en vernamen van c Oemar Maja dat Petaldjemoer (= 
Betaldjëmoer uit den Menak = Boezoerdjmihr uit de Hikajat Amir Ham- 
zah) de schriftelijke mededeeling had nagelaten dat Ahmad de aangewezen 
echtgenoot van Dewi Sodja was. Toen werd het huwelijk luisterrijk gevierd. 
Radja Hadjrak laat hun poesaka's van Soelajman zenden. Na enkele maan- 
den van huwelij ksgenot gaat Ahmad zijnen broeder zoeken, en laat zijne 
vrouw zwanger achter. Hij vliegt naar Mësir om Sitti te dooden, maar de liefde 
verbindt hen weder, en zij spreken over Nabi Joesoef en de eigenschappen 
van Allah. In haren slaap ontneemt hij haar de poesaka's, en vliegt naar de 
kërangdan. De vorst van Mësir heerscht met rechtvaardigheid. 

BI. 66. De vorst van Abessynië laat Sitti Baghdad ten huwelijk vragen, 
wat geweigerd wordt; vertoornd gelast hij Wiramaja en Wira Santika haar te 

t schaken, wat zonder moeite gelukt. De Abessyniër Anggadadaja trekt met de 
zijnen naar Mësir, neemt den islam aan, en vertelt waar Sitti Baghdad is. 
Ahmad vliegt op zijn paard naar Abessynië, en ontvoert Sitti zonder moeite 
op het ros; Wiramaja en Wira Santika halen hem in, worden door hem 
overwonnen en tot den islam bekeerd. Sitti wordt in Mësir teruggebracht. 
BI. 78. De dochter van vorst Koesambirat, Ratna Koemala, was door 



118 



Ahmad dat hij haar indertijd uit Abessynië gered had, en niet zij zich zelve 
had bevrijd zooals zij vertelde; hij draagt hem op haar andermaal te red- 
den, en hij kwijt zich van die taak met Wiramaja en Wira Santika, en 
ontvoert beide vrouwen door de lucht. De boeta achterhaalt hen, maar wordt 



gedood. 



CXI1I. 

HIKAJAT AHMAD MOEHAMMAD VI. 

Collectie v. d. W. 131, 33 X 207 2 cM., 104 bl. 19 r. 

Eene geheel andere redactie, eigenlijk eene phantastische variatie van 
het Ahmad-Moehammad-thema. 

Na het afwijkende begin (£jIC=»- ,v) ^z <xJJU ^f^J^-> ^ <kaa5) 

dj i'Lis-J yrjté ^^i. ^rh~ ^J^- M r *^ flf jêl { ^^f*' f^ri^. 

(^) ( sic ) y^~ ^<f~* ] ^. 

volgt een afwijkend verhaal, nl: 

In Joenan was een machtig vorst met eenen wezier Moehibb al-Moe- 
lóek. Deze koopt een Perzischen slaaf vrij en noemt hem Ratna Kasihan, en 
maakt hem tot zijnen vertrouweling; eindelijk neemt hij hem als zoon aan, en 
doet hem trouwen. Daarna laat hij hem eene handelsreis maken naar Babel; 
tijdens zijne afwezigheid stierf de wezier, de zoon kwam terug en vestigde zich 
in Kandara Kiri, waar hij een rijk man werd. Sterk verlangde hij naar eenen 
zoon; op een nacht droomde hij dat bij de zon inslikte en haar schijnsel zijn 
geheel e lichaam vulde, en kort daarna bevalt zijne vrouw van eenen tweeling: 
Ahmad en Moehammad. Hij laat hen alles leeren, en geeft hun eenen vogel; 
kort daarna gaat hij varen om eene vroeger gedane gelofte te vervullen. 

Een koopmanszoon ziet dien vogel, en wil dien hebben, te meer 
daar een sterrewichelaar hem mededeelt dat degeen die den kop van dien 
vogel opeet koning, en die het hart opeet mantri zal worden. Hij laat 
der echtgenoote groote sommen aanbieden, maar zij weigert, hij tracht 
haar door eene koppelaarster voor hem te winnen, maar zij wijst het 
af; eindelijk bewerkt hij door geheime middelen dat zij hem lief krijgt, hem 
laat roepen, vele malen, totdat zij bezwijkt en den vogel geeft. De vogel wordt 
gebraden, maar de kinderen komen hongerig thuis, Ahmad eet den kop en 
Moehammad het hart. Wederom past de koopmanszoon zijne geheime middelen 
toe, zoodat zij toestemt in zijnen eisch om de kinderen te dooden; maar dezen 
worden gewaarschuwd en ontvluchten. 



119 

Daarna volgt het verhaal van den witten olifant, (doch nu in Baghdad 
waar de kinderlooze vorst gestorven was) van de verheffing van Ahmad, en de 
avonturen van Moeharnmad, die zich Sërengga Bajoe noemde, met Sitti Bagh- 
dad en hare zuster Sitti Ba c dah, dat in de andere teksten niet voorkomt. De 
minnehandel wordt uitvoerig beschreven, en tal van pantoens worden vermeld. 

De rollen van Ahmad en Moeharnmad zijn verwisseld, nieuwe avonturen, 
zooals een strijd tusschen koning Ahmad en Sërenggabajoe, worden verhaald, 
in de andere teksten voorkomende scènes worden gemist, zooals al hetgeen na 
het verblijf op het eiland geschiedde. 

Aan het eind wordt verhaald dat de zoons hunne ouders naar Baghdad 
laten komen, en hen daar in een eigen paleis laten wonen. 

Deze geheel afwijkende redactie is met weglating der pantoens en veran- 
dering der namen door A. F. v. Dewall uitgegeven als de Hikajat Soekarna 
dan Soekarni, Bat. 1908. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 3249 en 3314. Catal. bl. 144—147. 

's Gravenhage, 608 (I). 

CXIV. 

HIKAJAT HANG TOEAH I. 

Bat. Gen. 207, 34 X 21 cM., 452 bl., 23 r. 
Notulen XXIX: 92 en XXX: 52. 

Voorin staat: .,Copie naar een Hds. van Riouw ontvangen van den 
Resident van Riouw". 

Van dit veel geciteerde geschrift — zie de literatuuropgaven op bl. 148 
van Juynboll's catalogus — is nog geen inhoudsopgave gepubliceerd. Een indertijd 
vervaardigde inhoudsopgave zal hier niet uitgegeven worden, aangezien eene 
editie van den roman naar dit en het volgende handschrift wordt gedrukt te 
Singapoera onder toezicht van den heer W. G. Shellabear. 

cxv. 

HIKAJAT HANG TOEAH II. 

Collectie v. d. W. 186, 33 X 21 cM., 924 bl., 17 r., gedat. Malaka, 1277. 

Dezelfde tekst met nu en dan afwijkende eigennamen ; de spelling is zeer 
onregelmatig, het schrift buitengewoon groot. 



L20 

Andere handschriften : 
Leiden, cod. 1762, Catal. 147 en 148. 
Londen , Royal Asiatic Society, no. 1. 
Londen, Britsch Museum, no. 9. 
Londen, East India House, no. 66. 

CXVI. 

HIKAJAT PËLANDOEK DJINAKA. 

Bat. Gen. 156, 32X20 cM., 76 bl., 21 r., gedat. 3 Radjab 1240. 
Notulen 1884, bl. 105. 

De tekst van dit HS. stemt bijna woordelijk overeen met dien der uitgave 
vau 1885 door H. C. Klinkert, die in 1893 een andere redactie heeft uitge- 
geven; zie Brandes' résumé's in Tijdschrift v. Ind. T. L. & V. K. XXXVII, 
bl. 50 — 64 en 366 — 389. Behoudens enkele zeer geringe lacunes en eenige 
andere woorden (synoniemen) vertoont deze tekst in vergelijking met dien der 
eerste uitgave niets bijzonders. 

Achteraan staat : milik Gouvernement. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1932, Catal. bl. 137—139. 

Londen, East Jndia House, no. 67. 

CXVII. 

HIKAJAT SOELTAN lBRaffiM I. 

Bat. Gen. 155, 20 X 15 cM., 50 bl., 13 r. 
Notulen 1884, bl. 105. 

Den inhoud van dit verhaal vindt men medegedeeld in De Hollander's Hand- 
leiding tot de beoefening der Maleische taal- en letterkunde (5° druk), bl. 346. 

Het verhaal is uitgegeven: door Roorda van Eysinga, Batavia 1822, 
door Lenting, Breda 1846 en Regensburg, Batavia 1890. 

De tekst verschilt zeer weinig van dien der uitgaven. 

De eerste bl. ontbreekt. 

Achteraan staat: 8 Februari 1850 en ^LjJl* Jv«a* t-^vcJb Af J^u^Jd 

(Soetelief) 

Na het verhaal volgt een kort begrip van 4 bl. van de zuilen des islam's. 



121 
CXVIII. 
HIKAJAT SOELTAN IBRaHiM II. 
Collectie v. d. W. 118, 34X21 cM., 118 bl., 19 r. 

Zeer uitgebreide redactie, met eenige afwijkingen. 

Reeds het begin is heel anders, nl. Ibrahim ïbn Adhan laat eene ge- 
duchte vesting bouwen, en om te weten wie eene fout daaraan ziet laat hij al 
zijne onderdanen het gebouw bezichtigen ; ten slotte wijst een oude man op 
eene belangrijke fout: het vergankelijke. Dit brengt den vorst tot nadenken; 
en hij verlaat zijn rijk. 

Dit uit den Boestfin as-Salatïn ontleende, en door Niemann in zijn 
Maleisch Leesboek, I, bl. 232 afgedrukt verhaaltje wordt zóó uitvoerig verhaald, 
dat eerst op bl. 20 het gesprek met den wezier over het nederleggen dei- 
koninklijke waardigheid ter sprake komt. Steeds komen dezelfde uitdrukkingen 
als in de uitgaven voor, maar daaromheen zijn wijdloopige uitweidingen ge- 
rangschikt. Zoo wordt bv. verhaald dat de vorst weer teruggevonden wordt 
door zijne grooten, die lange gesprekken voeren; eerst op bl. 38 volgt de 
geschiedenis der dalima, die in de uitgave-Lenting reeds op bl. 4 voorkomt. 

Sitti Siilihah heet hier Sitti Salihin. 

De geboorte van Moehammad Tabir staat eerst op bl. 84. 

In plaats van het korte slot der uitgave-Lenting, dat nauwelijks twee 
halve regels beslaat, heeft dit HS. een slot van tien regels, waarna wordt me- 
degedeeld dat het verhaal door den Hadramiet Sjajch Aboê Bakr is opgesteld, 
en door den (niet genoemden) schrijver is vertaald ; een Arabisch besluit is 
het laatste. 

CXIX. 

HIKAJAT SOELTAN IBRaHïM III. 

Collectie v. d. W. 119, 33 X 21 cM., 43 bl., 19 r. 

Alleen de linkerhelft der bladzijden is beschreven. 
De tekst is gelijk aan dien der uitgave-Lenting. 

cxx. 

HIKAJAT SOELTAN IBRaHïM IV. 
Collectie v. cl. W. 120, 24 X 22 cM., 132 bl.. 17 r. 



122 

De zeer uitgebreide redactie als van II, hoewel niet geheel gelijk in 
bewoordingen. 

De eigennamen zijn hier beter gespeld, bv. l^SLc, en ook ^U ^u^ 
maar minder goed: ^ ^^. Ook hier is de naam Aböe Bakr vermeld. 

De datum is 9 Dzöelk. 1277. 

CXXI. 
HIKAJAT SOELTAN IBRaHïM V. 

Collectie C. St. 130 A, 20 X 16 cM., 129 bl. 15 r., gedat. 1775. 



Wederom de zeer uitgebreide redactie. 

» Sitti Saleh" (de Holl.) heet hier beter Sitti Salïhah. 

De dood en begrafenis van Sjarif Hasan staat op bl. 56, de geboorte 
van Moehammad Tahir op bl. 91. Ook hier wordt Aböe Bakr vermeld, en wel 
als »orang hadirat al maut". 

CXXII. 

HIKAJAT SOELTAN IBRaHiM VI. 

Collectie Br. 421 G., bl. 133—180, 15 r. (22 X IS 1 /» cM). 

De kortere redactie. 

Dit gedeelte is gedateerd 9 Juni 1839. 

Ander handschrift : 

's Granvenhage, n° 607 b (VI). 

CXX1II. 

HIKAJAT RADJA DAMSJiK. 

Collectie v. d. W. 164, 33 X 21 cM., 76 bl., 21 r. 

Dit, ook Hikajat Sjah Firman genaamd, verhaal heeft den volgenden inhoud: 
In Damsjïk is Ihsan al-ihsan met zijnen onderkoning Chalil al-Moelöek, 
zijne vrouw Nöer Lila en zonen Sjah Firman en Sajf al-Kamar. Deze twee 
verdwenen bij gelegenheid van eenen wedren en verliezen elkaar uit het oog. 
Sajf al-Kamar vindt een klein paleis met de reuzendochter Ratna Koe- 
mala Seri; toen haar vader kwam verborg zij hem door hem in een bloemknop 
en zijn paard in een jongen pinang te veranderen; daarna geeft zij hem een 
doosje waaruit hij eene stad kan tooveren. Hij gaat weer zwerven. 



123 

Ook Sjah Firman had een paleis aangetroffen; daarin bevindt zich de 
prinses Indra Koemala Tjahaja wier familie door een garoeda, die haar uit 
Baghdad geroofd had, verslonden was; hij doodt den garoeda en vervalt in een 
staat van verdooving. Een geest steelt zijn pijl en verandert dien in een knaapje. 
Maar Sajf al-Kamar ontmoet den geest, verneemt van hem wat hij gedaan 
heeft, en doodt hem; het kind wordt weder pijl, hij gaat er mede naar het 
paleis, en legt den pijl naast zijnen broeder; deze herleeft uit zijne verstij ving. 
Beiden verzamelen de gevluchte bewoners, de stad bevolkt zich weer, en Sjah 
Firman huwt de prinses. Daarna gaan de broeders weer zwerven. 

Zij vinden een vrouweportret, zoo schoon dat Sajf al-Kamar er van 
bezwijmt; Sjah Firman komt in Köefah, waar Salisala regeert, en diens dochter 
Indra Sèloka was het origineel van het portret dat zoo velen dol gemaakt 
had. Hij weet, als helpster van eene bloemenverkoopster verkleed, haar 
vertrouwen te winnen, toovert eene stad met bewoners, zegt dat Sajf al-Kamar 
de maker daarvan is, en beveelt hem als haren echtgenoot aan; hij laat zelfs 
zijne troepen aanrukken en hen uit naam van Sajf al-Kamar om de hand dei- 
prinses vragen, wat aangenomen wordt. Sjah Firman gaat zijnen broeder zoeken, 
vindt hem nog steeds bezwijmd en neemt hem mede naar de prinses, als wier 
kamervrouw hij zich steeds voordeed. Met luister wordt het huwelijk gevierd. 
Weldra mist de prinses de gewaande kamervrouw met verdriet, totdat de nenek 
kabajan (de bloemenverkoopster) alles openbaarde. Daarna gaan de broeders met 
de prinses naar Damsjïk. 

Al de teleurgestelde aspiranten, 120 in getal, werden verbolgen, vooral 
de prinsen van Sjam, Hindia, Jaman en Misr. Zij allen trekken tegen de 
broeders op, en de vier sneven na een langdurigen strijd. 

Indra Koemala Tjahaja had, door groot verlangen gedreven, de broeders 
overal laten zoeken; dezen, na eerst in Koêfah vertoefd te hebben, komen bij 
haar, en gaan met haar door naar Damsjïk. Daar wordt Sajf al-Kamar, na 
het weerzien der ouders, vorst en Sjah Firman mangkoeboemi. 

In HS. v. cl. W. 260 is deze geschiedenis op rijm behandeld; zie 
aldaar (CDXLVIII). 

cxxrv. 

HIKAJAT MOEHAMMAD MOEKaBIL. 
Bat. Gen. 151, B. bl. 63—85, 15 r. (19 X 15 cM.) 
Gedateerd: Batavia: 22 Moeharram 1266, 27 November 1850. 



124 

Deze tekst van dit ook Hikajat Haröen ar-Rasjïd en Hikajat Pëntjoeri 
geheeten verhaal is dezelfde als die welken Dr. Juynboll op bl. 172 van zijnen 
calalogus beschreven heeft. 

Ander handschrift : 

Leiden, cod. 1738 (CXL1V). 



CXXV. 



HIKAJAT BOEROENG SI BÉHAROE BËHAROE. 
Bat. Gen. 151 C, bl. 86—106, 15 r. (19 X 15 cM.) 

Inhoud : 

Soelajman roept alle dieren en geesten op. en trekt naar de vlakte 
Hoenajn. Vier vogels, de si bëharoe bëharoe, si lëmpoegoe, de pauw en si 
poetjoeng geraken in twisfc ; zij brengen hun meeningsverschil bij den profeet 
voor, de eerste twee doen een verhaal om hun stelling in zake de waarde van 
spreken en zwijgen toe te lichten, de laatste twee geven eenige beschouwingen 
ten beste om hunne overtuiging te staven. Soelajman is daarmede tevreden. 

CXXVI. 

HIKAJAT HASAN DAMSJïK 



Bat. Gen. 192, 30 X 19 cM., 84 bl. 15 r., gedat, 8 Maart 1847. 

Inhoud : 

Ten tijde van Haröen ar-Rasjïd was in Damsjïk een rijk man. Zijn zoon 
Hasan gaat naar Baghdad en ontmoet daar Aboê Noewas die hem naar de slavin- 
nenmarkt geleidt. Hij wil daar de slavin Sitti al-Mallah verkoopen; zij echter, 
bekoord van Hasan, wil dat niet doen blijken en weigert aan hem verkocht te 
worden. Zij kwijnt dan weg van liefdesverlangen ; haar heer weet wat haar deert, 
eu volgt den raad van een goudsmid, die had gezegd dat zij zoude genezen 
door in gezelschap van Hasan te komen. Zoo geschiedt, en Hasan koopt haar 
ten slotte voor 10.000 realen. 

Dit vertelt Aboê Noewas aan den chalief, die de slavin laat weghalen. 
Hasan staat verbluft, en valt op straat in slaap, zekere Ahmad en Ibn Ar- 
Radijjah nemen hem op en schudden hem uit; daarna wordt hij opgesloten in 
een donker gewelf, waar hij duizenden gestraften vindt. 



125 

De slavin kan haren nieuwen heer niet vergeten, en voor den chalief 
moetende zingen, zingt zij lofpantoens (alle in het Arabisch met verta- 
ling) op Hasan, tot woede van den chalief. Deze schenkt haar van 
alles om haar Hasan te doen vergeten, doch tevergeefs ; eindelijk ontbiedt 
hij den beul om haar te dooden, maar zijne gemalin houdt hem daarvan 
terug, en ondervraagt de slavin. Daarop gelast de chalief den vermiste te 
zoeken, maar zoDcler resultaat. Reeds een jaar versmachtte hij in het hol; 
allen worden door Ibn ar-Radijjah daaruit bevrijd, behalve hij. De magistraat 
die met het onderzoek belast was, verneemt dat allen vrijgelaten zijn en wil 
heengaan, maar zijn paard weigert, waarop hij het kot laat heropenen en Hasan 
bevrijdt. Nu beticht Ibn ar-Radijjah hem van diefstal, en wil hem de handen 
afbouwen, als Ahmad tusschen beiden komt en hem bevrijdt. Dan werkt hij 
een jaar in eene moskee. 

De vorstin verzoekt den chalief de slavin toe te staan zelf haren heer 
te zoeken. Zoo geschiedt. Zij komt in de moskee en verpandt aan den modin 
haren ring om eten te koopen. De goudsmid bezorgt hem van alles, zelfs wijn 
en eene harp, en zij overwint zijne godsdienstige bezwaren daartegen, ja brengt 
hem tot dronkenschap ; in zijn roes zegt hij Hasan te willen roepen om mede 
te drinken. Op het hooren van dien naam bezwijmt zij ; zij ontmoeten elkaar en 
vertellen elkander alles wat geschied is. Zij gaat naar den chalief, die Hasan geld 
en kleederen zendt. Na zes maanden is hij weer als vroeger ; de chalief ontvangt 
hem, en overlaadt hem met gunstbewijzen; Z. M. hoort zijn verhaal en laat Ibn 
ar-Rfidijjah dooden, doch Ahmad en den modin eenen hoogeren rang bekleeden. 

Hasan en Sitti al-Mallah leefden verder gelukkig in Damascus. 

CXXVII. 
HIKAJAT ABOE NOEWaS I. 
Collectie C. St. 132, A, bl. 1—161, 13 r. (19X15 cM.), gedat. 1865. 

Een HS. met „anecdoten van Aboê Noewas", den tijdgenoot van Haröen 
ar-Rasjïd; beter: „populaire verhalen omtrent eenen gefingeerden hofnar, die 
veel Uilespiegelachtigs heeft, en aan wien men den naam van dien dichter 
(Aboê Noewas) heeft gegeven". (C. Snouck Hurgronje. De Atjéhers, II, bl. 
159, noot 5). 

Dit exemplaar bevat 21 verhaaltjes, waarvan het laatste niet af is. 

Bij wijze van voorbeeld volge de inhoud der eerste twee: 

De pënghoeloe van Haróen ar-Rasjïd heeft eenen zoon Aboê Noewas; 



126 

de vader sterft, de zoon bespeurt aan den reuk van 's vaders oor dat deze in 
de hel is, houdt zich gek en wil zijnen vader niet opvolgen. De chalief wordt 
boos en raadplaagt Loekman. Aboê Noewas wordt door eenen brij koker in de 
brij geworpen, belooft in zijne plaats een dikker mensch dan hij is te bezorgen en 
komt vrij. Hij vertelt het aan den chalief, die als derwisj verkleed met hem mede 
gaat, en dadelijk door den man, aan wien immers een dikker mensch beloofd was, 
gegrepen wordt. Aboê Noewas verlaat hem om hem zijne listen te laten beproe- 
ven. De chalief bepraat den man liever koefijjah-maker te worden; hij doet zulks. 
en werkt met den vermeenden derwisj. Deze schrijft in eene koefijjah een 
briefje aan Loekman om hem te bevrijden; weldra komt deze en doodt wel 
900 menschem De chalief schenkt Aboê Noewas vergiffenis, daar deze hem in 
staat had gesteld met eigen oogen de bestaande toestanden te zien. 

BI. 22. 

Haróen ar-Rasjïd gelastte Aboê Noewas een gebroken steenen vijzel te 
naaien; hij verzamelde kleine steenen en verzocht den vorst daarvan eenen draad 
te maken, daar immers steen alleen met steen te naaien is. Daar dit niet kon, 
stond de vorst beschaamd. 

CXXVIII. 
HIKAJAT ABOE NOEWaS II. 

Collectie Br. 209, 2V/ 2 X 17 cM., 86 bl., 13—14 r. 
Slordig, vuil en onvoltooid handschrilt. 

CXXIX. 
HIKAJAT ABOE NOEWaS III. 

Collectie v. d. W. 124 A, bl. 1—63, 19 r. (31V 2 X20 cM.) 

Eene dergelijke verzameling. 

Het eerste verhaal vertoont vele afwijkingen. 

De pëughoeloe is hier een kadi; bij zijn sterven bemerkt Aboê Noewas 
dat de geur van zijn rechteroor goed en van zijn linker oor kwalijk is, wat de 
vader toeschrijft aan het feit dat hij eens van twee partijen slechts ééne ge- 
hoord heeft; „zóó is het rechterambt" waarschuwt hij, , .bedenk later een list om 
het niet te worden". Na 's vaders dood gedraagt hij zich als een gek, zoodat 
een ander benoemd wordt; van Loekman's raad wordt geen gewag gemaakt. 
Darana is sprake van den Egyptischen koopman, die, eenen droom volgende, 



127 

de dochter van den nieuwen kadi wilde huwen, doch als het op betalen van 
den bruidschat aankwam zeide dat alles maar scherts was, waarop de kadi hem 
beroofde en wegjoeg, en hij bedelaar werd. Daarna worden de avonturen van 
den Egyptenaar, zijn eerherstel en de straf van den kadi verhaald. 

Daarop volgen verschillende der andere, in dit HS. niet genummerde, 
echte Uilespiegelachtige, soms vrij platte verhalen, en eerst op bl. 51 begint 
het 2° gedeelte van het eerste verhaal van I, dat met het 1° gedeelte feitelijk 
niets te maken heeft, en ten onrechte daarmede in I is vereenigd. De naam 
Loekman wordt ook in dit verhaal niet genoemd. 

Slechts tien der verhaaltjes zijn in dit exemplaar opgenomen. 

cxxx. 

H1KAJAT DJAUHAR MANIKAM I. 

Collectie v. d. W. 121, 33X20 cM., 100 bl., 16 r., gedat. Malaka, 
27 Dzoelk. 1278. 

Voorin staat: ^)d) J±s.i ^Jo J^JJ) j>j^. ^.U _). £>J-C=- ï.y« ^ 

Uitvoeriger verhaal dan dat der editie-De Hollander-1845, en in eigen- 
namen en tekst afwijkend van het type-cod. Leid. 1727; het begin toch is: 
o)^ )S\ ^J>y Kxï )jXs~ l>l£>- J) ir jdjU ^J^w> foy &ïr~fi i^^fl ^ (*"**• 

fjl* ^jLjjl )j) C^OJ ,-.), *!)J) CS~< ^^j ^«t* Li-J JÏJkftJ jJj J)JJ _). 

SijA CS<< (j'Ulli' U! ^SjL.) ^ rlo+uji JJ^J &))A6 )&) ^j&r&xJSjj ^d JLï 
]SsS <xl Jla»* CS-* ,£/UJ i 5^ JLs- <xi (J.Xft*- yj^iLj LiS^> i^SjJ^>) Ci^c oo) 

CJU ^[iy (jL) Pj r^i cj^ jj^j ^fjj) lSj^ ^-^o cS>\t £J <jSü£ 
CS-* ^)SjjX< L^ot JJü) ( S) JjüÓ v_S"l«JJ C-^^i «ysJuu J:J )jJió <xl.) JÏÏAiA 
C^o) AJüó ÏAiü) j£) j_jOui) ^il )^ aju, ^li' <)d ^JLï ^y )^Jüo CS~* J\>^ 

^j^i i_l£-c Ji^ j&U /uJj.j )cXJü) ^c <xl -a^wj C-£-c ^U! ( i)jX> LL t J ^ <s^ 

i — ij£ L _5^* ,WJ CJ^c C^oj c^Xwj). <JTr a ■r-b i_SV^ lM (J.x«>r^ <jS-< C^jj iXJ.J 

c*U ö^r» ^ ^-^ $? \&M)j ( y&>) jxj &£*/ jfó" &}/. <-^ ^y. 

>JoU> t*)»- i_SVJ ij*j' ^^ ( Si!C ^ i_5j^ s^^^ 
De naam van den prins is verschreven, later heet hij ^s^L Ju (HS. 
Londen jj&U, l_^Ju> cod. Leid. 1727 ^jjbU i^Ju,) en Sjah Djohan. 

IDe verdeeling in hoofdstukken is niet consequent volgehouden, en ondui- 
elijk aangebracht; er worden meer dan negen vermeld, want het tiende bevat : 



128 

JAftJO *GL> r£>»=^ i_SV^ (J^' ó^ 1 ^ 

Vele pagina's zijn verkeerd genommerd. 

CXXXI. 
H1KAJAT DJAUHAR MAN IK AM II. 

Collectie v. d. W. 122, 33 X 20 cM., 56 bl. 18 r. 

Veel kleiner schrift clan in het voorgaande nummer. 

Dezelfde tekst. Ook hier zijn de capita voor het meerendeel niet genum- 
merd, en staat vóór caput X: dëmikianlah tjitëranja toean poetri Djauhar 
Manikam mëntjari radja di nëgari Roem itoe wa'llakoe a c lamoe, alsof het 
verhaal hiermede geëindigd ware. 

De redactie van deze beide HSS is veel uitvoeriger dan die der uitgave : 
eene vertaling van Dulaurier wordt genoemd bij Ji^nboll, Catalogus, bl. 157. 

CXXXII. 

HIKAJAT DJAUHAR MANIKAM III. 

Collectie v. d. W. 123, 33 X 20 cM.. 88 bl., 19 r. 

Het begin van dezen tekst is: J\^ e^olC^ ^) ^ü AÜU ^xaU ^ 

en zoo verder geheel als in cod. Leid 1727 en 1691(1). 

De tekst is een andere dan de twee voorgaanden, het verhaal vertoont 
enkele afwijkingen, vooral in de volgorde der gebeurtenissen. 

De prinses heet meestal ^U yby*. of ^U jby*. waar ook jGU .*>y*. 
en ^aIU jüjs. en ^L, ^a^, haar broeder: JUij» en Ju^ji. 

De hoofdstukken zijn niet genummerd, en het tiende komt niet voor, 
daar na de beschrijving der huwelijksfeesten en van den terugkeer van Sjah 
Djohan naar Damsjïk de roman op natuurlijke wijze eindigt. 

Het slot is: rixJSy, Ji^ jj.j JjJ\ ^ ^U ^J jJlG Ci-c Jó+£ 

<-Sf* Jf k^ï*- J^^ ^^ «Nok; &U AjJ) Ju: c^o) lsj^) CSï ))*£ 






129 

De redactie van dit HS. is veel geregelder dan die der beide voorgaande, 
welke eene afwijkende bewerking der oorspronkelijke stof vertoonen. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1727, 1601(1), 3256, 3315 en 2199(4>. 
Londen, Royal Asiatic Society, uo. 58, II. 
Brussel, Bibl. Royale, no. 21516. 

cxxxni. 

TaDJ AS-SALATïN I. 

Bat. Gen. 122, 27X21 cM., 242 bl., 17—19 r. 
Notulen 3 Februari 1880, II, c. 

Volledig handschrift van de Kroon der Koningen, Makoeta sëgala radja 
radja, welk werk drie malen is gedrukt: met vertaling in 1827 te Batavia, in 
Maleische en Latijnsche karakters in 1864 te Batavia en met Latijnsche karakters 
in 1 866 te Semarang. 2 ) 

De tekst is niet zonder schrijffouten, de inkt is bleek en begint in 
te vreten. 

Voorin staat: S. Willmet 1800. 

Over den oorsprong van dit werk van al-Boeckari Djauharï handelde 
ik in Tijdschrift voor Ind. T. L. & V. K. deel XLI, bl. 55 sqq. 

CXXXIV. 

TaDJ AS-SALaTïN II. 

Bat. 'Gen. 286 A, bl. 1—71, 29 r. (33X21 cM.) 
Notulen 23 Dec. 1901, I, d, 2<>. 

Dezelfde verdeeling in hoofdstukken als in de uitgave van Roorda van 
Eysinga; vele aanteekeningen, o. a. verhalen over de chaliefen bevattende, zijn 
aan de randen aangebracht. 

IDit gedeelte is gedateerd 14 Dzoelh, 1269. 
Onderaan staat : 
&U) ÜLS' ). yo)y CS)&i ^Sj^ s.ül>j JLi' <xJd) ^jjj ; <— jU£S) Ua> 
r 



1) Over de onderlinge verhouding der uitgaven zie Brandes in Tijdschr. v. Ind. T. L. & 
. K. deel XXXVIII, bl. 272. noot. 

Verhandelingen. 9 



130 

cxxxv. 

TaDJ AS-SALaTiN III. 
Collectie v. d. W. 65, 32X207 2 eM., 216 bl., 19 r. 

Dit handschrift is gedateerd 23 Ramadan 1238. 

Behoudens verschillende afwijkingen in spelling en ook in synoniemen, 
welke bij een zoo vele vreemde termen en uitdrukkingen bevattend geschrift 
onvermijdelijk zijn, vertoont ook deze tekst hetzelfde karakter als de genoemde 
editie. 

Op het schutblad staat: 
^)S\ ^-IGj ,JaS' *!!j (j^ls &i*) 'ijy^ji <&' ^^U.) -Jj' u^olC»- 
en op bl 1 : 

„Ten gebruike ontvangen bij raiss. Eerste Secretaris van het Gouv 1 . 
dd. 5 Julij 1856, No. 1247". 

CXXXVI. 

TaDJ AS-SALaTïN IV. 

Collectie Br. 394, 21X17 cM., 305 bl., 15 r., gedat, 30 Radjab 1288. 

Volgens aanteekening van Brandes is deze tekst geheel gelijk aan de 
uitgave van Batavia, 1864. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1692, 3053, 1918 (1) en 3234 (2), Catal. bl. 213—215. 

Londen, Royal Asiatic Society, nos. 17, 42, 47 II en 64. 

Brussel, Bibl. Royale, no. 21507. 

CXXXVII. 

H1KAJAT RADJA BOEDAK I. 

Bat. Gen. 6, 32 X 21 eM., 54 bl. 21 r. 

Uitgegeven te Batavia 1866. 

Daar dit (slecht geschreven) HS. in redactie van de uitgave afwijkt, is 
het noodig den inhoud te vermelden. 

Er was eens een koopman in Lantapoeri, (waar onrecht en onvrede 
heerschten) met zeven kinderen: Sipat cAkil, Sipat Bitjara, Sipat Boediman, 
Sipat Soe'al, Sipat Djawab. Sipat Tjahaja en Sipat Iman. De oudste heerscht 



131 

door haren invloed over alle bewoners van haar stadskwartier, en wordt na 
den dood van den vorst op den troon geplaatst; hare zes broeders krijgen 
hooge ambten. 

Radja Ahmad Sjah van Nasrai vraagt haar ten huwelijk maar moet 
eerst hare raadsels oplossen. In Baghdad waren 39 prinsen, van wie eenigen 
haar ten huwelijk vragen; nog 99 andere vorstenzonen doen zulks. In Tjintamaja 
is vorst Dewa Katja, die een sprekenden vogel heeft ; deze vliegt naar het ver- 
blijf der vorstin, bespiedt haar, en geeft van zijne bevindingen bericht aan 
zijnen heer. Deze vliegt naar hare stad op zijn wonderpaard en kan met hulp 
van zijnen vogel hare raadsels oplossen, waarna hun huwelijk met veel staatsie 
gesloten wordt. De teleurgestelde prinsen willen Lantapoeri aanvallen, vele 
djinn's verslaan hen, en na veertig dagen strijdens moeten zij zich onderwerpen. 

Lantapoeri en Tjintamaja bloejen. 

Deze redactie is belangrijk korter en soberder dan die der uitgave. Naar 
het aantal der bladzijden te oordeelen is ook cod. Leiden 3318 (CLIII) eene 
korte redactie; zie overigens H. C. Kiinkert's inhoudsopgave in het Tijdschrift 
voor Ned. Indiè', 1809, I, bl. 118 sqq. 

CXXXVIII. 

H [KA JAT RADJA BOEDAK II. 

Collectie v. d. W. 153, 33 X 207 2 cM., 201 bl. 19 r. 

Hetzelfde verhaal, maar in eene andere, veel uitvoerigere redactie, en 
met verschil in enkele eigennamen. 

Lantapoeri heet hier : Nistaboeri ; de zeven kinderen houden hier uitvoe- 
rige gesprekken over den islam, waarbij ophelderende verhaaltjes te pas ge- 
bracht worden. 

Eerst op bl. 115 begint het verhaal van Ahmad Sjah Indra in Ansarï, 
en op bl. 126 dat van den vorst van Tjintamaja : Dewa Katja, een afstamme- 
ling van Indra Poptra, met zijnen verstandigen vogel Sëpah Poetri. 

Het geheel is bijkans een andere roman; na het verhaal der troons- 
bestijging van Sipat c Akal volgt eene vertelling over eenen koopman in Nisiboeri 
(sic) die aan eenen anderen koopman een zak met edelgesteenten toevertrouwde, 
en in pand gaf voor 2000 dinaren ; deze verwisselde op raad van zijne vrouw 
een edelsteen tegen eenen waardeloozen steen, en liet den zak kunstig dicht- 
naajen. De eigenaar loste zijn pand in en bemerkte de verwisseling, doch verkreeg 
van den pandnemer geene opheldering, waarop hij de zaak aangaf bij den 



132 

mangkoeboerai, die het vertelde aan den vorst (Radja Boedak). Deze maakte 
een scheur in een kleed en liet het wasschen door eenen waschman, die 
eerst bij het bleeken de scheur ontdekte, en, meenende die zelf aange- 
bracht te hebbeu, naar eenen kleermaker ging om de scheur te stoppen. 
Deze, die ook den zak gestopt had, deed het zeer handig; de vorst ontvangt 
van den waschman het kleed terug, verneemt van hem wie de knappe kleer- 
maker is, ontbiedt dien, hoort hem uit, en komt genoeg te weten. 

Daarop biedt de vorst allen kooplieden een gastmaal aan, en op listige wijze 
ontmaskert zij (hij) den bedrieger, die zich haast den edelsteen terug te geven. Zoo 
velt zij wijze vonnissen en doet schrandere ontdekkingen in verschillende moei- 
lijke quaesties, die uitvoerig en eenigszins verward verhaald worden; na een 
vijftal van dergelijke verhalen en het besluit: ,,adapoen baginda Radja Boedak 
tëtaplab diatas tachta karadja'annja didalam nëgëri Nistaboeri sërta dëngan 
masjhöer namanja itoe di nëgëri Nistaboeri dëngan c adilnja dan moerahnja 
dëmikianlah adanja" wordt het verhaal van Al;mad Sjah ingevoegd (bl. 115). 

Dat gaat het verhaal verder als in Klinkerts inhoudsopgave, doch de 
raadsels zijn hier meer in aantal. Hier worden de namen der drie verliefde prinsen 
genoemd, nl. Sjah Djohan, Sjah Pahlawan en Dewa Djaja Indra, allen broeders, 
terwijl het eiland Bërangga Djaja hier Bërangga Tjahaja heet, en Dewa Katja 
Seri Lila: Dewa Katja Seri Lila Panah Ma c rifah. 

Aan het slot wordt het huwelijk vermeld van Ahmad Sjah en Tjahaja 
Hirani van Tjintamaja. 

CXXXIX. 
HIKAJAT RADJA BOEDAK III. 

Collectie v. d. W. 154, 33 X 21 cM., 77 bl., 17 r. 

Het land heet hier Bëlanta Poeri ; de vorst wordt volgens dezen tekst 
niet vermoord, maar sterft aan eene ziekte. De ingevoegde verhalen van II 
komen hier niet voor; reeds op bl. 16 komt Ahmad Sjah van Antari ter sprake. 
Evenals in Klinkert's tekst is hier quaestie van vier opgegeven raadsels ; trouwens 
met het resumé van Klinkert komt deze sobere en korte tekst geheel overeen, 
alleen wordt het verhaal hier besloten met eene uitvoerige beschrijving van 
het huwelijksfeest van Radja Boedak. 

Ander handschrift: 

Leiden, cod. 3318, Catal. bl. 179. 



133 

CXL. 

HIKAJAT SI MISKIN I. 

Bat. Gen. 384, 26 X 21 cM., 140 bl., 15—18 r., gedat, Batavia 1829. 

Deze tekst vertoont geene afwijkingen van de Singapoerasche uitgaven 
(1857 en 1894); het verhaal is in 1897 uitgegeven door J. S. A. van Dissel, 
met een niet consequent volgehouden interpunctie-systeem, en nog eens in 
1907 door C. A. van Ophuysen. 

CXLL 
HIKAJAT SI MISKIN II. 
Collectie v. d. W. 175, 33x21 cM., 123 bl.. 19 r. 

De titel is hier Hikajat Marakarma. 

De tekst is als der uitgave-Singapoera 1894, echter zouder de vijf regels 
na het einde van het verhaal. 

CXLII. 
HIKAJAT SI MISKIN III. 

Collectie v. cl. W. 176, 33 1 /, X 20 1 /,, cM., 68 bl., 41 r. 

Dit HS. is in Latijnsch schrift geschreven. 

Voorin staat: »Ten geschenke ontvangen van den Resident van Banjoe- 
mas bij missive 25 Mei 1857, no. 1419/1." 

De redactie vertoont geene afwijkingen, slechts worden nu en dan andere 
woorden gebezigd; het begin is: 

Bi.smilah hirohmanir Rohira. 

Wa banastainoe bolih ngala ini hekaijat die tjaritaken orang dahoeloekala 
Bekalie persatoe alah Soebhana watangala menoendjoeken lakuanja kapada hamba 
maka dietjaritaken oleh orang njang taoe, akan tjarietanja maka adalah saorang 
miskin doewa lakie estrie berdjalan mentjarie retjekinja, berkeliling negrie anta 
beranta itoe adapon radja die dalem negrie itoe maharadja endra dewanta laloe 
amat bessar karadjaannja bagenda itoe bebrapa adjar radja njang dateng die 
tanah Endradiwata itoe mengatoer oepeti sagenap taoen. 

CXLI1I. 
HIKAJAT SI MISKIN IV. 
Collectie v. d. W. 177, 20 X 16V 3 cM., 107 bl, 17 r. 



134 

Voorin staat: „Ten geschenke ontvangen van den Resident van Banjoe- 
mas, miss. 26 Mei 1857. no. 1419/1". 

Dezelfde tekst, doch één regel van de moraal na het besluit méér be- 
vattende dan II. 

CXLIV. 
H1KAJAT SI MISKIN V. 

Collectie v. d. W. 118, 33 X 21 cM., 72 bl. 17 r. 

Fragment beginnende bij het verhaal van Mëngindra Sari, dat in de 
genoemde uitgave aanvangt op bl. 28, r. 4, en eindigende met de ontmoeting 
van Marakarma met zijue ouders. 

De laatste woorden zijn: r>.b JU«^c S) {-■<■) ^-^ ^ *+■*> „r*?-^ *^ 

welke woorden, met geringe wijziging, teruggevonden worden op bl. 84, r. 
3 v. o. — 1 v. o. der uitgave. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 3310, Catal. bl. 140. 

Londen, Royal Asiatic Society, no. 53 I. 

CXLV. 

Hl KA JAT NACHODA MOEDA. 

Bat. Gen. 77, 20 X 16V 2 cM., 84 bl. 20—22 r. Latijnsch schrift. 
Notulen 1 Augustus 1871, IV, e. 

Daar dit verhaal hetzelfde is als cod. Leid 1763(1) hebben wij het met 
den in dien codex aangetroffen titel aangeduid ; de in dit HS vermelde titel is. 
Hikajat Sitti Sara en Hikajat Radja Adjnawi. 

Voorin staat: 

»Het volgend verhaal vond ik te Bonthain in het bezit van een 
goeroe of onderwijzer en geschreven met Makassaarsche letters. Wegens de 
onvolkomenheid van het Makassaarsche letterschrift zijn mij eenige weinige 
woorden onduidelijk of onverstaanbaar gebleven, bij de transcriptie met 
latijnsche karakters. Blijkbaar werd het verhaal oorspronkelijk uit het 
Maleisch met Makassaarsche letters getranscribeerd. Van elders schijnt 






135 

de Sitti Sara niet bekend De taal is zuiver en de weinige Ara- 

bische woorden die er in opgenomen zijn geen anderen dan die in het 
Maleisen het burgerregt hebben verkregen. De stijl is eenvoudig en duide- 
lijk, doch niet vrij van noodelooze herhaling, en op enkele plaatsen wat plat 
en onkiesch". 

„W. M. Donselaar. Bontham 29 November 1860." 

Het verhaal komt overeen met dat in genoemden codex, waar de eigen- 
namen verschillen, bv. 

Cod. Leid HS. 77. 

Ghaznawi Adjnawi. 

Hoesajn Mandari Sahel. 

Iloesajn Mandi Nain. 

Batlawi Patalawe. 

Langkawi Birandewa. 

Nachoda Moeda Boedjangga Indramoeda. 

De zoon der heldin van het verhaal heet hier Sairol bachar. 

Het origineel Avas gedateerd: Makassar, 22 April 1814. 

Overal in den tekst komen aanteekeningen voor over de beteekenis van 
enkele woorden of over de Makassaarsche spelling. De titel Hikajat Nachoda 
Moeda wordt ook gedragen door de serie der vijf volgende handschriften. 

Ander handschrift : 

Leiden, cod. 1763 (1), Catal, bl. 171. 

CXLVI. 

HIKAJAT M AH AR AD JA BIKRAM A SAKTI I. 

Collectie C. St. 121, 33X20 cM., 153 bl., bl., 1—14: 27 r., bl. 
15—153: 22 r., gedat, 18 November 1865. 

De eigenlijke titel is hier: Hikajat Bigrama Indra. 

Inhoud : 

In Mihran Langgawi regeert Bikrama Sakti; zijne gemalin, eene prinses 
van Indra Djoeita, is Sinar Boelan, zijn zoon: Djohan Sjah, zijne dochter: 
Ratna Koemala. De ouders sterven, en de jonge vorst gaat reizen, en komt op 
Poelau Roembia, waar hij ziet dat pitten van de Roembia-vruchten onmidde- 
lijk weer vruchten worden. Hij noemt zich Nachoda Lela Gënta, en komt in 
Bëranta Indra, waar Digar c Alam vorst, en Bigrama Indra kroonprins is; hij 
gaat eene weddingschap aan in verband met de bijzondere vruchten, verliest 
die en wordt stalknecht. 



136 

Ratna Koemala verkleedt zicb als man en gaat haren broeder zoeken; 
zij bezoekt Poelau Roembia, en daarna Bëranta Indra onder den naam Nachoda 
Moeda. Men stelt haar op vele wijzen op de proef, maar geholpen door een 
bajan weet zij op alles bescheid: ook de proeven om haar sexe te ontdekken 
doorstaat zij met list. en steeds doet zij de lieden lachen. Kort daarna verbergt 
zij Djohan Sjah in haar schip: wederom verijdelt zij allerlei lagen en listen, 
en doet verhalen aan Bigrama Indra. Deze wil met haar baden om haar sexe 
te ontdekken; onder het uitkleeden zegt zij dat haar schip in brand gevlogen 
is, ijlt er heen en zeilt weg: veertig schepen die de vorst ter hnlp zendt zinken. 
De bajan vertelt aan Bigrama Indra dat de jonge gezagvoeder eene vrouw is. 
en haren broeder heeft weggevoerd. Diep bedroefd zweert hij haar te zullen 
bezitten, en wil haar inhalen. In zijn land teruggekomen laat Djohan Sjah de 
hand vragen van de prinses van Langga Widoera : Indra Majdani. weldra wordt 
het huwelijk gesloten (bl. 77). 

Bigrama Indra is als dol van verlangen en gaat zwerven. Hij komt in 
Danta Loga welks vorst ieder in het schaken overwint: hij noemt zich Lela 
Sjahran en ontvangt onderricht van den brahmaan Saman Djanib. 

Bl. 92. De vorst van Bëlanta Dewa: Gardan Sjah Dewa laat de hand 
van Ratna Koemala vragen, welk aanzoek afgewezen wordt; hij roept de hulp 
in van zijnen broeder Harman Sjah en trekt tegen Mihran Langgawi op. Lela 
Sjahran zal Djohan Sjah helpen; komt met vier gezellen in de bedreigde stad. 
waar de prinses hem meent te herkennen, maar eerst zekerheid verkrijgt, nadat 
de bajan haar alles verteld heeft. Weldra ontstaat de strijd om de prinses; 
heviger wordt het gevecht wanneer de vorst van Langga Widoera ter hulp 
komt; eindelijk sneeft Harman Sjah. Lela Sjahran gaat naar Bëranta Indra en 
maakt zich bekend; het leger van dat rijk trekt naar Mihran Langgawi, steeds 
heviger wordt de strijd, Gardan Sjah Dewa sneuvelt. 

Ten slotte huwt Bigrama Indra met Ratna Koemala. 

('XLV1I. 

HIKAJAT MAHARADJA BIKRAMA SAKTI IL 

Collectie C. St. 128. 31X19 cM., 154 bl., 23 r. (bl.. 1—17: 18 r). 

Gedat. achteraan: 29 Juni 1866. onderaan: 1273. 
Dezelfde tekst als van 1. alleen iets slordiger. 
Op den rug en voorin staat Anakoda Moeda. 



137 
CXLVI1L 

HIKAJAT MAHARADJA B1KRAMA SAKTI III. 

Collectie v. cl. W. 165, 20% X 15 V> cM., 224 bl., 17 r., gedat. te 
Batavia, 23 Dzóelk, 1255. 

De titel is: Hikajat Maharadja Bakrama, maar door den iulandschen 
eigenaar wordt op bl. 3 (bl. 1 en 2 zijn gevuld met een gedeelte van een 
gedicht) als titel opgegeven: s )j^ -sÏjy&U £j) oo|X^ 

Op bl. 213 en 214 staat een gedicht over het verhaal en het beëindigen 
van het overschrijven, gevolgd door een contractbrief van 29 Safar 1 263 en 
(op bl. 215) eene berekening van onkosten. De volgende bladzijden worden 
ingenomen door fragmenten van verzen en modellen van brieven. 

Het land van Maharadja Bikrama heet hier ,c««lX«l (O^r 1 ^ ^-«*> l^er: 
iC.l&y ,0) &f« Langga Widoera hier: Langkadoera, overigens is het verhaal 
geheel hetzelfde. 

Het begin van dit HS. heeft nagenoeg dezelfde woorden als het Brus- 
selsche manuscript, het slot echter niet. 

CXLIX. 

HIKAJAT MAHARADJA BIKRAMA SAKTI IV. 

Collectie v. cl. W. 166, 33X20 cM., 290 bl., 16 r., gedat, 10—28 
Sjawwal 1278. 

Hetzelfde verhaal, maar met enkele amplificaties, waardoor vooral de 
beschrijving der gebeurtenissen aan het slot zeer gerekt en gewijzigd is. In 
plaats van het optreden van Gardan Sjah Dewa wordt dat van 99 prinsen 
vermeld die van vroeger her Ratna Koemala begeerden, eene willekeurige 
wijziging in den geest van de geheele, zeer vrije opvatting van de behandeling 
van het thema. 

Aan het begin gaat eene gebrekkige en onechte inleiding van zes regels 
vooraf; aan het slot is toegevoegd: <xj ,_$•) j^, J»iü )jpo x>l£»- <sduuï CS* 



138 

Ufl-, Jb^ e^»to Jl^H yjf. s£/r*£ Jï <*r^ cA- s£>V J ^/r* 

CL. 
HIKAJAT MAHARADJA BIKRAMA SAKTI V. 
Collectie v. d. W. 167. 33 X 20 1 /, cM., 41 bl. 18 r. 

Fragment van ongeveer denzelfden tekst als IV. 

Het vervolg op deze 41 pagina's wordt aangetroffen in de Hikajat Indra, 
Dewa, Coll. v. d. W. 129, bl. 242 — 360, die met genoemde hikajat zijn sa- 
mengebonden, als een geheel genutnmeerd. Eene lacune tnsschen beide gedeelten 
is er niet. 

Dit fragment loopt (in zijn geheel) tot aan de vermelding van het 
huwelijk van Dewa Laksana en zijn tocht naar Langkadoera. 

De laatste woorden van dit fragment zijn: .J.ji' ).\jj) yoó'j (KJuL, j , J_C ^ 

deze woorden vindt men in IV op bl. 52 r. 6. v. o. 

De woorden welke op de laatste (anders getinte) bladzijde staan : 

<&IX~* <xJjuó' (_cj _Iju^o ,<L> ,.j)j c^-j^U ,£_> ,.jb (_cJ t &Ju »j <xU) ,jó <sU,ï JlCw i jLoJ) 

i >)«*al)U ^ic) <jdi). _ ; l behooren blijkbaar bij eene mohammedaansche legende. 

Ander handschrift : 

Brussel, Bibl. Royale, no. 21512. 

CL1. 

HIKAJAT TAWADDOED. 

Bat. Gen. 42. J. bl. 121—172, 14 r. (21 X 17 cM.,) 

Notulen 28 April 1868, IV, 6°. 

Een oorspronkelijk tot de Boenga Rampaj behoorend verhaal (de titel 
is slechts ter onderscheiding gegeven) zooals door De Hollander in zijn leesboek 
is gepubliceerd op bl. 118 en 119. De inhoud is hier: een Baghdadsch koop- 
man beeft eene slavin Tawaddoed, die bijzonder schoon en handig is. Hij wordt 
arm, en zij raadt hem aan haar te verkoopen; zij wordt gebracht voor Haröen ar- 
Rasjïd, die verbaasd is over hare kennis. Haar heer vraagt voor haar 100.000 






139 

dinaren; zij beantwoordt de vragen der grootste geleerden en overtreft alle 
zangers en speellieden; eindelijk betaalt de chalief den gevraagden prijs, doch 
laat haar bij haren heer. 

CLIL 

HIKAJAT MAHMöED. 

Bat. Gen. 42 K. bl, 172—184. 14 r. (21 X 17 cM.,) 

Hetzelfde verhaal als no. 1 van Bat. Gen. 24 (LXXVII), met enkele 
verschillen in eigennamen, tot aan het vertrek van den vorst naar Mekka. 
De titel is door mij aan dit verhaaltje gegeven. 

CLIII. 

HIKAJAT KOERAJSJ I. 

Collectie v. d. W. 146. 84X21 cM. 2 deelen, 594 en 602 bl. 19 r. 

Inhoud : 

Er waren vier vorsten: Soeltan Indra Maharadja; in ^.xs^cS-^i Soel- 
tan di Padang Sifat Sodjana, Soeltan Goempita Goenoeng in Goenoeng Mërtjoe 
en Soeltan di Padang Sodjana Halam, allen broeders. De eerste, nu vorst van 
Mërtjoe Sakti genoemd, krijgt een zoon Koerajsj Mëngindra Radja c Alam, bij- 
genaamd Soeloeng Padoeka Bëlaksana; in ,j) r x=- CS*£ wordt geboren: prins 
^jójS Jls> y^j c^J en kort daarna JU, IajüU I^jJ Ji^ t^y«» waarbij de 
moeder stierf; den vorst Goempita Goenoeng wordt eene dochter Seri 
Oedara bijgenaamd Poetri Bërantah Koesoema Indra geboren, die dadelijk voor 
Koerajsj bestemd wordt. Deze prins leert alle wetenschappen. Eene prinses 
Hatifah Maja Dewi, eene nicht van hem, wordt van hem bekoord; 
hoewel haar echtgenoot nog in leven is, geeft zij aan hare liefde toe, tot 
smart van de verloofde, terwijl bovendien hare liefde niet beantwoord wordt. 
Zij past een tooverraiddel toe op Soeltan Indra Goempita, die het echter 
niet eet, en op Seri Oedara opdat zij niet zal kunnen huwen met Koerajsj, 
eveneens op hem opdat hij haar niet meer begeere. Toen de moeder van Seri 
Oedara overleden was. en Koerajsj haar kwam vragen, paste zij het middel 

I weder toe; Soeltan Indra Goempita huwt weder en krijgt een zoon. Agas 
Padoeka c Alam Moeda vraagt Seri Oedara, waarop Koerajsj met zijn vriend 
Indra Sahdan in arren moede Mërtjoe Sakti verlaat, nadat hij Seri Oedara, 
die tegen haar zin werd uitgehuwelijkt, daar middel van een groenen hommel 



140 

volgt haren man naar diens land. Intnsschen leert Koerajsj op den berg Koe- 
mala Sakti vele wetenschappen, verkrijgt een wondertjoemboel en vier geesten 
tot zijne beschikking en een tooverzwaard van zijnen grootvader Gangga Maha- 
sakti, benevens andere tooverwapenen ; hij gaat zwerven, en komt bij de stad 
van Agas Padoeka c Alam Moeda, waar Séri Oedara nog steeds haren man 
haat; zijn leger wordt door Koerajsj verslagen, vele vorsten roept hij ter hulp, 
steeds wint Koerajsj ; Samsoe Dewa. de broeder van Agas komt hem ter hulp, 
Agas sneeft, de broeder wordt begenadigd, en geeft zijne zuster Sarodja Indra 
aan Koerajsj tot vrouw. Daarna trekt hij met haar door de lucht naar het 
land van Mëngarna Indra; deze heeft : twee dochters Mëngindra Gëmbar Boenga 
en Poetri Sarodja Seri Danta en eenen zoon Sëtan Tëngah Agoeng; zijn broeder 
Pradana c Alam Dewa Desa Maha Biroe c Alam heeft een zoon Soeloeng Seri 
Sëtan ibn c Alam en eene dochter Koemkoema Gëmbar Boenga; met de prinses- 
sen knoopt hij minnehandel aan, doch spoedig gaat hij naar het rijk van 
Seri Chalifah Radja c Alam en diens zuster Soekanda Koemala Dewi, met wie 
Koerajsj in het huwelijk treedt. In het rijk van Ambong Bësar Chalifah c Alam' 
Nobat verneemt men met schrik den minnehandel en zijne gevolgen. 

Een machtig vorst was Soeltan Moe c tabar c Alam met drie kinderen 
Seri Sëtan Përi Mëngindra. Poetri Tjahaja c Alam en Koerajsj Mëngindra di 
Oedara; hij eischt de weduwe van Agas op voor zijn jongsten zoon, op weige- 
ring volgt strijd, alle vasallen worden opgeroepen, ook Ambong Chalifah, oude 
en nieuwe vrienden helpen Koerajsj ; hevig woedt overdag de strijd, 's nachts 
viert de verbodene liefde hoogtij, waarin vooral Koerajsj een belaugrijk aan- 
deel neemt. Gangga Maha Sakti en zijne leerlingen mengen zich in den strijd, 
hij tracht de partijen te verzoenen; dit gelukt, en Koerajsj huwt met Poetri 
Sarodja Seri Danta; ook Tjahaja Hajran, de dochter van een peri-vorst. wordt 
zijne vrouw. Eindelijk verlaat hij de plaats Goenoeng Koemala c Ambar, en 
hervat zijn zwerftocht; nadat hij en de zijnen op vele plaatsen een ge- 
noegelijk leven hadden geleid, en eene prinses Mëngarna Gëmbar c Adja'ib 
door hem uit de macht van een geest bevrijd was. komt men in het gebied 
van Soeltan Goempita c Alam; zijn zoon en dochter Bëlanta Poera Tjahaja 
waren door een djinn. Tëinar Boeka, ontvoerd, Koerajsh belooft ze te verlossen; 
hij doodt den djinn, maar wordt door diens adem in de lucht geslingerd ; hij 
komt in de zee terecht, en blijft daar enkele maanden; hij herinnert zich zijn 
geleigeesten, roept hen ter hulp, wordt aan land gebracht en komt in het gebied 
van ) aJ) 1*^_ een moslimschen djinn, die vele (met name genoemde) familie- 
leden heett, een van w T elke dadelijk door Koerajsj verleid wordt, wat aanleiding 
geeft tot een verwoed gevecht met den bedrogen aanstaande en zijne partij. 



141 

Een groote oorlog ontbrandt, alle vasallen worden ontboden, Koerajsj doet zijne 
familieleden en volgelingen tot zich komen, benevens alle vrienden en overwon- 
nen tegenstanders van vroeger. 

Deel II. 

Vorstinnen verkleeden zich als mannen, en nemen deel aan den strijd, 
geestige pantoens wekken den moed en de vroolijkheid op, eindelooze gesprek- 
ken worden gevoerd, in lange optochten voegen al zijne verwanten zich bij 
Koerajsj. er wordt geweend en gelachen, tooverpaleizen worden opgericht, de 
nachten zijn aan de liefde gewijd, twintig maanden duurt de kamp. Djoemala 
Indra neemt zich voor vrouwen van Koerajsj te ontvoeren, eene twist geeft 
zijnen jongeren broeder Gëmpah Mëngindra aanleiding met hem te breken; de 
strijd wordt hervat, Maha Sakti staakt zijne ascese, en gelast al zijne vasallen 
zijnen kleinzoon te helpen; reeds had Djoemala Indra last gegeven Përmajsoeri Noer 
Agas op te lichten, wat inderdaad aan eenen djinn gelukte, die Koerajsj inslaap 
had getooverd. Met groote moeite wordt hij bij gebraeht, met woede stort hij zich 
in den strijd; hij schaakt uit de woning van zijn vijand Poetri Mëngindra Tjahaja 
Oedara en Poetri Koentoem Sarodja. Na veel gepraat en veel vrouwengetwist 
van weerskanten gaat Djoemala Indra zelf in den strijd, nog veertig dagen 
woedt deze, allerlei gedaanteverwisselingen vinden plaats, met bergen en monsters 
wordt geworpen, zeeën ontstaan en verdwijnen, Koerajsj doodt alle prinsen van 
het vijandelijke land, eindelijk sneeft de vorst zelf, en Koerajsj vestigt zich 
in diens land Goenoeng Koemala Bëndëroeng, waar weldra vele huwelijken 
gesloten worden, en veertig nachten wordt feest gevierd. Bij velen wordt het 
verlangen naar hunne onders krachtig, vrouwengetwist en jaloezie verstoren 
de vreugde, zoodat Koerajsj met Indra Sahdan het gezelschap verlaat; 
maar spoedig is de vrede hersteld. Poetri Mëngarna Indra Tjahaja en 
Poetri Mëngarna G-ambar c Adjaib zonderen zich af, maar worden alras weder 
verzoend. 

Allerlei verwanten en oude vrienden komen samen op de plaats waar 
Koerajsj tijdelijk vertoeft, feesten worden gegeven, huwelijken worden gesloten, 
o. a. dat van Poetri Bëlanta Tjahaja, de dochter van Seri Chalifah, met Koe- 
rajsj, wat de boosheid van vele vrouwen gaande maakt. Daarna vindt een 
algemeene terugtocht naar de verschillende landen plaats, en trekt Koerajsj 
met al de zijnen weg. Men komt aan de vlakte Lela Poespa, waar Radja Tjandra 
heer is, en vanwaar Sëtan Dewa Tjahaja Oedara afkomstig is. Deze wordt nu aan 
zijne ouders, die hem (die door een djinn was geroofd) zoo lang hadden moeten 
missen, teruggegeven. Daar wordt weder een vroolijk leven geleid. Eindelijk trekt 
men verder en komt aan het groote vaartuig van Maharadja Kala Sakti, waar 



142 

Koerajsj en de zijnen één dag tapa doen. De tocht daarheen is zeer bezwaarlijk ; 
Koerajsj vindt Poetri Hajrani c Asjikin in het meer Lela c Adjaib; op het in dat meer 
gelegen eiland vermaken allen zich kostelijk, lange pantoens worden gezongen, 
Koerajsj huwt met de gevonden prinses; een zijner voorouders berispt hem in 
een droom dat hij om der wille van eene vrouw, die een boeloeh përindoe 
kan worden, en wier schaduw de vrouw van Kala Sakti is, alle anderen verzaakt, 
terwijl Seri Oedai'a met zijnen zoon verdwenen is. zonder dat hij zich daarom 
bekommert. Nu verlaat hij dat onveilige oord, en voegt zich bij de zijnen; het 
geluid van den boeloeh përindoe volgt hem, maar hij biedt er weerstand aan, 
en trekt naar de vlakte Sifat Sodjana. Daar ontmoet hij een djhm, zoon van 
den vorst van ^J ,-U', broeder van vorst Darman Sjah; de dochter van dien vorst 
heet Poetri Djamdjam Indra; dadelijk wil hij de broeders bestrijden, de vrouwen 
houden hem terug, maar hij aanvaardt den strijd, twintig etmalen duurt de 
tweekamp, eindelijk onderwerpt de vijand zich, waarna het vroolijke leven hervat 
wordt. Maar sommigen, die reeds zeven jaren hun land verlaten hadden, ver- 
langen terug te keeren, aan welk verlangen Koerajsj moet toegeven. 

Men bereikt Mërtjoe Sakti, waar de ouders van Koerajsj hem met vreugde 
begroeten, en zijne neven en andere verwanten hem verwelkomen; hij stelt al 
zijne vrouwen voor, en Poetri Hatifah Maja Dewi vergaat van nijd. Kort 
daarna doet zijn vader afstand van de regeering te zijnen behoeve; groote 
feesten worden gegeven, de vroeger vervloekte geliefde, wier man gedood was, 
wordt weder in genade en in liefde aangenomen ; eerst moet de onwil van 
Koerajsj met moeite overwonnen worden, en daarna aanvaardt hij het bewind 
onder den naam Mahkota c Alarn. Vele huwelijken worden daarna gesloten. 
Indra Sahdan wordt mangkoeboemi, de vreemde prinsen gaan terug naar hunne 
landen, en vervangen daar hunne vaders voor zoover die overleden zijn. 

CL1V. 
HIKAJAT KOERAJSJ. II. 

Collectie v. d. W. 147, 21 X 16V 2 cM., 1432 bl., 19 r. 

Hetzelfde verhaal. 

De hoofdpersoon heet heer ^.J; dergelijke verschillen in eigennamen 
zijn er trouwens meer. De tekst is over het algemeen even gebrekkig als die 
van I, doch het begin, dat in I verward is. is hier beter, in zooverre dat de 
namen en rijken der vier grootvorsten beter uitéén gehouden zijn. 

Het handschrift eindigt abrupt, nog vóórdat verhaald is dat de hoofd- 



143 
persoon den troon zijns vaders beklommen had, met de woorden && <x] jïï 

Jol)) £;lo (_5*j^ li/ir**"^ OjJ l) 1 ^^ $ P^ *ƒ" i^^ (J^jjU C^XcL) 

J> Li) SJSS 
Deze woorden vindt men in I, deel II, bl. 484, (waar slechts een enkel 
woord anders gespeld is) en wel op regel 3 — 5 v. b. 

CLV. 

HIKAJAT SJaH MANDEWA. 

Bat. Gen. 243, 31 X 19 cM., 144 bl., 21 r., gedat, 4 April 1893. 

Uit eene inlandsche leesinrichting. 

Inhoud : 

In Djampala Waroe is voorst Mandewa, die twee gunstelingen heeft, 
genaamd Ganta Waradana en Ganta Wiri; zij gaan jagen. In Përingga is vorst 
Djaja Sakti met zoon Djaka Përingga, een slechtaard ; ook zij gaan jagen, en 
komen met de lieden van Mandewa in twist over een ree. Ganta Wira trof een 
huis aan, waar pandita Lalawigoena woonde met zijne dochter Dewi Mangroem 
Kantjana; van daar terugkomende mengt hij zich in den strijd- Djaka Përingga 
vlucht en beklaagt zich bij zijn vader, die hem bij Adjar Sangkoemi in de leer doet. 

Mandewa doodt in drift zijnen patih ; hij komt bij Mangroem Kantjana, 
met wie hij zich in den echt verbindt. Djaka Përingga hoort dat ; vóór het 
afgeloopen zijn van zijnen leertijd verlaat hij den Wilis. en gaat tegen zijns 
vaders wil Mandewa bevechten, vermomt zich als grijsaard, tracht hem te ver- 
giftigen, maar wordt gedood. Mandewa gaat naar zijn land terug, zijne vrouw 
zwanger achterlatende. 

Djaja Sakti had drie broeders ; een van hen trok tegen Djampala Waroe 
op, maar Mandewa was daar reeds bij zijne vrouw Mangroem Koemala terug- 
gekomen, en weldra ontbrandde een strijd. Intusschen was op den 31 en Maart 
1893 Mangroem Kantjana van eenen zoon bevallen, die naar den bij ongeluk 
gedooden patih Damardjati genoemd was geworden. Na langen strijd wint 
Mandewa. Mangroem Koemala bevalt van Damar Tjoeatja. 

De tweede broeder van Djaja Sakti gaat vermomd naar Djampala Waroe, 
waarheen ook Djaja Sakti' gaat als garoeda. De broeder verandert zich in eenen 
tijger en rooft Damar Tjoeatja, doch wordt gedwongen hem weder los te laten; 
daarna verandert hij zich in eenen olifant en rooft Damar Tjoeatja weder ; de 
garoeda, deernis met den knaap gevoelende, ondrukt hem zijn buit en werpt 



144 

hem in zee, waar de naga Gangga Doerga hem inslokt. Beiden nemen hunne 
oude gedaante weer aan. 

Damardjati gaat zijn vader zoeken. Hij komt in Këlanggaroe, waar vorst 
Wangsa Koemaja voor zijne dochters Nila Sari en Nila Asmara een svayamvara 
houdt. Damar Tjoeatja was uit den naga gekropen, noemt zich Praboe Lara, 
en o-aat uit op avontuur. Bij den svayamvara overwint zekere Sira Patanian 
(hij was Damardjati. die zijnen naam veranderd had) alle anderen, en krijgt 
den prijs. Dan komt daar Praboe Lara, dien hij langdurig bevecht. Mandewa 
gaat voor opbeuring en troost naar den svayamvara; ook pandita Lalawigoena 
en Mangroen Kantjaua komen daar. Eene algemeene herkenning en opheldering 
vindt plaats. Damar Tjoeatja krijgt Nila Sari. Groote feesten worden gevierd, 
ook in Djampala Waroe. 

CLVI. 

HIKAJAT ZONDER NAAM. 

Collectie C. St. 126, 32 X 20 cM., 142 bl.. 22 r. 

Een hoofdzakelijk in Bataviaasch Maleisch gesteld geschrift waarvan de 
inkt uitgevloejd is; op den rug staat Hikajat Iudra Nata. 

Inhoud : 

Iu xGi'o is vorst Indra Laksana met zijne zonen Wira Lëlana, 
Soerja Lëlana en Pandji Lëlana. De vorst (zijn land wordt ook Pantjawati ge- 
naamd) sterft; Soerja Lëlana en Pandji Lëlana gaan reizen. In Boedjanagara 
in prinses Nilagandi, dochter van Singa Partika, verloofde van den prins van 
Linggadoera ; de twee broeders komen in dienst van Singa Partika. (Latei- 
heet de verloofde Rangga Gading prins van Anta Bëran). De prinses verleidt 
Soerja Lëlana, en geeft hem de schuld; hij wordt in zee geworpen, maar de 
zee wordt ondiep, daarna aan eenen vlieger gebonden, waaraan hij 30 dagen 
zweeft. Pandji Lëlana maakt amok; hij wordt gedood, en zijn verminkt lijk 
wordt in het bosch geworpen. 

Wira Lëlana was ter jacht gegaan; hij vindt het lijk, herkent het, hoort 
wat geschied is, en doet Pandji herleven. Beiden gaan naar Boedjanagara; 
Wira Lëlana begenadigt de prinses en bemint haar. Pandji Lëlana daagt den 
vorst uit; strijd volgt, Hanoman doet meê. Ook Rangga Gading komt daar; 
Wira Lëlana ontvoert de prinses ; de strijd gaat door, reuzen en dieren vechten 
mede, Wira Lëlana op zijn paard Djenggi Asp (verbastering van twee Perzische 
woorden; zie Juynboll, Catal, Mal. HSS. bl. 166. noot), behaalt de overwinning, 
de tegenstanders onderwerpen zich. 



145 

BI. 62, Soerja Lëlana was beland in Tjampala Soeta, waar prinses 
Majeng Sari was, en hij zijn diensten aanbood. Bij een toernooj om de prinses 
bleven van de 99 vrijers slechts drie over: Digar Alarn, Bahram en Boedjangga; 
dezen worden overwonnen door Soerja Lëlana die de prinses krijgt. Daarna 
gaat hij Boedjanagara aanvallen; Wira Lëlana trekt tegen hem uit, maar 
herkent hem, waarop hij teruggaat. Singa Pertika acht zich beleedigd, en vlucht 
naar zijnen neef Bandaradja die belooft hem te wreken. Hij tracht Pandji 
Lëlana op te lichten, wat mislukt. Bandaradja overvalt Pantjawati. De andere 
dochter van Singa Partika, Indra Maja, wordt door Wira Lëlana ontvoerd. In 
den daarop volgenden strijd overwinnen de drie broeders, en wordt Singa Par- 
tika voor goed beschaamd. Pandji Lëlana huwt met Indra Maja, en wordt 
vorst in Boedjanagara. 

CLVII. 

HIKAJAT SAMSOE BAHROEN. 

Collectie C, St. 132 B. bl. 162—285, 11 r. (19X15 cM.,) gedat, 1865. 

Vertaald uit het Siameesch in het Maleisch. 

Inhoud: 

Indra Bajoe in Hartalia vermengde zich met eene diw; uit dat huwelijk 
worden een zoon en dochter geboren : Indra Bajoe en Ratna Dewi. Sterrewiche- 
laars voorspellen dat hij machtig zal worden, maar zij op haar twaalfde jaar ver- 
dwijnen zal. Hij volgt zijnen vader op; zij wordt onder het spelen door een raksasa 
gerooid. Hij heeft zeven vrouwen : Koesoema Dewi, Lila, Ratna Koemala, Kantjana. 
Seri Kantjana, Djoemdjoema Koemala Ratna en Seri Bauoen, en krijgt de zonen : 
Dewa Pahlawan, Lila Bangsawan, Ratna Dewa, Tjindra Lila, Pahlawan Moeda, 
Later worden Djoemdjoema Koemala Ratna en Seri Banoen weer zwanger, maar 
kunnen niet bevallen; eindelijk baart de laatste eenen leeuw, en de eerste een 
gewapenden knaap. De sterrewichelaars, door de andere moeders omgekocht, 
liegen en verzinnen kwade voorspelliugen, waarop de twee moeders met hunne 
kinderen verbannen worden. De jonge leeuw zuivert het bosch; zij komen in 
de vlakte Mërtjoe Indra en gaan daar wonen. Batara Indra noemt den knaap 
Samsoe Bahroen, en geeft hem sakti. 

Toen de andere moeders dat hoorden, gelastten zij den zonen 
den leeuw te vergiftigen ; zij gaan, maar worden door angst overvallen, 
waarop zij Samsoe Bahroen vergiftigd eten voorzetten; maar zijne moeder 
waarschuwt hem. Daarna wedijveren zij in sakti, maar hij en de leeuw 

Verhandelingen. lü 



140 

zijn niet te overtreffen. Beschaamd gaan de zonen terug. Kort daarna komen 
zij daar weer, en dragen hem op Ratna Dewi op te sporen. Hij gaat dolen, 
en komt bij Djohan Sjah, wien hij blijken van zijne kracht geeft, en mededeelt 
dat hij de opdracht heeft de prinses te zoeken die door Raksasa Dewa Brahma 
van Zamin Arkan ontvoerd is. Na ontzettend lang zwerven door zeeën en vuren 
komt hij verder aan eenen tuin, waar hij hoort zingen; die stem behoort aan 
Poespa In dra Koemala, de verloofde van Indra Sjah Përi van Barham Indra. M<>t 
behulp van een tijoeng neemt hij de gedaante van eene papagaai aan, en dringt 
tot haar door; hij doodt vele reuzen en geesten. De vader der prinses zwicht 
en geeft haar aan Samsoe Bahroen, die zich aldaar vestigt. 

Hiermede eindigt het HS; hoewel het verhaal niet af is, wordt het toch 
beëindigd genoemd. 

CLVIII. 
H1KAJAT INDRA WALSOEKI. 

Collectie C. St. 141, 207 2 X 167 8 cM., 270 bl., 15 r. 

Inhoud : 

Iu Tamroel Hijam is Indra Grharib Astana Tjoeda, die na vele geloften 
een drieling krijgt: Indra Wabaki, Indra Wamaki en Indra Walsoeki met een 
koedi. De vorst droomt van eene vrucht, en zegt dat degeen die haar zal vinden 
hem zal opvolgen ; de drie gaan zoeken, en raken in eenen storm van elkaar 
af. Indra Walsoeki komt aan een hol waarin zeven door eenen Raksasa geroofde 
prinsessen zijn, geheeten: Gardan Gardi, Karang Boei, Rautji Dahi, Agariali, 
Iskandjar, Koembala en Sakendar. Hij overwint met zijn koedi den raksasa, 
en spaart hem het leven, hij krijgt van hem een koemala hikmat waarin twee 
helpers zitten. De eerstgenoemde prinses brengt hij naar haar land; zij wordt 
gevraagd door den zoon van Prahamkoejara van Landjanahi, na weigering volgt 
strijd, Walsoeki wint, doch spaart den prins. 

Met de zes overigen gaat hij naar het land van no. 2; waar zich 
eene dergelijke scène afspeelt, maar de vrijer gedood wordt. Met de vijf 
overigen gaat hij naar het land van no. 3, daarna met de vier overigen naar 
het land van no. 4. Iutusschen was het land van no. 3 aangevallen; spoedig 
gaat hij derwaarts en verslaat den aanvaller. Dan gaat hij met de drie 
overigen naar het land van no. 5 na onderweg deelgenomen te hebben aan eenen 
strijd; na no. 5 bezorgd te hebben gaat hij met de twee overigen naar het land 
van no. 6, die hij bezorgt na eenen slangenkoning en eenen pretendent over- 



147 

wonnen te hebben. Daarna brengt hij no. 7 terug, en wordt ook in haar land, 
evenals in de zes andere, de schoonzoon. 

BI. 187. Indra Wabaki was al zwervend bij eenen tuin gekomen, waai- 
de prinses Mas Djamrat van Kautjawandi vertoefde; met haar gaat hij zwerven, 
en komt bij eerie oude vrouw, die hem alles omtrent Walsoeki vertelt; daarna 
komt hij bij den vader der prinses, geneest de door een slang gebetere vorstin, 
en huwt met de prinses. 

BI. 214. Indra Wamaki was door eenen djinn in een gat gestopt; hij 
wordt door raksasa's opgenomen, krijgt van hen een kocmala, vindt Poetri 
Dahikat, die hij na twee gevechten huwt, na haar naar haar land teruggebracht 
te hebben. Indra Walsoeki droomt van zijnen ouderen broeder, en gaat hem 
zoeken; en vindt hem bij zijnen schoonvader. Beiden gaan nu Wamaki zoeken, 
en vinden hem, waarop alle drie naar hun vaderland teruggaan. Ook de gezochte 
vrucht hebben zij kunnen vinden. Op aller verlangen wordt Indra Walsoeki 
koning in dat land. 



*o 



CLIX. 
HIKAJAT INDRA MAULANA. 
Bat. Gen. 393, 35X23 cM., 284 bl., 20—21 r., gedat, Batavia, 1897. 

Een zeer slecht manuscript met gebrekkige taal en spelling. 

Inhoud; 

Vorst c Azim heerscht in c Aznawi. Zijne dochter Seri Tjahaja, gehuwd 
met den eersten minister, bevalt van Indra Mëngindra, Djingga Mëngindra en 
Boedjangga Mëngindra. Voor den oudste wordt aanzoek gedaan bij de prinses 
van Tindjo Maja : Seri Boelan, wat tot een huwelijk leidt; de schoonvader 
Malela sterft, en hij volgt hem op. De tweede zoon huwt met Seri Sina's dochter 
Sinar Boelan Pagi, de derde met de dochter van Sialau Sjah in Mërtjoe Indra : 
Asmawati ; de tweede volgt zijnen schoonvader op. de derde zijnen vader. Seri 
Boelan baart Indra Maulana ; deze wordt door een visch ontvoerd, maar redt 
zich, en moet voor zijnen zieken vader de genezende bloem Poedjënggi zoeken. 
Sinar Boelan bevalt van een banteng, die in het woud geworpen wordt, Asma- 
wati van een slang die op een berg gelegd wordt. 

Indra Maulana gaat in de leer bij eenen asceet, en onttoovert den banteng 
en den slang dien hij Naga Përtala noemt. Daarna komt hij bij eenen garoeda, 
die de prinses van Chajbar: Ratna Koemala ontvoerd had; haar bevrijdt hij. 

Bl. 35. In Bëlanta Dewa waren twee broeders, Bahroem en Gardan 
Dewa; zij komen op de plaats waar Indra Maulana den garoeda had gedood, 



148 

en nog onder diens lijk gedrukt lag, nemen de prinses mede, en brengen haar 
naar Chajbar. Indra Maulana komt onder het lijk uit, ziet dat de prinses ver- 
dunnen is, en gaat zwerven. In Djanoer slaagt hij er in eene verstopte rivier 
te openen, en krijgt de prinses Tjindra Mahadewi, die hij echter afstaat aan 
Banteng die troonsopvolger wordt. Hij gaat weder zwerven, en spreekt af 
dat een zekere boom geel zal worden als hij ziek is, en bladerloos als hij 
dood is. 

BI. 56. In Binamsjahi is prinses Nilaganti. Aldaar ontmoet Indra Mau- 
lana de nenek Kabajan, doet een volksramp verdwijnen, en krijgt de prinses, 
die hij echter afstaat aan Naga Përtala, en weer gaat hij zwerven. In Bajan 
Bajan is vorst Sahrawan met dochter Noer Lila Tjahaja, die verloofd was met 
den zoon van den vorst van Martjoen, en gerooid werd door eenen garoeda. Daar 
komt Indra Maulana, en doodt den garoeda. Uit zijn trouwen hond onttoovert 
zich een mensch, dien hij Barma Djenggi Batara noemt. Bij de door hem (hij 
was weer gaan zwerven) niet aangeroerde prinses komt de vogelaar Pantawira- 
pati ; deze beweert den garoeda gedood te hebben, verzint een verhaal, en wordt 
haar opgedrongen als haar bruidegom. Met list bewerkt zij dat haar ware 
redder daar komt, hij wordt niet geloofd en laat den garoeda herleven ; deze 
verscheurt den leugenaar. Het huwelijk wordt gesloten. Dit werkt toorn op 
in Martjoen ; strijd volgt, vele vasallen komen op, maar ten slotte wint Indra 
Maulana. Spoedig daarna wordt hij door raksasa's gevangen gezet. 

BI. 120. Banteng en Naga Përtala zien aan den boom dat hun broeder 
in nood is, en gaan hem zoeken ; zij verslaan de raksasa's en bevrijden hem. 
De broeders Bahroem en Gardan Dewa (bl. 35 ! ) worden nu besproken. Eerst- 
genoemde eischt de prinses van Chajbar voor zich op, daar hij haar te huis 
gebracht had ; de vader weigert, en roept Indra Maulana ter hulp ; in den 
spoedig volgenden strijd worden van weerskanten alle vasallen opgeroepen ; 
Gardan Dewa wordt gevangen, en met zijnen broeder gedood. Daarna wordt 
een groot feest gevierd ter viering van het huwelijk van Indra Maulana en 
Ratna Koemala. 

Aan het slot wordt vermeld dat dit verhaal vervolgd wordt. 
De laatste vier bladzijden worden ingenomen door een gedicht, waarvan 
het grootste gedeelte een gebrekkig résumé van dit verhaal vormt. 

CLX. 
HIKAJAT SJAHR AL-KAMAR. 
Bat. Gen. 213, 29X19 cM., 342 bl., 20 r. 



149 

Incompleet verhaal van den volgenden inhoud: 

In het land Atraf, dicht bij den berg Kaf, is vorst Sjah Farsat Indra 
Laksana, schatplichtig aan eenen apenkoning. Dat was zoo geschied: er was 
een land Kardara onder vorst Balia Indra, daar was hongersnood gekomen. 
lacune, naar Atraf gezonden gezanten komen vandaar met voedingsmiddelen terug, 
toch laat de apenvorst daar strooptochten houden, en de vorst van Atraf redt 
zijn land door schatplichtig te worden. Hij krijgt eenen zoon Sjahr al-Karnar 
Brama Indra, en na hem Kam ar Oedara. De oudste wil de schatplichtigheid 
zijns vaders doen eindigen, en gaat zwerven. Hij ontmoet twee djinn's die zijne 
neven blijken te zijn, en hem met zich mede nemen naar hunne spelonk. Zij 
gaan naar de stad van zijn overgrootvader Barma Indra SaktL Zajnoer genaamd, 
en deze belooft tegen den apenkoning op te trekken. 

BI. 27. In de zee woont Kamar Djinn met zijne zuster Ifrit, die hem 
verzoekt Sjahr al-Kamar op te lichten. Dit geschiedt; Ifrit wil hem voor zich 
hebben, maar hij toovert twee djinn's die haar dooden ; later doodt hij Kamar 
Djinn. Hij komt in de stad Noer al-noer onder Dewa Laksana met dochter 
Djamini Ratna Dewi, naar wier hand 09 vrijers dongen. Hij toovert een paleis, 
verandert zich in eenen vogel en ontmoet de prinses; de 69 bevechten hem 
vele dagen, dan laat de vorst hem met hen wedijveren in tooverkracht ; hij wint 
en krijgt de prinses. Ook Barma Indra Sakti komt daar voor de huwelijksfeesten; 
na het huwelijk gaan zij reizen. 

De broer van Kamar Djinn: Tamar Djinn wil zijn broeder wreken, 
licht Sjahr al-Kamar op, en brengt hem naar den berg Kaf, doch wordt door 
hem gedood. Hij komt daarna bij Soekanda Koemala, dochter van Azrang Koemala 
Sakti met hare drie broeders ; hij bemint haar, waarop de drie hem bevechten ; 
Barma Sakti zendt hem hulp, de vrede wordt gesloten en het huwelijk komt tot 
stand. Daarna gaan zij zwerven, en komen weder bij Dewa Laksana en diens 
dochter. Wederom gaan zij zwerven en komen in Zamin Hadan onder Tizan 
Sjah, na hem bestreden en overwonnen te hebben gaat hij verder dolen. Indra 
helpt hem, en wijst hem den weg naar Atraf. Eerst zoekt hij het apenland, 
vindt en bestrijdt het, maanden lang, eindelijk komt een tweegevecht tusschen 
Sjahr al-Kamar en Balia Indra, vrienden en vasallen komen van alle kanten, 
Barma Sakti zendt hem tooverwapenen, met allerlei bovennatuurlijke middelen 
wordt de strijd gevoerd, eindelijk en eindelijk wordt Balia Indra gedood. Allen 
keeren terug. 

BI. 246. In het godenverblijf was Ahmad Mëngarna Indra met dochter 
Tjaja Chajranï die ieder overwint ; zij verkleedt zich als man, en valt Sjahr al- 
Kamar aau onder den naam Djohan c Ali Përkasa; hij overmag haar, zij maakt 



150 

zich bekend en wil hem volgen; het huwelijk vindt plaats nadat des vaders 
tegenstand bedwongen is. Zij was echter reeds toegezegd aan Dewa Djaja Indra; 
deze trekt tegen hem op, wordt gevangen en begenadigd. Maar's nachts tracht 
hij Sjahr al-Kamar te dooden ; het mislukt, en hij vlucht naar zijnen vader 
die hem helpen zal. Sjahr al-Kamar gaat de lucht in om hen te bestrijden; in 
zijne afwezigheid bevalt Djamini Ratna Dewi van Sajf al-Bahr Poerba Indra. 
Sjahr al-Kamar zoekt zijn vijand; vijf boedjangga's geven hem inlichtingen, 
en verwijzen hem naar het eiland Indra Sëloka. Van daar uit bereikt hij zijne 
vijanden, die den strijd aanvaarden. Velen vallen in tweegevechten; het staat 
te bezien dat de strijd nog jaren kan duren. ■ 

Het eind is abrupt: )[^ JuxL ^aCcO fl± -oil) #&, ejtf CJU 

i_5*liLj [\aJh ski &\Sï\j£ yXi o »JoAJJt> 

Dit verhaal .over de eenigszins afwijkende eigennamen zie men Bijdragen, 
3 e volgr. I, bl. 433) is ook bekend als Hilavat Sjah Koebad en Hika'at Radia 
Sjah Djohan Indra Mëngindra. 

Andere handschriften : 

Londen, Royal Asiatic Society, nos. 6, 31 en 58, I. 

CLXI. 

H1KAJAT BIKRAMA TJINDRA. 

Bat. Gen. 239, 31 X 21 cM., 264 bl. 30—33 r. gedat. 10 Juli 1888. 
Uit eene inlandsche leesinrichting. 

Eene navolging van de Hikajat Sjahr al-Kamar van den volgenden inhoud: 
In Biranta Indra is vorst Bikraraa Tjindra, die op jacht gaat. In zijne 
afwezigheid bevalt zijne vrouw van Sjah Djohan Indra Mëngindra. In Pardjoe 
Taksina Indra, een apenland, was Balia Indra; daar heerschte hongersnood, de 
apen gingen stroopen in Biranta Indra en maakten het schatplichtig. Dien 
toestand kon Sjah Djohan niet dulden, en hij ging dolen. Hij ontmoet Tjindra 
Lela Mëngarna en Tjindra Kësna Pradana die zijne ooms blijken te zijn, en 
hem racdenemen naar den steenen berg Pëlangkam, de verblijfplaats van zijn 
grootvader Bërma Sakti, die hem alles leert, en hem twee tooverdoosjes geeft 
waaruit hij te allen tijde twee wezens: Ratna Gambira en Ratna Goempita 
kan doen te voorschijn komen, benevens andere toovermiddelen en een vliegend 
paard. In de vlakte Sajodjana Indra ontmoet hij den dijnn-vorst Tëmar Djalis, 
dien hij doodt. Dan komt hij aan het meer Nöer al-Banóen, waar Dewa Laksana 



151 

heerscht, met dochter Ming Mëngoeri Tjandra Lila, naar wier hand 99 prinsen 
dingen. Hij benadert haar en bestrijdt de dingers zeer hevig; alle den vorst 
onderworpene vasallen komen helpen, de strijd duurt eene maand. 

BI. 69. In de aarde was een djinn Barhajat met zoon Ardjau; deze komt 
ter hulp, Bërma Sakti hoort er van, en zendt de twee ooms naar het terrein 
van den strijd. Deze woedt inmiddels voort; ten slotte wordt Ardjan gevangen, 
en moeten Dewa Laksana en Barhajat zich onderwerpen. Sjah Djohan denkt aan 
de vernedering van zijn land, en gaat weer zwerven. De zoon van Tëmar Dja- 
lis, Tëmar Boga, wil zijnen vader wreken, licht Sjah Djohan op, maar wordt 
door den bliksem gedood. Sjah Djohan komt bij 'ëngindra Maja, zuster van 
de prinsen Azraug, in Biranta Chajrani, waar de broeders Azrang Bërauta 
Kiloe Gënta en Azrang Pérdana Djohan regeeren. Hij bemint de prinses, en 
komt daardoor in strijd met de grooten des lands. 

Bij den berg Kaf was de djinn Sjah Boerandan met zoon Indra Logam, 
een zwager van de Azrang's; deze komt ter hulp, de vrede wordt gesloten, 
de vijanden onderwerpen zich, en het huwelijk komt tot stand. Wederom denkt 
hij aan de vernedering vau zijn land, en gaat zwerven. Hij komt in de vlakte 
Toebal, dicht bij het apenland, welks bewoners hem weldra in strijd wikkelen. 
Zeer hevig is het gevecht; aan zijn kant onderscheidt zich vooral Tizan Sjah; 
allerlei vasallen helpen. Bërma Sakti hoort er van, en zendt hem hulp; eindelijk 
komt een tweegevecht tusschen Balia Indra en Sjah Djohan, de eerste sterft 
een roemrijken dood, waarna alle vasallen ternggaau. 

BI. 24-1. Op den berg Mërtjoe Koemala is Boedjangga Dewa met dochter 
Tjahaja Chajrani (zie no. 213, bl. 246 \ die onoverwinnelijk is; zij hoort van 
Sjah Djohan, verkleedt zich als man, en gaat hem bevechten onder den naam 
Djohan c Ali Përkasa, zij beproeft en bewondert zijne kracht, maakt zich bekend, 
en wil hem tot man hebben. Haar vader daagt hem uit, maar zij kalmeert 
hem, en het huwelijk wordt gesloten. Daarna gaat hij naar Biranta Indra, waar 
hij met vreugde ontvangen wordt. 

CLXII. 

HIKAJAT DEWA MËNGINDRA LAKSANA. 

Bat. Gen. 128. 34 X 22 cM., 260 bl. 29—36 r. 
Notulen 3 Februari 1880, II, c. 

Een onvoltooid, gebrekkig en verward geschrift. 

Ter kenschetsing van den inhoud volsta een résumé van bl. 1 — 150: 



152 

Dewa Mëngindra Laksana was een afstammeling van Sang Nila Poerba- 
sakti en Sang Nila Poerba Indra, kleinzoon van Bërniasakti, achterkleinzoon 
van Maha Wisjnoe, schoonzoon van Koebat Sjah Roem, vorst van Bardansah. 

Soeltan Pradana Dewa in jjj) cS'^S krijgt eenen zoon Laksana Dewa, 
en later nog eenen zoon. Dewa Mëngindra Laksana gaat met zijn broeder Dewa 
Mëngarna jagen, en zij zien een gouden stekelvarken. Dewa Mëngindra achtervolgt 
het, en verdwijnt in het bosch Tjakramala; zijn broeder gaat hem zoeken met 
Dewa Kësan. Hij was verdwaald en had een spook ontmoet dat eigenlijk Dewa 
mj)J^«j )JJC^j heette, hem een machtigen goeliga gaf, en hem het kasteel wees 
van Nóer al- c asjikïn de dochter van Koebat Saharam. Op zijnen weg daarheen 
komt hij in de vlakte Pantjabrama in een vuurpoel en bij Barmakësan Ziran, en 
daarna, na enkele avonturen, aan de vlakte Antadjaja. In den tuin der prinses 
vindt hij het gouden stekelvarken ; de prinses, van zijne komst reeds onder- 
richt, ontbiedt hem ; in allerlei gedaanten nadert hij haar. Haar vader hoort van 
dien omgang en draagt Kësna Dewa Djohan Sahdan op den hem aangedanen 
smaad uit te wissen. Deze gaat naar de plaats van Dewa Mëngindra Laksana, 
doch voelt vriendschap voor hem, en gaat met hem naar Koebat Saharam, die 
overgehaald wordt om zijne toestemming te geven; zoo huwt hij met Nóer 
al- c Asjikïn en krijgt den titel Koebat Mëngindra Dewa Radja. Door zijn toover- 
middel overwint hij al zijne mededingers, en bestrijdt den vorst der kafir-djinn's. 

Dewa Mëngarna was hem intusscheu aan het zoeken, en was te Mëlipar- 
halam bij Talak c Alam Dewa aangekomen ; deze had eene dochter Djamani 
Koemkoema Seri Dewi. Nadat de ziener Brama Tjandra hem allerlei kunsten 
geleerd heeft, komt hij bij de prinses LjJl^ Lila c Adjaib, op wie hij verlieft. 
Koebat Mëngindra had zich opgemaakt om zijnen broeder te zoeken, en was 
aangeland bij Toelela Poespa Indra en hare zuster Seri Danta. Na eenigen tijd 
schenkt de eerste hem een kind, dat zij laat wegvoeren in een kistje, hetwelk 
gevonden wordt door Toelan Pradana Kasaktian. Hij verlaat baar en komt aan 
den berg Koemala c Ambar, waar de prinses Soekanda Koemala Dewi is; hij 
krijgt omgang met zekere Sarcdja Kamar Indra, en huwt met haar. Hare zusters 
Koeres Përi Mëngindra Roepa en Koeres Përi Indra Laksana hooren daarvan, 
en laten haar terugvorderen. Hij weigert, en een heete strijd is het gevolg; 
voordat hij zelf zich waagt, wil hij zijnen broeder Dewa Mëngarna gevonden 
hebben. Den patih Dewa Sahkardan draagt hij op hem te zoeken ; de patih komt 
bij Talak c Alam Dewa en vindt den gezochte, wien hij medeneemt. .luist op 
tijd komt hij op het terrein van den strijd, en mengt zich in het gevecht, dat 
met allerlei toovermiddelen wordt gevoerd. Het gevolg is dat de twee vijan- 
dinnen in vriendinnen veranderen. 



153 

De eacographie eindigt abrupt met de woorden: .„JlJu S ^jjo <x1 t ju 
»jj ÓJ& SsS ^}}£ ,j)J y^Xi fJ^-^^ ^ ("J^" tj^i^ ffl 1 ^ C^aS' lLS-=»- vjj.2la.Lc 

Dit geschrift vertoont eenige gelijkenis met de Hikajat Dewa Mëngin- 
dra, doch is daarmede geenszins identisch, gelijk De Hollander, (5 e druk) 
bl. 341 veronderstelt. 

CLXIII. 
HIKAJAT SJAHROEL INDRA I. 

Bat. Gen. 14, 30 X 20 cM., 262 bl., 21 r. (deel I). 
Notulen 28 Juni 1866, III, i. 

Inhoud : 

In Dahroel Ma) dan is vorst Tahir c Alam Mëngarna Indra met vrouw 
Mandoe Ratna Sari. In het pandanbosch is de papagajenvorst Indra Paksi, met 
zoon Paksi Poernama; deze verdwaalt, wordt door Tahir c Alam gevonden, en 
aan zijne vrouw gegeven. De vogel belooft haar eene bloem te zoeken waardoor 
zij zwanger kan worden; na veel en moeilijk zoeken vindt hij ze, ontmoet op 
de vindplaats Radja Balia Dënta, en brengt ze bij de vorstin, die ze opeet. Zij 
wordt zwanger en baart Sjahroel c Arifïn Përdana Indra, die de vriend wordt 
van den vogel Paksi Poernama; deze gaat na zeven jaren terug. 

In Parwata Indra is Sjamsoe Indra met broeder Indra Përtiwi en diens 
zoon Lela Sjah Dewa, en een eigen zoon Lela Koemara Indra en dochter 
Koemala Tjahaja, benevens vier ministers, die het plan maken den jongen 
Sjahroel c Arifin te rooven; dat plan gelukt. Toen zij hem wilden dooden, 
werd hij door eenen garoeda in zee geworpen; hij komt aan het eiland van 
Poerwa Sakti, die hem met Arkas Dewa en Djohan Pahlawan bijstaat. Onder 
den naam Sjahroel Indra Lela Bangsawan gaat hij terug. Paksi Poernama 
verneemt zijn lot, en wil hem helpen. Hij komt bij twee vechtende visschen- 
koningen; hij sticht vrede, en blijft bij hen. 

Bl. 51. In Wirama Kantjana is Bahr Sjah Danta met zoon Djohan 
Indra en dochter Koemkoema Djauhari. Om hare hand dingen 30 prinsen; 
zij moeten een verloren koemala zoeken, waarin zij niet slagen. Sjahroel Indra 
gaat daarheen en bemint de prinses ; verslaat de 39 en toovert eene stad. De 
prinses echter wordt door Dewa Lela ontvoerd naar Poespa Gandam, waar 
weldra een strijd om haar gestreden wordt. Sjahroel Indra wordt door zijn 



154 

paard in de lucht gevoerd; met Balia Dënta gaat hij naar den asceet Etasi 
Dewa, die hem over allerlei inlicht, en Paksi Poernama te voorschijn doet 
komen; deze wordt de mensen Boedjangga Lela; de strijd wordt hervat, Dewa 
Lela sneuvelt, Poespa Gandam wordt verwoest. 

BI. 121. Djohan Indra bevond zich in Bantjang Patani, en op het 
vernemen van hetgeen geschied was, ging hij naar Wirama Kantjana, waar 
de 39 — van wie één gesneuveld was — vroolijk leven. Sjahroel Indra komt 
ook daar en onderwerpt hen allen. Djohan Indra en zijn vader dragen 
Sjahroel Indra op den verloren schat te gaan zoeken. Daartoe daalt hij af 
in den put, waar de koemala moet liggen ; na drie dagen dalens bereikt hij 
eene vlakte, en komt bij Përi Poerba Laksana wiens dochter Soekanda Sari. 
verloofd met Lela Wiradjana, in Poera Istana, door eenen draak geroofd was. 
Sjahroel Indra vermag den draak te dooden, vindt in diens lichaam den koe- 
mala, en bevrijdt de prinses. Hij wil met haar huwen, maar haar verloofde 
verzet zich daartegen, eu bestrijdt hem. Zijne vrienden, die hem waren gaan 
zoeken, vinden hem strijdende en helpen hem; Lela Wiradjana wordt gedood, 
en het huwelijk wordt gesloten. 

BI. 218. Nu over Doerdja Lela in Poera Mëngantara, den jongeren 
broeder van Lela Wiradjana; deze wil den doode wreken, en laat Sjahroel ludra 
slapend ontvoeren, maar zijne vrienden slagen er in hem te bevrijden. Daarna 
komt hij in Randjoe Maja bij Sahrawau c Alam, wiens dochter Nila Ratna hij 
lief krijgt. 

BI. 251. De vorst van Birama Kantjana tracht zijne dochter te dwingen 
met een ander te huwen, waardoor de daar achtergebleven vrienden van Sjahroel 
Indra met hem in strijd komen. Dit ziet Sjahroel Indra in zijnen tooverspiegel ; 
hij verlaat Nila Ratna en vliegt huiswaarts; weldra geeft de vorst zijne toe- 
stemming tot het huwelijk. Djohan Indra gaat terug. 

Deel II, 346 bl., 20 r. 

De inhoud van dit deel is geheel gelijk aan dien van Bat. Gen. 4; het 
hier volgend résumé is naar laatstgenoemd HS. vervaardigd. 

Prinses Soekanda Sari was na Sjahroel Indra's vertrek bevallen van Indra 
Sjah Përi Djaja Përkasa; later komt deze in strijd. Përi Poerba Laksana nl. 
was door Doerdjalela gevangen genomen ; hem wil Indra Sjah Përi bevrijden, 
doch hij wordt weggeblazen, Soekma Dewa helpt hem, hij doodt Doerdjalela 
en bevrijdt zijnen grootvader. 

Bl. 42 (evenals de volgende indices naar Bat. Gen. 4). Nila Ratna Koe- 
mala was na Sjahroel Iudra's vertrek bevallen van eenen zoon, dien zij in zee 



K. 



15o 

laat werpen; het knaapje wordt opgenomen door vorst Lodaja Sakti, die hein 
Indra Përbangsa Mëngarna Djaja noemt. Intusschen was Sjahroel Indra reeds 
twaalf jaren bij de prinses Koemkoema Djauhari in Birarna Kantjana; hij gaat 
door de lacht terug. Dënta Prawala te Goenoeng Gandali Warna gaat zijnen 
broeder Balia Danta zoeken, maar deze komt bij hem, en brengt hem bij Sjahroel 
Indra, met wien zij op tocht gaan. Sjamsoe Indra helpt Ardjal Sjah Dewa tegen 
Sjahroel Indra, die hem van zijne dochter Koemala Tjahaja berooft. Haar vader 
zendt twee lieden af om haar terng te halen. Arkas Dewa Kaindëra'an en 
Djohan Pahlawan helpen Sjahroel Indra, en dooden de twee mannen. Dan 
gaat Sjamsoe Indra persoonlijk Sjahroel Indra bestrijden; alle vasallen komen 
ter hulp, ook Djohan Indra komt Sjahroel Indra helpen; het gevecht wordt 
gruwzaam. 

BI. 157. Sjah Përi Djaja Perkasa te Danda Patala was zijnen vader gaan 
zoeken. Ghoeran Sëna van Kandala Poera ging op weg om Sjamsoe Indra te 
helpen, ontmoette Sjah Përi, en moest zich aan hem onderwerpen; dan komt 
Sjah Përi bij zijnen vader. 

BI. 185. Indra Përtiwi was gaan dolen, en had Ganah Sisa en Sisa Doer- 
bala van Djoerang ontmoet; samen gaan zij Sjamsoe Indra helpen, de strijd 
wordt steeds scherper. God Poerwa Sakti bemoeit er zich mede, en verzoent 
Sahrawan c Alam met Sjahroel Indra. Sjamsoe Indra gaat naar den berg Randoe 
Poerama, waarheen de strijd zich verplaatst; met allerlei middelen, met zeeën 
en bergen, bestrijdt hij Sjahroel Indra; een van diens vier ministers, die 
indertijd door hem beleedigd was, vertelt Sjahroel Indra dat de kwetsbare 
ziel van Sjamsoe Indra zich bevindt in den navel der zee van Batavia, in 
een welbewaakt kistje. Hij laat door de visschenkoningen Wardoe Gangga 
en Gangga Wardia de ziel halen ; de strijd wordt hervat, en Sjamsoe Indra 
gedood. Sjahroel Indra begenadigt de gevangenen ; de vasallen gaan naar hunne 
landen terug. 



o' 



Deel III, 460 bl. 20 — 21 r. gedat. 12 September 1839. 

Alles komt Sahrawan c Alam ter oore. Ook Nila Ratua verneemt de 
berichten, en krijgt van haren vader een geleide om Sjahroel Indra te zoeken. Zij 
vindt hem in Parwata Indra. Indra Përbangsa Mëngarna Djaja bij Lodaja Sakti 
gaat zijnen vader zoeken. Voor Indra Sjah Përi Djaja Përkasa wordt aanzoek 
gedaan om Tjandra Hajrani, dochter van Soeltan Roem Sjah. In Baudjar Kapitoe 
heerschte Boedja Oedara; zijn zoons heetten Indra Baha en Soeria Nanda, en voor 
den oudste wordt diezelfde prinses gevraagd. Beide aanvragen komen tegelijk 
aan ; er ontstaat twist, men bereidt zich voor tot den strijd. In Danda Patala 



156 

was Poerba Laksana bedroefd over zijnen kleinzoon Sjah Përi, maar, weldra 
gerustgesteld, gaat hij met Sahrawan c Alam naar Parwata Indra. De vorst Soeltan 
Roem Sjah had als eisch gesteld gouden pauwen die spreken en alle dieren 
van Indra 's tuin e. a; Indra Paksi geeft goeden raad hoe ze machtig te 
worden, ook de visschenkoningen geven raad. Men zoekt met vele gevaren en 
met veel strijd; o. a. wordt vorst Maja Danta door Balia Danta bestreden, 
maar Batara komt tusschen beiden. De visschenkoningen hebben medegedeeld 
dat veel van bet verlangde in Sjahroel Indra's koemala zit; Balia Danta 
brengt van zijn speurtocht den geheelen berg Mërtjoe Indra mede, waarin 
een deel van het verlangde zit. Zoo komen ontelbare dieren in Sjahroel 
Indra's hand. Indra Sjah Përi gaat er mede op weg, en komt op de vlakte 
Maja Tantëra, waar Indra Baha wacbt; in zijn strijd met hem wordt 
Indra Baha opgenomen, en in zijne stad geworpen. Met de vereischte 
zaken komt hij bij Soeltan Roem Sjab ; met grooten praal wordt het huwelijk 
gesloten. 

BI. 155. Sjahroel Indra zal tegen Baudjar Kapitoe optrekken; Boedja 
Oedara rukt tegen hem uit, de asceet Soeka Brahmana biedt hulp, het 
gevecht wordt groot. De zoon van Sjahroel Indra : Indra Përbangsa (bij 
Nila Ratna) voegt zich bij hem ; de strijd wordt fel. Boedja Oedara 
laat Tjandra Hajraui met Indra Sjah Përi op hun bed ontvoeren ; hij 
wordt aan eeuen draak ten eten gegeven, zij wordt gemolesteerd door 
Indra Baha. Indra Përbangsa gaat hen zoeken, dringt als mier in den buik 
des draaks en bevrijdt hem; beide broeders dooden Indra Baha en verlossen 
de prinses. 

Sjahroel Indra rukt opnieuw tegen Boedja Oedara uit, de strijd duurt 
dag en nacht, alle vasallen komen op. Soeria Nanda wordt overwonnen ; in de 
zee en in de wildernis wordt het gevecht voortgezet. Batara Bajoe helpt Balia 
Danta met aanwijzingen om twee sterke reuzen te dooden ; Dewa Poerwa 
Sakti helpt Sjahroel Indra, Indra Përbangsa gaat onder de aarde naar het 
paleis van Boedja Oedara, en rooft vandaar een tooverwapen, waarmede 
ten langen leste Boedja Oedara gedood wordt; zijne vrouw verbrandt zich 
als bela. 

BI. 417. Lodaja Sakti bestemt Indra Përbangsa als zijnen opvolger, 
en doet hem huwen met Mëngindra Tjahaja. Sjahroel Indra en de zijnen gaan 
naar Dahroel Ma) dan, waar Tahir c Alam Mëngarna Indra steeds treurt over 
zijn geroofd kind. Hij komt daar en maakt zich bekend ; groote vreugde heerscht. 
Boedjangga Lela, de vroegere vogel Paksi Poernama, gaat terug naar zijne 
ouders in het pandanbosch. 



157 

CLXIV. 

HIKAJAT SJAHROEL INDRA II. 

Bat. Gen. 4, 34 X 21 cM., 255 bl., 23 r., gedat, 1863. 
Notulen 1G Januari 186(3, III, o. 

Alleen het tweede deel; geheel dezelfde tekst als dat deel van I, maar 
zonder het daar voorkomende slotversje. 

CLXV. 

HIKAJAT SJAHROEL INDRA III. 

Bat. Gen. 242, 32 X 20 cM., 371 bl., 82 r., gedat, 3 Sept. 1893. 
Uit eene inlandsche leesinrichting. 

Dit verhaal is in alle opzichten hetzelfde als deel I van Bat. Gen. 14. 
Het HS. eindigt met eene lange beschrijving van het huwelijk van Sjahroel 
Indra met Soekanda Sari, dochter van Përi Poerba Laksana, welke episode in 
14 op bl. 218 afgesloten wordt. Dit HS. bevat dus slechts een gering deel 
van het in HS. 11 1088 bladzijden behelzende verhaal. 

Achteraan een gedichtje. 

CLXVI. 
HIKAJAT SJAHROEL INDRA IV. 
Bat. Gen. 366, 34 X 20 cM., 133 bl., 30 r. 

Volkomen gelijk aan den tekst van I. 

Dit handschrift eindigt abrupt in de beschrijving van den strijd tusschen 
Boedjangga Lela en Dewa Lela, met de woorden 5L c^«) *WJ <jy=->^ CS-< 
»iio- iUl )»jJ U~. j& „..j'lS" ^)f* welke woorden men terugvindt in I, deel I, 

tbl. 114, r. 11. 



CLXV1I. 
HIKAJAT SJAHROEL INDRA V. 
Bat. Gen. 390, 32 X 20 cM., 454 bl, 21 r. 



Het derde deel, volkomen gelijk aan dat van I. 
De laatste bladzijde ontbreekt. 



• 158 
CIA VI II. 
IIIKAJAT SJAHROEL TNDRA VI. 

Bat. Gen. 301, 23X1Ö cM., 138 bl. 22—23 r. gedat. Batavia, 20 
Januari 1806. 

Het eerste deel. 

Het begin is eenigszins anders ; overigens is het verhaal hetzelfde als 
in de andere HSS. Deze tekst eindigt in de beschrijving van den strijd om 
Koemkoema Djauhari die geschaakt was door Dewa Lela; dat Sjahroel Indra 
in de lucht gevoerd wordt is niet meer vermeld. 

CLXIX. 

HIKAJAT SJAHROEL INDRA VII. 

Collectie C. St. 145, 33 X 20 cM., 166 bl. verschillende handen. 

Slordig HS. van het eerste deel. 

Het eindigt abrupt in het verhaal van Sjahroel Indi-a, die met Boedjangga 
Lela en Balia Danta Indra terugging naar de vlakte Anta Përmata, met de 
woorden l^j>) JiiJu üb^iO ^yCr^J) ^]S £\j JiL. (j^olfc CS<« 

Deze woorden vindt men in Bat. Gen. 14, in deel 1, op bl. 121, en in 
C. St. 146 op bl. 118, r. 14. 

CLXX. 
HIKAJAT SJAHROEL INDRA VIII. 

Collectie C. St. 146. 

Deel I, 32 X 20 cM., 252 bl., 28 r. gedat. 1 November 1868. 
Geheel gelijk aan deel I van 1. 
Op het eind een toepasselijk vers. 

Deel II, 34X21 cM. 300 bl., 10 r. gedat. 1 Januari 1860. 

Bijna identisch met deel I van I en met II, doch minder Bataviaasch. 
Dat de kwetsbare ziel van Sjamsoe Indra in de zee van Batavia bewaard wordt, 
staat hier (bl. 365) niet; hier staat slecht: in den navel der zee. 

Zeer goed exemplaar. 



159 

CL XXI. 

HIKAJAÏ SJAHROEL INDRA IX. 

Collectie Br. 436, 31 X 19 cM., 570 bl., 17 r. 

Geheel dezelfde tekst als van deel l van Bat. Gen. 14. 
Gescheurd, vuil en smerig exemplaar. 

CLXXII. 

HIKAJAT DJOERAGAN DJAJA INDRA. 

Collectie C. St. 134, 33 X 21 cM., 321 bl., 29 r. 

Inhoud : 

Een vorst van Roem had drie zonen en twee dochters ; voor den zoon 
Soeranagara wordt aanzoek gedaan in Këling, voor Soerabidjaja in Madjapahit 
en voor Kërtasoera in Bali. 

De vorst van Java (zijn broeders waren vorsten van Madjapahit en Bali) 
laat voor zijn zoon in Roem aanzoek doen, evenals die van Mësir; beide aan- 
zoeken worden aangenomen. Soeranagara — zijne gemalin heette Sinar Boelan — 
wordt vorst van Roem, Soerabidjaja — zijne vrouw was Seri Kantjana — van 
Madjapahit, Kërtasoera — zijne echtgenoote was Ratna Seri genaamd — van 
Bali, Kërtanagara — zijne përmajsoeri was Ratna Koesoema geheeten — van 
Java, Marta Koesoema, gehuwd met Ratna Kantjana, van Mësir. Daar er geen 
kinderen komen, gaat men geloften afleggen in Poelau Mërandam Dewa. De 
daar wonende mambang Kauaroe helpt hen, en geeft hun eene bloem op voor- 
waarde van het volbrengen eener gelofte. Die gelofte wordt later vergeten door 
de vorsten van Java en Mësir, die gestraft worden door dat hunne vrouwen 
een slang en een kikvorsch baren ; de vorsch springt op den slang, en beiden 
gaan naar Mërandam Dewa. De vorst van Roem krijgt eenen zoon: Wiranagara, 
die van Java: Radja Poetra; later krijgt de vorst van Roem: Ratna Koemala, 
Kërta Koesoema en Koemala Sari, die van Këling: Martanagara en Nila Koe- 
soema; de vorst van Java krijgt nog: Ratna Gading en Raden Mantri, de 
vorst van Madjapahit: Karmadjaja en Tjandra Koesoema, die van Mësir: Wi- 
radjaja Ratna Koemala, en die van Bali : Wira Asmara en Seri Emas. Tal van 
verlovingen worden onder deze kinderen voltrokken. 

Bl. 65. Mambang Kauaroe schaakt de prinses van Mësir; zij noemt 
zich üjoeragan Djaja Indra, gaat varen en komt in Atjeh, waar de prinses 
verloofd is met den prins van Am bon (de broers van den vorst van dit land 



160 

troonen in Ternate en Portugal). De prinses van Atjeh wordt; door een slang 
gebeten, Djoeragan Djaja Indra geneest haar en mag met haar trouwen. Die 
van Ambon worden boos, maar zij (hij) overwint heu en neemt ze met enkele 
prinsessen mede op hare tochten. Raden Mantri verneemt de verdwijning van 
zijne verloofde uit Mësir, en gaat haar zoeken met haren broeder Wiradjaja. 

BI. 86. De vorst van Roem gaat eene gelofte voldoen in het woud. 
Mambang Kanaroe licht Ratna Koemala op; zij gaat zwerven, Djoeragan Djaja 
Indra komt bij haar, en maakt zich aan haar bekend. Raden Mantri komt in 
Këdah, en huwt de prinses aldaar. Mambang Kanaroe schaakt Seri Emas van 
Bali ; Djoeragan Djaja Indra komt bij haar, en maakt zich aan haar bekend. 
Wiradjaja komt in Banila, waar de prinsessen Naoeng Sari en Naoeng Karantika 
zijn; hij huwt de oudste. Djoeragan Djaja Indra komt in Djohor, waar de prins Poetra 
Koesoema en prinses Seri Boelan zijn; deze volgt hem (haar). Dan naar Malaka. 
Daar is prins Singa Pralaja en prinses Maja Dewi ; ook deze volgt hem (haar). 

BI. 126. Radja Abang Laoet heeft twee zoons en eene dochter. 

Hij laat in Java aauzoek doen om Ratna Gading ; -na weigering volgt 
strijd, en Radja Alang Laoet bemachtigt de begeerde prinses. Wiranagara komt 
steeds zoekende in < x^ll5'. Er ontstaat een oorlog tusschen Malaka en Boekit 
Batoe; aan dien krijg neemt ook Djoeragan Djaja Indra deel. Alang Laoet wil 
zijnen zoon met de prinses van Java doen huwen, en begeeft zich naar Roem, 
waarheen ook Djoeragan Djaja Indra en de andere vorsten gaan. Een algemeen 
wederzien vindt daar plaats. Djoeragan Djaja Indra gaat zwerven en raakt in 
gevecht met de zoekende prinsen ; na eene verwonding en herstel daarvan wordt 
zij herkend als de verdwenen prinses van Mësir. 

Wiradjaja wordt hoofdpersoon in den roman ; vele landen bezoekt hij en 
vele prinsessen verwerft hij, o. a. Pasir Poetih. BI. 267. Mambang Kanaroe 
bewerkt moorden in Mësir; na deze en andere rampen kan eindelijk het 
huwelijk plaats vinden. Wiranagara bestijgt een djampana, Radja Poetra een 
garoeda, Wiradjaja een naga, Kramadjaja een olifant, Wira Asmara een 
paard, Martanagara een tijger, Radja Soeioeug een djampana met raderen, 
Mangkoeningrat een leeuw, Poetra Koesoema een boerak. Radja Wirana- 
gara wordt vorst van Roem, Radja Poetra van Java, Martanagara van 
Këling, Wiradjaja van Mësir, Kramadjaja van Madjapahit, Wira Asmara van 
Bali, Radja Soeloeng van Ceilon, Mangkoeningrat van Atjeh, Wirasoekma van 
Ambon, Adi Soekma van Ternate, Soekmaningrat van Portugal, Poetra Koe- 
soema van Djohor, Raden Singa Pralaja van Malaka, en zoo vele anderen meer. 
De oudere vorsten gaan naar hunne landen terug ; de tien voornaamsten zenden 
elkander steeds gezantschappen en geschenken. 



161 

CLXXIII. 

HIKAJAT RADJA TAcBIR. 

Collectie C. St. 142, 207 2 X167 2 cM. 121 bl., 14—17 r. gedat. 18 
Hapit 1866. 

Een onvoltooid, gebrekkig en ongeregeld geschrift van den volgenden 
inhoud : 

Radja Ta°bir Moekif in Hamasfati is gehuwd met Soeganda Iram, 
later met Soeganda Bajang Bajang van Tjoentjali; deze baart den twee- 
ling Djoengkar en Djoengkir; de andere vrouw baart onder wondertee- 
kenen Pandji Mas Mirang (later Pandji Pandisëmirang genaamd). De ziener 
Indra Wamaki voorspelt zijne schitterende toekomst aan zijn half broeders; 
dezen vertellen iets geheel anders aan hunnen vader, waarop kind en moeder 
verbannen worden. Het kind drinkt melk die uit de tusschenruimten zijner 
vingers vloeit. 

De vader wordt zwaar ziek, en alleen eene bloem van den berg Oendara 
kan hem redden. Ook de vorst van Madain wordt ziek; zijne dochter Firi Mang- 
gëri droomt van die bloem en gaat ze zoeken, eeu naga helpt haar. Ook de 
twee broeders waren gaan zoeken. Zij ontmoeten en herkennen Pandisëmirang, 
met wien zij den speurtocht voortzetten; zij vindeu na wonderlijke avonturen 
Firi Manggëri en trekken met haar verder. Zij komen bij den Oendara, waal- 
een naga hen helpt, en de prinses de gezochte bloem plukt. 

Ineens (bl. 33) raakt het verhaal in de war; er volgt dat de prinses 
thuis droomt van de bloem, uit verlangen daarnaar niet eten kan, en haar 
vader de bloem laat zoeken, daar die zulk een mooi speelgoed is. 

Op bl. 87 wordt weder verhaald dat zij droomt van de bloem, die echter 
reeds weggenomen is door eene vrouw en twee mannen, dat zij dit aan haren 
vader vertelt, en deze schepen naar den Oendara zendt. 

De twee broeders die slechts een paar bloemblaadjes hadden verkregen 
werpen Pandisëmirang in zee, waar een naga hem in den mond neemt. De 
broeders en ook de prinses Firi Manggëri worden in Toemauggartoeri gevangen. 
Pandisëmirang komt daar, onderwerpt en vervangt den vorst, huwt met de 
prinses en zendt de broeders terug. Hij heeft eenen aangenomen broeder 
c Abdarrahman, gehuwd met Poetri Salamah, met wie hij gaat zwerven. (Dit 
wordt twee malen verteld). Dieren geven hun eten, en hij voedt eene honge- 
rende slang met zijn eigen vleesch. Radja Djagar Seri eischt zijne vrouw van 
hem op, hij moet haar afstaan, zij sterft van leed. Een tijger vermomt zich 
Verhandelingen. n 



102 

als eene vrouw en steelt een koningskleed dat zij aan hem geeft; de vorst 
ontdekt het kleed bij hem en zet hem gevangen; eene muis helpt hem, ook 
de slang door 's vorsten dochter Maja Seri te bijten, en hem het geheime 
geneesmiddel mede te deelen; na haar tot vrouw gekregen te hebben, gaat 
hij jagen. Een kikvorsch onthaalt hem op vruchten ; enkele daarvan geeft hij 
aan zijne vrouw, zijn schoonvader gelast hem er nog meer te zoeken, waarin 
de kikvorsch hem helpt. De vorsch brengt hem in een vruchtenhof, gehouden 
door degene die op deze wereld Salamah was, hij herkent haar en wil niet 
teruggaan. Maja Seri treurt, haar vader zoekt hem overal, te vergeefs. 

Dit verhaal, hoe het ook moge afloopen, is eene waardelooze samen- 
flansing van allerlei uit andere romans ontleende episodes; zie echter sub Bat. 
Gen. 53 (het volgende no.) 

CLXXIV. 

. HIKAJAT DJAJALANGKARA. 

Bat. Gen. 53, 20 X 16 cM., 30 beschr. en enkele onbeschr. bl. 14 — 15 r. 
Notulen 1869, 3 Aug. IV b. 

Fragment van een verhaal dat behoudens het verschil in eigennamen 
hetzelfde is als het voorgaande; de inhoud toch is als volgt: 

lu e^**^ .Aa- is een vorst, gehuwd met Soekanda Tjahaja ^ xj 
die later trouwt met Soekanda Tjahaja Bëlambang, die een tweeling Moekdim 
en Makdóem baart. Daarna baart de eerste vrouw Djajalangkara, een kadi 
voorspelt zijn schoone toekomst, de broeders brengen dat verkeerd over 
aan den vader, die moeder en kind verbant. Dezen komen in een hol waar 
dieren hen vereeren, en het kind op wonderbaarlijke wijze gevoed wordt. De 
vader wordt zwaar ziek, en het eenige geneesmiddel is eene moeilijk te ver- 
krijgen bloem. De dochter Ratna Kasihan doet vergeefsche moeite om die bloem 
te vinden, een draak brengt haar bij Djajalangkara. Ook de twee broeders 
komen bij hem, en allen gaan de bloem zoeken, waarbij de draak zal helpen. 

CLXXV. 
HIKAJAT RADJA BËREKOER. 

Bat. Gen. 84, 20 7 S X 167 2 cM., 18 beschr. en vele onbeschr. bladzijden, 
17 r., gedat, 7 Maart 1875 te Bëlitoeng. 
Notulen 1 Juni 1875, bl. XIV. 



163 

Ëen slecht geschreven verhaaltje vau dezen inhoud ; 

In Mataram ia vorst Seri Rama met vele zonen, van wie twee een 
staart hebben, en deswege Radja Börekoer heeten. 

Zij vernemen dat Bëlitoeng zonder vorst is, en gaan daarheen; de vogel 
Maka tracht vliegende hun schip bij te houden, een over boord geworpen stuk 
wordt het eiland Kërdat. Op het eiland aangekomen sterft de vogel; zij vestigen 
zich aldaar, en eten de menschen op, totdat de overblijvenden samenspannen 
en hen dooden. 

Dit verhaal doet deuken aan de Tjarita Bangka, doch kan bezwaarlijk 
onder de rubriek » Geschiedenis" behandeld worden. 

CLXXVI. 
HIKAJAT TJINDABAJA. 

Collectie Br. 20Ü. 21 Va X 17 cM., 294 bl. 11 r. ged. Batavia 1872. 

Slecht gesteld geschrift welks inhoud aan verschillende verhalen ontleend 
is; die inhoud is als volgt: In Bantoeloek is vorst Adjrang met dochter Mandoe- 
dari, die volgens voorspelling der sterrewichelaars met den man uit het volk 
Tjindabaja verloofd zal worden. Een garoeda neemt op zich dit te verbinderen, 
stopt de priuses in zijn oor, en vliegt naar den navel der zee. Tjindabaja was uit 
het land gevlucht, en in een karbouwenhuid gewikkeld, in de zee gesprongen; 
hij komt aan den navel en ontmoet de prinses; de garoeda vliegt met hen 
terug naar den vorst, die in hun huwelijk berust doch hen gelast in de een- 
zaamheid te wonen. Zij wordt ziek en sterft; en dan wordt op hem het 
bekende verhaal van het halve leven (Nieman, Bloemlezing I, onder de Bagaj 
bagaj tjaritëra) toegepast, met die wijziging dat het eiland waar zij zich vestigen 
Madaksina genoemd wordt, en daar een zoon Djajalangkara geboren wordt. 

Bl. 35. Darianoes met dochter Ratna Koemala hoort van dat geval. 
Djajalangkara komt als geitenhoeder bij de prinses in dienst, en leert van alles 
bij Naga Pratala. De garoeda had intusschen de opdracht gekregen eene prinses 
te zoeken die op Mandoedari moest gelijken ; hij eischt Ratna Koemala op, 
maar gedoogt drie maanden uitstel. In veertig landen vraagt Darianoes om 
hulp. Djajalangkara wordt door Naga Pratala onoverwinnelijk gemaakt. Veertig- 
vrijers nemen op zich den garoeda te dooden; de garoeda doodt velen zijner 
tegenstanders, en moet ten slotte vluchten voor Djajalangkara, die met Ratna 
Koemala mag huwen. 

Bl. 71. Boedjangga Dewa die haar had willen hebben verneemt dit, en 



164 

eischt haar op; na weigering volgt strijd. Boedjaugga Dewa wordt door Djaja- 
langkara gedood, en zijn patih Boedalsah onderwerpt zich. De broeder van den 
gesneuvelde Daradimala wil hem wreken, maar wordt overwonneu en tot zijn 
vasal gemaakt; Djalalangkara wordt vorst in het land van Boedjangga Dewa. 
Zijne vrouw wil een reeënhart eten; hij gaat het zoeken, en wondt bij ongeluk 
Naga Gini zoon van Naga Pratala, de patih schiet reeën, Naga Pratala geeft 
zijn zoon de schuld, en verleent Djajalangkara de gave van de taal der dieren 
te verstaan. Ook zijne vrouw wil die gave hebben; en als zij die niet kan 
verkrijgen verbrandt zij zich. Hij gaat vol droefheid zwerven. 

BI. 136. Er was een vorst Radja Adham, met zoon Radja Adhar en 
dochter Rama Sa c ïrah; de vorst gaat naar Mekka, Moe c allim Nadjar bestuurt 
het rijk en begeert de prinses; hij zendt een lasterbrief over haar aan den vorst, 
die gelast haar te dooden; zijn zoon moet het doodvonnis voltrekken, en doet 
dat blindelings, niet wetende dat een engel in hare plaats een hertje gesteld 
had. Zij vermeldt alles in eenen brief, en gaat dolen ; de brief wordt naar 
Mekka gebracht. Djajalangkara vindt haar, neemt haar mede naar zijn land en 
huwt met haar; zij wordt zwanger, wil een hertehart eten, krijgt dat en baart 
Raden Moekaddam. Twaalf jaren later baart zij Raden Moekaddim. 

BI. 177. Een djinnvorst Djohan Sjah was reeds negen maanden in strijd 
met den djinnvorst Djinn c Ifrik, en loofde zijne dochter Nilawati, wier portret 
hij laat maken, uit aau hem die zijnen vijand zal kunnen verslaan. Dat portret 
valt neer vóór de voeten van Moekaddam ; deze wordt er van bekoord, gaat het 
origineel zoeken, gaat in de leer bij eenen pandita, komt aan de kampplaats 
in het bosch Karbala, en onderwerpt den tegenstander, waarop hij met de doch- 
ter in het huwelijk treedt. Moekaddim gaat zijnen broeder zoeken, en lijdt 
schipbreuk bij het eiland Tandjoeng Seri, spoelt daar aan wal, en komt bij 
eene oude raksasa-vrouw. die hem onderricht geeft. 

BI. 211. In Sambodja is vorst Indramaja met dochters Samajawati, 
Samajadewi en Sainajatjindra ; daar wordt een svayamvara gehouden, velen 
komen daar, ook Moekaddim. Samajatjindra kiest Moekaddim, die er armoedig 
uitzag; de anderen kiezen prinsen, en de drie huwelijken worden gesloten. De 
vorst krijgt eene oogziekte, waartegen alleen tijgerineik kan helpen. De twee 
prinselijke schoonzoons gaan zoeken, Moekaddim houdt zijne twee zwagers met 
verzonnen resultaten voor den gek, krijgt de opdracht de medicijn te zoeken, 
de raksasa- vrouw bezorgt hem die, en de vorst wordt genezen. 

BI. 258 Moekaddam wil de zijnen wederzien en gaat naar huis; ook 
Moekaddim gaat daartoe naar huis; hunne vrouwen komen daar, en de schoon- 
ouders, Groote vreugde heerscht daar. 



165 
CLXXVIL 

HIK A JAT INDRA DE WA I. 

Collectie v. d. W. 129, 33 X 20 V a cM., 375 bl. 18 r. (het eigenlijke 
verhaal is 118 bl. korter; zie beneden). 

Voorin is de titel Hikajat Ahmad Sjah. 

Inhoud : 

In het rijk Rakab Sjahroem, tusschen Perzië en Arabië, heerschte soeltan 
Ahmad Barsjah Djaja; zijn zoon heette Indra Dewa. Deze ging ter jacht, en 
achtervolgde een gouden ree *) die in een rivier verdween, hij weigert terug te 
keeren vóórdat hij den zeldzamen buit heeft bemachtigd, zijn vader zelf' komt 
hem verzoeken terug te keeren, maar hij blijft daar met eene gezellin wachten 
op de dingen die komen zullen. 

Dicht bij den berg Kaf was het land Ji _& 3 ) ; de vorst aldaar, Soeltan 
Lsma'il Sjah, had vier schoone dochters : Tjandra Dewa, Mëngindra Dewi, Poespa 
Ratnawati en Mëngindra Sinar Boelan, bijgenaamd Ratna Tjahaja Iram-Iram; 
deze kon zich in een dier veranderen en onder water blijven. Alle vier gaan 
zich baden in de bewuste rivier, en worden door Indra Dewa gezien, doch 
verdwijnen weldra, hem in droefenis achterlatende. Wederom tracht zijn vader 
hem tot terugkeer te bewegen, doch te vergeefs. Na een jaar en een maand 
komt het viertal daar weer baden ; hij bespiedt ze, neemt de kleederen der 
jongste, de anderen vliegen verschrikt heen, de jongste blijft daar naakt, en 
weldra draagt Indra Dewa haar naar zijn verblijf. Dan gaat hij zwerven ; zijn 
vader, dit vernemende, wordt bedelmonnik, en wil niet in zijn paleis terugkeeren 
voordat zijn zoon gevonden is. De zwerver komt in Jaman, waar een ieder 
hem bewondert, eu de vorst hem helpt door hem in kennis te brengen met 
een 200 jaren ouden zeeman die de eenige is die het land bij den berg Kaf 
kent. doch alleen van hooren zeggen, en wel als land van doodsgevaren. Hij 
beweegt den oude door ontzaglijke geschenken den tocht derwaarts met hem 
te ondernemen; vreeslij ke stormen teisteren de schepen, elke maand woedt een 
typhoon heviger en langer dan de vorige, en telkens vergaat één der schepen; 
eindelijk verdrinken allen behalve Indra Dewa die uitgeput op een klip gewor- 
pen wordt. Daar was eeu geheel zwarte stad, door niemand bewoond, en een 
paleis, waarin slechts een, met een pijl en boog gewapend, stokoud mensch 



1) Later i.s .sprake van vier gouden reeën. 

2) Later *>=*• {}]& 



166 

woonde; hij neemt het wapen en groet hem; de oude blijkt hem welgezind te 
zijn. Hij vertelt dat hij Radja Dewa Laksana heet, de stad : Tagar Taratëla en 
die zee : Julsi) s^, dat Ratna Tjahaja Iram-Iram zijne kleindochter is, alle 
inwoners's nachts terugkomen, en men met den pijl. die van Gangga Darma 
Dewa is, storm en regen en vuur kan bevelen. 

BI. 54. In Bërauta Djaja is vorst Ibrahïm Sjah, een djinn ; zijne dochter 
heet Poespa Ratna Seri Gading, bijgenaamd Ratna Njelam (?) Sjah Djaja. Na 
drie maanden toevens verlaat Indra Dewa, met ngelmoe's en doe c a's gewapend, 
het gastvrije land, en vertrekt naar Sjahroem Cham. Onderweg wordt hij in 
den slaap door een djinn-kafir opgelicht: hij doodt dezen en vervolgt zijnen 
tocht. Hij komt op den Dal c id bij Karoen Sjah, die hem gastvrij ontvangt, 
en wiens zoon Dewa Sjahdan Dewa zijn vriend wordt. Na eenigen tijd trekt 
hij weer weg. en bereikt het buitenverblijf' van Poespa Ratna Seri Gading; 
niet haar komt hij in intieme verhouding. Haar vader bemerkt dit en gelast 
hem gevangen te nemen, maar allen deinzen af, vele prinsen doet hij 
door tooverij in eenen nevel verdwijnen; de vorst Dalamsjah D]aja komt 
ter hulpe en bestrijdt Indra Dewa met geweldige middelen, veertig etmalen 
zonder ophouden; Radja Dewa Laksana Dewa zendt hulp aan Indra Dewa; 
ook Karoen Sjah komt ter hulp, Ibrahïm Sjah komt zelf in den strijd. 
Eindelijk bewerkt Karoen Sjah eene verzoening, en Ibrahïm Sjah stemt toe in 
het huwelijk zijner dochter met Indra Dewa. 

BI. 146. Kort daarna gaat hij zwerven, oostwaarts. Hij ontmoet Malik 
ibn Bahroemsjab ; deze, een djinn-kafir, lokt hem in zijne sterkte waarin reeds 
velen opgesloten zijn, maar wordt door hem gedwongen den islam aan te 
nemen, en de dochter Manaf Sinar Boelan wordt op zijn verzoek bestemd voor 
Dalamsjah Djaja. Hij trekt weder oostwaarts volgens de aanwijzingen van den 
bekeerden djinn. Hij komt bij een rivier waar hij vier gouden reeën ziet; door 
hem aangeschoten verdwijnen ze; dicht daarbij vindt hij een paleis, en daar 
woonde zijne Ratna Tjahaja Iram-iram, die zich weder in een ree veranderd 
had. Spoedig vindt het huwelijk plaats; Karoen Sjah en Dalamsjah Djaja 
worden uitgenoodigd om de feesten bij te wonen. Spoedig wordt een zoon 
Indra Dewa Sifat Dewa (ook Indra Aspa Dewa) geboren. 

BI. 186. Dewa Soerangkalis van Andaloes Tara, wiens vader, een djinn- 
kafir, vroeger door Indra Dewa was gedood, trekt tegen hem op; hij rooft 
iemand die Indra Dewa's zoon is, doch door hem voor Indra Dewa zelf ge- 
houden wordt, en wordt door dien knaap gedood. 

Deze gaat dolen, terwijl thuis de sterrewichelaars zijne ouders gerust- 
stellen. Hij komt in een land waar een booze vorst regeert, voor wien eene 



167 

oude vrouw hem verbergt. De prinses aldaar, Noer Safa Mëngindra, wordt alras 
door hem gezien en bemind; hij bekeert haar tot den islam, verslaat groote 
drommen van haar volk, vangt vele prinsen. Onderwijl droomt zijne moeder 
dat hij in een zee van bloed is, waarop zijn vader besluit hem te gaan zoeken 
in de gedaante van een bajan; spoedig vindt hij zijnen zoon, die de overwinning 
nog niet behaald heeft; hij bewerkt den vrede en gaat met zoon en schoon- 
dochter terug. Onmiddelijk trekken zij op tegen Andaloes Tara en het land 
van den boozen koning (zijn naam is t^^oj M)'i ne ^ wordt een strijd van 
bafir-djinn's tegen geloovige djinn's, ten laatste moeten allen den islam aannemen. 
Het huwelijk van Indra Aspa Dewa wordt luisterrijk gevierd, en de andere 
vrouw van zijnen vader komt ook aldaar. Indra Dewa wil zijne ouders terug- 
zien, en trekt met al de zijnen daarheen. Na een jaar zeilens komen zij in 
Jaman, na nog eene maand aan Rakab Sjahroem, waar hij zijnen nog steeds 
bedroefden vader weerziet. (BI. 242) en de allergrootste vreugde weldra alom 
heerscht. 

Het gedeelte tusschen de bladzijden 242 en 360 behoort niet in dit 
handschrift tehuis, maar is het vervolg van Coll. v. d. W. 167 (CL). 

CLXXVIII. 
HIKAJAT INDRA DEWA IL 

Collectie v. d. W. 130, 33 X 21 cM., 444 bl., 16 r. 
Geheel dezelfde tekst; zeer groot schrift. 

CLXXIX. 
HIKAJAT RADJA PËKAR MËDI. ^^ JS) 

Collectie v. d. W. 169, 33 X 20 7 2 cM., 486 bl., 16 r., gedat. 
Malaka, 8 Sja c ban 1278. 

Inhoud : 

In Kambiat Sagara heerscht Clangga Përkrama; zijne gemalin baart 
Poetri Mëngindra Koemara Dewi ; alle aanzoeken om hare hand worden afgewezen. 
In den kaindra'an was prins Këdis; deze wenscht de om hare schoonheid 
beroemde prinses te zien en gaat naar haar land; hij ziet haar en toen zijne 
ouders hem niet veroorloofden haar te vragen, incarneert hij zich in eene ezelin, 
die weldra een mannelijk veulen werpt. Dit gelast den molenaar van wien de 
ezelin is de prinses voor hem te vragen; zeer bevreesd vertelt hij dit aan den 
hoofdman der wacht, daar het veulen dreigde het geheele land door zijn urineeren 



1G8 

te overstroomen. De hoofdman meldt het den koning, en deze eischt dat de 
ezel een sterke koperen vesting zal tooveren ; zonder moeite doet de ezel uit zijn 
drek eene dergelijke vesting ontstaan. Nu moet de vorst zijue dochter afstaan. 
's Nachts neemt de ezel zijn eigenlijke gedaante aan, en over dag is hij weer 
ezel. De prinses bemint haren echtgenoot, en verbrandt op een nacht het door 
hem verlaten ezelsvel; hij vertelt haar dat zijn tijd van gedaanteverandering nog 
niet gekomen is, en beveelt haar het land te verlaten, daar dit onmiddelijk 
overstroomd zal zijn. Zoo geschiedt; hij zelf verdwijnt. Zij gaat zwerven met 
zijn achtergelaten zwaard als staf, en komt bij eenen brahmaan Koenta die haar 
als kind aanneemt; zijn zoontje heette Kisoe. In dat huis baarde zij haren zoon 
Kamdi f? ^c-x^)- Groot geworden hoort hij de geschiedenis van zijnen vader; 
hij gaat met Kisoe dwalen. 

BI. 41. Er was eene stad Oedjana. Daar doodde een djinn eiken nacht 
den daags te voren aangestelden vorst, en wierp men al die gedoode eendags- 
koningen met vele kostbare steenen in hunne doodkisten in de rivier. Bij die 
rivier komen de twee knapen; de djinn tart Kamdi om de doodkist waarop hij 
zit te openen en de edelsteenen die er in liggen te nemen. Hij doet dat met 
gemak, en geeft enkele steenen aan Kisoe die naar huis terugkeert. Hij zelf 
komt bij eene vrouw wier zoon den volgenden dag tot koning zal aangesteld 
worden in dat beproefde land ; hij treedt in de plaats van dien zoon, en wordt 
onder algemeene bewondering tot koning gekroond. Den nacht daarop doodt 
hij den djinn. Hij blijft daar als vorst, en huwt met de dochter van den mang- 
koeboemi Dewi Sinoerat. Weldra gaat Kisoe hem bezoeken, en hij laat zijne 
moeder en haren pleegvader bij zich komen ; de laatste wordt bendahara, en 
Kisoe: hoofd van alle hofdames. Kamdi krijgt eenen zoon, die Radja Sa c at 
('- e^ü^) genoemd wordt; toen hij volwassen was, liet zijn vader voor hem 
aanzoek doen om de hand van de dochter van den vorst van Gangga Sagara. Deze 
had eenen zoon : Poetra Soedagar, en eene dochter Sinar Boelan ; zijn land was 
onderhoorig aan Oedjana. Het aanzoek wordt gretig aangenomen ; Kisoe, inmiddels 
tot Brah aiana Kisoe bevorderd, geleidt den vasal vóór Kamdi ; het huwelijk wordt 
gesloten. Kort daarna sterft Kamdi ; zijn zoon volgt hem op. Deze vervalt tot 
wanhoop omdat hij geen kinderen krijgt en wil zich het leven benemen, maar 
een jogi geeft hem (en twee lieden die om de zelfde reden zich hadden 
willen dooden) een middel waardoor zijne vrouw zwanger zal worden; in zijne 
blijdschap vergeet hij de aanwijzing van den jogi nopens den te verwachten 
knaap. Weldra wordt een prins geboren, die Pëkar Mëdi genoemd wordt; ook 
de twee andere personen krijgen een kind, en later onthoofdt de zoon van een 
hunner dien van den ander volgens het bevel van zijnen vader, en staat 



169 

daarna Pëkar Mëdi naar het leven, doch deze wordt gewaarschuwd door den 
schedel van den vermoorden zoon, zoodat hij den moordenaar kan dooden. 
Den schedel noemt hij Tala, en het andere lijk Boetala (de namen die 
de jogi had gelast hun te geven); de eerste wordt een groen rijpaard, 
de tweede de stalknecht daarvan. Later worden zij olifant en kornak; beiden 
verdwijnen zoodra Pëkar Mëdi naar zijn huis gaat; maar later worden zij een 
vliegend paard en de oppasser daarvan, Zoo wordt Pëkar Mecli een prins met 
sakti. Zijne beide trawanten voeren hem naar het land JA^ (bl. 138), waar 
eene prinses is, die hij hebben wil. Hij laat Tala en Boetala zich veranderen 
in een gouden hert, dat weldra nagezet wordt door den vorst van dat land, 
die juist op de jacht is, en bij wien Pëkar Mëdi dienst genomen had. De vorst 
ziet het hert verdwijnen, en gaat in het bosch slapen, door den nieuwen bediende 
bewaakt; deze laat de twee trawanten zich in koks veranderen, die dadelijk het 
eten gereed maken. Zoo weet hij zich voor den vorst, ook na diens terugkeer 
in zijn land, onmisbaar te maken; zelfs redt hij het land van ondergang door 
brand, waardoor hij recht krijgt op de hand der prinses Tjandra Sari. Maar 
deze weigert, te meer daar zij al met een djinn gehuwd is, en hij gaat naar 
Oedjana terug. Daarna willen zijne ouders Tjinta Bakti (ook Tjinta Mani 
genaamd), de dochter van den vorst van Gangga Poera, voor hem vragen; hij 
vergewist zich eerst van hare schoonheid, en stemt in het voorstel toe, waarna 
het huwelijk gesloten wordt. Kort daarna sterven zijne ouders, en wordt hij 
vorst van Oedjana. Hij laat een prachtig- paleis bouwen, maar een kraai deelt 
hem mede dat het paleis van den kaindra'an veel moojer is, waarop hij zich 
door zijne twee trawanten daarheen laat voeren; de hemelheer ontvangt hem 
vriendelijk, en met een toovertroon begiftigd daalt hij weer naar zijn land af, 
waar hij met liefdebewijzen overladen wordt. 

Bl. 260. Zekere Tjilaka en Bahagia die om den voorrang streden vroe- 
gen eene beslissing aan den wijzen vorst van ^.», die hen echter naar den 
vorst Pëkar Mëdi verwijst; deze ziet het gevaar van de beide mogelijkhe- 
den der uitspraak in. en kent den voorrang toe aan Tjilaka, waarop Bahagia 
zich voor twaalf jaren van hem afwendt, wat hij voorzien had. Zijne maga- 
zijnen verbranden, olifanten sterven. Hij verlaat daarop het land en gaat 
met zijne gemalin zwerven, wordt op zijn bedeltocht door allerlei tegen- 
spoeden geplaagd, en raakt op wonderdadige wijze van zijne vrouw af. Zij 
doolt tot aan het zeestrand, en wordt gevonden door Adipati Saudagar van 
Oangga Sagara; zij noemt zich Djirak en wordt door bem als kind aangeno- 
men, en naar Gangga Sagara gebracht, maar door zijne echtgenoote beleedigd 
en mishandeld. 



170 

BI. 295. Fëkar Mëdi nu was tot wanhoop vervallen en doolde maar 
voort. Er was een land Kawal, welks vorst, Badarsjah, zeven dochters had; 
de jongste van hen droomde van Pëkar Mëdi als van haren man. en de ster- 
rewichelaars voorspellen haar dat die droom binnen een jaar werkelijkheid 
zal worden. 

Pëkar Mëdi kwam al dwalende in dat land, en veranderde zijnen naam 
in Bikam; als zoodanig naai hij dienst bij eenen goudsmid. Deze maakte 
de sieradiên voor de zes prinsessen, die gingen trouwen (Poetri Boengsoe 
wilde niet), en Bikam moest die naar het paleis brengen. Tjilaka echter 
ontrooft ze hem. en hij wordt wegens vermeenden diefstal verminkt. Poetri 
Boenffsoe herkent in hem den held van haren droom, en dient hem eten 
toe; zij verzoekt haren vader zelf haren man te mogen kiezen, alle jonge- 
lingen komen samen, en zij kiest Bikam; zij huwen in alle stilte, tot woede 
van den vorst. 

BI. 323. Nu over het rijk Oedjana. De regeeringloosheid van dat land 
kwam den vorst ^.j ter oore, en spoedig trok hij er tegen op ; de regeering 
werd hem daar onmiddelijk aangeboden. Daar was een koopman Kalapa, be- 
vriend met zekeren Bitara; deze geeft hem edelgesteenten in bewaring, hij 
verwisselt ze tegen waardelooze en laat het zakje kunstig dichtnaajen ; na zijn 
terugkomst bemerkt Bitara het bedrog, en brengt de zaak voor den rechter, 
die hem ongelijk geeft, en hem verbant. De toovertroon van Pëkar Mëdi was 
buiten de stad gezet, en over dien troon groeide een bodi-boom, waaronder de 
koeherder Doena (Dona?) zich kwam verkoelen in de schaduw. Aan hem on- 
derwierpen zich vele herders die hem in scherts als vorst erkenden; hij strafte, 
beloonde en stelde ambtenaren aan; tot hem kwam Bitara, en hem voor een 
werkelijken vorst houdende vertelt hij hem zijne geschiedenis. De gewaande 
vorst laat den koopman halen, brengt hem in tegenspraak met de destijds door 
hem omgekochte getuigen, dwingt hem alles te vertellen, en de edelsteenen 
aan Bitara terug te geven. Spoedig hoort _^_j van dien koeherder-koning en 
zijn aanhang en ontbiedt hem; hij doet den vorst een denkbeeld aan de hand 
om den kundigen kleermaker die het zakje weer genaajd had uit te vinden 
(ui. door een stuk goed, onmerkbaar gescheurd, aan den waschman te geven, 
zoodat deze den knapsten kleermaker zocht om de scheur te herstellen. (Ook 
elders komt dit verhaal voor). 

De vorst verheft hem tot eersten minister. 

BI. 367. Bikam werd in Kawal nog steeds door Poetri Boengsoe verpleegd. 
Eindelijk waren de twaalf jaren van beproeving om; zijne ledematen groeiden 
weer aan, een zoontje werd geboren. De vorst wordt ziek en wil visch eten, 



171 

en de zes schoonzoons gaan jagen. ïala en Boetala komen weer tot Pëkar Mëdi 
(Bikatu); zij helpen hem aan onuitputbaar veel visch, terwijl de zes niets vinden; 
zoo gaat het ook met wild dat de vorst begeerde, en weldra blijkt aan allen 
dat hij de beroemde Pëkar Mëdi is. Hij laat Tjilaka komen, en deze moet alles 
ophelderen ; bet huwelijksfeest wordt nu met luister gevierd, de zes, die van 
hem een stigma gekregen hadden om destijds eenig *wild te verkrijgen, worden 
gehoond. Tala en Boetala krijgen last Tjinta Bakti op te sporen ; spoedig mel- 
den zij Pëkar Mëdi dat zij in Gaugga Sagara is bij den koopman. Hij laat zijne 
tooverwapenen uit Oedjana halen, en gaat op het vliegend paard waarin de 
beide trawanten zich veranderd bedden naar de verblijfplaats van Tjinta Bakti, 
die spoedig door hem gevonden wordt. Wederom wordt Tjilaka ontboden, die 
de aan Tjinta Bakti vroeger ontstolen zaken teruggeeft en alles opheldert. 
De vrouw van den koopman vernedert zich voor Tjinta Bakti, die spoedig daarop 
met Pëkar Mëdi naar Poetri Boengsoe wordt gevoerd. Zij wordt door haar 
goed ontvangen, en noemt haar kind: Pikrama Dewa. Lang daarna gaat Pëkar 
Mëdi met de zijnen naar Oedjana. dat ijlings door _^_j ontruimd wordt. Zon- 
der verwijl valt hij __»^_j in zijne stad aan; diens leger wordt vernietigd, en 
hij onderwerpt zich. In Oedjana worden schitterende feesten gevierd, en leven 
allen gelukkig. 

Na den dood van Pëkar Mëdi werd Pikrama Dewa vorst, en huwde met 
de middelste dochter van den mangkoeboemi. 

CLXXX. 
PALEMBANGSCHE VERHALEN. 

Collectie Br. 157. V. 

(Uit eene portefeuille met afschriften in Latijnse h schrift) 
'/. »Roewajat dajang Merindoe jang djadi perboetan prang dengan radja 
Palembang", 26 bl. 

Onderaan staat geschreven : 
»ditoelis oleh Kiagoes Achmad jang djadi Lid sekarang di Palembang 
ja itoe tatkala lagi djadi djoeroetoelis di Batoe Radja Bahsa Oeloe di- 
pindahken degan bahsa Melajoe". 
//. Verhaal van Hiaug djagat Praboe en zijne zonen Poejang Rakian en 

Poejang naga bërisang, 7 bl. 
e. »Tjarita Ratoe lama Tandjoeng Boengin (Roewajat orang Ampat La- 
wang"), 8 bl. 



172 

il. »Tjarita Ranggan Sedajoe anak radja negrie Koeta Aboeng (Roewajat 

orang Ampat Lawang)", 12 bl. 
e. »Tjarita Ratoe Agoeng. negrie ïjaudjoeng Besar" 14 bl. 

Er onder staat: »Inie tjerita dengan bahsa Sindangstreken di toelisie 

olé iang bertanda tangan dibawa inie. R. Mohamad Akil. 

CLXXXI. 

SARIBOE DONGENG. 

Bat. Gen. 240, 33X20 cM., 236 bl. 17—20 r. 
(Uit eene inlandsche leesinrichting). 

Inhoud : 

Vorst Djaja Mazlöem was zeer onrechtvaardig, ook tegen den oliekoop- 
man Barma, den landbouwer Barmi en den tuinman Barmasa, die hun beklag 
bij hem kwamen doen, gevangen werden gezet, en eerst na een jaar werden 
losgelaten. Het land werd overstroomd ; met moeite wordt de vorst gered door 
eenen asceet die hem dit verhaal doet: 

een melkboer leverde goede melk, ook aan den vorst c Oesawarad; deze 
echter liet de eenige geit van den melkboer stelen ; ze gaf' toen geen melk 
meer, en de vorst werd ziek. Een doekoen zegt hem dat hij den melkboer 
verongelijkt heeft, en doet hem dit verhaal : 

een asceet krijgt in den droom den last zijnen vorst te bekeeren, 
en verkrijgt een tooverpotje; ieder hoort daarvan, ook de vorst c Asï Noewa. 
Deze kan er echter geen vocht uit krijgen omdat hij slecht is; hij bekeert 
zich, en dan gelukt het. De asceet doet hem nu dit verhaal: 

een pandita c Asik Partala mag met iemands dochter huwen als hij twee 
flesschen reukwater voor hem verkoopt; in fantasieën verdiept slaat hij met 
ongeluk twee flesschen stuk, waarop de ander hem dit verhaal doet: 

Tambi Nazr was een medicijnman ; hij ging eieren verkoopen in een 
ander land, en slaat ze, in fantastische beschouwingen verdiept, met ongeluk 
stuk, en raakt daarbij te water, maar wordt gered door een eenen visscher; 
deze verkocht visch aan eenen goeroe, die den medicijnman het volgende ver- 
haal doet: 

een vorst Ta e oêdjab was zeer hoovaardig. Hij meende een lichtglans te 
zien, maar ontdekte eene vrouw, en wordt door haar gedwongen haren zin te 
volgen ; later is zij af keerig van hem, en wekt zijn toorn op ; zij vlucht voor 
hem bij eenen held, die een verhaal doet van Makbóer Sjah. 



173 

Zoo gaat het steeds voort ; telkens een nieuw verhaal welks hoofdpersoon 
tot zijne leering en stichting een nuttig verhaal moet aanbooren. Alles is in 
kreupel Maleisch, met de meest onwaarschijnlijke eigennamen. 

Op deze wijze worden 22 verhalen gedaan; maar na het 22° moeten 
blijkbaar nog meerdere volgen, en hoe het met Djaja Mazlóem afloopt ver- 
neemt men niet. 

CLXXXII. 

KLEINE VERHALEN. 

Bat. Gen. 203, 33X22 cM., 57 bl., 39 r. Latijnsch schrift. 
Handschrift-Holle. 

Twintig onbeduidende verhalen, in gedrochtelij ke taal, en zonderlinge 
spelling. 

Als voorbeeld no. 11: een kapokverkooper wil eenen kooper bedriegen; 
hij verkoopt hem 8 kati kapok met een stuk steen van één kati er in voor 
9 kati kapok. 

Het laatste verhaal is van Nabi Ibrahïm die 400 honden en geiten aan 
gouden kettingen had ; dit duidde op hen die slechts naar het bezit van goud 
en bezittingen streven. 



*ö v 



CLXXXIII. 

HIKAJAT NACHODA ^ASJIK. 

Bat. Gen. 261, 32 X 20 cM., 157 bl., 15 r., gedat, 17 Maart 1890. 
(Uit eene inlandsche leesinrichting). 

Inhoud : 

In Dijar al c Asjik is vorst Kandjoe'1 Fattah ; zijne vrouw Asma Pëngasi 
baart, nadat de vorst ascese heeft gedaan, eenen zoon Soenkar Bilmalih. Latei- 
gaat deze reizen. In Dëndam Këtjoeboeng, onder Sakëbon (? ■^C^) Lela leert 
hij van alles. In zee drijvende vindt hij eene vrouw, die hem mededeelt Asma 
Pëngliboer, dochter van Anta Bardoeka uit Pasir Bërhamboer te zijn; vele vrijers 
streden om haar, en zij had van hem als haren aangewezen man gedroomd. 
Met haar gaat hij daarheen, de vader verwelkomt hem als schoonzoon, de vrijers 
worden gevangen en het huwelijk vindt plaats. Hij noemt zich Nachoda c Asjik 
ïjinta Bërlëkat. 

Bl. 51. In Dijar al Ma c sjoek is de kinderlooze Soeka Birawan, die in 



174 

den kampoeng Ma c sjóek Bërdëndam vele zangeressen heeft. Daar komt Xa- 
choda c Asjik; hij wordt bekoord door eene zangeres, en door roovers aange- 
vallen en in eene rivier geworpen : dit geschiedde op last van eenen mantri 
die zijne geliefde begeerde, en haar vertelt dat haar minnaar door eenen tijger 
verslonden is. Zij weigert echter op zijne voorstellen in te gaan, en wordt door 
hem gevangen gezet. Maar Soeka Birawan stelt belang in haar, laat haar 
zingen en verdenkt den mantri. dien hij in de gevangenis werpt. Zij stijgt in 
de gunst, en haalt zelfs eenen fakir over om te drinken. Een teleurgestelde 
minnaar bindt haar aan eenen boom: zij treurt om haren geliefde, en hij om 
haar; de donder brengt hunne stemmen over. Hij wordt gevonden door een 
zijner dienaren, die hem bij eenen pandita brengt, met wiens hulp hij naar 
Dijar al c Asjik gaat, waar zijne ouders hem verheugd terugzien. Soeka Bira- 
wan bevrijdt de zangeres, en doodt den minnaar. Weldra zoekt Xachoda c 'Asjik 
zijne vrouw in Pasir Bërhamboer op. 

BI. 123. In Dijar al Ma c sóek wil de mantri de zangeres weer bena- 
deren, wat groote opschudding teweegbrengt: eindelijk wordt hij gedood. 
Nachoda c Asjik wil zijne woede op Dijar al Ma c sjoek koelen, en valt het aan 
met eene geduchte macht : de zangeres en Asma Pëngliboer nemen als mannen 
verkleed aan den strijd deel, en raken in gevangenschap; daar maken zij zich 
aau elkander bekend. Xachoda c Asjik (weer Soenkar bilmalih genoemd) doodt 
Soeka Birawan. en zijn land onderwerpt zich. Het blijkt dat de gedoode vorst 
zijn oom was; groot berouw kwelt hem; de twee vrouwen worden bevrijd. 
Hij neemt de plaats waar hij heeft liefgehad Kantjamanis. en voorspelt dat 
daar Boedjangga Tala zal komen met twee Marapati's. en in de in Poera 
Xoerani herdoopte stad Sari Rasmi zal verschijnen. 

Hij volgt zijnen vader op. Asma Pënglipoer baart Boedjangga Tala en 
later Sjahrioena. Xa Soeukar's dood keert Boedjangga Tala. die van zijnen 
broeder afkeerig was, het onder anarchie gebukte land den rug toe, en vestigt 
zich in Kantjamanis. Sjahrioena wordt vorst; de stad wordt herdoopt als 
Bandoepoeri. 

Zeer vele Arabische verzen en uitdrukkingeu komen in dit goed ver- 
telde verhaal voor. 

CLXXXIV. 
HIKAJAT MARAPATI ËMAS DAX MARAPATI PERAK. 

Bat. Gen. 249. 33X20cM., 270 bl. 17 r., gedat. 19 Sept. 1887. 
(Uit eene inlandsche leesinrichting). 



175 

Dit verhaal vormt het vervolg op het voorgaande; een andere titel is: 
Tjaritera toean poelri didalam koelü moetiara. 

Inhoud: 

Sjahrioena (of Sjahriboena?) krijgt eene dochter Boediwarjgï, die een 
sprekenden gouden pauw had. Boedjangga Tala leefde armelijk in Poeranoerani, 
iu karapoeng Kantjamanis. Zijne vrouw Sëkar Aroem is zwanger en verlangt 
pauwevleesch te eten; hij gaat zoeken en verkrijgt van den pauwevorst twee 
stuks, waarna zij bevalt van Marapati Emas en Marapati Perak. Deze twee 
kinderen brengen geluk iu huis. In dat land was een zekere vorst Soentjarama 
en diens dochter Sari Rasmi. 

BI. 10. Bandoepoeri wordt door eene overstrooming verwoest ; Boediwangi 
kruipt in een grooten poesaka-parelschelp, Sjahrioena wordt met moeite gered. 
De gouden pauw was ver weg gevlogen, en vond na zijne terugkomst den 
schel]) in een vijver gezakt; de pauw spoort vele prinsen aan om te trachten 
de schelp te lichten, brengt eten aan den hongerenden en als een waanzin- 
nige rondzwervenden Sjahrioena, en gaat tapa doen. Daarna noopt de pauw de 
beide Marapati's hem te volgen naar de verwoeste stad, en brengt hen bij den 
vijver, waaruit zij eindelijk de schelp met de prinses erin kunnen lichten. 
Haar nemen zij, maar 32 prinsen betwisten hun den buit, en worden door hen 
verslagen. Telkens wanneer de schelp in den zonneschijn gezet wordt, komt zij 
er uit en wordt door den pauw van alles voorzien. Zij gaan dan naar Poeranoe- 
rani waar zij in een twist gewikkeld worden, en in de gevangenis komen; de 
schelp houden zij bij zich, en de prinses vroolijkt hen op. Weldra komt de vorst 
tot andere gedachten, en verlost hen. Marapati Emas bemint Boediwangi. 

BI. 136. Boedjangga Tala en Sëkar Aroem gaan naar de verwoeste 
stad met de schelp en den pauw en den tweeling. De tweelingbroeders verza- 
melen edelsteenen in het woud; de verwantschap met Toedjangga Tala komt 
aan den dag. Steeds vinden zij kostbare steenen, waarvan zij eenige aan Sari 
Rasmi verkoopen, die hun eenen ring geeft. Dit wekt argwaan; zij worden 
gevangen gezet, maar weldra bevrijd nadat Sari Rasmi alles opgehelderd heeft. 
Eene nieuwe stad wordt gesticht : Padang Toemoeroet. 

Marapati Perak vraagt Sari Rasmi ten huwelijk, wat geweigerd wordt; 
de gouden pauw echter brengt haar heimelijk naar Padang Toemoeroet, een 
groote strijd volgt, en de beide heeren der nieuwe stad overwinnen. Dan geeft 
de vader zijne toestemming tot het huwelijk, dat den 9 en September 1887 
plaats vindt. De beide broeders noemen zich Pati Mas en Pati Perak, en hunne 
ouders: Garoe Mahsan en Poespa Poedang. De gouden pauw is aller lieveling. 

In het vers achteraan wordt medegedeeld dat dit verhaal een vervolg heeft. 



176 

CLXXXV. 

HIKA.JAT DEWA MENGINDRA I. 

Bat. Gen. 126, 31X21 cM. 310 bl., 27 r. 
Notulen 3 Februari 1880. II c. 

Begin ontbreekt; het verhaal vangt aan bij het optreden van Koeroes 
Tabal Oedara; zie Ju} T nboll's Catal. bl. 133 r. 9. Vele bladzijden zijn geheel 
verteerd door het invreten van den inkt. zoodat groote gedeelten onleesbaar zijn. 

De naam die in cod. Leid. 2149 Sjah Tarsad luidt, luidt hier \^^ M A / c 
.SJJu i^oyi z Ü n vader beet jj^ , ),±XLc~..^- 

Het verhaal stemt goed overeen met dat waarvan Dr. Juvnboll een 
résumé gegeven heeft; ter vergelijking volge een opschrift van een hoofdstuk: 

^ffi ^J ^^j t ^ A ^ ióSs- jCojJl< (J.jJlo JjuLj JLo i-__?\ -i ^J _J. 

cXJJÓ JjJtJ ,SxL< <Xjo iXii ^1»^^ i s-^j c^o\ r^Uxsj l *^i (Ji^w ^'.aL-c 

L^-Jt*) C^>j uf)'^ <^^ r^J >V L: f^ , '''-^-' c <_SV iJlA j^ri *^ e***" fr? t«^is«*fr« 
oJ ,>'aL< ^fJ ,j)j 'Jj>y ~ui._> ^ <^** /^• XwJ *Jb <^y e^A-e^ i_T) l>;fc ^^ 

Het HS. loopt iets verder dan het Leidsche; het slot is door den ver- 
ganen staat der pagina's niet te copieeren. 

CLXXXYL 

HIKAJAT DEWA MENGINDRA II. 

Collectie v. d. W. 159, 31i/ 2 X 19V 2 cM. 348 bl. 18 r. 

Voorin staat: Ten gebruike ontvangen bij miss. van den Eersten Gou 13 . 
Secretaris dd. 5 Julij 1856. No. 1247. 

Ook in dit HS. ontbreekt het begin; het vangt aan in de geschiedenis 
van Koemkoema Sarodja (zie catal. bl. 133, r. 5.) 

Het bovenstaande citaat luidt hier, bl. 141: 

ijï^OJ ^^ J^ ^7>f uf/ p-J; cJ^ J W. J ^ Ur^ J ^? Uo ri f^ 5 -" 



177 

^wlCcl »A # y« U^ t _5"r-* > * U^" (_5^^ ^r° ^^^e Cl*ol* ^ilXsU> ^f-ï ^jlj 

In dit exemplaar komen gebeurtenissen voor, welke in Juynboll's résumé, 
Catal. bl. 131 sqq. niet voorkomen, waaruit de veronderstelling zoude kunnen 
volgen dat de redactie van dit HS. uitvoeriger is dan het Leidscbe. Ook hier 
zijn vele bladzijden schier vergaan door den scherpen inkt. 

Dit HS. is evenals het Leidsche incompleet; op het laatst wordt verhaald 
van een bezoek van Koebad Mëngindra Radja c Alam bij zijnen overgrootvader 
Mëngindra Bërma Sakti, die hem opdraagt naar Bërangka Indra terug te gaan, 
omdat zijn ouders zeer naar hem verlangen; daarna verdween de oude uit aller 
oog, en aanvaardde Koebad (hier i^oü') den tocht: .i^U^J e^ouui' <jtl)jlü 

_). ,j)j r ). (JXwj ,j)j _<j.xCL< — ), i £\ (j)**^ m^^ i «^vJ j<ti&* e^oli 

Ander handschrift : 

Leiden, cod. 2149, Catal. bl. 131 — 134. 

CLXXXVII. 

HIKAJAT TJANDRA HASAN. 

Collectie v. d. W. 183, 33 X 21 cM., 182 bl. 19 r. 

De inhoud van dit verhaal kan gekend worden uit de door den heer 
A. F. v. Dewall bezorgde uitgaven in Arabisch en Latijnsch schrift, welke naar 
dit HS. zijn bewerkt in verkorten vorm, d. w. z. met weglating der sja c irs 
en belangrijke afkorting aan het slot. 

CLXXXY1II. 

HIKAJAT MASJHOêD HAKK I. 

Collectie v. d. W. 180, 33X21 cM., 290 bl. 19 r. 

Ook van dit verhaal, eigenlijk een zedekundige roman, is eene eenigszins 
verkorte uitgave van den heer A. F. v. Dewall verschenen, welke meer dan 
eens gedrukt is ; voor den inhoud worde naar de editie verwezen. 

CLXXXIX. 

HIKAJAT MASJHOêD HAKK II. 

Collectie v. d. W. 181, 33 X 20 7 8 cM., 320 bl. 19 r. 
Verhandelingen. 18 



178 

Nagenoeg dezelfde tekst. 

Na het slot volgt eene inroeping van de vergevensgezindheid der lezers 
voor fouten en vergissingen, met de dagteekening 1(5 Safar 1278. 

cxc. 

HIK A JAT 1SMA JAT1M 1. 

Collectie v. d. W. 170. 33 X 20 l / s cM.. 344 bl. 19 r. 

Dit verhaal is uitgegeven door P. P. Roorda van Eijsinga, Batavia, 1821. 

Deze tekst begint onmiddelijk met Isma Jatim's geboorte, en mist dus 
de inleiding welke in cod. Leid. 1747 voorkomt. 

Vóór het eigenlijke verhaal gaan 19 regels inleiding over het veelvou- 
dige nut van de lezing van dezen roman. Ook deze tekst heeft het slot van 
cod. 1747. maar eindigt even vóór het besluit. 



o 



CXCL 

, H1KAJ T ISMA JATIM II. 

Collectie v. d. W. 171, 83X23 cM., 382 bl., bl. 1—145: 13 r. bl. 
14(3—382: 15 r. gedat. 10 Rabi c II 127". 

Nagenoeg dezelfde tekst. De episode van den aanval der 99 prinsen 
vangt hier aan op bl. 376. r. 2. v. o. (in I op bl. 291 r. 2 v. o), en is hier 
in zeven bladzijden afgehandeld, terwijl zij in I, bl. 291 — 344 in beslag neemt, 
en niet geheel voltooid is; hier is de voorstelling der feiten zeer beknopt, 
doch in 1 (en III) wordt aan de beschrijving, vooral van het huwelijk, een 
zeer ruime plaats gegund, wat den indruk maakt van onechte uitbreiding van 
het oorspronkelijke. 

CXC II. 

HIKAJAT ISMA JATIM III. 

Collectie v. d. W. 172, 33 X 20 1 /, cM., 203 bl. 30 r. 

De woorden waarmede 1 eindigt, en waaraan een absurd aUukCcJ J\j 
is toegevoegd, nl. ^ ^ ^ ^ ^_.^ J&j^ tJ jJi J ^ JJ& ^ 
ii) r yȟ ^^* il v_s*Jol< vindt men hier op bl. 201, r. 4 en 5. De slotepisode 
der 99 begint hier reeds op bl. 171; ook dit HS vertegenwoordigt dus de 
zeer uitgebreide redactie. 






179 

In de laatste drie bladzijden wordt verhaald dat de mautri's van Samoendra 
Nagara, hoorende dat Biram Dewangga aangevallen was door de 99, derwaarts 
gingen, en deelnamen aan de feesten die daar gevierd werden. Het slot is : 

(jLJb^o Li ^.aLc l*»«) <x!jt \Hj4^^ *■— "^i' '•—-^•^.^ (*r^ i_fr^> i£/i"*J <*SJJJ 

^ilü) u^aJ' j) +Mö Uaw) Js.^j yy.r%" *lJukC«ii 

cxchi. 

HIKAJAT ISMA JATIM IV. 

Bat. Gen. 137. 28 1 /, X 19 cM., 168 bl., 21 r. 

Dezelfde tekst, behoudens enkele geringe afwijkingen. 

De eerste bladzijde is gescheurd, de laatsten wegens de scheuren overplakt. 

Bl. 1G4. r. 1 (^Juuo UJ <xÜ ^ay-J &jQ) <*Sj& ^^ i^s^O komt 
overeen met bl. 270 van I; het vertoef op het eiland der wonderen is 
in laatstgenoemd HS veel uitvoeriger verhaald, en een lang verhaal van eene ont- 
moeting met een spook wordt hier in het geheel niet aangetroffen. 

De slotwoorden (in I j )) ] t j ^^j (jj^ ^Jaa^ aJlüaK* 

^)jJü ,-cJ ijjc.w .J vindt men in I op bl. 284, r. 5 en 4 v. o. 

Voor den inhoud zie men ook de verhandeling van Roorda van Eijsinga 
in deel X der Verhandelingen van het Batav. Genootschap van K. en W. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1747, 1737, 1693(1) en 3320, Catal, bl. 161—163. 

Londen, Royal Asiatic Society, nos. 16 en 62, I. 

Londen, East India House, nos. 89 en 90. 

Londen, Britsen Museum, no. 4. 

CXCIV. 

HIKAJAT RADJA KËRANG. 

Bat. Gen. 18, 19 X 15 1 /» cM., 466 bl., van verschillende handen 13— 20 r. 
Notulen: 28 Juni 1866 III, i. 

Inhoud : 

In Biranta Poera Dewa regeerde Wikrama Indra, die vier vrouwen had. 
Op eenen nacht toeft hij bij Tjahaja Sari aan wie hij zijn leed over zijne 



180 

kinderloosheid klaagt; dau droomt hij van eene mangga en laat die vrucht 
overal te vergeefs zoeken. De afgezondene komt bij den asceet Pëlengka Dewa ; 

diens volgeling Sita Ganda vindt in zijnen tuin ééne enkele mangga. welke de 
asceet hem gelast te geven aan den afgezant, wiens komst hij voorzien had. 
De vorst eet de vrucht en verliest zijne gedruktheid; de weggeworpen pit 
wordt een boom met vier vruchten, welke gegeten worden door de vier vrouwen, 
die alle zwanger worden. 

Lila Ratna bevalt van Lela Gënta, Mëngarna Dewi van Mëngarna Lela. 
Seri Maja van Lela Sëntana en Tjahaja Sari van een schaaldier. Van bedrog 
verdacht wordt zij verdreven; zij gaat wonen bij den asceet, daar wordt haar 
jong een mooi kind dat echter overdag schelpdier is. totdat zijne moeder de 
schaal vernielt; zijn naam wordt Radja Kërang. Hij wil het onrecht zijner 
moeder aangedaan wreken, en met veel kennis en een koemala gewapend gaat 
hij zwerven. 

BI. 38 Op den Mërtjoe Indra ontvangt hij van Batara Indra een tooverpijl 
en een doosje, waarin Gandara c Alam en Gëmpa c Alam zitten ; zijn naam 
wordt Indra Laksana. 

De vorst 1^ $\*, .«.mi van Pantjanagara had twee zonen : Sjah Ma j dan 
en Sjah Fardan en eene dochter Koesoema Indra, die door een reus uit 
het bosch Prabala was geroofd. De broeders zoeken haar overal; de peri 
Gana Setra geeft hun too verpantsers, tegen zijn verbod kijken zij om, en 
veranderen in badak's: Gandi Leka en Gandi Pratala. Indra Laksana was 
intusschen in het bosch Prabala gekomen, had den reus gedood, de prinses tot 
vrouw genomen, en met haar zijnen zwerftocht hervat. Weldra ontmoet hij 
de drie prinsen van Biranta Poera die aan het spelevaren waren; zij werpen 
hem in zee. Koesoema Indra blijft in haar schip, en hij belandt bij Neuek 
Eabajan. 

BI. 80. Praboe Dewa van Langkapoespa geeft uit dankbaarheid voor de 
genezing zijner dochter Koemala Ratna Sari een tournooi; Indra Laksana gaat 
daar heen, de prinses bemint hem en wordt daarom door haren vader wegge- 
jaagd, waarop zij zich bij hem aansluit. Zij gaan zwerven; hij toovert zijn 
schip met Koesoema Indra er in te voorschijn, en trekt met de beide vrouwen 
verder; weder ontmoet hij de drie prinsen en verslaat ze in een zeegevecht. 
Na twintigjarige afwezigheid komt hij bij zijne moeder terug. 

Hij toovert eene stad en een leger te voorscbijn. De drie prinsen gaan 
jagen en vinden zijn paleis, berichten het aan hunnen vader, die dadelijk tegen 
hem uittrekt; zijn leger wordt gevangen door rook verblind, en in een grot 
gedreven. Wikrama Indra wordt voor Laksana gebracht, herkent zijne vrouw 



181 

Tjahaja Sari, en vraagt haar en zijnen verstooten zoom om vergeving ; alle 
gevangenen worden bevrijd, de drie prinsen vernederen zich. 

Op den berg Kila Pratapa was de boeta Sila Djoerangga, vroeger de 
hemeling Dewa Poerwaloka, die naar den hemel waaruit bij verbannen is wilde 
terugkeeren ; hij verandert zich in eene hofdame, en rooft Koesoema Indra en 
Koemala Ratna Sari; Laksana gaat ze zoeken, de prinsen gaan hem opsporen. 
Laksana, door Gandara c Alam door de lucht gevoerd, ontdekt ze, en overwint 
den boeta, die hem een wonderpaard geeft. De drie prinsen ontmoeten de 
betooverde badaks die velen van hun gevolg dooden ; zij vluchten, gevolgd door 
de badaks. naar Laksaua, aan wien de badaks hun diensten aanbieden, nadat 
zij hunne zuster berkend hebben. 

BI. 205. Wiradja Dewa van Bandjaran lndra had twee broeders Arkas 
Boga van Mega Bandan en Gangga Widoera van Tasik Wirama Dewa, eenen 
zoon Gënta Dewa en eene dochter Soekanda Lila Tjahaja. De zoon was oorspron- 
kelijk verloofd niet Koemala Ratna Sari van Langkapoespa, tegen welk rijk hij 
optrok toen hij vernomen had dat zijne verloofde eenen onbekende gevolgd 
was. In den strijd wordt Praboe Dewa gevangen en alles verwoest; een vluch- 
teling meldt het aan Laksana, die onmiddelijk wraak zal nemen. Hij rooit den 
kooi waarin Praboe Dewa en zijne gemalin gevangen zitten, en bevrijdt ze; zij 
herkennen hunne dochter; een geweldige strijd volgt; eindelijk overwint en 
begenadigt bij Gënta Dewa, alle dooden doet hij herleven, feesten worden ge- 
vierd. Maar Gënta Dewa zint op wraak en dringt in het paleis, maar moet 
vluchten, Laksana achtervolgt hem ongemerkt, den volgenden morgen mist men 
hem. Gënta Dewa was naar zijnen vader gegaan, die zich mede ten strijde uitrust. 

Laksana was bij eene zee gekomen en daarin gegaan; in eenen tuin 
ziet hij Goemilang Sari [ndra dochter van Lela Sjah Përi en belooft haar haars 
vaders vijand Mëngindra Sah Dewa in de zee Al- Ghaj rat te verslaan; werkelijk 
slaagt hij er in dezen te onderwerpen. Hij huwt met Goemilang Sari Indra en gaat 
Gënta Dewa zoeken. Op de vlakte Aspa Warna toovert hij een paleis, en laat al de 
zijnen derwaarts komen. Dan gaan allen naar Bandjaran Indra, in welks nabijheid hij 
eene vesting toovert: Wiradja opent den strijd, Gangga Widoera en Arkas Boga 
sneven ; Wiradja roept den goeroe Widjaja Sakti op den berg Anekawarna ter hulp 
en krijgt een tooverwapen, waarmede hij Laksana in den navel der zee schiet. 
Deze krijgt van Indra een toovermiddel, gaat terug, hervat den strijd, en doodt 
Wiradja, waarop alle anderen zich onderwerpen. 

Dewa Gënta wil naar Wirandana Gin van Pantjalogam gaan; zijne 
moeder doodt zich bij liet lijk van den vorst; de dochter Soekanda Lila Tjahaja 
wordt in Laksana's paleis gebracht. 



182 

cxcv. 

HIKAJAT RADJA KËRANG II. 

Collectie C. St. 117, 37X23 cM., 107 bl., verschillende handen, 27— 33 
r., tot bl., 68, daarna 39 — 41 i\, gedat, 1858. 

Voorin is de titel Radja Kërang Indra Laksana. 

Hetzelfde verhaal, doch met het aan de Hikajat Indra Laksana (zie C. 
St. 139) ontleende begin; de vorst van Përtjangga: Mëngandari Tjotja heeft 
twee zoons: Sjah Djohan Mëngandari Roepa en Tahir Djohan Sjah; op een 
ii acht bezwijmt de vorst, herstelt na tien dagen, en doet het verhaal dat boven 
geanalyseerd is. 

Het HS. eindigt in het begin van den strijd tnsschen Biradja en Indra Lak- 
sana, waarop in eens, midden in eenen zin, volgt: ^LÜ )jÓJj) ^j'^ff- <j»^ fl 
en daaronder: c .< ) ijlJCte*. M e^*ó' 

CXCVI. 
HIKAJAT PANTJALOGAM I. 

Bat. Gen. 17, 19V 2 X 15% cM., 583 bl., 14 r., bl., 570—583 van 
andere hand, 13 r. 
Notulen 28 Juni 1866, III, i. 

Dit verhaal is het vervolg op het voorgaande. 

Inhoud : 

De vorst van Pantjalogam had van den asceet Poerba Langkara verno- 
men dat Gënta Dewa bij hem zonde komen, doch dat hij niet dezen, maar wel 
diens vijand Indra Laksana mocht helpen, en ajër tirta van den berg Maja 
Roepa moest halen om wonden te helen. Weldra komt Gënta Dewa en vertelt 
alles, maar de vorst van Pantjalogam wil in vrede leven. Dan stelt Gënta Dewa 
voor Indra Laksana zijne vrouw Soekanda Lila Tjahaja te ontrooven; daartoe 
is de vorst geneigd, en de raksasa's Lindoe Sangara en Lindoe Koeatja draagt 
hij op om Indra Laksana te ontvoeren. Dezen komen ter plaatse en doen allen 
inslapen, behalve Gandara ( 'Alam en Gëmpah e Alam, die hen weldra verdrijven. 
Zij komen terug bij bunnen heer. die na drie dagen tegen Indra Laksana optrekt. 
Na zeer langen strijd — in eene pause dempen de twee c Alam 's den heiligen 
vijver op den Maja Roepa — doodt Sjah Majdan Lindoe Sëngara, en Sjah 
Pardan: Lindoe Koeatja. Wirandana Giri gaat naar den Maja Roepa om het 



183 

vijverwater te halen om de gedooden te doen herleven; intusschen doodt Indra 
Laksana Gënta Dewa; teleurgesteld was Wirandana teruggekomen, en begaf 
zich weer in den strijd met Indra Laksana. Poerba Langkara, hoorende wat 
met den vijver gedaan is, gaat naar het slachtveld, waar hij Wirandana 
gevangen vindt; hij onderhandelt met Indra Laksana en bewerkt eene algemeene 
verzoening. 

BI. 1*22 Laksana wil naar Biranta Poera Dewa gaan. Eerst gaat men 
naar Langkapoespa, waar Koemala Ratna Sari hare onders begroet, en Nenek 
Kabajan zoekt; daarna naar Biranta Poera, waar Indra Laksana vorst wordt. 
Përi Maja gaat naar de Roode Zee, Mëngindi*a Sjah Dewa naar de zee Al- Ghajrat 
en Wirandana Giri naar den asceet van den Maja Roepa, die den vijver herstelt 
en den vorst zijne ministers hergeeft. 

Sjah Pradana en Sjah Majdan willen naar Pantjanagara; Indra Laksana 
vergezelt hen. Zij komen aan de stad, welker vorst na de verdwijning zijner 
kinderen niet meer uitgegaan was; hij ziet zijne kinderen weder (de dochter 
Koesoema Indra) en vreugde heerscht. Koesoema Indra wordt zwanger, Indra 
Laksana gaat voor haai' diereharten zoeken, een storm verspreidt de jagers, 
Laksana achtervolgt een gouden ree, en komt na 40 dagen te ^.U&l ,jIjuwj>- 
De ree was Noer Tjahaja, de dochter van Bahroem cAlkas, om wier hand 98 
prinsen wierven, die eerst eene schietproef moesten leveren. Gandara c Alam, 
dien Indra Laksana te voorschijn getooverd had, hoort daarvan en gaat daar- 
heen met Laksana. 

BI. 299 Intnsschen waren de jagers teruggekeerd met de tijding dat 
Laksana verdwenen was. Koesoema Dewi (— K. Indra; bevalt van een zoon, 
die Sjah Indra Djohan Përkasa genoemd wordt, en later wegloopt om zijnen 
vader te zoeken. Op eenen berg vindt hij den sprekenden olifant Liman Toer- 
sina, en het huis van den djinn Kaloen Djintaka; deze werpt hem in zee. 
Naga Përtala redt hem, en brengt hem bij Antaboga, die hem van alles leert, 
en hem van toovermiddelen voorziet; daarmede gaat hij naar eenen berg, waar 
een brahmaan nog meer tooverstukken geeft. Snel gaat hij naar den Goenoeng 
Lantaran, waar hij des djinn's huis verbrandt en hem zelven vermoordt. Dan 
gaat hij weder zijnen vader zoeken. 

BI. 374. Noer Tjahaja had een bijzonderen droom; zij gaat dolen inde 
gedaante van een pauw en wordt door Indra Djohan gezien; zij herneemt hare 
oude gedaante. Hij daagt de 98 vrijers uit, overwint ze door tooverij en blaast 
ze in de lucht; 94 onderwerpen zich, een der 4 overigen, Lela Pëïdjangga, 
tracht Noer Tjahaja te schaken en verandert zich daartoe in een beo, en maakt 
allen in slaap behalve Lela Atnbara, vroeger Tidjan Boentala geheeten, den 



184 

trouwen metgezel die Indra Djohau steeds gevolgd had ; deze neemt de gedaante 
van de prinses aan, laat zicli ontvoeren en doodt den indringer. De drie overi- 
gen beginnen een woedend gevecht, en sneven daarin. 

BI. 480. Indra Laksana verneemt alles van den mangkoeboemi van 
Bahröem c Alkas, dien hij ter hulp komt. De vorst belooft hem de hand zijner 
dochter indien hij den jeugdigen veroveraar overwint. Vele dagen duurt de 
strijdt, eindelijk komen vader en zoon tegenover elkaar te staan; na veertig 
etmalen strijdens noemt Indra Djohan den naam zijner moeder, en eene ophel- 
dering volgt. Het blijkt verder dat Koesoema Dewi na verwant is aan Bahróem 
c Alkas. De bruiloft van Indra Djohan wordt gevierd. 

BI. 534. De vorst van Pantjanagara wil zijne dochter Dewi Koesoema 
te Biranta Poera bezoeken, en hoort daar dat haar man en kind reeds vele 
jaren verdwenen zijn. Maar Indra Laksana was met zoon en schoondochter 
naar Biranta Poera teruggegaan, en reeds genaderd ; spoedig vindt het wederzien 
plaats. Alle vreemde prinsen, ook de 94, gaan naar hunne landen terug. Indra 
Djohan wordt vorst van ^.Ui*! ^UL^. 

CXCVII. 
HIKAJAT PANTJALOGAM II. 

Collectie Br. 428. 31 X 20 cM., 342 bl., 26 r., gedat, 22 Juni 1874. 

Vuil en onduidelijk HS. 
Voorin is de titel Hikajat Indra Laksana. 

Na bl. 1 is eene lacune, welke van geringen omvang is, daar op bl. 2 
het voorstel van Gënta Dewa om Soekanda Lela Tjahaja te schaken verhaald wordt. 
Het verhaal is hetzelfde als van 1. 
Een onvoltooid gedicht besluit den tekst. 

CXCVIII. 
HIKAJAT PANTJALOGAM UI. 

Bat, Gen. 385, 22 X 17V 2 cM., 16 bl., 21 r. Latijnsch schrift. 

Kort fragment. 

Begint met hetgeen onmiddelijk aan het vernielen van het huis van 
Kaloen Djintaka voorafgaat, en eindigt in het begin der beschrijving van den 
strijd met dien djinn. 

De titel is niet genoemd. 



185 
CXCIX. 

BAPA BILALANG EN LËBE MALANG. 
Collectie v. d. W. 212, 2V/ 2 X 17 cM., 25 bl., 15 r. 

1°. Ter verklaring der uitdrukking Bapa Bilalang, die men bezigt wanneer 
iemand onvermoed veel geluk heeft, en wel: Een arm echtpaar had een kind 
Si Bilalang geheeten. Deze steelt kain's van den vorst in de hoop dat zijn 
vader zich als ziener zal uitgeven en de plaats van het gestolene zal aanwijzen, 
en daardoor beloond zal worden. Zoo geschiedt. Dan steelt hij een zeldzamen 
vogel, met hetzelfde gevolg. Later stelen dieven iets, zijn vader moet ophel- 
dering geven, de dieven, voor zijn vermeend vermogen beducht, vertelleri hem 
waar zij de gestolen zaken verborgen hebben, en hij krijgt de belooning. Na 
eenigen tijd geeft een vreemdeling den vorst wedraadsels op; weer wordt de 
vader ontboden, doch weet geen raad. en juist als hij zich wil verdrinken 
hoort hij toevallig de oplossing. Na anderhalve maand verbergt de vorst in 
zijne hand' een bilalang, en vraagt hem wat hij verborgen houdt; hij roept in 
wanhoop den naam van zijnen zoon uit, en de vorst is overtuigd dat hij 't 
weder geweten heeft. 

Gedateerd: Pënjëngat, 2 Juni 1870, 2 Rabi c I 1287, Hadji Ibrahim. 

2°. Ter verklaring der uitdrukking Lëbe Malang, die men bezigt wanneer 
iemand door eigen toedoen tegenspoed heeft : 

Een lëbe die tusschen twee kampoengs woonde werd in beide plaatsen 
op een chandoeri gevraagd; door zijn langdurig aarzelen loopt hij beide gast- 
malen mis, en valt bovendien in het water. 

Gedateerd: Riouw, 8 Juni 1870, 3 Rabï C I 1287. 

Achteraan staat een gedichtje van tien regels. 

Beide verhalen zijn uitgegeven door A. F. v. Dewall in de Boenga Rampaj, 
4o stuk (Batav. 1804), bl. 3—15 en 10—17. 

CC. 

HIKAJAT RADJA DËNTADJAJA DAR1 NËGËRI SËNTAPOERL 

Collectie v. d. W. 155, 32 X 20 cM., 45 bl., 17 r. 

Voor den inhoud worde verwezen naar Pijnappels opgave in Bijdragen 
tot de T. L. & Vk. van N. I. 3° volgr. V. bl. 173 en Juynbolls's catalogus, 
bl. 178. 



186 

Dit HS is geheel hetzelfde als het Leidsche. daar hier dezelfde eigenaardige 
woorden voorkomen en op dezelfde pagina's als ginds, gelijk uit de mededee- 
lingen op bl. 179 van genoemden catalogus blijkt. 

Ander handschrift: 
Leiden, cod. 1782, (CLII). 

CCI. 

HIKAJAT DARM AH TASIJAH I. 

Bat. Gen. 42. B. bl. 17—41, 14 r. (21x17 cM.) 
Notulen 28 April 1868, IV, 6°. 

Het in Singapoera meermalen uitgegeven verhaal van de voorbeeldige 
huisvrouw, hier U„J c^U.J genoemd die haren man Ma c röef getrouw diende, 
hem eene dochter ^.j .Joc^- (Tjandra Dewi) schonk, doch door hem werd 
mishandeld en weggejaagd, en na het kind liefde voor zijnen vader aanbevolen 
te hebben zich naar hare ouders begaf, die haar echter afwezen ; die daarna op 
Gods bevel door Gabriel geholpen werd en met verhoogde schoonheid toegerust 
naar haren man terugging, die haar niet herkende, hem hare geschiedenis 
vertelde, eiudelijk herkend werd. en verder gelukkig met hem leefde. Het 
eigenlijke slot ontbreekt. 

ecu. 

HIKAJAT DARMAH TASIJAH II. 
Bat. Gen. 198. B. bl. 33-42, 16 r. (21 X 16 cM.) 
Hetzelfde verhaal, compleet. De vrouw heet hier Darm ah Tachsijah. 

CCI II. 

HIKAJAT DARMAH TASIJAH III. 

Collectie Br. 421. E. bl. 60-74, 15 r. (22 X 137 2 cM.) 

Minder goede tekst dan de voorgaande. 
De echtgenoot heet hier Sjajch Ba'lma c raf. 

('('IV. 

HIKAJAT DARMAH TASIJAH IV. 

Collectie v. d. W. 124, B, bl. 65 -78, 19 r. (32 X 20 cM.) 






187 

De echtgenooten heeten hier Sjajch Ba'lma c röef en Darraah Ta c sijah, en 
het kind )»jj ).Jas-; het verhaal is hetzelfde. 

ccv. 

HIK A JAT RABI^AH. 

Bat. Gen. 42, E, bl. 65—81, 14 r. (21 X 17 cM.) 
Notulen 28 April 1868, IV, 6°. 

Verhaal van eene vrouw, 'ij. Si) )&& *ju. genoemd, die diensten be- 
wees aan Sjajch Djoenajd al- Baghdadi, en niet wilde trouwen om hem te kunnen 
blijven dienen. Na zijnen dood werd zij door velen begeerd; vier sjajchs 
maakte zij beschaamd; voor den vorst gebracht werden dezen bedremmeld, maar 
zij was niet versaagd. De vorst wilde haar tot vrouw nemen, maar zij bleef 
weigeren tot aan haren dood. 

CCVI. 
H1KAJAT MAHARADJA DJAJA ASMARA. 

Collectie v. d. W. 148, 33 X 207 8 cM., 415 bl., 19 r. 

Inhoud : 

In Singgadjaja is vorst Maharadja Gardan Sjah c Alam; hij vraagt 
Soeganda Tjahaja dochter van Gangga Birama in Dar al- Krjam ten huwelijk. 
Zij echter weet dat de prins Indra Djohan Sjah van Joenan machtiger is dan 
hij; maar zij volgt haars vaders wil en huwt met Gardan Sjah c Alam. Na 
eenigen tijd baart zij een koperkleurig kind, dat met een zwaard en een boog 
geboren wordt, en Maharadja Djaja Asmara genoemd wordt. Zijne moeder haatte 
haren echtgenoot, en verzocht Indra Djohan Sjah hem uit den weg te ruimen; 
onmiddelijk trok de prins tegen Singgadjaja op. Toen deze dicht bij was, zond 
zij haren man uit om herten voor haar te zoeken, en weldra werd hij door 
Indra Djohan Sjah aangetroffen en gedood; de poorten werden geopend, en 
Indra Djohan Sjah kwam binnen en beminde Soeganda Tjahaja. Het zoontje 
had alles gezien, en wilde met vele anderen vluchten naar Tandjoeng Bandjir, 
maar werd bij zijne moeder teruggebracht, en op verzoek van Indra Djohan 
Sjah die gedroomd had dat de knaap hem doorstak, gevangen gezet om den 
hongerdood te sterven; dit baat niet, ook eene poging tot vergiftiging mislukt, 
en hij ontsnapt. Hij noemt zich Boedjang c Ali een verwerskind en wees, en 
wordt door matrozen mede op reis genomen. 

Zij komen in c Adjam, waar vorst Dewa Laksana en zijne dochter Seri 



188 

Koeinkoeraa Këmbar Boenga zijn; de vorst koopt hem en doet hem stalknecht 
worden. De prinses wordt bekoord van hem. en neemt hem tot haren lijf bediende: in 
eenen droom verneemt zij wie hij werkelijk is en dat zij voor hem bestemd is. 

BI. 39. In Djaja Langkiri is vorst Sjajch c Alaïn Daksina, een djinn- 
islam; hij gaat de prinses van c Adjam ten huwelijk vragen; zijn voorstel wordt 
met vreeze aanvaard. Maar de prinses bezorgt Boedjang e Ali een tooverpaard 
en een koemala. na hem haar geheim geopenbaard te hebben; hij doodt velen 
van het gevolg van Sjajch c Alam Daksina. 

In Tjahaja Pëlingkau was de mambaug-vorst Maharadja Iudra Dewa. 
met eenen zoon Dewa Mambang en eene dochter Iram Iram Boenga. Deze 
zoon vraagt de prinses van c Adjam ten huwelijk. Met Sjajch c Alam Daksina 
trekt Dewa Laksana tegen den nieuwen werver op; een geduchte strijd ont- 
brandt, en beider legers worden verslagen ; de hoofdlieden zetten het gevecht 
voort. Dewa Mambang laat zijne twee tegenstanders door een wonderpijl gevan- 
gen nemen, en naar zijn land brengen, Boedjang c Ali maakt zich aan de 
verschrikte prinses van e Adjam bekend als Djaja Asraara, en bemint haar; hij 
bestrijdt Dewa Mambang. doodt velen van zijne helden, en maakt hem zelven 
krachteloos, 's Nachts laat hij zich door het wonderpaard naar zijne zuster 
Iram Iram Boenga voeren, en schaakt haar in een tooverdoosje. De strijd wordt 
hervat, Djaja Asmara wint en laat Indra Dewa door een tooverkettiug halen, 
en Sjajch c Alam Daksina met Dewa Laksana terughalen, en spaart Dewa Mam- 
bang om der wille zijner zuster. Dewa Laksana boort wie Boedjang c Ali is; 
Sjajch 'Alam Daksina neemt zich voor Djaja Asmara te verwijderen, en laat 
hem naar Indra Dewa- zenden met een brief waarin het verzoek staat hem te 
doodeu. Onderweg wordt hij door eenen c 'ifrii van zijne too ver middelen en 
wapens beroofd; hij doorziet het werk van zijnen mededinger. Iram-Iram 
Boenga. die hij in den tjoemboel bij zich had. vliegt naar haar eigen paleis, 
vertelt haren vader haar wedervaren, stemt hem gunstig voor Djaja Asmara, die 
dan ook liefderijk door Dewa Mambang en zijnen vader wordt ontvangen, en 
met de prinses in het huwelijk treedt. Later vertrekt hij naar c Adjam zijne 
vrouw zwanger achterlatende. Hij doet op zijne reis naar c Adjam het land van 
Sjajch c Alam Daksina aan; hij gaat er binnen en ontmoet den c ifrit die hem 
beroofd had, en dwingt hein het geroofde terug te geven, terwijl hij nieuwe 
toovermiddelen er bij krijgt. In een oogwenk brengt zijn wonderpaard hem in 
c Adjam. Verwomd als bedelaar komt hij bij de prinses. Dewa Laksana had met 
verontwaardiging van het lage optreden van Sjajch c Alam Daksina gehoord, 
en zijne dochter toegezegd aan ieder die Djaja Asmara Icon terugbrengen; de 
bedelaar verandert zich nu weer in Djaja Asmara; deze verkrijgt de prinses, 



189 

en Sjajch c Alam Daksina gaat vol woede naar zijn land terug. Het huwelijk 
wordt luisterrijk gevierd. 

BI. 204. Djaja Asm ara gaat met zijne vrouw naar zijn land terug. Sjajch 
c Alam Daksina valt hem onderweg aan ; de eerste aanval wordt afgeslagen, en 
hij staakt zijn pogingen, nadat zijn veldheer Pahlawan Harimau c Alam zich 
aan Djaja Asmara heeft onderworpen. Voorttrekkende komen zij aan de stad 
Djaja Poeri, waar I'armaclewa regeert; zijne twee zonen beeten Barmadjaja en 
Barmasoera. De vorst ontvangt hen als gasten, en Sjajch c Alam Daksina be- 
legert hen daar; de vorst en zijne zonen worden gevangen en de vader belooft 
hem Djaja Asmara in handen te spelen, maar Harimau c Alam verijdelt dat, 
waarop Sjajch ( 'Alam Daksina voor immer van de zaak afzag. 

Verdertrekkende komen zij te Tandjoeng Bandjir waar de uit Lingga 
Djaja gevluchte mantri hen ontvangt. Na een verblijf aldaar van drie jaren 
bevalt de prinses van e Adjam van eenen zoon : Djaja Bisnoe. Eindelijk trekken 
zij tegen Lingga Djaja op, en kondigen aan Djohan Sjah hunne komst aan. 
Djaja Bisnoe gaat het bosch in, en zijne moeder, hem verloren wanende, neemt 
haren intrek bij eenen landman; haar echtgenoot was reeds tegen Djohan Sjah 
uitgetrokken ; hij kan haar niet terugvinden. Hij bindt den strijd met zijnen 
stiefvader aan, en doodt bem; zijn door hem afgehouwen hoofd biedt hij aan 
zijne moeder Soeganda Tjahaja aan. Haar laat hij in een vat gesloten in zee 
werpen ; daarna treedt hij op als heerscher van Lingga Djaja. Overal laat hij 
nu zijn vrouw en zoon zoeken. Zij hoorde van zijne verheffing en slaagde er 
in zich bij hem te voegen. 

BI. 250. Iram Iram Boenga in Tjahaja Pëlinggam was van eenen zoon, 
Koemala Sakti, bevallen. Enkele jaren later vraagt hij naar zijnen vader, en 
gaat dezen zoeken. Djaja Bisnoe was intusschen in het bosch verdwaald, en 
door Allah's voorbeschikking ontmoette hij zijnen halfbroeder Koemala Sakti; 
zij maken zich aan elkaar bekend en trekken samen verder. Zij komen in 
Sëmanta Poeri, en zien daar de prinsessen, de dochters van Toelela Sjah c Alam; 
in een melati en een noeri veranderd maken zij beide prinsessen op de prinsen 
verliefd door hunne beschrijving van hen. Kort daarna worden zij door een peri 
als kleinzonen aangenomen, en van toovermiddelen voorzien; hij deelt hun 
mede dat de prinsessen heeten Mëngindra Roepa en Mëngarna Lila, en voorziet 
hen van alles om zich aan beide prinsessen te presenteeren. Reeds waren zij 
door vijf mambang-prinsen ten huwelijk gevraagd; hun aanzoek was afgewezen, 
en zij omsingelden thans de stad, eu versloegen hare troepen. De twee half- 
broeders komen aan op de plaats waar de strijd woedt; zij roepen hunnen 
geleigeest op, deze mengt er zich in, en ontzet Toelela Sjah c Alam ; ook doodt 



190 

hij een der vijf, en verslaat de anderen geheel en al. Toelela wil zijne dochters 
met de beide halfbroeders doen huwen ; zij hebben zich echter in de wildernis 
teruggetrokken; met moeite worden zij opgespoord, de vorst verneemt hunne 
afkomst, en laat de twee huwelijken spoedig sluiten. Djaja Bisnoe en Mëngama 
vestigen zich in Sëmanta Poeri. Later gaan beide broeders naar Lingga Djaja 
na eerst Pëlinggam Djaja te hebben bezocht. Nu is alle leed vergeten, en wordt 
feest gevierd in Lingga Djaja. 

CCVH. 
HIKAJAT INDRA LAKSANA. 

Collectie C. St. 139, 26x20 cM. 82 bh, 15—17 r. 

Inhoud : 

Vorst Mëngindra Tjoeatja heeft twee zonen: Djohan Mëngindra Roepa 
en Tahir Djohan Sjajch. Hij droomt van een bijzonderen bamboe përindoe, en 
wil dien bezitten, waarop de beide zoons, tot droefheid hunner moeder, gaan 
zoeken. Zij rennen veertig dagen, en komen bij den berg Djabat Noeranggas, 
waar zij sprekende vogels aantreffen, benevens Radja Salam en Radja Sëmoet 
di Goenoeng; de eerste van hen deelt hun mede dat het muziekinstrument is 
bij de prinses Indra Bitjaksana, dochter van den almachtigen vorst van lndra 
Përtiwi; Praboe Sakti. Zij oefenen zich in hikmat en sakti, en krijgen de namen 
Indra Mahadewa Kasaktian en Bisnoe Dewa Kaindra'an, bijgenaamd Indra 
Laksana. Deze wordt door zijn paard ontvoerd, en zoo raken zij van elkaar 
gescheiden. Hij komt aan den berg Mëngarna Lela, waar de machtige prinses 
Indra Përtiwi verblijft, en na eenigen tijd met hem huwt (bl. 47). 

Indra Mahadewa was naar Harman Firas gegaan, en daar in het huwelijk 
getreden met de prinses Soegandari Tjahaja; haar vader Tabal Sjajch bond den 
strijd tegen hem aan, doch moest zich onderwerpen. 

Op bl. 82 wordt een opschrift van een hoofdstuk vermeld, waarin verhaald 
wordt dat Indra Laksana naar Indra Poespa gaat, en daar den vorst Sadarhah 
bestrijdt; van dat hoofdstuk staan echter slechts de volgende woorden «xll* 

JLw. IJl welker spelling normatief is voor die van het geheele HS. 

De inhoud van het ontbrekende gedeelte kan uit Van der Tuuk's résumé 
van het Londensche HS (Hikajat lndra Kajangan genoemd) niet gekend worden; 
dat résumé toch luidt (na de vermelding der namen Mangindara Tjuwatja 
koning van Indara Partjangga, Sjah Djohan Mangindara Rupa en Radja Thahir 



191 

Djohan Sjah) „nadat de koning gedroomd had van een wonderbaarlijk muziek- 
instrument, dat maar eenmaal aangeslagen, honderd negentig maal speelde, 
„en verlangd had het te bezitten, gingen de twee jonge prinsen het zoeken. 
„Zij worden als zoon aangenomen door een geest J^ ) geheeten, die hen 
„bekend maakte met de plaats, waar zij het wónder-instrument konden vinden. 
„Hij veranderde hunne namen, en noemde den oudste Indara Mahadewa Sdtjli 
„en den jongste liixina Dewa Kaindéra-an, bijgenaamd Indara Leqsana. De broe- 
„ders worden daarna gescheiden, terwijl ieder, met behulp van den djinn, hun 
„pleegvader, vele grootsche daden verricht". 

Het Londen sch e manuscript, dat 332 bl. telt, schijnt compleet te zijn. 

Ander handschrift : 

Londen, Royal Asiatie Society, no. 57. 

CC VUL 

HIK A JAT INDIU BANGS AWAN I. 

Collectie C. St. 127. 21 X 16 cM.. 112 bl. 15 r. 

Inhoud: 

Indra Bongsoe, in Kobat Sjahril, krijgt een tweeling: Sjahpëri die met 
een pijl, en Indra Bangsawan die met een zwaard geboren wordt; de twee 
leeren alles bij de leermeesters Ki Djamkoe en Ki Djamki. De vader droomt 
van een bijzonder muziekinstrument, en belooft dat degeen die het vindt hem 
zal opvolgen ; de knapen gaan zoeken, en raken spoedig van elkaar af. 

Sjahpëri vindt eenen trommel, waarin de door eenen garoeda geroofde 
prinses Ratna Seri bleek te zijn; hij doodt den garoeda, en huwt met haar. 
Indra Bangsawan was aan eene grot gekomen, bij eene reuzin, die hem me- 
dedeelde dat de plaats Anta Bëranta en het land Anta Pramana heette; de 
vorst, Kabïr genaamd, was schatplichtig aan Boeraksi, die zijne kinderen voor 
zich opeischte; ook de prinses werd opgëeischt, en de vorst had haar toegezegd 
aan ieder die haar redden zoude. Hij begeeft zich naar het paleis, en verhuurt 
zich als geitenhoeder ; weldra wordt hij de vertrouwde der prinses, die echter 
reeds wist wie hij was, en ook wist dat hij haar redden moest. Zij wordt ernstig 
zeik, en alleen tij gerinne melk kan haar genezen. Haar negen vrijers zoeken daar- 
naar; hij belooft hun het geneesmiddel zoo zij zich laten brandmerken, maal- 
ais dat geschied is, blijkt hij hen misleid te hebben. De reuzin bezorgt hem 
de melk, en hij geneest daarmede de prinses; zijn nieuwe naam is Oenan 
(en Si Oetau.) 



L92 

BI. 29. Boeraksi komt eu ontsteekt in woede. De reuzin helpt 
haren beschermeling en deze slaagt er in Boeraksi te dooden ; woedend 
over hun onmacht gaan de negen terug. Hij. nu Si Këmbar genaamd, 
krijgt de prinses, maar blijft geitehoeder. De negen willen de stad 
aanvallen: met hulp der reuzin bestrijdt hij hen; door niemand herkend 
ontzet hij den vorst; eindelijk maakt hij zich bekend, de negen onder- 
werpen zich, maar zeggen aan niemand wie hij is. Si Këmbar de herder 
wordt van ongepastheid beschuldigd, en gevangen gezet; de prinses deelt 
vrijwillig zijne hechtenis, verstopt zijn tooversaroeng. maakt daarmede zijne 
gedaanteverwisseling onmogelijk, ontmaskert hem, en laat zijne geschie- 
denis algemeen bekend worden. De reuzin bezorgt hem eene tooverstad met 
alle benoodigdheden ; eerst dan wordt een luisterrijk huwelijk gevierd. Eindelijk 
verschaft de reuzin hem het gezochte muziekinstrument, en hij rust zich toe 
om zijnen broeder op te sporen. Maar voordat hij vertrekt, wordt hij zwaar 
ziek door de booze werking van de zuster van Boeraksi. 

BI. 94. Sjahpëri nu droomde van zijnen broeder. Hij verkrijgt van 
zijne vrouw een panacé-tand, en gaat zijnen broeder zoeken. Hij vindt hem. 
en geneest hem en zijne echtgenoote. die eveneens ziek was. De beide 
broeders gaan naar het land hunner ouders terug; daar is groote 
vrengde, en volgt Indra Bangsawan zijnen vader op. De negen worden hem 
schatplichtig. 

CCIX. 

HIKAJAT INDRA BANGSAWAN II. 

Collectie v. d. W. 160, 33X207 2 cM. 93 bl., 19 r. 

De tekst van dit geheel met het vorige nommer overeenkomende 
HS is veel zuiverder dan I; trouwen alle handschriften uit de verzame- 
ling-Cohen Stuart zijn Bataviaasch van taal. en vele zijn zeer slecht 
van stijl. 

De vorst van Kobat Sjahril heet hier Indra Bangsawan; blijkbaar eene 
schrijffout; zijne echtgenoote, in I niet genoemd, heet hier Sitti Gandi. Ratna 
Seri wordt in dezen tekst Ratna Sari genoemd. Dergelijke kleine verschillen 
zijn er meer; maar de teksten zijn bijkans gelijk: alleen heeft I meer moderne 
woorden of onnoodige toevoegingen, synoniemen e. d. 

Een gedicht van acht bladzijden, waarin het geheele verhaal in het kort 
gedaan wordt, besluit het manuscript. 






193 
COX. 
HIKAJAT INDRA BANGSAWAN III. 
Collectie v. cl. W. 161 A, bl., 1—79 r. 4, 19 r. (32X20 cM.) 

Geheel dezelfde tekst. De schrijffout Indra Bangsawan voor Indra Bongsoe 
komt hier niet voor. Evenals in II wordt hier het monster niet Boeraksi maar 
Boerakas genoemd. 

Nu en dan ontbreken in dit exemplaar korte pantoens. 

Achter B (Hikajat Djoemdjoemmah) volgt hetzelfde vers als van II, 
met eene kleine afwijking aan het slot. 

CCXL 

HIKAJAT INDRA BANGSAWAN IV. 

Collectie v. d. W. 162, 20X1G cM. 153 bl. 15—16 r. gedat. 18 
Radjab 1273. 

Voorin staat: Miss, Res. Prenger Reg. 25 Sept. 1857, no. 3340. 

Eenigszins andere redactie. 

Ook hier is in het begin Indra Bangsawan in plaats van Indra Bongsoe 
geschreven. 

De twee kinderen zijn volgens dezen tekst geen tweeling, doch zijn in 
twee verschillende periodes geboren. 

Het redactieverschil openbaart zich voornamelijk in' het gebruik van 
andere, synonieme woorden en uitdrukkingen, en sommige uitbreidingen ook 
door namen; zoo wordt de tuin waar Sjahpëri aankomt hier Tjinta Birahi 
genoemd. Zoo veel mogelijk heeft de schrijver van dezen tekst uitbreiding 
en verbreeding van beschrijvingen toegepast: hoewel het verhaal hetzelfde is, 
is de tekst iets uitgebreider dan die van I, II en III. 

Het verhaal eindigt op bl., 146, maar eene episode is er in dit HS aan 
toegevoegd, en wel: ^^) ^p ^ Jax«^ r V g}) JüL ^sMJ Jy aJüu^' 

Van die negen wordt dan verhaald dat zij vol verdriet over de meerder- 
heid van Indra Bangsawan naar hun land teruggingen. In het tweede jaar 
zonden zij een huldebewijs aan Indra Bangsawan. Deze zond een geschenk naar 
Anta Birahi met een uitvoerigen brief. Radja Mangkoeboemi (dien titel had, 
ook in de andere HSS, Sjahpëri ontvangen) zond mede derwaarts geschenken; 
afvaardiging en ontvangst der gezanten worden breedsprakig beschreven, evenals 
hunne terugzending en terugkomst. Kort daarna krijgt Radja Mangkoeboemi 
Verhandelingen. 13 



194 

êenén zoon dien hij Indra Birabi noemt; ook zijn broeder, de vorst, krijgt eenen 
zoon, die Indra Pramana genoemd wordt. 

CCXII. 

HIKAJAT INDRA BANGSAWAN V. 

Collectie Br. 430, 22 X 17Vs cM -> 159 bl - 1G r - 

Voorin staat dat dit verhaal verkort is medegedeeld naar een handschrift 
van Batavia door Tabri Aboe Abdarrahman, in 1894. 

De vorst heet hier Maharadja Indra Bongsoe, kleinzoon van Maharadja 
Indrakila; zijn land heet: Kobat Sahri. Bijzondere afwijkingen zijn er niet; 
alleen wordt de dochter van vorst Kabïr hier Ratna Sari Boelan genoemd, en 
is het niet de zuster, waar de weduwe van Boeraksa die Indra Bangsawan en 
zijne vrouw ziek maakt. De tekst is zeer uitvoerig, een andere dan de voor- 
gaanden. Het aanhangsel wordt hier niet aangetroffen. 

CCXII1. 

HIKAJAT INDRA BANGSAWAN VI. 

Bat. Gen. 245, 33 X 20 cM., 96 bl. 34 r. gedat. 4 Sept. 1894. 
Uit eene inlandsche leesinrichting. 

Eene nog. al verbasterde bewerking, waaraan de naam Hikajat Mahara- 
dja Indra Kila is gegeven. 

De vorst van Kobat Sjahrin (niet Sjahril) heet hier Indra Bongsoe, 
zoon van Maharadja Indra Kila; niet de zuster, maar de weduwe van Boeraksa 
is het die hier Indra Bangsawan en zijne echtgenoote ziek maakt, en ook hier 
heet de dochter van vorst Kabïr: Ratna Sari Boelan. Beide laatste teksten van 
de Hikajat Indra Bangsawan hebben wel eenige verwantschap, maar de laatste 
is nóg uitvoeriger, en vol modernismen en Bataviasche uitdrukkingen. Deze 
tekst wordt met een toepasselijk vers besloten. 

CCXIV. 

HIKAJAT SOELTAN TABOËRAT I. 

Dit moderne, sterk Bataviaasch getinte verhaal moest uit verschillende 
declen en stukken bij eengelezen worden. 



19 



K 



Bat. Gen. 183, Deel I 34V 3 X22 cM., 446 bl. 24—27 r. 

» TT 40X25 cM. 176 bl., 22 r. ged. 28 Nov. 1885. 
» III 34X21 cM. 350 bl., 17 r. » 13 Dec. 1885. 
»IV 33X21 cM. 282 bl, 17 r. » 15 Jan. 1880. 
» V 34X21 cM. 350bl.,bl.l— 303: 16r. bl. 304—350: 
35 r. gedat. 1 Jan. 1885. 
Deze volgorde is niet die van de episoden van het verhaal. In deel V 
is een gedeelte dat aansluit bij eene episode van deel I, maar de redactie in 
deel V is veel uitvoeriger. Met groote uitvoerigheid wordt daarin het slottafe- 
reel van deel I verhaald ; niet alleen is de voorstelling der gebeurtenissen veel 
breeder, maar enkele kleine trekken worden daar geheel anders weergegeven. 
Het eind van deel I valt samen met bl. 9 1 van deel V ; wat in deel I verhaald 
is kan naar den verhaaltrant van deel V zeker wel vier dergelijke deelen 
gevuld hebben. Na deel V volgt eene lacune, het deel welks inhoud thans 
moet volgen bleek deel II te zijn, en bij dit deel sluit zich deel III aan, 
en hierbij deel IV. 

De ontbrekende gedeelten kunnen uit den tweeden tekst aangevuld worden; 
eerst na de vermelding van beide teksten kan de inhoud van het geheele ver- 
haal medegedeeld worden. 

ccxv. 

H1KAJAT SOELTAN TABOERAT II. 

Bat. Gen. 257 Deel I, 33 X 20 cM., 284 bl. 28 r. gedat. 30 Jan. 1894 
Deel II 33 X 20 cM., 262 bl. 20 r. » 29 Oct. 1893 

Geheel dezelfde tekst als van deel I van no. 183. Alleen komt hier op 
bl. 253 (samenvallende met bl. 276 van deel I) een ingeschoven verhaaltje voor, 
dat loopt tot bl. 265. Het slot komt overeen met bl. 304. r. 7 van deel I van no. 183. 

Deel II van dit nummer sluit zich niet bij het slot van deel I aan; na 
eene lacune volgt op deel II de inhoud van deel II van no. 183. 

CCXVT. 

HIK A JAT SOELTAN TABOERAT III. 
Bat. Gen. 258, 33 X 19 cM., 120 bl. 18 r. gedat. 1310. 
Dit deel bevat een gedeelte van het in no. 183 ontbrekende. 



196 

CCXVII. 
HIKAJAT SOELTAN TABOERAT IV. 

Bat. Gen. 259, 33 X 20 7 2 cM., 192 bl. 30 r. gedat. 20 Mei 1894. 

Op bl. 1 — 109 van dit deel staat hetzelfde als wat voorkomt op bl. 
304 — 446 van deel I van no. 183. Daarna gaat het verhaal geregeld verder; 
het verhaal in deel V toont wederom veel grootere uitvoerigheid dan het 
verhaal in dit deel. Uit het verhaal zelf blijkt dat de volgorde der nommers 
en deelen niet de juiste is; de geregelde opvolging zoude zijn: no. 257, deel 
I, 259, 258, 257 deel II. 

Thans kan de geheele inhoud van den roman medegedeeld worden. 

Inhoudsopgave. 

In Tala c rakan heerscht vorst Soeltan Taboerat, zijne vrouw heet Poes- 
pasari, zijn zoon Indra Boeganda Sjafandar Sjah; in Mahranlinggasari : vorst 
Bahroen, wiens dochter Mahroem Sari huwt met den zoo even genoemden prins. 
Deze maakt een reis, en zijn schip wordt geplunderd door Arman Sjah, die 
echter met zijn land zich moet overgeven. Onder den naam Mansöer Ta c bïr 
gaat de prins naar Bahr c alam waar Dar al-Mahsóed regeert; deze geeft hem 
gelijk tegenover zijnen vasal Arman Sjah, die tengevolge van een twist welke 
door den prins ontstaan was den dood vindt. De vorst keert zich nu tegen den 
vreemden prins, die zooveel last geeft, maar Allah doet hem sterven; de mantri 
Moehammad Sjoehrab volgt hem, wordt de vriend van Mansöer Ta c bïr, en her- 
stelt met hem het recht en de wetten in het land. Dan gaat de prins weer 
reizen, en komt in Bahr al-Gharib, waar c ArifZahara uitstekend regeert; daarna 
komt hij op het eiland Boenga Tadjoe Anta Birahi, waar alles wetende noeri's 
zijn, benevens andere sprekende en raad gevende dieren. Zijn schip vergaat, en 
hij wordt, door eenen bajan van dat eiland vergezeld, door den visscher Kjahi 
Rambanan verpleegd. 

Bl. 102. In Ta c zïr was vorst Taif, met twee dochters: Tjandra Sari en 
Mahroem Sitti, aan wie de zuster der visschersvrouw bloemen verkoopt; van 
deze hooren zij iets over den bajan, en de oudste der twee komt in de visschers- 
hut bloemen zien; de prins wordt van haar bekoord, en schrijft een verhaal, 
dat zij van den visscher koopt. Acht en veertig harer bewonderaars en anderen 
nog moeten iets vertoonen wat haar vermaakt, en de prins overtreft allen, en 
wint veel geld; vele ijverzuchtigen vervolgen hem, gevechten ontstaan, en nie- 
mand krijgt de prinses. Weldra merkt de vorst den prins op; hij is verrukt 
van hem en doet hem huwen met Mahroem Sitti, die echter door hare zuster 



197 

tot allerlei kwade plagerij wordt aangezet. Vorst Taif geeft de regeering aan 
zijnen schoonzoon over; deze, de plagerijen eindelijk moede, bemerkt dat zijne 
schoonmoeder en schoonzuster ze aanstichten, en verlaat dat eiland. In het woud 
ontmoet hij de kinderen van den djinn die hem het hart had beroerd, waardoor 
hij op Mahroem Sitti verliefd was geworden ; een van hen, Lela Mëngarna Indra, 
raadt hem aan naar zijne vrouw terug te gaan. Deze had hem spoedig in het 
bosch gevonden, en zich met hem verzoend, maar weldra sart zij hem weer, 
hij verlaat haar, maar zij haalt hem in, doch in haren slaap verlaat hij haar. 
Wederom voegt zij zich bij hem, en hoort van hem dat hij reeds getrouwd is ; 
hij snijdt haar de haren af, noemt haar Indra Poerana Tamthïl, en geeft haar 
mannekleeren, opdat niemand wete dat zij zijne vrouw is. Op een paard steken 
zij, drie honderd dagen lang, eene groote zee over, en na vier roovers gedood 
te hebben, komt hij terug iu zijn land, dat over hem treurde, maar thans zich 
over zijne terugkomst verblijdt; de oude vorst geneest uit blijdschap van zijne 
blindheid. Zijne tweede vrouw laat hij doorgaan voor eenen reismakker, maar 
zijne eerste vrouw vermoedt iets. De verhouding tot de openlijke en de geheime 
echtgenoote geeft aanleiding tot allerlei moeilijkheden, vooral op eene reis naar 
Mahranlinggasari ; eindelijk is zijn geduld op en verjaagt hij de tweede, die door 
eenen garoeda, die de oude bajan is. weggevoerd wordt. Weldra wordt hij gek 
van verlangen, openbaart het geheim ,harer sexe en qualiteit, en gaat zwerven 
om haar te zoeken. Zij was naar Ta c zïr teruggegaan; hij komt bij eenen asceet, 
die hem eenen brief aan Taif laat schrijven, doch deze veracht hem. Hij doet 
tapa. De vroegere vrijers komen terug en eiscben haar op; onder den naam 
Djohan Pahlawan Nasib Barzamfin bestrijdt zij hen hevig. Met behulp van de 
kinderen van den djinn overwint zij velen. 

De eerste vrouw bemerkt de verdwijning van haren man, en begrijpt 
alles; zij kleedt zich als man, en gaat dolen onder- den naam Indra Mërtjoe 
Noêr al- c alam, en vindt eenen god Wedantawati, die eerst na eene ontmoeting 
met haar weer ten hemel zou kunnen gaan, en gaat met hem naar Ta c zir. 

BI. 432. Moehammad Zoehrab kon zijnen vriend niet vergeten. Deze (de 

I prins) had den naam Indra Maulana Fath al- c alam aangenomen, den vriend 
aan den oever eener zee ontmoet, hem herkend, maar zich niet bekend gemaakt. 
Samen begeven zij zich naar het terrein van den strijd te Ta c zir. 
Deel V, bl. 92. 
Daar stormden allen op Djohan Pahlawan Nasïb Bardjaman aan; in 
eens verdwijnt zij. Nu helpt Maftah al- c alam (hier niet: Fath al- c rilam) die 
van Ta c zïr; Djohan Pahlawan had zich door het wonderpaard Doerman Maha- 



198 

soera naar haar paleis laten voeren, en zich weder als vrouw gekleed. Zij zond 
de kinderen van den djinn op kondschap uit, en dezen verwekken een vinnigen 
twist over de vraag wie den vorst zal escorteeren, docb worden ten slotte door 
een mohammedaansche tooverspreuk krachtetoos gemaakt. De bajan vertelt aan 
Maftah al- c alam dat Djohan Pahlawan zijne vrouw is ; onderwijl hadden twee 
der djinnkinderen den vorst weggenomen en in zijne stad gebracht. Den volgen- 
den dag wordt het gevecht hervat; Maf'tah al- c alam wint; den dag daarop 
bevecht hij Djohan Pahlawan; als het voor haar onhoudbaar wordt, laat zij 
zich door haar wonderpaard naar een bosch voeren. Daar komt ook Nöer al- 
c alam (de eerste vrouw), en elkander niet herkennende sluiten zij broederschap. 
BI. 190. De vorst Taif wil zich aan Maftah al- c alam onderwerpen : dit 
vernemende ijlt Djohan Pahlawan naar de kampplaats en vernieuwt den strijd, 
waaraan ook Tjandra Sari, die zich Indra Misbah al c alam noemt, deelneemt. 
Noêr al- c alam doorschiet het paard Doerman Sjah ; deze, de broeder van We- 
dantawati, wordt weder god en verdwijnt. Bij eene rivier in het nauw gebracht, 
verdwijnen Moehammad Soehrab en Maftah al- c alam. Den nacht daarop gaan 
Djohan Pahlawan en Nöer al- c alam baden; zij ontdekken eikaars sexe, en maken 
zich aan elkander bekend. Maftah al- c alam wordt geholpen door den djinn Praboe 
Gangga Maja Sakti te Toendjoeng Maja Tjinta Birahi. Djohan Pahlawan en hare ma- 
doe hervatten den strijd, en verrichten wonderen van hikmat. In den nacht vernemen 
zij van gevangen genomen vrienden van Maftah al- c alam wie hij feitelijk is. 
.BI. 341. Soeltan Taboerat gaat zijne twee kinderen zoeken, en trekt 
naar Ta c zïr. 

No. 259, bl. 149. 

Ook de vorst van Linggasari (aldus ; Tahwakan heet hier Tar al-carkan) 
gaat naar Ta c zïr. Deze stad werd door vijandige djinn's in de lucht gevoerd, 
maar hun door de goden ontnomen en weder teruggebracht; djinn's en goden 
bestrijden elkaar, en Fath al- c alam (hier aldus) komt daar, en mengt zich in 
den strijd. Juist toen voerden de vorsten van Tar al- c arkan en Linggasari de stad 
binnen ; onmiddelijk herkende Indra Maulana Fath al- c alam hen, en maakt zich 
bekend als Indra Boeganda Asjfandar (sic) Sjah, waarna ook Indra Mërtjoe 
Noêr al- c alam en Djohan Pahlawan Nasib Barzaman (sic) zich als Mahroem 
Sari en Mahroem Sitti bekend maken. Taif voegt zich bij hen. Moehammad 
Soehrab huwt met Tjandra Sari ; vele andere huwelijken worden gesloten. Na 
eerst te Bahr al- c alam vertoefd te hebben gaat Soeltan Taboerat naar zijn land 
terug. Mahroem Sari en Mahroem Sitti en Tjandra Sari zijn zwanger ; deze laatste 
baart Goemanda Soeta, en later Ma c a '1-djamdjam Seri Nagara. Soeltan Taboerat 



199 

sterft. Mahroem Sari en Mahroem Sitti zijn reeds vijftien maanden zwanger; 
de geschikte medicijn is niet te vinden; haar echtgenoot gaat ze zoeken, wordt 
betooverd, vergeet zijue opdracht en huwt met de ascetendochter Roemroem 
Bahroem, die hij zwanger achterlaat. Dan gaat hij naar Bahr al- c alam en vindt 
daar de medicijn, daarmede komt hij na eene afwezigheid van zes maanden te 
Tar al- c arkan terug; de zwangeren baren nu, Mahroem Sari: Goemanda Sakti 
en Mahroem Sitti: Goemanda Soela. 

No. 258. 

Roemroem Bahroem bevalt van eenen zoon, die den naam krijgt Indra 
Maulana Askandar Sjah; hij is zeer dom, en wordt een scherpschutter iu het 
bosch. In Bahroem c alam (sic, niet Bahr al- c alam) regeerde dus Moehammad 
Soehrab, met twee kinderen. De prinses Ma c a '1-djamdjam Seri Nagara ontmoet 
ludra Maulana in het bosch, en houdt hem voor haren broeder Goemanda Soeta, 
op wien hij zeer gelijkt, maar haar broeder komt daar en werpt hem in zee; 
de prinses beweent hem, en noemt hem Si Pandaj Mëmanah Mata. In die zee 
is de visch Gangga Sakti Përtoela Maja, die indertijd van Soeltan Taboerat een 
koemala gekregen had; om dien poesaka strijden zijne twee zonen, zij vinden 
den gezonkeneu Indra Maulana en vragen hem om eene beslissing. Hij maukt 
er zich meester van, en doodt de visschen, die van hunne betoovering bevrijd, 
liem nu huldigen. Hij bekoort en ontvoert de prinses, maar zij verlaat hem 
wegens zijne domheid; na veel zwervens en na bij een goeroe les genomen te 
hebben voegt hij zich weder bij haar, en later ontmoet hij Goemanda Soeta, 
die hem in de wildernis laat werpen. Daar waren twee djinn's die in eenen 
strijd over drie toovervoorwerpen zijne beslissing vroegen; hij neemt de zaken, 
en doodt hen. Dan gaat hij bij Joden en Christenen in de leer, en brengt daarna 
de prinses naar een ver eiland; maar in zijnen slaap steelt zij zijne too verzaken 
en gaat naar haar land terug; haar vader ziet die zaken, en begrijpt de afkomst 
vau deu vreemdeling. Deze was ontwaakt, en doolde rond op het eiland; hij 
doodt eenen draak, en neemt diens moestika, waardoor hij alle dieren en planten 
kan hooren spreken en over de zee kan loopen. Hij gaat ijlings naar de prinses 
terug; haar vader ontvangt hem, en neemt hem als kind aan; zijne domheid 
is verdwenen. 

BI. 114. In Goea Kërbau Giri is Maharadja Danoe Sakti, nu alom Bajoe 
Sakti genaamd, koning van alle dieren, die weer mensch kan worden, als Indra 
Maulana in het land zijns vaders zou zijn; hij wil Indra Maulana oplichten, 
en zich vergissende licht hij Goemanda Soeta op; dit merkt Indra Maulana, 
die hem nazet. Beider verdwijning brengt grooten rouw teweeg. 



200 

Deel II van no. 257. 

Soeltan c Arif az-zahar in Bahr al- c adjaib, ook genaamd c Alitn az-zahar 
hoort van Maca '1-djamdjam in Bahr al- c alam, en wil haar ten huwelijk vragen 
als zijne honderdste vrouw; daartoe vaardigt hij zijnen broeder Windan Kajoen- 
dan af. Deze komt in Bahr al- c alam, en sneeft in den strijd tegen Moehammad 
Soehrab. Voorzichtigheidshalve roept deze de hulp in van de vorsten van Ta c zïr 
en Tar al- c arkan. De goeroe van Indra Maulana wachtte nog steeds op diens 
terugkomst, en droeg zijnen vertrouweling Djamdjamï op hem te zoeken. Deze 
neemt den naam Indra Maulana aan en gaat naar Tar al- c arkan, waar hij zich 
als des vorsten zood bij Roemroem Bahroem voorstelt; men wantrouwt hem, 
maar geen bewijzen tegen hem hunnende vinden, neemt Indra Boeganda Asjfan- 
dar hem tot zich. Kort daarna kwam de brief uit Bahr al- c alam, en met zijne 
beide zonen gaat de vorst daarhenen. Tegen dat land was de vorst van Bahr 
al- c adjaib reeds opgetrokken, Moehammad Soehrab was gevangen, en Ma c a 
'1-djamdjam ontvlucht. De troepen van Ta c zir en Tar al- c arkan kwamen gelijk- 
tijdig aan, en deden den strijd ontzaglijk hevig worden; eindelijk ontmoet 
c Arif az-zahar den vorst van Tar al- c arkan, vlucht voor hem en verdwijnt. De 
rust wordt hersteld; de vorst van Tar al- c arkan laat zijne vrouwen en 
den gewaanden zoon halen; deze steelt een tooverboek, en komt met de 
twee vorstinnen aan. Ieder wantrouwt hem, maar met gegevens uit het 
tooverboek kan hij zich redden. De twee prinsen van Tar al- c arkan gaan 
met den imposteur Goemanda Soeta zoeken; de imposteur laat hen 3poedig in 
den steek. 

BI. 128. Goemanda Soeta nu was bij Bajoe Sakti in gevangenschap 
geraakt; de echte Indra Maulana was de ontvoerders gevolgd en had Goemanda 
Soeta ontdekt, en bevrijd ; Bajoe Sakti en diens apenheir had hij bevochten, en 
hem gedood, waarop deze weer werd die hij vroeger geweest was : Danoe Sakti. 
Goemanda Soeta steelt de tooverzaken van Indra Maulana, en verlaat hem ; 
Indra Maulana werd geholpen door de dieren, o.a, door de apen Tjoetjak Tja- 
rang en Tjatjing Tjoentji. 

Goemanda Soeta vindt zijne zuster Ma c a'l-djamdjam, maar wordt door 
eenen vijand in zee geworpen, door eenen visscher opgevangen, en in het woud 
gesmeten. Daar vindt hem de imposteur; hij overwint zijn wantrouwen, en 
brengt hem in triumf bij zijnen vader, maar men blijft hem wantrouwen. Hij 
krijgt opdracht Ma c a '1-djamdjam op te sporen, vindt de tooverzaken die Goe- 
manda Soeta verloren had. en komt bij den ziener, wien het gestolen boek 
toebehoorde ; deze voert hem vóór den vorst des lands, Bahroen van Singcrasari, en 
deze laat hem brandmerken. Daar komen echter de twee prinsen van Tar al- 



201 

arkan en bewerken dat hij vrijgelaten wordt; alle drie gaan terug naar Bahr 
al- c alam, waar zijne zaak onderzocht zal worden. 

Deel II van no. 183. 

(Kleine lacune). Si Pandaj Mëmanah Mata doolde rond met Ratna Koe- 
raaja (nog niet genoemd) en de twee apen Tjatjing Toentji en Tjatjak Djaran 
(sic), die overal twist verwekken, en de prinses tegen eiken aanval beschermen. 

Eene rooverbende onder Gëmar Soelahi, die eenen ouden wrok koesterde, 
valt Tar al- c arkan aan, en verbrandt veel. De twee prinsen (die blijkbaar aldaar 
teruggekomen zijn) kunnen niet winnen ; de gewaande Indra Maulana moet zich 
in den strijd begeven vol angst. Een vroegere goeroe van hem herkent hem, 
begrijpt dat hij Indra Maulana niet is, durft niets te zeggen, doch weigert den 
sëmbah voor hem te maken. Dit doet den reeds bestaanden argwaan nog toene- 
men. Si Pandaj Mëmanah Mata kwam in de nabijheid, en deed des nachts den 
roovers afbreuk, maar voor eenen vijand aangezien wordt hij door den impos- 
teur gevangen genomen. Hij durft zijnen waren naam niet te noemen, en zegt 
nu eens Djamdjami, dan eens Silatjoer, dan weer Si Pandaj Mëmanah Mata. 
en ook Si Bodo te heeten; de vorst van Tar al- c arkan twijfelt. Door eenen 
koemala bevrijdt hij zich, en voegt zich weer bij zijne vrouw Ratna Koemaja. 
De roovers zetten den strijd voort. *) 

Deel III van no. 183. 

Eindelijk sneuvelt Gëmar Soelahi. 

De aap Tjatjing Tjoentji was naar Tar al- c arkan gegaan, en Tjoetjak 
Djaran was verdwaald en ook daar terechtgekomen ; mede aldaar was de vorstin van 
Bahr al- c adjaib gearriveerd; de apen worden er gevangen gezet. Allen gaan naar 
Bahr al- c alam om het huwelijk van den ge waanden Maulana Indra met de 
prinses Ma c a '1-djamdjam te vieren. Het huwelijk wordt gesloten, maar zij blijft 
verlangen naar haren geliefden Si Pandaj Mëmanah Mata. Daarna gaan allen 
naar Tar al- c arkan; allen voelen eene walging van den leelijken bruidegom. 

Na een laugen zwerftocht waren Si Pandaj (alias Si Bodo) en Ratna 
Koemaja in het feestvierende Tar al- c arkan aangekomen, hij bevrijdde de apen, 
en werd door zijne daar thans verblijvende moeder Rinoem Sari (= Roemroem 
Bahroem) herkend. Ratna Koemaja onttoovert de twee apen, en zij worden weder 
de eertijds vervloekte zonen van Pandita Roeman, die als leeraar en vermaner 
telkens optreedt. Zij vertellen haar dat de zoogenaamde Indra Maulana niet de 
ware is, maar een listige bedrieger. Eindelijk wordt deze gevangen gezet. Ratna 
Koemaja, die als kind reeds verdwenen was, vindt haren vader, Indra Maulana's 
1) Achteraan een vers. 



202 

eersten minister; deze echter erkent haar niet, en wordt door haar aangevallen. 
Hieruit ontstaat een algemeen gevecht, waarin de vorst van Tar al- c arkan 
tegenover zijnen zoon komt te staan; eindelijk herkent hij zijn kind. Ook de 
eerste minister herkent zijne dochter, op wie de prinses Ma c a'l-djamdjam lang 
geleden eene poging tot moord gedaan had. 

Nu blijkt dat Si Pandaj Mëmanah Mata niemand anders dan Indra Maulana 
Askandar Sjah, en zijn dubbelganger de schurkachtige Djamdjamï is. Nu heeft 
eene algemeene opheldering plaats ; voorbeeldig zal de imposteur gestraft worden. 
Maca'l-djamdjam is woedend nu zij bemerkt dat haar geliefde reeds getrouwd is. 
De vader had in den strijd tegen zijnen zoon zijn oog verwond, en niemand kon het 
genezen ; ten slotte kan alleen Indra Maulana het benoodigde geneesmiddel halen. 
Ma c a'l-djamdjam wordt ziek van woede, en gaat naar Pahr al- c alam terug. Lang en 
fel wordt de imposteur gemarteld, totdat hij het leven verliest. Het blijkt dat 
Ma c a'l-djamdjam door den kortstondigen omgang met den bedrieger bevrucht is. Het 
huwelijk met Ratna Koemaja wordt schitterend gevierd. Tar al- c ai-kan bloeit. x ) 

Deel IV van no. 183. 

Moehammad Soehrab was naar Bahr al- c alam teruggegaan. Maca'l-djam- 
djam was daar ongeneeslijk ziek geworden; Indra Maulana en zijne beide half- 
broeders komen daar om haar te genezen, en daarna gaan zij terug. Taif voelt 
zijn einde naderen; Goemanda Soela spoedt zich naar Ta c 'zïr. Ma c a'l-djamdjam 
baart eenen zoon. die Darma Satia Sjams al-nari genoemd wordt Taif sterft 
en Goemanda Soela volgt hem op. Er wordt voorspeld dat de jonggeborene 
ellende over het land zal brengen ; inderdaad woedt weldra een groote brand. 
Ratna Koemaja baart Darma Satia Kamar al- c alam en Anta Manikam Rawan 
Galaran, In Bahr al- c alam ging de algemeene toestand achteruit ; men haat 
daar het kind. De grootvader brengt het naar Tar al- c arkan, waar hij allerlei 
kinderavonturen beleeft met den tweeling, en hij zich onderscheidt door slecht- 
heid. Teruggebracht naar Bahr al- c alam ontsnapt hij naar Tar al- c arkan ; weder 
naar huis gezonden wil hij weten wie eigenlijk zijn vader is. 

BI. 202. De gemalin van den vorst van Singgasari sterft; Bahroem wil 
hertrouwen, maar Goemanda Sakti zal hem in elk geval opvolgen. Darma Satia 
Sjams al-nari speelt voortdurend met den jeugdigen tweeling, maar een hunner 
voorvaderen, als olifant zich voordoende, zegt hun dat hun makker de zoon 
van een schm-k is; allerlei boosaardigs haalt hij uit, en doodt het tweeling zusje 
buiten medeweten van zijne moeder. Een dief, boos omdat er in de stad niets 
te stelen valt, wil Darma Satia Sjams al-nari dooden, ontvoert hem in den slaap, 



1) Achteraan een vers en een verhaaltje. 



203 

doch krijgt deernis, en verkoopt hem als slaaf. De tweelingbroer mist na zijn 
ontwaken het zusje, en gaat haar overal zoeken ; de dieren beschermen hem 
en deelen hem mede wie de moordenaar is. Allah doet haar herleven, en samen 
zwervende komen zij bij eene eenzame oude vrouw. Hunne ouders laten hen 
overal zoeken. Ratna Koemaja zoekt hen als man verkleed, haar man wordt 
ziek van leed, ook Goemanda Sakti gaat zoeken. Ook in Bahr al- c alam treurt 
men over de verdwenenen. Ma c a '1-djamdjam verkleedt zich als man en gaat 
naar Tar al- c arkan. 

Een handelaar kocht Darma Satia Sjams al-nari; diens aanwezigheid 
op het schip maakt dat er niets verkocht wordt, en het schip vergaat. Meestel- 
en slaaf worden gered. x ) 

Het slot van deze geschiedenis is niet aangetroffen. Waarschijnlijk zoude 
de auteur, tevens eigenaar der inlandsche leesbibliotheek, waaruit dit verhaal 
afkomstig is, zijnen roman zoo lang vervolgd hebben als er vraag naar was 
bij zijne lezers. Het vervolg en slot heb ik nergens aangetroffen; wellicht be- 
stond er nog geene voortzetting van, toen de boeken der leesinrichting door het 
Bataviaasch Genootschap werden aangekocht. 

CCXVIII. 
HLKAJAT BOEDJANGGA MAHARADJA INDRA MAHAROEPA. 
Collectie v. d. W. 15(5, 33 X 20 cM., 241 bl. 19 r. 

Op het schutblad is de titel Hikajat Boedjangga Maharadja Indra Ma c roêf. 

Inhoud : 

Er waren vier broeders : Seri Goempita Halam, Seri Radja Makoeta, 
Seri Mëngindra Radja di Oedara en Seri Indra Bangsawan, allen vorsten ; de 
vrouw van den eerste heette Poespa Mëngindra Seri Tertapa, hunne vier zonen : 
Indra Mëngindra Bikrama Indra Moeda en Mëngindra Seri Indra; het land 
heette Pradjoeita Indra. Verder waren er acht pleegzonen, allen met name genoemd. 
Voor de twee oudsten worden de prinsessen van Mërtjoe Tjantaka en Tjinta 
Noerakas gevraagd. Voor het huwelijk worden vele vorsten genoodigd, en 
komen mambang-hoofden ongenood; met groote feesten wordt het huwelijk 
der prinsessen Noer Lila Madoe Ratna en Arika Soeri gevierd. (De beschrijving 
daarvan is buitengewoon uitvoerig). Indra Moeda en Mëngindra Seri Indra zijn 
bekoord van de prinsessen Tjandra Lila Noer Lila en Mëngindra Koesoema 
Dewi van Saoedjana Indra; ook deze huwelijken komen tot stand; elk der vier 
zonen krijgt een gebied. 
1) Achteraan een vers. 



204 

BI. 62. De vorst Bërangka Gilang Dewa van Bëranta Djitan had vier 
zonen en twee dochters : Ratna Djintan en Lila Kandam, en de zonen : Lela 
Indra, Radja Tidar [? AxJ'V Indra Sjah Përi en Indra Sangri en een pleeg- 
zoon Bahman Sakti. De vorst wil voor zijne zonen de pas uitgehuwelijkte vier 
prinsessen hebben; zijn broeder Indra Dewa raadt af een strijd te wagen, en 
neemt op zich de vier vrouwen te schaken. Hij zendt twee djinns met een 
ontembaar paard naar Pradjoeita Indra; de twee jongste prinsen bestijgen 
het, en worden door het paard in de lucht gevoerd ; niemand kan hen terug- 
vinden. Zij beiden kwamen terecht op den berg Tjandra Maharoepa, de plaats 
waar de goden tapa doen ; de jongste dwaalt af en de ander ontmoet daar eenen 
bëroek die hem het gebruik van het paard leert, en bij hem blijft in zijnen 
tapa. De jongste was terechtgekomen in de vlakte Bëlanta Tjahaja; hij leest het 
gebruik van het paard, dat hem gevolgd was, op diens teugel, maakt het tot zijn 
gedienstigen geest, wanneer hij het zal oproepen, en gaat zijnen broeder zoeken. 
Op zijnen tocht redt hij een paard en een slang, die hem volgen ; zij komen in de 
grot van een raksasa-echtpaar; de vrouw geeft hem een tooverring, de man wordt 
door hem met behulp van het paard overwonnen, en biedt hem zijne diensten aan. 

Intusschen waren de beide djinns voor hunne moeite vorstelijk beloond, 
en had Bërangka Gilang Dewa de vrouwen der twee verdwenen prinsen te 
Pradjoeita Indra laten vragen. 

Met paard, slang en raksasa's was Mëngindra Seri Indra aangekomen 
in Bëranta Indra, waar Ahmad Indra Laksana regeerde, wiens dochter Si nar 
Ratna Boelan heette, en reeds door velen was ten huwelijk gevraagd. Hij 
neemt den naam Dewa Soeka Mandja Bangsawan aan, en heeft eene ontmoeting 
met de prinses met hulp van de raksasi die zich als hofjuffer vermomt, en haai- 
de deugden van den prins beschrijft. Zij beminnen elkaar; de wakers ontdekken 
het, en de vader laat het prinsessepaleis omsingelen ; de raksasa doodt zeer 
velen der belegeraars; het wordt een groot gevecht, en veertig vrijers der prinses 
trachten haren geliefde te dooden. Hij roept 16 hikmat-helden op die voor 
hem strijden; eindelijk wordt hij herkend als prins van Pradjoeita Indra en 
beleefd ontvangen; het was een zijner pleegbroeders, die hem zoekende daar 
beland was, die hem herkende. De vrede wordt gesloten. 

BI. 138. Indra Moeda was helder van geest geworden door zijn tapa en 
wist alles wat geschied was. Met den bëroek en een apenleger trekt hij naar 
Bëranta Djitan, onder den naam Boedjangga Maharoepa Akas Mëngindra Sakti 
(ook Boedjangga Indra Maharoepa). Door de lucht bereikt hij die stad, en wekt 
onmiddellijk de liefde der prinsessen op, zoodat zij bezwijmen; niemand kan ze 
genezen, hij neemt die taak op zich, en volbrengt die, waarna hij zich snel 



205 

verwijdert, daar men hern wil gevangen zetten; hij wordt omsingeld, doch doodt 
velen, en neemt de prinsessen op zijn wonderpaard mede in de lucht. 

BI. 159. Intusschen was de afgezant van dat land aangekomen in Pradjoe- 
ita Indra om de vrouwen der verdwenen prinsen op te eischen, en smadelijk 
afgewezen. De veertig teleurgestelde vrijers die uit Bëranta Indra waren weg- 
gegaan boden hun diensten aan Bëranta Djitan aan, welke stad reeds zeer 
geteisterd was door de bende van Boedjangga Indra Maharoepa. Een groote 
strijd ontwikkelt zich nu; de vier prinsen trekken inmiddels tegen Pradjoeita 
Indra op. Boedjangga Indra Maharoepa laat zich door zijn paard naar Bëranta 
Indra voeren, waar zijn broeder vertoefde. Zij herkennen elkaar, en be- 
sluiten om naar Pradjoeita Indra te gaan ter hnlp en tot ontzet; allen ook 
Ahmad Indra Laksana, gaan mede. Reeds waren Indra Mëngindra en Bikrama 
Indra ten strijde uitgetogen, maar zij moesten wijken; daarna keerde de kans. 
De twee jongere broeders maakten zich eerst van Bërangka Gilang meester 
en namen de geheele bevolking gevangen, en gingen daarna naar Pradjoeita 
Indra, waar de strijd nog woedde. Hunne aankomst brengt groote verbazing 
teweeg; eindelijk worden zij door hunnen vader herkend. De aanvallers worden 
geheel verslagen, de veertig sneven, evenzoo de vier prinsen van Bëranta Djitan 
en Bahman Sakti en Bërangka Gilang zelf. Daarna heerscht algemeene vreug- 
de in Pradjoeita Indra. 

CCXIX. 
HIKAJAT INDRA DJAJA PAHLAWAN. 
Collectie v. d. W. 152, 32 X 20 cM., 251 bl. 19 r. 

Inhoud : 

In Samsoe c Alam Bahr al- c asjikïn was vorst Boelia Kësna. Hij krijgt 
in den droom den raad om, ten einde kinderzegen te erlangen, naar den berg 
Balad Wangka te gaan, daar de bloem .j}j C^ÖV te plukken, en daarvan 
met de vorstin te eten. Hij volgt dien raad, en toen zij de bloem geplukt 
hadden waren zij in olifanten veranderd; onder de namen GadjahPëndjëlëma'an 
Dadoe en Gadjah Wanta Dadoe blijven zij op den berg. Langlang Boeana deelt 
hem mede dat de gedaanteverandering dertig jaren zal duren, en de straf is 
voor zijn vergeten van zijnen vader Kësna Indra die uit verdriet daarover 
gestorven is; hij draagt hem op het te verwachten kind Indra Djaja Lela te 
noemen, en in den vijver op den berg te werpen als het twee jaren zal zijn. 
Het kind wordt geboren in menschengedaante, en aan den last wordt voldaan. 

Maharadja Kala Darma was een groot djinn-vorst; op last van Lang- 



206 

lang Boeana verpleegde hij Iudra Djaja Lela, totdat hij volwassen was; toen 
vertelde hij hem zijne afkomst, deelde hem mede dat Langlang Boeana hem 
Indra Djaja Pahlawan noemde, en voorspelde hem grootheid; met twee won- 
derkracht bevattende goeliga's gaat hij naar zijne ouders; hij doorschiet de 
beide olifanten waarop zij weer menschen worden. Uit vrees van door hen 
in hun land gehouden te worden zegt hij hun niet dat hij hun kind is. 
Een volledige stad toovert hij tevoorschijn; daar komen Boelia Kësna's vroegere 
onderdanen hunne opwachting maken. Kort daarna gaat Indra Djaja Pahlawan 
dolen, westwaarts. Hij komt aan de vlakte waarin de vervloekte stad Tjita 
Hïranï is veranderd, waar de door de goden gestrafte vorst Maharadja Lang- 
lang Samoedra geboeid geweest was ; evenzoo was 't zijn vroegeren vijand Maha- 
radja Bajoe Nafiri van Arga Singa vergaan, welke residentie was veranderd 
in de zee Anta Hïranï. De daar vertoevende geesten wilden hem vernietigen, 
maar met zijne too ver middelen overwint hij allen, doch blijft als een groote 
edelsteen onverwrikbaar in den mond van Langlang Samoedra steken. 

BI. 26. Zekere vorst Djohan Djauhari had eene dochter Asmaja Indra, 
om wier hand 39 vrijers dongen; de vader bepaalde dat degene die de prinses 
uit haar welbewaakt paleis kon halen haar echtgenoot zoude worden. 

De vorst Maharadja Përanggi Kësna 1 ) was, door Batara Indra vervloekt, 
een naga geworden; onder den naam Maharadja Antaboga deed hij strenge 
ascese. Hij rooft Asmaja Indra en houdt haar bij zich. Indra Djaja Pahlawan 
had zich uit den mond van Langlang Samoedra kunnen verlossen, en een koemala 
gevonden waarop twee namen gegrift waren : Indra Asmaja Indra en Tjahaja Noer 
Lila. Hij trekt verder, doet alle dooden op een oud slagveld herleven; hun vorst 
Djohan Sjah Përi herleeft ook; hij was de zoon van Kala Darma en was gevallen 
toen hij dezen verdedigde, en hij sluit zich bij Indra Djaja voor goed aan. 

BI. 40 Gangga Soera wil zijnen zoon Djohan Sjah met de dochter van 
Gangga Maja Lela Tjahaja doen huwen ; alles wordt voorbereid, maar een teleur- 
gestelde bajan verandert zich in een garoeda, en ontvoert Lila Tjahaja. Weldra 
komt Indra Djaja met de zijnen in zijne nabijheid; Indra Djaja doodt hem, waarop 
hij weder wordt die hij oorspronkelijk was: Maharadja Bajoe *}. Deze hervat 
den strijd; bij ongeluk wordt Lila Tjahaja 3 ) doodelijk gewond, waarna het 
gevecht verwoed voortgaat. Indra Djaja doet Lila Tjahaja herleven; de strijd 
wordt steeds feller, onophoudelijk veranderen de vijanden van gedaante, en Lila 
Tjahaja kijkt toe. Dit wordt gezien door Langlang Boeana; hij verandert zich 



1) Later: Indra Samana. 

2) Ook: Bajoe Kjssna Loclava; in de eigennamen heerscht groote verwarring. 

3) Ook Lila Nocr Tjahaja. 



207 

in een gouden pauw, ontvoert haar, en stelt haar onder de bewaking van Anta- 
boga. Zoo ontmoet zij Asmaja Indra. 

Inmiddels woedt de strijd voort; eindelijk vlucht Maharadja Bajoe. Indra 
Djaja vindt een pauwevêer waarop Lila Tjahaja haar avontuur geschreven had, 
en laat haar door vier djinn's zoeken. 

BI. 74. De vader van Asmaja Indra had hare hand toegezegd aan ieder 
die haar uit de macht van haren roover kon verlossen; de 39 gingen haar 
zoeken en ontmoetten de zendelingen van Indra Djaja. Bij dezen had zich Djohan 
Sjah gevoegd, die weldra naar den Arga Singa ging om Bajoe Kësna te zoeken. 
Indra Djaja volgde hem daarheen. Daar was werkelijk Bajoe Kësna Lodara 
gevlucht hij zijnen vader Bajoe Nafiri, en weldra werd hij door Djohan Sjah 
bestookt, doch deze vond daar den dood. Gangga Soera en Gangga Maja komen 
daar aan ; tegen hen richt zich nu de strijd, de eerste sneeft spoedig en kort 
na hem ook Gangga Maja; zijn zoon Nabat Roem Sjah wil hem wreken, maar 
vorst Indra Kësna neemt 't voor hem op, en wordt gedood. Zoo worden velen 
door Bajoe Kësna neergelegd, maar telkens herleven de gedooden door de won- 
dermacht van Indra Djaja, die ten slotte zelf in het krijt treedt. Weldra wordt 
Bajoe Kësna overwonnen, waarover zijn vader zich gruwelijk wreekt; hij was 
echter slechts gewond, niet gedood, en weldra hervat hij zijn moorddadigen 
strijd tegen Indra Djaja en diens scharen. Eindelijk komt Indra Djaja op sluwe 
wijze te weten waar zijn wondbare plek is, en doodt hem. Dan verandert hij 
zich in een vogeltje en vliegt naar den berg van Antaboga, maar hij zich aan 
de twee prinsessen vertoont; hij ontvoert ze in een tjoemboel, en sticht eene stad. 
Uit woede vernielt Antaboga den oceaan en al zijn heir, en alles op zijnen 
weg verwoestende komt hij bij de stad Sahasina van Maharadja Manik Maja, 
die hij echter onverlet laat. Kort daarna bevalt de vorstin van een apekind ; 
Manik Maja laat moeder en kind in een ijzeren kist sluiten en die in zee werpen. 
Zij beiden blijven in leven, en na vier jaren noemt zij hem Langka Indra Loka; 
na twaalf jaren is de kist versleten, en duiken moeder en kind op. Zij belanden 
op het eiland Langkawi, waar de schatkamer van Jj^)jai> &.). is, bewaakt 
door zijne 12 jarige dochter Mahirah Langkawi 1 ); daar huwt zij met den 
opperdjinn Gadasataka, en wordt Indra Loka de gezel van Mahirab. 

BI. 147. Indra Djaja trok verder met de twee prinsessen, en ontmoette 
de vier djinns die hij had uitgezonden om Lila Tjahaja te zoeken. Weldra komt 
hij bij Djohan Djauhari, die hem onmiddelijk als schoonzoon verwelkomt; het 
huwelijk wordt gesloten. Anta Boga ontmoette op zijn zwerftocht de 39 vrijers, 
die hem dadelijk aanvallen, doch allen gedood worden door zijn gif. Daarna 
1) Later: Dewi Ratna Mahirah Lang-kawi. 



208 

zwom Anta Boga naar Langkawi, waar hij Mahirah oplicht; ongemerkt volgt 
Langka Indra haar op zijnen rug. Zoo komen zij op den tapa-berg aan. 

Djohan Sjah Përi zocht intusschen naar Indra Djaja. Deze was op weg 
naar zijne eigene ouders, met zijne echtgenoote, en ontmoette Djohan Sjah Përi, en 
met hem trok hij voort tot aan de plaats waar Anta Boga was. Indra Djaja 
verandert zich in eenen garoeda en ontvoert Mahirah, waarop Anta Boga door 
duizenden vergiftige slangen velen van de lieden van Indra Djaja en Djohan 
Sjfih Përi laat dooden, tot dat zij alle door Indra Djaja's wonderpijlen gedood 
worden. Daarop verjaagt Anta Boga hen allen; eindelijk valt Indra Djaja zelf 
hem aan en doodt hem, waardoor hij weer Indra Samana wordt, en weder god 
geworden, Indra Djaja voor immer zijne hulp toezegt. Hij doorschiet Indra Loka 
met de bedoeling hem eene menschelijke gedaante te doen verkrijgen, wat 
gelukt. Allen trekken gezamentlijk verder. Indra Djaja en Indra Loka bestijgen 
den berg Mala Soeganta ; daar is de prinses Seri Gading, en deze rooft Indra 
Djaja. Haar vader, Poespa Pandaj, zendt 140 prinsen uit om haar te zoeken. 

Indra Djaja was intusschen in zijn vaderland aangekomen en had Boelia 
Kësna en diens gemalin wedergezien, en daar eene hem nog onbekende zuster 
van 15 jaren Seri Mala leeren kennen ; de drie vrouwen, die hij in tjoemboel's 
bij zich heeft, sluiten zich spoedig bij haar aan. Langkawi huwt met Djohan 
Sjah Përi, en Seri Mala (Indra) met Langka Indra Loka. 

De 1-40 zoeken nog steeds onder leiding van Djagasoera en Mambang 
Sagara; zij komen aan den Balad Wangka, waar zij benden van Djohan 
Sjah Përi aantreffen en bevechen ; deze zelf, Indra Loka en Indra Djaja mengen 
zich alras in den strijd, waarop de aanvallers zich weldra moeten onderwerpen 
en vriendschap sluiten. Zij krijgen eenen honenden brief voor Poespa Pandaj 
mede; dadelijk trekt deze met Djagasoera en Mambang Sagara tegen Indra 
Djaja op, maar bedenkt zich onderweg en sluit vriendschap met hem en 
zijnen vader. 

BI. 220. Gadasataka was Mahirah overal gaan zoeken, en beland bij 
Manik Maja, die na het hooren van zijn verhaal met hem ging zoeken. Ook 
zij komen aan het verblijf van Indra Djaja, bieden hunne hulde aan en zien 
den mensch geworden aap weder. 

Hierna verandert het verhaal onverwachts en zonder overgang, midden 
in eenen zin, in een verlengstuk waarin Mambang Sagara de hoofdpersoon is, 
de bemoejingen van de goden met hem beschreven worden, en de stad Pra- 
djoeita Indra (zie de vorige hikajat) het schouwtooneel der gebeurtenissen is. 
Verder wordt medegedeeld dat Indra Djaja tapa doet onder den naam Bagawan 



209 

Soera Praboe Ingalaua, en Dewa Soeria zijne hulp inroept om den tapa- 
doenden Nata Brangta te verdelgen. Deze was reeds bezig het godenverblijf te 

vernielen, en Soera Praboe Ingalana Daarna gaat het eigenlijke verhaal 

eensklaps voort. 

De zaak is dat bl. 228 r. G v.o. — bl. 248 r. 5 v.o. niet in dit verhaal 
thuis behooren ; blijkbaar heeft de copiist eene fout begaan ; zonder op het 
verband van het verhaal te letten heeft hij uit eene andere hikajat een twintig;- 
tal bladzijden overgeschreven, en daarna het oude verbaal onbewust voortgezet 
door weder uit het eerste origineel voort te copieeren. Bl. 228 r. 6 v.o. en 
248. r. 5. v.o. vertoonen éénen doorloopenden volzin, die door het invoegsel 
gestoord is. x ) Aan het slot wordt verhaald dat Boelia Kësna Indra Djaja tot 
vorst verheft met den naam Maharadja Indra Dewa Paksi Bantara. 

Deze hikajat heeft wel geringe gelijkenis op de Hikajat Indra Djaja of 
Hikajat Sjahi Mardan, maar is geenszins eene »andere geschiedenis van Indra Djaja". 

ccxx. 

HIKAJAT MAHARADJY MOENDING GIRI DAN PANG- 

GOENG KARATON. 

Collectie v. d. W. 145, 34 X 20V 2 cM., 40 bl. 21 r. 

Voorin staat: „Maleische vertaling van het Soendasche epos Poeteri Pang- 
goeng Kadatoen. Geschenk van den Heer Kinder, Ass. Resident van Soemedang, 
Batavia, 8 April 1857." 

De volledige titel van het geheel gevocaliseerde handschrift is: 

£}£»i jjlJ s.*i H,^>^> ^A-fr* C^o.»- u5\^ ^.^*- uy^ jjï ^^ 
^IsoyU i_S"r^ f C }^^ y}^ ^/"W? }&*£ )&Xm {^-Q &*j<2 ^J^SJSd <idü.»J (jjJ'U^ 



1) De volzin is: SO»J ijji ójJüi i * C^-, C^o) .J^t"" £.W>j -£i\Xo ó.\£j ^U*w 

C^oj AJUJJ ii fi^^ uV *^>f fi^ (_5 & b^ { ~^ ^ 

enz. -iJuo LÜ\1 ).SJ) Usj &ÏL» .juuuj AJ^j) JsK'\$ ±X#) (sic) Js ^li)óJ^o <_>AO> 
De puntjes wijzen de plaats aan waar het vreemde gedeelte ingevoegd is; dat gedeelte begint 

^.iülxli» &O.Ï XXïïjl ^.i Ll^-r-J _). CS<< en eindigt ^ Vy* ,j)jUó CS-< 

^5>.U C^iU m.*^"* UJ* ^t L ^" < ^J 1 ^/^<^ lSj^ *H* 
Verhandelingen. 



210 

De inhoud is aldus : 

In Pakoean Padjadjaran heerschte Maharadja Moending Pakoean, gehuwd 
met Majang Sarasah; hun kind heet Maharadja Moending Giri. Deze wordt 
naar Tatara Wetan gezonden met Panggoeng Karaton, den zoon van Datoe 
Moeroekoel, broeder van Soengging Djamantri en Kalanga Samantri; hunne 
zusters heeten Po e tri Boengsoe Sari Këmbang, (de vrouw van Moending Giri) 
Majang Sari Këmbang en Atas Palirabarang Girang. Alle dezen gingen mede 
naar Tatara Wetan. Daar vestigden zij zich te Pondok Sipara Rambon in 
Sangijang Këpoeh Toenggal; daar werd Moending Giri vorst, en Panggoeng 
Karaton përdana mantri. 

Datoe Djongrang van Kota Djoetang had tapa gedaan en daarmede de 
kracht verkregen om eene vrouw te ontvoeren, waarvan hij gebruik maakte door 
de vorstin van Sipara Rambon te stelen. Hij brengt haar naar Gënggëlang. 
waar Gadjah Manggala regeert, en van daar naar Djoetang; als hij haar wil 
naderen gelast zij hem eerst zeven jaren en zeven maanden tapa te doen, wat 
hij omniddetlijk gaat verrichten. Haar echtgenoot bemerkt dat zij in Djoetang 
is, en draagt den përdana mantri op haar terug te brengen, nadat Soengging 
Djamantri eerst was uitgezonden, maar door Gadjah Manggala gevangen gezet. 
Bij dezen vorst komt de përdana mantri in dezelfde gevangenis, waaruit hij zich 
echter door toovermacht bevrijdt; ten tweeden male listiglijk daarin gesloten 
verheft bij er zich mede in de lucht, en laat den vorst die er op zat naar 
beneden vallen. Zij blijven ongedeerd en beginnen een gevecht; Gadjah Mang- 
gala roept Lëmboe Woeloeng ter hulp, doch deze sneeft, waarop hij den përdana 
mantri tracht te vergiftigen, wat aanvankelijk gelukt; bijgekomen bestrijdt hij 
Gadjah Manggala, allerlei gedaanten nemen zij aan, eindelijk roept de vorst 
Datoe Djongrang ter hulp, die hem verbergt. De përdana mantri komt in 
Djoetang; hij en de ontvoerde vorstin zien elkaar zonder elkander te herkennen. 
Na de herkenning geeft zij hem de djimat van Datoe Djongrang, en wordt 
door hem naar Gënggëlang gevoerd, waarheen Djongrang en Gadjah Manggala 
hen spoedig volgen. De eerste wordt door den përdana mantri gepijnigd, en 
vraagt vergiffenis en verlof om zijn tapa voort te zetten, wat toegestaan wordt; 
Gadjah Manggala wordt door hem doodgewreven. Hiervan geeft hij kennis aan 
Moending Giri, die ijlings naar Gënggëlang vertrekt, en zich daar vestigt. 

BI. 18. Op eenen berg was de stad van Radja Pamërat Langit; deze 
rooft Poetri Bongsoe Sari Këmbang, Dadelijk komt de përdana mantri haar 
opeischen; zonder strijd ontvoert hij haar en Langit Sari de zuster van Pamërat 
Langit, waarop Pamërat Langit tegen Gënggëlang optrekt. Gadjah Manggala, 
die uit den dood was opgewekt, moet hem bestrijden, en kan het niet winnen. 



211 

Terwijl Poetri Bongsoe Sari Këmbaug door den përdana mantri werd vergezeld 
door de wildernis beviel zij van een mannelijken tweeling; toen zij zich in de 
rivier giug baden werd zij door een naga verslonden; de përdana mantri liet 
den tweeling daar en vlood, maar de banteng Lilin viel hem lastig. De twee- 
ling groeide op zwierf door het woud en ontmoette den përdana mantri; met 
hem gingen zij naar de rivier, doodden den nnga, en vonden de moeder die zij 
deden herleven. Zij noemt hem Radja Poetra Boma Menggala Mantri Ar ja 
Manggoerang Pakoean en Radja Poetra Djaja Paningal Mantri Satria Mang- 
goerang Pakoean. Alle vier gaan verder; de banteng wordt gedood. De knapen 
komen in Gënggëlang en laten hunne hanen vechten ; zoo trekken zij de aandacht 
van den vorst die in hen zijne zonen herkent, en zijne echtgroote met den 
përdana mantri weer tot zich neemt. 

In Handjoeang is vorst Manggala Djagat ; deze laat in Gënggëlang een 
poesaka stelen; onmiddellijk wil Djaja Paningal het hem ontrukken, en doodt 
den mantri en twee helden, waarop de stad zich aan hem onderwerpt. 

In Tandjoeng Singgoeroe is Rangga Sinoman ; deze laat eene der vrouwen 
van den vorst van Gënggëlang oplichten; Boma Mëuggala echter verslaat hem 
en onderwerpt zijn land. 

In ïjarioenggang is vorst Rangga Siloman; deze doet hetzelfde; Djaja 
Pëningal neemt wraak ; het land wordt door hem onderworpen. Daarna gaat 
Poetri Bongsoe Sari Këmbang met alle onderworpen vorsten naar haar 
vaderland terug, waar ter eere van haar en Moending Girï groote feesten 
gevierd worden. 



AFDEELING II. 

MOHAMMEDA ANS< 'HE LEGENDEN. 

CCXXI. 

ANBIJA I. 

Bat. Gen. 203 A. 34 X 21 cM., 218 bl. 31 r. 

Notulen XXIX (1891) bl. 81. XXX (1892) bl. 42. 

Gedateerd 1 Radjab 139 (sic). 

Als algemeene titel der prof eten verhalen is anbija gekozen: dit handschrift 
is Kilab anbija getiteld. Het is opgesteld door Ahmad ibn Moehamniad ibn 
lbrahïm Sjilabï. 

De stof is aldus verdeeld : 
bl. 2 Scheppingsverhalen. 
» 12 Iblis. 

» 14 Adam en zijne zonen. 
» 18 Idrïs. 
» 20 Noêh. 
» 27 Hoed. 
» 29 Salih. 
» 31 Nimroêd. 

» 32 lbrahïm, Ishak en Ja c koeb. 
» 50 Loth. 
» 57 Joesöef. 
» 9G Firfaun en Möesa. 
» 104 Sjoe e aib. 
» 124 Karden. 
» 147 Joesa c . 
» 151 lsmawïl. 
» 155 Talóet wa Da'oêd. 
» 170 Soelajman. 



J 



213 

bl. 189 Aroemija en Bachtnasar. 
» 103 Zakarja en Marjam. 
» 199 Jabja. 
» 201 claa. 
» 221 JOenas. 
» 222 Haröefc ma Maröet. 
» 225 Ajjöeb. 

CCXXII. 

ANBIJA II. 

Collectie v. d. W. 60, 33 X 207 8 cM., 455 bl. 10 r. 

Op de eerste bladzijde wordt het werk tafslr genoemd, op den omslag: 

De isnad wordt in de volgende termen medegedeeld ji j juJu <x!ju) 

Ai.J JJl< (_5"| yjlj „jjj" e^oli' ^ .A^rs^c Ai.J JsJUi {m $) ,jtj (sic) J*£ (jW 

Het scheppingsverhaal (van hemel en aarde, duivel en engelen) is zeer 
uitvoerig; het vult twaalf bladzijden. Daarna volgen: Adam (bl. 12). Idrïs 
(bl. 57), Nóeh (bl. 07). Hoed (bl. 93), Salih (bl. 100), Ibrahïm (bl. 100), 
Nimroêd (bl. 110) (ingevlochten in de geschiedenis van den aartsvader), 
Ismaïl en Ja c koêb (eerste vermeding bl. 230), de zonen van Ja e koêb (bl. 259) 
voornamelijk Joesoêf, Firaun (bl. 443) in wiens geschiedenis het handschrift 
eindigt, en wel in het verhaal van de zooging van Moesa, met deze woorden : 

<J}~jS ï*k£js- y«i^ C^iAlJ t * £^ ^.UJ.J »5Ü ^wj»-c Si i .:/j*"*» J ^ {IA-V (jlkXjwj 

Si ^yc ^) jjji ^i^j uUU ^^ jö njj^i lS^j^ gfé^ Xcluji ^"y 6 

^J\yA\i Ac) *il^ AaJ 

Evenals in de Arabische profetenverhalen worden hier telkens nieuwe 
isnads vermeld, benevens tweede en derde lezingen van ééne legende; aanha- 
lingen uit den koeran komen op bijna elke bladzijde voor. 



214 

CCXXIJI. 

ANBLJA III. 

Collectie v. d. W. 67. 21 X 17 cM., (307 bl, 10 r. Gedat. W. 23 Dzoêl- 
kaidah z. j. 

De tilel van liet werk is s\-jjjw) ^^ï. Het handschrift begint met de ge- 
schiedenis van Móesa, doch is geenszins eene voortzetting van het vorige manuscript, 
daar het slot daarvan op bl. 22 van dit HS te lezen staat, terwijl, hoewel de geijkte 
geschiedenis natuurlijkerwijze dezelfde is, de bewoordingen niet dezelfde zij u. De bo- 
ven aangehaalde woorden bv. luiden hier : ,-ï) u^o\ ij^r' *Üü<«3 u^>) CS*v6 Ai 

^^iJ Ai ^^y ^-^ LL^o ^yC^Xa». e ^'|;U'J ^IJ ^j^i 
Alle personen met wie Moêsa volgens de overlevering in aanraking is 

gekomen worden in dit geschrift op de gewone wijze vermeld, zijn dood wordt 

beschreven op bl. 238. 

Daarna volgen: Ajjoêb (bl. 239), Joênas (bl. 270), Alïjas (bl. 291), 

Talöet wa Da'öed (bl. 331), Soelajmau (bl. 409), Aroemija (bl. 491), Marjam 

wa c Isa (bl. 521). 

Dan volgt (bl. 570) de geschiedenis der zeven slapers in de grot (ver- 



meld in sóerah XVIII); de geschiedenis der jyj) cl;)3.LjJÏ. jsiJ) l_?Is\_o] 

(bl. 015), de geschiedenis van ,^ju?j (bl. G20), en die der J^) i_>ls^l 
(Sóerah CV), (bl. 047). 

De afschrijver is Intjik Moehammad Sjam. van Lingga. 

CCXX1V. 

ANB1JA IV. 

Collectie v. d. W. 08, 33V 2 X 20y s cM., 505 bl. 19 r. ged. W. 23 
Dzóelkaidah z. j. 

Geheel dezelfde tekst, in bijna overal dezelfde bewoordingen als die van 
het vorige handschrift. 

Het slot van Coll. v. d. W. 00 valt hier op bl. 18; de dood van 
Móesa wordt vermeld op bl. 197, Ajjoêb op bl. 197, Jöenas op bl. 230, 
Aljjas op bl. 243, Talóet wa Da'oêd op bl. 277. Soelajmau op bl. 332 
(enkele afwijkingen aan het begin dezer geschiedenis', Aroemijah op bl. 418, 



215 

Marjam wa c Isa op bl. 443. de zeven slapers op bl. 487, en de drie laatste 
afdeelingen op bl. 524. 534 en 549. 

Het werk, dat Hikajat Radja Fir c aun is getiteld, is afgeschreven door 
[ntjik Hoesajn den Boeginees. 

CCXXV. 

ANB1JA V. 

Collectie C. St. 122, 32X20 cM., 274 bl. 30 r. 

De titel van dit handschrift is Kitab Anbija; volgens eene rnededeeling 
op de laatste bladzijde is het door vier verschillende handen geschreven. De 
isnad is: Ahmad ibn Hasan ibn Ahmad — Aböe Ishak Ibrahïm al-Nasjapóerï — 
Majmöenah ibn Mihran — Ma'möen ibn Soeblï ■ — Salih ibn c Abdarrahms*n — 
Moehammad ibn Marwan Köefï — Moehammad Thabit Kalbï — Ibn c Abbas. 

Het scheppingsverhaal is, evenals in de andere HSS. vol aanhalingen 
uit den koeran; voortdurend wordt gezinspeeld op de komst van Moehammad. 
Adams schepping wordt vermeld op bl. 8, zijn dood op duizendjarigen leeftijd 
op bl. 24; daarna volgen Idrïs, Nöeh, Hoed, Salih, Ibrfihïm, Loth, Joesöef, 
Fir'aun, Karoên, Möesa, Jöenas met wiens geschiedenis het handschrift eindigt. 

CCXXVI. 
ANBIJA VI. 

Collectie Br. 421 II, bl. 183—204, 15 r; het geheele, voornamelijk 
moslimsche verhalen bevattende IIS. telt 230 bl. en meet 
22X13V 2 cM. 

Dit gedeelte bestaat uit: 

a. bl. 183—185 Hikajat Nabi Adam. 

h. » 185—186 Hikajat nëgëri Babïl. 

c. » 187 — 188 Hikajat tjahaja Moehammad toeroen toemoeroeu, een 

onnoodig invoegsel. 
(I. » 188—190 Hikajat Idrïs. 
v. » 190—194 Hikajat Isma c ïl. 
/". » 194—197 Hikajat Idrïs dan ^Azra'il. =- <l. 
ij. » 198—204 Salih, Ibrahim, lsmaïl en Ja c köeb. 

Hierna volgen aanteekeningen van liturgischen aard, hoofdzakelijk in 
het Javaansch, gebeden en iets over de ritueele wasschingen. 



•21i) 

De „Eoranische verhalen in het Maleisen" zijn door D. Gerth van Wijk 
vertaald in het Tijdschr. v. I. T. L. & V. K., deel XXXV en XXXVI. 

CCXXVII. 

HIKAJAT JOESOEF. 

Collectie v. d. W. 110, 33V 2 X 21 cM. 65 bl. 19 r. 

De geschiedenis van Josef wordt hier niet volgens de moslim sche legende, 
maar geheel naar de bijbelsche voorstelling medegedeeld, zoodat deze redactie 
gelijkt op eene Arabische vertaling van het betrokken gedeelte van Genesis. 

Een gedicht over de voortreffelijkheid van deze legende vnlt de laatste 
twee paginas. 

De hikajat Joesóef is herhaalde malen gedrukt, zoowel met Arabische 
als met Latijnsche karakters, ook ten behoeve der inlandsche scholen. 

Andere handschriften: 

Londen, East India House, 295. 

Cambridge, Dd. 5, 37, (Handlist of the Muhammedan manuscripts in 
the library op the university of Cambridge. no. 801. Ijl. 154, en mijn Account. 
bl. 7 van den overdruk). 

CCXXV1I1. 
HIKAJAT WASIJJAT LOEKMaN AL HAKiM. 
Collectie v. d. W. 125, 34X21 cM. 10 bl. 21 r. 

Aan het begin wordt betoogd dat Loekman én profeet én wali én 
karamat is geweest. Uit den kitab hikmat al-hoekama wordt bewezen dat hij 
alles wist. alle wijsheid bezat en het hoofd was vau alle wijzen. Op gezag van de 
jjUa! puaJ wordt verhaald hoe hij zijne zonen onderwees in geloof, mystiek en 
levenswijsheid, en zelf vertelde dat hij oorspronkelijk geiten — en koeienhoeder 
was geweest, en de wijsheid bad verkregen uit drie zaken: 1° waarheid in 
woorden en daden, 2° zwijgen met nadenken, 3° verwijdering van slechte lieden. 

Daarna Avorden allerlei viertallen opgenoemd, zooals zaken die noodig 
zijn. gewenscht zijn. andere zaken noodzakelijk of onmogelijk maken, vier 
kenteekenen van bijzondere personen, vier verleden zaken die niet meer terug 
keeren, vier soorten van vuur, van bedwelming, enz., elk viertal door het 
woordt al-lukmat in rooden inkt ingeleid. Al deze hikmat's zijn van Loekman; 
de laatste luidt: 



217 

Kala Loekman al hakïm ampat përkara tanda isi naraka përtama sëgala 
radja radja jang mëngambil hak sakalian ra c jatnja tiada dëngan sabënarnja dan 
mënghoekoemkën dëngan gagahnja atas sagala ra c jatnja kadoea radja jang alpa- 
kën nëgërinja dan ra c jatnja dan tiada mërnëliharakën ra c jatnja dan katiga orang 
jang bërboeafc fitnak sana sini pada samanja raanoesia dan ka'ampat orang jang 
tiada ingat akan dirinja dan alpakën mautnja ja c ni matinja dan daripada tau- 
batnja dëmikianlah adanja. 

CCXXIX. 
HIK A JAT ZAK AR Ja I. 
Hat. Gen. 201, 18 X 13 cM., 116 bl. 13 r. gedateerd 24 Rabi^ I, 1241. 

Voorin staat: Histoire de Zacharie, c. a. d. histoire de J. C. 

De achteraan vermelde titel is beter, nl. riwajat al-masïh, want van 
e Isa is voornamelijk sprake; volgens de traditie wordt verhaald hoe Zakarja de 
geboorte van c Isa afwachtte, hoe e Isa wonderen deed en velen bekeerde, waarna 
Jabja's en c Tsa's onderhoud met den imam Mahdi behandeld worden. 

Het net geschreven HS. heeft blijkens eene Maleische mededeeling aan 
het slot toebehoord aan den Gouverneur-Generaal Van der Capellen, en is 
afkomstig uit de nalatenschap van den abbé Favre. 

ccxxx. 

HIKAJAT ZAKARJa II. 

Collectie v. d. W. 104, 32 X 20 cM., 82 bl. 19 r; slechts de linkerhelft 
der bladzijden is beschreven; gedateerd 17 Jan. M. 1845. 

Vooraan en op den omslag is de titel Nabi Zakarja, doch aan het slot 
llikajat Marjam. Inderdaad is van Zacharias zeer weinig vermeld, veel meer 
van Marjam, Joesöef en c Isa, en het herhaald vermomd optreden van Iblïs. 
Telkenmale komen zinspelingen op Moehammads komst voor, vooral in de ge- 
zegden van c Isa. Het geschrift eindigt met den kruisdood \>an den jongen man 
die voor c Isa aangezien werd, en sprekend op hem geleek; deze opvatting is, 
gelijk bekend is, door de christelijke secte der Doceten gehuldigd. 

Van deze geschiedenis, evenals van andere deelen der profetenverhalen, 
zijn in Singapoera steendrukken verschenen. 



218 
CCXXXI. 
Il IK A JAT ZAKARJa III. 

Collectie v. cl. W. 105, 18 X 11 cM., 148 bl. 9 r. gedat. Zat. 20 
Ramadan 1278. 

Voorin en achteraan wordt dit verhaal genoemd: hikajal nabi Allah c hd 
dikandoengken iboenja Silli Marjam. Het slot is eenigszins anders dan dat van 
het vorige manuscript. 

CCXXXII. 
HIKAJAT RADJA DJOEMDJOEMAH I. 

Bat. Gen. 228, 207 2 X 13 cM., 50 bl. 12 r; gedateerd 1 Radjab 1820. 

Dit handschrift, dat heeft toebehoord aan T. Roorda, bevat de bekende 
geschiedenis van c Isa die een verdroogden sehedel, welke aan een wegens zijn 
gebrek aan geloof gestraften koning had toebehoord, na een uitvoerig ge- 
sprek deed herleven. 

Aan den rand der bl. 1 — 15 zijn aanteekeningen aangebracht over ver- 
gelijking met twee andere, A. en B. genoemde manuscripten. 

De titel is ook: Radja Djamdjam; zie verder sub IV. 

CCXXIII. 
HIKAJAT RADJA DJOEMDJOEMAH II. 

Bat. Gen. 388 G, bl. 117—146, 15 r. (21X10 cM.) 

Hetzelfde verhaal ; het slot ontbreekt, en het HS. eindigt midden in eene 
beschrijving van eene helsche straf. 

f 

CCXXXIV. 

HIKAJAT RADJA DJOEMDJOEMAH III. 

Collectie v. d. W. 100 B, bl. 39—40, 19 r. (34 V 3 X 21 cM.) 

De vorst die den naam aan het verhaal geeft wordt hier r*^ _), 
genoemd ; het handschrift vertoont geen jaartal, alleen den dag (Di.) en de 
maand (Dzóelkaidah). Zeer korte redactie. 



219 
( !( XXXV. 
HIKAJAT RADJA DJOEMDJOEMAH IV. 
Collectie v. d. W. 100, 81 V, X 20 cM., 15 bl. 17 r. 

Dit HS. is geheel gevocaliscerd. De vorst-schedel heet hier Radja Dj oen- 
djoengan; de beschrijving der beproevingen in het graf' en in de hel (die de 
eigenlijke stof van het verhaal vormen) en de gesprekken zijn hier uitvoeriger. 
Terwijl in het vorige HS. ten slotte wordt verhaald dat de vorst nog zestig- 
jaren regeerde, wilde volgens dit HS. deze vorst niet meer koning zijn en 
leefde nog zestien jaren. In exemplaar I dezer hikajat vindt men een dub- 
bel slot: Allah doet hem wederkeeren in den buik zijner moeder, en na 12 
maanden daaruit geboren worden, waarna hij nog GO jaren leefde; daarop wordt 
het gewone einde verhaald, .n de Arabische verhalen wordt het aantal jaren 
dat de vorst na zijne opstanding mocht leven op GG gesteld. 

Achteraan staat: j^j l/*^ -j?.^] cJ^?;* wj '^ ft^'^o u^yi ^j> £> i_5^ 

CCXXXVI. 

HIKAJAT RADJA DJOEMDJOEMAH V. 

Collectie v. d. W. 161 B, bl. 78-00, 10 r. (32X20 cM.) 

Het verhaal heeft hier eene zeer korte redactie; aan het slot wordt 
vermeld dat de vorst zijn koningschap niet aanvaardde, en als vrome asceet 
nog twaalf' jaren leefde. 

CCXXXVII. 

HIKAJAT RADJA DJOEMDJOEMAH VI. 

Collectie C. St. 131 B, bl. 230—240, 17 r. (27X21 cM.), gedat 6 
Juni 1863. 

Het slot komt in aantal levensjaren van den vorst en beschrijving van 
zijn vromen wandel met V overeen. 

Andere handschriften: 

Leiden, cod. 1731, 1730, 2000, 3183, 3213(2). 3306(2) 3310, 3311. 
3323 (Catal, bl. 181—185). 

Londen, Royal Asiatic Society, 72. 
Londen, East-India House, 03 b. 3°. 



220 

CCXXXVIII. 

HIKAJAT MAHARADJA °ALI I. 

Collectie v. d. W. 100 A, bl. 1—38, 19 r. (34 ] / 3 X 21 eM.); ged. 28 
Dzoêlkaidah, 1272. 

Het begin is gebrekkig: <jS* ^yUi Xio Jï^d «J, p fi£» 1 <^^ 

^r ^-^fo «y^ Oj) tiów g/V^ /^ 4?V 
Deze vorst had drie zonen: Bahroem Sjah, Tahir Sjah en Indra Sjah, 
van wie de oudste een plaag voor het land is; eindelijk wordt de vorst door 
zijne onderdanen gedwongen het land te verlaten Op zijn zwerftocht wordt hij 
van alles beroofd, en raakt de oudste zoon verloren ; hij bereikt de stad ^IX^jo 
waar hij met zijn gezin van aalmoezen leeft. De vorst, Sardal, laat zijne vrouw 
wegvoeren. Met zijne twee kinderen gaat hij zwerven, en bij het overzwemmen 
van eene rivier wordt hij door een kaaimau verslonden; de twee kinderen neemt 
de veerman tot zich. De vrouw van c Alï, Hajnan geheeten, wordt door Sardal begeerd, 
doch met dit verhaal tracht zij hem tot kalmte te brengen : „een zoon van Noesjirwan 
„droomt van eene vrouw, gaat haar zoeken en vindt haar in de dochter van een bilal 
„die hem zijn kind gaarne afstaat. Op zijn tocht naar zijn land wordt bij door 
„roovers van zijne vrouw beroofd ; hij klaagt hen aan bij nabi Da'oêd, wordt 
„door valsche getuigen tegengesproken, en moet op last van Da'oêd gespietst 
„worden. Doch nabi Soelajman mag op zijn verzoek een oogenblik koning zijn; 
„hij hoort de omgekochte getuigen afzonderlijk en ontdekt de waarheid. Nu 
„mag hij, zeventien jaren oud, voor goed koning zijn, en laat het echtpaar 
naar het land van den man geleiden." 

Toch wilde Sardal haar aangrijpen, maar op haar gebed verlamde hij. 
De schedel van c Ali nu dreef ergens aan, en nabi c Isa vindt dien; hij smeekt 
den nabi hem te doen herleven, alzoo geschiedt, en met den profeet gaat hij 
naar zijn land dat hij niet herkent. Daar heerschte groote verwarring; c Isa 
wordt aangezocht orde te stichten, en wijst c Alï als koning aan, zonder dat 
iemand hem herkende. 

Zijne goedheid en geneeskunst worden ruchtbaar. Dat gerucht noopt 
zijne twee zonen, den veerman te verlaten en zich tot hem te begeven ; zij worden 
pages in zijnen dienst. Ook Sardal gaat tot hem, om genezing van zijne ver- 
lamming, en neemt de vrouw van c Alï mede. c Alï laat Sardal bij zich in het 
paleis vertoeven en het schip met de vrouw door de beide pages bewaken; 's 
nachts vertelt de oudste aan den jongere hunne levensgeschiedenis, en de vrouw, 
hare kinderen daardoor herkennende, omhelst hen. Dit wordt gezien en mede- 



221 

gedeeld aan c Alï die hen in de gevangenis werpt, üe cipier is hun broeder 
Bah roem, die na vele omzwervingen, door niemand herkend daar woonde; 
aan hem verhalen zij hun leven, zij herkennen elkander, en deelen alles 
onmiddelijk aan den vorst mede. Deze ontbiedt de vrouw, verneemt alles, 
en herkent de zijnen. Eerst toen herkende hij zijn land, en zijn volk hen- 
kende hem. Sardal is zeer beschaamd, doch mag rijkelijk begiftigd henengaan 
naar zijn land. 

Dit verhaal is eene fantastische uitbreiding van de koniug-sckedclle- 
gende; met behulp van eene episode uit een romantisch verhaal en een 
gefingeerde omlijsting is de beperkte legendaire stof tot een nieuw geheel 
bewerkt. Indien niet het geheel eene vergroote en verbasterde djoemdjoemah- 
vertelling was, zoude dit verhaal feitelijk tot de groote rubiek „verhalen en 
vertellingen" gerekend moeten worden. 

CCXXXIX. 

HIKAJAT MAHARADJA c ALi II. 

Collectie v. d. W. 107. 33X21 cM., 28 bl. 17 r; gedat. 10 Rabï c II, 
beëindigd 1G RabMI. 1277. 

Het in dit handschrift vervatte verhaal is hetzelfde als het voorgaande, 
maar de tekst is geheel anders, van het begin tot het slot zijn de bewoordingen 
geheel verschillend, en de volgorde benevens de lengte der episodes geheel 
afwijkend van die in I. De vorst heet hier c Ali Padisjah [sU,^, zijn land 
wordt niet genoemd; vóór zijne komst in het land van Sardal komt en woont 
hij in eene moskee bij een bilal ; van de verdwijning van Bahroem wordt niet 
gewaagd, het verhaal van Hajnan (wier naam niet voorkomt) ontbreekt, c Alï 
wordt weder vorst over zijn land onder den naam Djohan Sjah, van den cipier 
Bahroem is geen sprake ; het slot is gansch anders. 

De taal is zeer onzuiver en vermengd met Bataviasche elementen. De 
titel is Hikajat c Ali Padisjah; het verhaal is volgens den aanhef geadapteerd; 
dipaloelken alcan djadi penghiboer hati jang doekaljüa. 

CCXL. 

HIKAJAT MAHARADJA ^AU III. 
Collectie v. d. W. 108, 33 X 20 1 /, cM., 91 bl. 19 r. gedat, Rabi'11. z.j. 



■1-12 

Zeer uitgebreide redactie; de titel is Hikajat Soeltan Sjtiin jang bernama 
rad/ja c Ali Pddisjdh. Zijn Land wordt Sijam genoemd, waarmede Sjam, d.i. Syrië 
bedoeld wordt; de nameu der zonen worden niet vermeld, evenmin het verdwijnen 
van den oudste; het verhaal van Hajnan, wier naam hier niet voorkomt, heeft een 
ander begin ; Noesjirwan wordt niet genoemd ; zij doet nog een verhaal : ..Moêsa. 
„bracht op den berg Sinai de wenschen van een arm echtpaar aan God over, en God 
,. stond den echtelieden toe drie wenschen uit te spreken. De vrouw wordt op 
,, haren wensch eene vorstin, waar weldra wordt zij door eenen koning geroofd ; 
„haar man spreekt nu den wensch uit dat zijne vrouw in een zeug verandere, 
,, waarop die vorst haar wegjaagt en zij weder mensch wordt". 

De inwoners van Sjam, waar wanorde heerscht, schrijven een brief aan 
c Isa en vragen daarin een nieuwen heer; op bl. 63 wordt verhaald dat de oudste 
zoon cipier wordt, eerst daarna is sprake van de twee anderen; Sardal heet hier 
Zoebajr; de twee jongere zonen worden niet gevangen gezet, maar de oudste 
hoort hun verhaal in het paleis; de andere vorst wordt met hoon weggezonden. 

CCXLI. 

HIKAJAT MAHARADJA cALi IV. 

Bat. Gen. 198 A, bl. 1—33, 10 r. (21 X 10 cM.) 

Vrij korte redactie welke zeer veel gelijkt op die van 1, maar de eigen- 
namen verschillen niet onbelangrijk, bv. het rijk van den vorst heet hier 
Jljj^j j.^^- ( l e drie zonen: Bahadoer Sjah, Tamram Sjah en Bahram Sjah. 

CCXLII. 

HIKAJAT NOêR MOEHAMMAD I. 

Bat. Gen. 96, 20 X 14 cM., 18 bl. 3 5 r. 
Notulen 1877, 16 October IV b. 

Geschiedenis van het mystieke licht van den profeet waaruit alles is 
voortgekomen, dat was vóór alle andere dingen, en van de gesprekken van die 
Noêr met de elementen. In een gesprek met het water wordt een verhaal van 
Moehammad en Fatimah en zijne lessen over de plichten der vrouw ingevlochten 
dat overgaat in de bekende onderrichting van Fatimah door den profeet. 

Het handschrift heeft 2 bl. meer dan v. d. W. 75, (zie V) nl. een bdb over 
den djalan jang tërlëbih oetama dari pada sakalian djalan hidoep. en een h,'ih 
over de beteekenis van -s*£*i) ,_>. 



223 
CCXLIII. 

HIKAJAT NOêR MOEHAMMAD II. 

Bat. Gen. 378 C, bl. 15—24, 15 r. (22 X 10 cM.) 

Notulen, 1904 November IV en December IV. 

Dezelfde verhandeling, in zeer verkorten vorm. 

CCXL1V. 

HIKAJAT NOêR MOEHAMMAD III. 

Bat. Gen. 388 F, bl. 08—114. 15 r. (21 X 1« cM.) 
Hetzelfde werk. 

CCXLV. 

HIKAJAT NOêR MOEHAMMAD IV. 

Bat. Gen. 406 B, bl. 12—20, 10 r. (9 J / g X *7 2 cM). 
Notulen 1904 November, 1. c. 

Abrupt gedeelte der noêr-geschiedenis welke in dit manuscript hikajal 
kadjadian noêr Mochammad genoemd wordt. 

CCXLVI. 

HIKAJAT NOêR MOEHAMMAD V. 

Collectie v. d. W. 75, 33l/ 2 X 21 cM., 12 bl. 17 r. 

Dit HS. is vrijwel hetzelfde als Bat. Gen. 96, (I) behoudens de toevoeging 

in laatstgenoemd manuscript. 

CCXLVII. 

HIKAJAT NOêR MOEHAMMAD VI. 

Collectie v. cl. W. 76 A, bl. 1 — 111, 19 r. (32 X 20 cM.,) gedat. Zat. 
10 Rabï c II, 1253. 

Voorin wordt het geschrift genoemd katoeroenan Nabi Moehammad. In 
len aanhef wordt het een ta'rich moechtasar geheeten. vertaald uit het Perzische 
werk ^UsJ) ió. (achteraan l_A=JÏ Lè.. genoemd) welk boek eene verta- 
ling is van het Arabische werk c Oemdat al-ansdb, welken titel de vertaler ook 



224 

aan zijn Maleisen werk wenscht te geven. De vertaling is beëindigd op W 8 
Radjab 1079, en was ondernomen op last van Soeltan Tüdj al- e alain Safijjat 
ad-dïn Sjfih. Als afschrijver wordt genoemd Ahmad Sjams ad-dïn de Bandjarees. 
Dit werk bevat de echte noêr-geschiedenis, van de schepping des heelals 
tot de afstammelingen van cAli, gelijk die dikwerf wordt aangetroffen als inlei- 
ding tot de Hikajat Moehammad (ibn al) Hanafijjah. De bedoeling van het 
werk wordt als volgt aangegeven: J^ si j^a'is^c èj pj,Ü ci^ <xli>j ilTL 

of v ^ (vy (_•• v - > • L- J J - 

(JlCu u^i ^J ...i.jj.^c ,g£«J C^-c) .o c w^ w L>i.t) (jij^i (J^y ^ J cV v - u^ w 

>gr 't- ®f& 

Er wordt verhaald hoe de noêr geschapen werd, en kwam op Adam, 
na hem op Sjïth, dan op Chanoêh, genaamd Idrïs, op Matoêsalah, en zoo van 
geslacht op geslacht, op Noêh, Ibrahïm, Isma c il, Moêsa, de richteren, eindelijk 
op c Abdal-moettalib, c Abballah en den profeet. Uitvoerig worden allerlei legen- 
den en tradities verhaald. Daarna wordt gesproken van Fatimah, c Alï, Hasan- 
Hoesajn, doch bij den dood van c Alï eindigt het eigenlijke geschiedverhaal, dat 
blijkens de laatste bladzijde, eene bloemlezing is uit het oorspronkelijke werk. 
Feitelijk bevat dit handschrift eene geschiedenis van den profeet en der vier 
chaliêfen in verband gebracht met de noêr, welks voorgeschiedenis uitvoerig 
wordt behandeld. 

CCXLVIIL 

HIKAJAT NOêR MOEHAMMAD VIL 

Collectie C. St. 119, 24X10 cM., 177 bl. 13 r. 

Uitgebreide, verbasterde, althans met heterogene bestanddeelen vermengde, 
niet oorspronkelijke geschiedenis van de mystieke noêr. Op bl. 8 vindt men 
eene afbeelding der sjadjral al- ja kin met de vier takken: iman, tauhïd, ma c rifah 
en islam. De inhoud bestaat uit: voorgeschiedenis van de noêr, aanwijzingen 
omtrent de bijzonderheden van hen die eenig deel van de noêr te zien krijgen, 
het verband tusschen de salat en den naam Moehammad (bl. 14), dan Adam (bl. 
18), Móesa en de volgende incarnaties (op bl. 25 vindt men de afmetingen dei- 
zon en hare deelen), de scheppingstijden der engelen, Soelajman, c Aisjah en 
Moehammad, vol kleine toepasselijke verhalen, voornamelijk over de bevindingen 
in het graf, over de teekenen van den dag der opstanding (bl. 103) en alle 



225 

bijzonderheden daarover, de opstanding van bijzondere personen, den hemel 
en de hel. 

Dit HS. bestaat dns uit de noêr-geschiedenis én een relaas der eschatologie. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1758(1), Catal, bl. 202 

benevens die handschriften der Hikajat Moehammad Hanafijjah waarin 
de noêr-geschiedenis als inleiding voorkomt; zie bij de handschriften van 
laatstgenoemd verhaal. 

CCXLIX. 

HIKAJAT NABI I. 

Bat. Gen. 205, 20 V 3 X 17 cM., 17 bl. 1G r. 
Notulen XXX (1892), bl. 42. 

Levensschets van den profeet tot aan de geschiedenis van Gabriël en 
de twee zonen van c Ali, welke ook in de Hikajat Moehammad Hanafijjah 
voorkomt. 

Een abrupt en onbeduidend geschriftje. 

CCL. 
HIKAJAT NABI II. 

Collectie v. d. W. 102, 33 X 20 1 /, cM., 296 bl. 19 r. 

Verhalen van verschillende profeten, voornamelijk van Moehammad. 
Voorzoover dit HS één werk vertegenwoordigt is het eene geschiedenis dei- 
Openbaring, welke culmineert in den laatsten der profeten, naar wien het Hikajat 
Chdtim au- Nabi (sic) en Hikajat kadjadian baginda rasóel AHdh genoemd wordt. 
Na de doxologie is de inleiding aldus: AJ\ f\}J!A) JU oo) Ji,J l v^>' ^^ 
jijt&i L^ol» IjJl« l^« ftj p^xi, <^JS ji <sdj' *LJ) JlLö) ^l^ ^ ^^ * A -^ f^ 

x«sïa^c ^ct-A) *i'U- i>U^J) s<\a> *1L) JvC*. y£ >U ^>^SI fU) e^U' *U) j£* 
Ju, <uic <xil) Ls <xli) J^. jóio ^Jpl»^ i»LCr^ AA) ^_j *L^ &Ac Ai) ( _ g Lö 
Daarna wordt in kreupel Arabisch, gevolgd door gebrekkige vertaling, 
uitgeweid over de waarde der profetie en den voorrang onder de profeten, over 
hunne kenteekenen, zooals de noêr, en de inwendige onderscheidingsteekenen, 
en over het onderscheid tusschen nabï en walï. Op bl. 9 begint de geschiedenis 
van den droom van -oj of ^ \j^^, d.i. ^oJüiu (Nebucadnezar) en de uit- 
legging daarvan door Daniël, gevolgd door een gelijk verhaal van een vorst 
Verhandelingen. 15 



226 

van Jaman. Daarna wordt de natuur en samenstelling van de noêr behandeld 
in verband met de elementen en de gebeele schepping, wat overgaat in de 
traditioneele noêrgeschiedenis-cosmogonie, met de vermelding der geheele linie 
van Adam tot c Abdalmanaf — c Abdalmoettalib — Hasjim — c Abdallah (sic!). Vele 
voorteekenen van Moehammads komst (ervaringen van c Abdalmoettalib, het 
verkleuren van het met bloed bevlekte kleed van nabi Jahja e.a ) worden ver- 
meld, waarna, op bl. 28, het verhaal der Syrische Fatimah begint, gelijk ook 
in het Javaansch bestaat, hetwelk spoedig overgaat in de geschiedenis van 
Moehammad, ingeleid met de woorden ,. Jliui' iJCj ./^V< si *s£L> J«ai 

Uitvoerig worden de wonderen die zijne geboorte vergezelden verhaald 
evenals zijne eerste jeugd, zijn verblijf bij Halimah, zijne reis naar Syrië, zijn huwe- 
lijk met Chadidjah, zijne hemelvaart (met de te verwachten uitvoerigheid, bl. 
110 — 188). Op bl. 200 begint, als afzonderlijk hoofdstuk, het verhaal van het in 
twee deelen splijten der maan door Moehammad; evenzoo op bl. 214 dat van 
den kameel en het hert die hun beklag deden bij den profeet. Daarop volgt, op 
bl. 224, een verhaal van nabi c Isa die lieden naar de ^j-)^. zond om hen tot 
den islam te bekeeren; dan op bl. 229 eene vertelling van den ouderlingen 
twist der engelen in den tijd der Banóe Isra'il. Het anbij a-verhaal wordt weder 
opgevat op bl. 235, met de geschiedenis van Ajjöeb en zijne beproevingen, doch 
onmiddelijk daarna (bl. 253) volgt de geschiedenis der joden van Chajbar, met 
name van AJ) .i) J^w', welke als afzonderlijke legende vaak voorkomt, 
onder den naam Hikajat Sariboe Masa'il; de hier gestelde vragen zijn minder in 
aantal dan in de Sariboe Masa'il terwijl hun getal als 1400 opgegeven wordt. 

De levens van den profeet komen veel voor; in de Europeesche ver- 
zamelingen echter weinig, nl. te 

Leiden, cod. 3289, Catal, bl. 202. 

CCLI. 

HIKAJAT NABI BËRTJOEKOER I. 

Bat. Gen. 00, 15 X 10 cM., 56 bl. 9 r. 

Het verhaal over het scheren van den profeet, dat in 1853 te Batavia, 
en te Singapoera herhaaldelijk is uitgegeven. 

Na bl. 1 eene lacune, het einde valt op bl. -45, op bl. 55 is weder de 



007 

aanvang, waarop de inhoud van bl. 47 moet volgen; het werkelijke besluit is 
bl. 53 welke ondersteboven staat. De bl. 50 — 54 zijn gevocaliseerd. 

CCLI1. 

HIKAJAT NABI BËRTJOEKOER II. 

Bat. Gen. 256 B, bl. 170—183, 11 r. (21 V» X Ms cM.), ged. 10 Febr. 1893. 

Uit eene inlandsche leesinrichting herkomstig exemplaar dezer welbekende, 
na den slag tegen Radja Lahad spelende, geschiedenis. 

CCLI1I. 

HIKAJAT NABI BËRTJOEKOER III. 

Bat. Gen. 3G5 C, bl. 38—43, 13 r. (21 X 17 cM.) 

Het derde gedeelte van een bundel vau vier Mosiimsche verhalen. 

CCLIV. 

HIKAJAT NABI BËRTJOEKOER IV. 

Bat. Gen. 388 E, bl. 82—96, 15 r. (21 X 16 cM.), gedat 1872. 

Vijfde gedeelte van een uit zeven al'deelingen bestaand HS. 

CCLV. 

HIKAJAT NABI BËRTJOEKOER V. 

Bat. Gen. 405, 124 X H 1 /» cM. 
Notulen, 1904, Nov. I. e. 

Gebrekkig schrift; het papier is aan weerskanten beschreven. 

COLVI. 

HIKAJAT NABI BËRTJOEKOER VI. 

Bat. Gen. 406, bl. 1—12, 7 r. en C. bl, 20—34, 8 r. (O'/o X 87 2 cM.) 

COL VIL 

HIKAJAT NABI BËRTJOEKOER VII. 

Collectie Br. 192, 11 X 8 cM., 30 bl. 7—10 r; gedat. 1303. 



228 



Dit handschrift is geheel gevocaliseerd. 



Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1720 (2), 1053 (5), en 3345,2) Catal, bl. 186—187. 

Londen, Royal Asiatic Society, no. 02, VI. 

's Gravenhage, no. 569, 1° ged. 

CCLVIII. 
HIK A JAT NABI MENG AD J AR ^ALï I. 

Collectie Br. 421 C, bl. 40—50, 15 r. (22 X l^Vg cM -) 

"Verhaal van eene onderrichting van c Ali door den profeet in de sjari c ah, de 

tarïkah, de hakïkah en de raa c rifah. Een eigenlijke titel ontbreekt ; het begin is: 

Jlc i\1G asl^ iil) (Jyoj. a.smj fjJ^o J^ 'ülc <&1I) t_s^° ^ ^y"i t^JlXü' J.=>- ^A 

CCLIX. 

H1KAJAT NABI MENG AD J AR «ALI II. 

Bat. Gen. 42 C bl. 41—53, 14 r. (21 X 17 cM.,) 
Notulen' VI; 40 (23 April 1868, IV), 6». 

Een dergelijk verhaal. 

CCLX. 

HIKAJAT NABI MËNGADJAR ANAKNJA FATIMAH I. 

Bat. Gen. 52 B, bl. 60—77, 15 r. (19 X 15 cM.) 
Notulen VII, bl. C1II (1869. 3 Aug. IV, b.) 

Lessen van den profeet aan Fatitnah over de plichten der vrouw. 

CCLXI. 

HIKAJAT NABI MËNGADJAR ANAKNJA FATIMAH IL 

Bat. Gen. 388 C. bl., 58—69, 15 r., (21 X 10 cM.), gedat. 1872. 

De titel is hier Hikajat bibi Fatimah. 

CCLXII. 

HIKAJAT NABI MËNGADJAR ANAKNJA FATIMAH III. 
Collectie v. d. W. 94, 8 bl. 14 r. (16 X 10 cM.,) gedat. 1274. 



229 
Eene veel kortere redactie; slechts 5 1 /,, bl. zijn beschreven. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1744(2), 1768, 1953(3) en 2199(5) 3°; Catal, bl. 188— 189. 

Londen, Royal Asiatic Society, 62 V. 

ccLxin. 

H1KAJAT NABI MI^RaDJ I. 

Bat. Gen. 123, 88 bl. 13 r. 1 8 V 2 X 15 Va cM. 
Notulen 1880, 3 Febr. II c. 

Verhaal van den wonderbaarlijken tocht des profeets naar Jeruzalem, 
den hemel en de hel. Het laatste gedeelte is geschonden; het geschrift eindigt 
abrupt in eene vermaning van den profeet aan zijne gemeente. 

CCLXIV. 
HIKAJAT NABI MPRaDJ II. 

Bat. Gen. 186, 20%, X 16% cM., 146 bl. 1—69: 12 r., bl. 70—136: 
17—18 r. bl., 137— 146: 14—15 r. 

Van deze hemelvaartgeschiedenis ontbreekt het slot; na bl. 1 is 
eene lacune. Vele bladzijden zijn gescheurd en overplakt. De jood die Moe- 
ham inads verhaal niet gelooven wilde heet hier Hadad. Eene inhoudsopgave 
van deze legende vindt men bij : De Hollander, Handleiding (5o dr.) bl. 
334 en Juynboll, Catal. bl., 203 — 205, waar naar andere plaatsen verwe- 
zen wordt. 

CCLXV. 

HIKAJAT NABI MI^RaDJ III. 

Bat. Gen. 199, 21 X 15 Va cM., 146 bl. 13 r., gedat. 8 Djoem. Il 1218. 

Dit nette handschrift is aangekocht uit de nalatenschap van den abbé 
Favre; voorin staat: Histoire de 1'ascension de Mohammed. De volgorde der 
gebeurtenissen is als in cod. Leid. 1713; zie Catal, bl. 203. De ongeloovige 
jood heet hier Haddad. 



230 

CCLXVI. 

HIKAJAÏ NA BI MÏ^RaDJ IV. 

Bat. Gen. 358, 22 X 18 cM., 180 bl. 13 r. 

De gewone, uitvoerige redactie. De eerste bladzijde is nieuw, doch de 
rest schijnt vrij oud. 

CCLXVII. 

H1KAJAT NABI MI^RaDJ V. 

Bat. Gen. 364, 33 X 207 a cM., 60 bl. 26 r., gedat, 5 Maart 1865 en 1271. 
Goed exemplaar; achterin zijn eenige gebeden geschreven. 

CCLXVIII. 
H1KAJAT NABI MMlaDJ VI. 

Bat. Gen. 389 A, bl. 1—105, 11 r. (20 X 16 cM.) 
Het traditioneele verhaal, uitvoerig geredigeerd. 

CCLXIX. 
HIKAJAT NABI MI°RaDJ Vil. 

Collectie v. d. W. 78, 33 X 20 cM., 58 bl. 19 r. 

Dit geschrift heeft eene eenigszins uitvoerige inleiding, waarin het ge- 
titeld wordt: -.Ka*J) 5 S^T^ ufe ^J ^Lwla! all**.- Vóór het eigenlijke he- 
melvaart-verhaal staat de geschiedenis van de wassching van 1 et hart des 
profeets; van den jood Haddad wordt geen gewag gemaakt. 

CCLXX. 

HIKAJAT NABI MKRaDJ V1TI. 

Collectie Br. 207. 26 X 19 cM., 70 bl. 13 r; gedat. 5 Sja^ban 1178. 

Vuil en gescheurd exemplaar der hemelreisgeschiedenis. 

Andere handschriften: 

Leiden: cod. 1713, 3305 en 3306(1) Catal, bl. 203—205. 



231 

Londen. East-India House, no. 68 >/. 
's Gravenhage, no. 605. 

CCLXXI. 
HIKAJAT BOELAN BËRBËLAH I. 
Bat. Gen. 365 B, bl. 15—37, 13 r. (21 X 17 cM.) 

Verhaal van het wonder der spouwing van de maan door den profeet, 
die de twee deelen door zijne mouwen deed gaan. Eerst worden vermeld: ge- 
sprekken vau Aböe Djahil (sic) met eenige geloovigen, dan het optreden van 
Habïb ibn Malik, en een gesprek van den profeet, hier Amïn Allah genoemd, 
met Gabriël. Habïb ibn Malik had gehoord van de wonderen der oude profeten, 
en verlangde van Moehammad dat ook hij een wonder zoude verrichten. De 
profeet bad vurig, deed de maan splijten en de helften door zijne mouwen 
gaan, waarop Habïb zich bekeerde; zijne dochter die geen handen en voeten 
had, wordt daarop door den profeet genezen. 

CCLXXI I. 

HIKAJAT BOELAN BËRBËLAH II. 

Collectie v. d. W. 95, 33 X 21 cM., 26 bl. 16 r. gedat. 18 Rabï c II 

1278. 

Het beloop van het verhaal is hetzelfde als in het vorige handschrift, 

doch aan het slot wordt van de naamsverandering van den vreemdeling geen 

melding gemaakt; van zijne dochter wordt vermeld dat zij was tiada biro&pa 

dan liada bcrhapala dan liada b'érkaki langan. 

CCLXXIII. 
HIKAJAT BOELAN BËRBËLAH III. 
Collectie v. d. W. 96, 21 X 17 cM., 104 bl. 11 r. 

Het begin is eenigszins anders. In schrijfwijzen en namen is dit hand- 
schrift meer verwant aan no. I ; bv. in den naam van den vreemdeling Habïb 
ibn Malik e.a., maar van de beide voorgaande HSS. verschilt dit door nieuwe 
toevoegselen, met name dat waarin het optreden van den romeinschen afgezant 
Atnïr Mali moed en de wonderen die Moehammad voor hem verrichtte verhaald 
worden; na het wonder en de genezing door den profeet gedaan, blijft Habïb 



232 

hem vijandig en bestrijdt hem en Mahmoêd die 's proleets zijde gekozen had; 
de afloop van den langdnrigen strijd, waarmede de poging tot verovering van 
Mekka door den profeet in verband gebracht wordt, wordt niet vermeld. 

Feitelijk hevat dus dit HS. eene fantastische en niet voleindigde uit- 
breiding van de maanspouwinglegende. 

Andere handschriften: 

Leiden, cod. 1691 (2), 1953 (li 3°, 2199 (5) 1°, 3113 (1) 1°, Catal, bl. 

180—182. 
Londen, Royal Asiatic Society, 47 III. 

(Uitgegeven door E. Netscher, Verh. Bat. Gen. XXVI. bl. 22 sqq., ver- 
taald door H. Raat, Tijdschr. I. T. L. & V. VII. bl. 78—92.) 

Deze legende komt ook voor in v. d. W. 102, bl. 200—214. 

CCLXXIV. 
H1KAJAT IBLïS DAN NA Bi I. 

Collectie v. d. W. 93, 18V 2 X 11 cM., 36 bl. 11 r; gedat. 6 Dzöel- 
ka c idah z. j. 

Verhaal van een gesprek van Iblis met den profeet, gelijk in Perzië, Britsch- 
Indië en dezen archipel vele opgeteekend zijn. Het citaat bij Juyuboll, bl. 186 
luidt hier : ^U ^GjcaS' ^y J^J^^ J\A J.^ jiL jS^f £) ^IssuJ 

Bijzonderheden welke der vermelding waard zijn vertoont dit manuscript niet. 

CCLXXV. 
HIKAJAT IBLïS DAN NABï II. 

Collectie Br. 421 B, bl. 26-40, 15 r. (22 X 13 1 /, cM.) 

Hetzelfde werk. 

Andere handschriften : 

Leiden: cod. 1917 (2), catal. bl. 185. 

CCLXXVI. 
HIKAJAT NABI DAN ORANG MISKIN. 

Bat. Gen. 42 H, bl. 113—121, 14 r. (21 X 17 cM.) 
Notulen VI: 40 .28 Apr. 1868, IV. 6°.) 



233 

Fatimah gaf eens eeneu arme een kostbaar kleed, c Oemar ontnam hem 
dat en bracht het bij den profeet; bij dezen beklaagde zich de arme man, de 
profeet kocht het kleed van hem, en liet het bij Fatimah terugbezorgen. 

Met de hikajal tatkala rasocl Allah memberi sadakah kapada saorang darwisj, 
cod. Leid. 2199(5) 2° en 3213(1), 2° heeft dit verhaal geen verwantschap. 

CCLXXVII. 

HIKAJAT NABI WAFaT I. 

Bat. Gen. 42 G, bl. 93—113, 14 r. (21 X 17 cM.) 
Notulen VI: 40 (28— April 1868. IV, 6o). 

Verhaal van den dood des profeets naar de traditioneele voorstelling. 

CCLXXVIII. 

HIKAJAT NABI WAFaT II. 

Bat. Gen. 365 D, bl. 43—49, 13 r. (21 X 17 cM.) 

Verhaal van het zalig afsterven des profeets, een der vele navolgingen 
der Perzische wafat-nameh's. Het handschrift eindigt abrupt, nog in het begin 
der stervensscène. 

Het geheele handschrift 365 heeft eene vreemde en onduidelijke spelling, 
en maakt den indruk van vrij oud te zijn. 

CCLXX1X. 

HIKAJAT NABI WAFaT III. 

Bat. Gen. 389 B, bl. 108—144, 11 r. (20 X 16 cM.) 

De titel van het geschrift is hier: Hikajat tatkala nabi poelang karah- 
mat Allah. De slotscène van c Akasah is zeer uitvoerig; men vergelijke mijne 
verhandeling » Poëtische gehiedenis van den profeet in het Javaansch". in het 
Tijdsch. v. d. T. L. & V. K. v. N. L, deel XLIV, bl. 97 — 137. Bl. 145—161 
en 162 — 172 bevatten Arabische gebeden. 

CCLXXX. 

HIKAJAT NABI WAFaT IV. 

Collectie Br. 421 A, bl. 1—25, 15 r. (22 X 13 ] / 2 cM.) 



234 

Een klein gedeelte van het verbaal; van het begin ontbreken veertig 
bladzijden. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1767 en 1953 (4), catal. bl. 188. 

'sGravenhage, no. 569, 2°. 

CCLXXXI. 
HIK A JAT RADJA HANDAK I. 

Bat. Gen. 188. 21 X 17 cM., 60 bl. 15 r. 

De geschiedenis van de belegering van Madinah en hare verdediging 
door eene gracht, Arab ^tiói- = Perz. ïjóS", part. pass. van ^^ — graven, 
is in het Maleisch verworden tot een verhaal van koning Handak of Hindik, 
die door c Ali overwonnen is. De schrijfwijze is steeds ,ja.x3>; daarom wordt de 
•aaam met Handak, niet met het etymologisch juiste Chandak getransscribeerd. 

Het beloop van het verhaal is hetzelfde als in cod. Leid. 1 730, doch 
van eene kortere redactie. 

CCLXXXH. 

HIKAJAT RADJA HANDAK II. 

Bat. Gen. 362, 21 X 17 cM., (lengte der regels 10 cM.,) 220 bl. 11 r., 
gedat. 1875. 

Naar de gewone, ook in Batavia veel voorkomende, uitspraak is de 
spelling van den naam in dit HS. ^jJua. Ook in dit HS. wordt Radja Handak 
voorgesteld als de zoon van Soelajman, en zijn zoon Radja Badar gebeeten 
(ontstaan uit den naam Badr waar een voor den islam gunstig gevecht gele- 
verd is). Na de beschrijving van de overwinning op Radja Handak wordt evenals 
in de Leidsche HSS. de strijd van c Alï met Radja J.^ ^ (Leid 1730 J^jA 
Radja c Ifrït, Radja Përanggi en prinses J^j uitvoerig vermeld. 

CCLXXX1II. 

HIKAJAT RADJA HANDAK III. 

Bat. Gen. 380, 22 X 17 cM., 88 bl. 11 r. 

Het begin en het slot ontbreken. Dezelfde personen en feiten als in de 
andere HSS. komen hier voor; op bl. 79 wordt Radja &.Q.J genoemd; het 
handschrift eindigt abrupt in een gesprek van Aboe Bakr met c Oemar. 



235 

CCLXXXIV. 

HIKAJAT RADJA HANDAK IV. 

Collectie v. d. W. 87, 33 X 21 cM., 84 bl. 19 i\, gedat, 29 Safar, z.j. 

De prinses JiJj (naar den naam van c Ali's paard dat in dit zelfde 
verhaal J.j J.j heet!) wordt hier Jjjj en J)j Jj genoemd; verder zijn 
de heldennamen: J**»^ en ïx^^ Radja c Ifrït, en Radja ^J op den berg Kaf. 

CCLXXXV. 
HIKAJAT RADJA HANDAK V. 

Cellectie v. d. W. 88, 33 X 20% cM., 99 bl. 15 r,, gedat, 29 Rabi^ II, 1278. 

Nagenoeg gelijke redactie met die van het vorige handschrift, maar in 
het begin komen enkele fantastische invoegsels voor. Het paard van c Alï heet 
hier rj)j, de prinses: J)j J)j, overigens zijn de afwijkingen onbeduidend. 

De laatste vorst heet aJlaS'J 

CCLXXXVI. 
HIKAJAT RADJA HANDAK VI. 

Collectie v. d. W. 89, 33/ 1 , X 21 cM., 55 bl. 21 r. 

De volledige titel is : hikajal tatkala rasóel Allah bërperang dengan radja 
Oendoek [rj*óJS)\ het verhaal en de opzet zijn geheel dezelfde, de bewoordingen 
zijn veelal gelijk aan die der vorige HSS. de namen zijn J^^i c^oi -J. JlHi 



en 

CCLXXXVII. 
HIKAJAT RADJA HANDAK VII. 
Collectie v. d. W. 90, 33 X 21 cM., 62 bl. 18 r. 

In het begin komt een dergelijk bijmaaksel voor als in V werd aan- 
getroffen; het verhaal vertoont geenerlei afwijking, doch het handschrift eindigt 
in de beschrijving van den strijd tegen vorst AxÏJ, niet de woorden t^.C* 

^Aj ylï Jjü ïJuu ^5>i)J ^Uxslo C^lfiJ, i_^^J (XJlsa/jj <jd!) (sic) ij^ 



236 

CCLXXXVII1. 

HIKAJAT RADJA HAXDAK VIII. 

Collectie v. «1. W. 91, 32 X 21 cM., 120 bl. 19 r.. gedat. 12 Rabi c I. Do. z. j. 

Evenals al de andere HSS. begint dit manuscript met de verzekering 
dat dengeen die het verhaal ten einde leest al zijne zonden vergeven zullen 
«orden. De naam des vorsten wordt jjjcs gespeld, wat op eene uitspraak 
Hoendoek wijst: het verhaal is als in de andere HSS. de laatste vorst heet 

• VLXXXIX. 

HIKAJAT RADJA HAXDAK IX. 

Collectie C. St. 106. 30X20 cM., 33 bl. 20 r.. gedat. 8 Maart 
1866. Batavia. 

De volledige titel van het verhaal is hier Hikajal radja Handatc dan 
Radja I{<iil<tr dan toean poetri Doeldoel; het schrift is veelal onduidelijk, het 
verhaal wijkt niet af. 

CCXC. 
HIKAJAT RADJA HAXDAK X. 

Collectie Br. 276. 21 Va X l" 1 ,- cM., 95 bl. r. gedat. 16 Sjawwal 1294. 

Een net handschrift: het verhaal vertoont de gewone redactie. 

CCXCL 

HIKAJAT RADJA HAXDAK XI. 

Bat. Gen. 42 L. bl. 184—208, 14 r. (21 X 17 cM.) 
Xot VI: 40 (28 Apr. 1868, IV. 6°). 

Zeer verbasterde redactie : de hoofdpersonen zijn Hiud en Badari, schoon- 
zoon en kleinzoon van Xabi Soelajman, het verhaal is verworden. 

Andere handschriften : 

Leiden, Cod. 1730, 3307 en 3308 (2): Catal. bl. 207 en 208. 



237 

CCXCIL 

HIKAJAT FARTANA ISLaM I. 

Bat. Gen. 42 D, bl. 5H— 65, 14 r. (21 X 17 cM.) 
Notulen VI: 40 (28 April 18G8, IV 6°). 

Verhaal van een gesprek van den profeet met de in den titel genoemde 
vrouw over de plichten der vrouwen, de straffen die het verzuimen dier plichten 
ten gevolge heeft, en de belooning van het betrachten dier plichten. 

CCXCIII. 

HIKAJAT FARTANA ISLaM II. 

Bat. Gen. 388 D, bl. 70—80, 15 r. (21 X 1*3 cM.); gedat. Batavia 1872. 
Hetzelfde verhaal. 

CCXCIV. 

HIKAJAT FARTANA ISLaM III. 

Collectie Br. 421 D, bl. 51—59, 15 r. (22 X 13V 2 cM.) 

Hetzelfde verhaal. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 2300 (2), Catal. bl. 190. 

Londen, Royal Asiatic Society, 47, IV. 

CCXCV. 

HIKAJAT RADJA CHAJBAR 1. 

Bat. Gen. 3G5 A, bl. 1—14, 13 r. (21 X 17 cM.) 

Fantastische beschrijving van Moehammads krijg tegen de joden van 
Chajbar. 

De inhoud is: beschrijving van Chajbar en hare zeven wallen ; de profeet 
maakt het plan om de stad aan te vallen en zendt een uitdagingsbrief; c Alï 
wordt in een droom gelast naar Chajbar te gaan, en doet alzoo; de strijd vangt 
aan, de vorst van Chajbar had vier dochters, de oudste van wie, Safijjah ge- 
heeten, in de taurèt over Moehammad gelezen had, eene verschijning van 
Ibrahïm krijgt en zich tot den islam bekeert. In den strijd woedt vooral Hamzali. 

Het einde is abrupt. 



238 

CCXVI. 

HIK A JAT RADJA CHAJBAR II. 

Collectie, v d. W. 79, 33X^1 cM., 160 bl. 10 r., gedat, 11 Safar, 1239. 

De isnad wordt als volgt opgegeven: ^Ujkrj p^jyi, a^ ^Li=-J CJ-* 
^1**1** ji.0 ^P^ rC^J-o ^— ^•o.* ^\j£ itfi&ii <>j^~*^ <J^ J^' <^ «Ka^*-. «<U»w 

De inhoud is : een karavaan van moslims wordt door lieden uit Chajbar 
overvallen, de hoofdman JLJ) ontkomt en brengt de tijding te Madinah; 
Djabra'ïl brengt den profeet Gods bevel om Chajbar te beoorlogen ; hij trekt 
uit en laat c Alï achter om Madinah te bewaken; in Chajbar bieden zich vele 
helden aan om de moslims te bevechten; de profeet zendt een brief, de strijd 
begint. Aboe Hoerajrah neemt c Abdasj-Sjams gevangen; droom van c Alï; de 
jongste dochter van den joodschen koning Safijjah en hare neiging tot den 
islam; de groote strijd waarin Hamzah, c Oemar Ma c di Karib, en andere van 
andere verhalen bekende helden woeden; van de andere zijde onderscheidt zich 
vooral c Ambar, de vorst van Chajbar sneuvelt (bl. 83), Moehammad neemt bezit 
van de wondervolle stad, hare inwoners bekeeren zich; de profeet huwt met 
Safijjah (bl. 99); hij zoekt den leermeester van den vorst van Chajbar, 
^Aa> genaamd, na den toegang tot zijne plaats op wonderdadige wijze gefor- 
ceerd te hebben langs een weg vol van de grootste en meest zeldzame 
verschijnselen, oude opschriften en verlatene verblijfplaatsen; ^ 1& verliest tegen- 
over den profeet zijne wondermacht, vlucht op een rog (het menstruatie-achtig 
bloedverlies van deze dieren wordt uit een avontuur met ^.U verklaard). Door 
een kraai laat hij een brief aan den vorst van Ispahan brengen, genaamd 
&.SLX>) _!.• om zijne hulp in te roepen; deze komt met een leger, de profeet 
zeilt ^..la achterna, doch na zijne leerlingen verslagen en geïslamiseerd te 
hebben gaat hij naar Chajbar terug, waar c Oemar Ma c dï Karib huwt met 
»j) Ixö zuster van *&£ ^Uia, en dochter van een der bij wij ven van den ge- 
sneuvelden vorst ; ^'Oethman voert al de vrouwen en den grooten buit uit Chajbar 
naar Madinah, en de profeet versterkt de nieuw-bekeerden door wonderen in 
hun geloof. Na zijn vertrek uit Chajbar trachten drie van daar gevluchte 
mantri's die plaats te heroveren, maar worden door c Ali overwonnen ; de mantri 
Lj.xü) fjcji wordt tot vorst van Chajbar aangesteld. c Ali gaat den islam uit- 
breiden, treft ^.la, aan die met den vorst van Ispahan op het oorlogspad was, 
verschuilt zich tusschen afgodsbeelden, komt tijdens een feest te voorschijn, 



239 

doodt velen, ook ^.la, en dwingt den vorst van Ispahan den islam aan te 
nemen. Daarna begeeft c Ali zich tot den profeet, wiens godsdienst alom 
wordt ingevoerd. 



r> 



CCXCVI1. 

HIKAJAT RADJA CHAJBAR III. 

Collectie v. d. W. 80, 33y 3 X 207 9 cM. 180 bl. 19 r. gedat. 10 
Rabr= I 1278. 

In den isnad wordt ^{^ gemist. Ook hier is Safijjah de jongste doch- 
ter van den joodschen koning; het verhaal is geheel hetzelfde als van II, ook 
de redactie verschilt niet; de dood van den vorst van Chajbar staat vermeld 
op bl. 104, het huwelijk van Safijjah op bl. 120; de leermeester van den vorst 
heet hier „,,.la>; <xJui) hier: <u£jj) ; doch overigens is er geene afwijking, en 
ook hier wordt aan het slot ^Uuw als zegsman genoemd. 

CCXCVIII. 

HIKAJAT RADJA CHAJBAR IV. 

Collectie v. d. W. 81, 33 X 20i/ 2 cM., 137 bl. 18 r. 

Ook hier ontbreekt in den isnad de naam ^AL» die echter aan het 
slot voorkomt in de woorden \&)x^.ï «j')j ^leJ Ui,J .^ _l i»IX». aJiLJ 
<x_j!c jd!) 1a>, ^Ijuj ->xi <k!,\ S)J,=>-A Het verhaal en de redactie stemmen 
volkomen overeen met de beide vorige manuscripten, vooral met III; de dood 
van den vorst van Chajbar is vermeld op bl. 79, het huwelijk van Safijjah op 
bl. 92, ook hier heet de leermeester ^..U en het land waarheen hij zich begeeft 
<Uaju); evenals in III heet de tot vorst aangestelde man tri hier i^xoUl) t/V' Dit 
handschrift heeft evenmin als III duidelijk zichtbare afscheidingen der pericopen. 

Ander handschrift: 

Londen, East India-House, 273 d. 

CCXCIX. 
HIKAJAT PANDITA RaGHlB. 
Bat. Gen. 363, 20 X lö cM., 212 bl. 12 r., gedat, 6 Januari 1867. 



240 

Dit verhaal schijnt eene fantastische uitbreiding der Chajbar-geschiedenis, 
waarin vele figuren uit den Hamzah-roman opgenomen zijn. De inhoud is aldus: 

In Chajbar was vorst Chajbar, maar het bewind was toevertrouwd aan 

Pandita Raghib (\ ^c}.) die de moslims wil bestrijden. c Alï was reeds van 

plan dat joodsche land te beoorlogen, en zendt Aböe Bakr, c Oemar en c Oethman 
met een brief naar Chajbar, waar zijne eischen geen gehoor vinden. De profeet 
ontbiedt c Alï en Hamzah uit Köefah; dezen komen met c Oemar Ma c di Karib 
en c 0emar ibn Oemajjah en onderwerpen op hun tocht vele landen en volken. 
Hamzah's zoon Badï c az-zaman bericht hem dat c Ambar door Radja Habasji 
en Chajbar c 'Alam met diens zonen a^vSlJ en ^^)^xc is aangevallen; de pro- 
feet trekt tegen Chajbar op, vervloekt voor eeuwig de slang omdat eene 
slang die hij bescherming verleende hem gebeten had, verheft andere dieren 
die hem beschermd hadden tot offerdieren, waarna de groote strijd aan- 
vangt, waarin vooral Hamzah en Chajbar c Alam zich onderscheiden. BI. 
107. Een wapenstilstand wordt gesloten. De pandita laat om een uit den 
hemel gevallen brief eene koperen burcht bouwen, doch in zijne afwezigheid 
tijdens eene reis naar Syrië, nadert zijn zoon rL^s»« de burcht, en bespeurt 
dat op den brief de geloofsbelijdenis geschreven is; nu wil hij den profeet 
leeren kennen, hoont zijn inmiddels teruggeroepen vader, wordt door dezen in 
de zee geworpen en door een djinn gered, dan door zijnen vader geketend, doch de 
ketenen smelten; hij wordt gedood, maar hij herleeft; eindelijk, met zijne moeder 
verbrand, blijft hij ongedeerd, en wordt door een djinn uit de woestijn waarin hij 
uitgeworpen was aan de deur der kasban gezet. Zoo komt hij in kennis met den 
profeet, die hem in den islam onderwijst. Met Aboê Bakr, c Oemar en c Oethman 
gaat hij op weg om zijnen vader te bekeeren; zij bekeeren zeer vele helden 
en spionnen van Chajbar; op hun gebed wordt de vesting van Chajbar tot asch, 
zoodat bijna alle inwoners verbranden. Zijnen vader neemt hij mede naar Mekka ; 
daar aangekomen voorspelt hij de toekomst der zijnen en zijn eigen onmidde- 
lijken dood; hij drukt den profeet de hand en sterft. De profeet houdt eene 
toespraak over dit merkwaardige geval, en geeft lessen over het geloof en de 

wet aan n .^^, die naar Koêfah gezonden wordt. 

De zestien laatste bladzijden worden ingenomen door een gedicht over 
een gesprek van Moeham mad met den duivel. 

ccc. 

HIK A JAT SARIBOE MASalL I. 

Bat. Gen. 19, 27 X 21 cM., 43 bl. 14 a 17 r., gedat. 1258 (in Jav. schrift). 
Notulen IV bl. 202 (31 Juli, 1866. II p.) 



241 

Eene Maleische bewerking van het Perzische boek der duizend vragen 
( JjL*-c .)-Jb» z i e Gat. der Perzische handschriften te Berlijn, van Pertsch, bl. 
75, no. 27, 5), door een geleerden jood uit Chajbar aan Moehammad gedaan; 
duizend dient slechts ter aanduiding van een onbepaald, groot getal. Het 
geschrift eindigt met de bekeering van den jood tot den islam. 

In dit HS heet de jood c Abdoellah Thamoed ibn as-salam; het HS. 
eindigt abrupt. 

CCCI. 

HIKAJAT SARIBOE MASa'lL II. 

Bat. Gen. 59, 19 X 1&V« cM., 68 bl. 15—16 r. 

De eerste bladzijde ontbreekt. De redactie is dezelfde, maar nauwkeuriger 
in de spelling der Arabische namen en aanhalingen; enkele vragen zijn in 
omgekeerde volgorde; het handschrift eindigt in de vraag omtrent de hel en 
het laatste gericht. 

CCCII. 
HIKAJAT SARIBOE MASa'lL III. 
Bat. Gen. 200, 20 V 2 X l^Va cM., 152 bl. 11 r., gedat, 23 Moeh. 1171. 

Een zeer net manuscript, aangekocht uit de nalatenschap van den abbé 
Favre; de tekst vertoont geene vermeldenswaardige afwijkingen; aan den rand 
zijn Engelsche aanteekeningen betreffende den inhoud aangebracht; de jood heet 
hier c Abdoêllah Samócd ibn as-salam. 

Ook in dit exemplaar staat vermeld dat het werk uit de behasa parasi 
in de behasa djawi is vertaald. 

CCCIII. 

HIKAJAT SARIBOE MASa'lL IV. 

Collectie v. d. W. 82, 33 X 21 cM., 105 bl. 19 r. 

De titel vertoont dikwijls den enkelvoudigen vorm mas'alah. 
De redactie van dit HS. in veelal minder uitvoerig den die van III ; 
ie vragen zijn: 

is de islam uw of Allah's godsdienst? 
wat is islam, wat ïman? 
hoeveel godsdiensten zijn er ? 
Verhandelingen. 16 



242 

welke was de godsdienst der oude profeten? 

zijn alle christenen, joden en vuuraanbidders kafirs? 

krijgt een kafir belooning voor zijne goede daden? 

welk boek is u geschonken? 

hoe is u de openbaring geworden ? 

vanwaar uwe verhalen? 

wie is Djabra'il? 

wie is Mika'il? 

wie is Israfïl? 

vanwaar komt de .,welbewaarde tafel?" 

vanwaar komt de Pen ? 

is Djabra'il man of vrouw ? 

wat is één en niet twee, twee en niet drie, enz. tot dertig, dertig en 

niet veertig, veertig en niet vijftig enz. tot honderd? 

wat is het recht der vrouw ? 

waaruit is Adam geschapen ? 

hoevele engelen begeleiden den mensch? 

hoe zijn de engelen die de werken der menschen opschrijven? 

hoe heeten zij ? 

wat is de ..welbewaarde tafel?" 

wat is de Pen? 

hoe lang is zij en wat is onder haar? 

waarvan is de hemel gemaakt? 

heeft hij poorten? 

De doxologie van dit exemplaar is eenigermate afwijkend. 

CCCIV. 

HIKAJAT SARIBOE MASa'IL V. 

Collectie v. d. W. 83, 33 X 21 cM., 96 bl. 18 r. 

Dit exemplaar levert weinig verschil op met de voorgaanden ; de taal 
waaruit het boek overgezet is. wordt hier behasa Koerajsj genoemd. 

CCCV. 

HIKAJAT SARIBOE MASalL VI. 

Collectie v. d. W. 84, 33 X 21 cM., 160 bl. 16 r. 



243 

Hetzelfde verhaal met overeenkomende redactie. Achteraan staat: 
JüUaAmj <rü) ri^jS gAi (j.ü" ^ye XJj-o t^jJ £ m^V- t_f J fr^**-* ' 9^-*Ci^ 

*U) J^ JÜ' ^jj al!) Aai' ,_$») <x! C^A.jJl* 

CCCVI. 
HIKAJAT SARIBOE MASa'IL VIL 

Collectie v. d. W. 85, 21 X 167 2 cM. 129 bl. 14 r, gedateerd 1273, 
geschreven op den pasar te Bandoeng; voorin staat: ,,Miss. Res. 
Preanger Reg. 25 Sept. 1857, no. 3340". 

Het verhaal en de onderwerpen zijn dezelfden, hoewel nu en dan andere 
uitdrukkingen gebezigd worden ; de eigennamen zijn meestal gebrekkig gespeld. 

Het HS. heeft toebehoord aan Ki-agoes Moehammad Mizan, zoon van 
had j i Chatib Taha in Palembang. 

CCCVII. 
HIKAJAT SARIBOE MASa'IL VIII. 

Collectie v. d. W. 86, 20 V 3 X 16 cM. 37 bl. 13 r. 

Een fragment, overeenkomende met bl. 56 tot bl. 78 van VII; het stuk 
begint met de vragen: waar is Iblïs neergelaten? waar de slang? hoe was 
Adam gekleed toen hij neergelaten werd? en hoe Eva? De laatste vraag is. 
naar de eigenschappen van den berg Kaf. Zonder werkelijk redactie-verschil 
op te leveren, vertoont dit exemplaar nu en dan van VI en VII afwijkende 
uitdrukkingen; het geheel is slordig en onvolkomen. 

Het geschrift is ook vertegenwoordigd in de geschiedenis van den profeet 
vervat in v. d. W. 102, bl. 253 — 296 in verkorten vorm. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1960(1), catal. bl. 264 en 265. 

Londen, Royal Asiatic Society, 62 III. 

CCCVIII. 

HIKAJAT SAMacOÊN I. 

Bat. Gen. 31, 21 X 17 cM., 30 bl. 14 r. 

Notulen VI: 4 (14 Januari 1868, II l.) 



244 

Over dit verhaal en zijne verschillende versies en redactiën werd door 
mij uitvoerig gehandeld in een opstel gepubliceerd in het Tijdschrift voor de 
T. L. & V. K. van N. I. deel XLI1I, bl. 444— 482; de bijzondere karaktertrek- 
ken van dit handschrift worden in die verhandeling besproken. 

CCCIX. 
HIKAJAT SAMacOÊN II. 

Collectie v. cl. B. 92, 20X1*3 cM., 114 bl. 13 r., gedat, 28 Januari 1857, 
te Buitenzorg. kampong Empang. 

Het begin, de eerste bladzijde namelijk, is dubbel; de aanvang is: 

i^Uiuiji ,j^ rC-fj ^xii^w XjLc) J«i,J i slwc.U ^l^A^ ^f-^ct) &ic <XÜÏ ~^i 

iXlUs-J Jl»J &11) U^°I^ ^-^^ i-/ 3 ^' ^>' l -^ a -<^ P^i.f i±/"S^ i_S^'} &>Is\Ja« 

Ook van dit handschrift is het karakter en de verhouding tot andere 
redacties in bovengenoemd opstel behandeld. 

CCCX; 

HIKAJAT TAMiM AD- MRi I. 

Bat. Gen. 151 A, bl. 1— 02, 15 r. (19 X 15 cM.), gedat. 16 Moeh. 
1206, 14 Nov. 1850. 

Ten einde eene vergelijking met het referaat van Van der Tuuk in de 
Bijdragen van het Kon. Inst. v. d. T. L. & V. K. v. N. I. 3° volgr. I, bl. 
445 — 446 mogelijk te maken laten wij de inhoudsopgave van dit handschrift 
thans volgen : 

Tamim ibn Habib ad- Darï wordt omdat hij een spreuk welke bij eene 
liturgie behoort vergeten was door een c Ifrit weggevoerd; zijne vrouw was in zijne 
afwezigheid hertrouwd, maar door zijn woest uiterlijk onherkenbaar komt hij 
onverwacht terug en eischt zijne vrouw op; de zaak wordt voor c Oemar ge- 
bracht; ieder houdt hem voor een djiun, c Alï wordt verzocht als rechter op te 
treden, en laat Tamïm zijn wedervaren vertellen; zijne avonturen waren aldus: 
de c Ifrït die hem ontvoerde werd door geloovige djinns overwonnen en verbrand, 



245 

waardoor hij in zee viel, doch hij werd gered door een vogel Toejoêr al-bahr uit 
tliÜ, viel in een kuil en ontmoette de slang Dabbat al-ard. Een dienaar van 
'Isa helpt hem en vertrouwt hem toe aan eenen scheepskapitein, wiens schip 
echter op den berg j j verpletterd werd; hij redde zich op een eiland en 
ontmoet Noêh ; daar treft hij een boozen geest aan die negen mannen een voor 
een wil opeten, en doodt hem. Daarna vindt hij een jongen man die hem door 
een welsprekenden vogel naar een eiland laat brengen, waar hij gevoed wordt 
in de spelonk van Soelajman; na een boos avontuur met een slang die Soe- 
lajman's ring bewaakte, ontmoette hij eene vrouw uit Andaloes die vroeger 
door eenen djinn geroofd was. Zij laat hem naar den berg jj brengen; daar 
vindt hij geketende lieden die het teeken des ongeloofs op het voorhoofd 
droegen, treft nog andere lieden aan en eindelijk eenen man die hem me- 
dedeelt dat hij o. a. den antichrist, Djabra'il en Mika'il gesproken had. Die 
man was de profeet Chidr; deze gelast eene witte wolk Tamïm naar zijn huis 
terug te brengen, •-' A li laat zijne haren afknippen, en toen herkende ieder 
hem; het tweede huwelijk zijner vrouw wordt nietig verklaard. 

CCCXI. 

HIKAJAT TAMiM AD-DaRï II. 
Collectie v. d. W. 101, 33 X 21 cM.. 105 bl. 19 r. 





Het b( 


-gin 


is: l^%jI».c Pj 


Vj 


j Cl/- 


ir ailü 


ij.. 


" J 


iftï 


*!;) 


J ] f>=r" 


oliiu!! 


t-f 


L_>ltf 


Ss.Ji 


Jj^ 


Uj_j r Jl£«j 






















J) /r 



De held van het verhaal heet Tamïm ad-Darm ibn Habib, uit den 
stam der Ansarï's; de reden dat de c Ifrït hem wegvoerde, was dat zijne 
vrouw de imprecatie daartoe richtte aan de djinn's die huisden bij den vijver 
waar hij de wassehing wilde verrichten. Eerst na een haar door c 'Oemar 
opgelegd uitstel van zeven jaren en vier maanden hertrouwt de vrouw. Boven 
de afdeelingen van het verhaal staan uitvoerige inhoudsopgaven, waaruit blijkt 
dat liet verhaal meer détails bevat dan de redactie van I; de woorden der 
inhoudsopgave mogen hier volgen: ^jj ,0^) *juJ ^/^f *-%**«ƒ '^S* 

1»^ ^^ *J.I J^-«)J JGV ^Uk« i_5y ,jlJ ^LJ »jJ <_?} iSj> j^ C^o' 

is) jGï u &j>L< ^Sji ^b c^sjJ J^ ^^ —}j <>>) J>\ j~^o usy j^ 



246 

CiA ; &U UL>p JU &j> c?) p l^o) ji ] S ^u*. <^h fj»3) ^J x^V is) 
'Jo .v.jl . c .Ja« i:J i^Jj (_5"l .ilüiU i_5*jï jj^J ^oj Ci^ü <L_sJ'l) .IJ i/^'''J 
C^o) ) ^r- ,J ^ J (j'^^ r '-«*w»J t)J»^ i_S^ lJ^' (J^ CL -o) JJ |*"W^ ó'^° <i ^ UJ 

Evenals in bet Londensche handschrift dezer legende ontmoet hij niet 
het , .beest der aarde'', maar den antichrist, doch evenals in het Leidsche manu- 
script 1719 wordt hij jn dit verhaal gelaafd door eenen drank hem dooreenen 
vogel uit zijn bek toegereikt. Nabi Chidr deelt hem mede dat hij gesproken 
hoeft met: vele djinns die met name genoemd worden, &_ M X aan wien c lsa 
eene wasijjah heeft toevertrouwd, Jhc, Djabra'il en Mika'il, den vogel, die 
Ishak was, genaamd aII^) J^^ (sic) (ertinja yang menoendjoekken segala hambd 

Allah dari pada djalan jarig sesat kapada djalan jang ). en met geheele 

groepen van gestrafte wereldlingen als de stam van Joênas, e. a ; de namen en 
beteekenissen der vreemde plaatsen welke hij betreden heeft legt de profeet 
hem uit, en drie dagen houdt hij Tamim als gast bij zich; daarna laat hij hem 
door eene wolk teruggeleiden. Op bl. 92 begint weder het verhaal van het 
tweede huwelijk van Tamïm's vrouw, hier £»_i- gebeeten; de geschiedenis 
van het oordeel van c Ali is met dezelfde uitvoerigheid verhaald als het geheele 
verhaal van Tamïm's avonturen die eene reeks van de meest onwaarschijnlijke 
verzinsels voimien. Of het kortere relaas van 151 A het originale is en dit 
uitvoerige verhaal eene latere uitgebreide bewerking, dan wel of dit het oor- 
spronkelijke en het kortere hiervan een excerpt is, is nog niet vast te stellen. 

De Arabische woorden en aanhalingen zijn zeer gebrekkig gespeld. 

CCCX1I. 

HIKAJAT TAMïM AD- DaRï III. 

Collectie C. St. 130 B, (20 X 16 cM.), 54 bl. 15 r. 

Deze redactie is in hoofdzaken gelijk aan die van 1, maar het slot is 
korter, en van het zich scheren van Tamim, die daardoor herkenbaar werd. 
wordt geen melding gemaakt, en over het algemeen is dit verhaal nog beknopter 
dan I. Dikwijls zijn hier de Arabische uitdrukkingen door Maleische vervangen. 

CCCXIII. 
HIKAJAT TAMïM AD- DaRï IV. 

Collectie Br. 421 F, bl. 75—132, 15 r. (22 X 13V 2 cM -)> g edat > 4 Juni 1839 ' 



247 

Hetzelfde verhaal, hier toegeschreven aan c Abd ar-Razzak op gezag 
van Malik, op gezag van c Oemar ibn al-Chattab. 

De redactie behoort tot de kortere soort vertegenwoordigd in I en II. 

Andere handschriften: 

Leiden, cod. 1719, 1975 en 1991, Catal, bl. 208—210. 

Londen, Royal Asiatic Society, no. 50. 

CCCXIV. 
HIKAJAT ABOE SAMAH I. 

Bat. Gen. 146, 26 X 20 1 /, cM., 30 bl. 30 r. 

Latijusch schrift. 

Gebrekkige copie; telkens zijn uitdrukkingen en woorden opengelaten. 
Achteraan staat geschreven: „Achterop stond : ïJi*£ Uu£ J)JJ *)y*V *_S>'-V J 

«XJU/ >\J,lj' looi (Jo»i *aw d^J») ^SlY^ >»i->^ l_f;^ «^ c/-«2-*« .JU* ^Sy^ ^ &* 

Den inhoud van het verhaal van de euveldaden van Aboê Sjahmah en 
zjiue bestraffing door zijnen vader den chalief c Oemar vindt men in den cata- 
logus van Dr. Juyuboll, bl. 201 en 202 medegedeeld. 

cccxv. 

HIKAJAT ABOE SAMAH II. 

Bat. Gen. 198 C. bl. 43—67, 13 r. (21 X 16 cM.) 

Dit handschrift heeft toebehoord aan den abbé Favre. 
Het verhaal is naar de gewone redactie. 

CCCXVI. 
HIKAJAT ABOE SAMAH III. 
Bat. Gen. 203 • B, bl. 236—248, 31 r. (34 X 21 cM.) 

Het verhaal vertoont denzelfden inhoud als den in den catal. der Leidsche 
HSS ópgegevenen, en dezelfde redactie als van II. 

De plaatsen uit de Notulen werden bij de beschrijving van het eerste 
gedeelte van dit handschrift (no. CCXXIj vermeld. 



248 

CCCXVJI. 

HIKAJAT ABOE SAMAH IV. 

Bat. Gen. 388 A, bl. 1—42, 15 r. (21 X 16 cM.) ged. Batavia 1872. 

Het verhaal vertoont geene afwijking; de titel is hier: Ijarilera daripada 
amir al-moeminina ^Oemar ibn Haldb mengerdjaftin hoekoem Allah alas analenja 
fang bernama Aboé Samd. 

CCCXVIII. 

HIKAJAT ABOE SAMAH V. 

Collectie v. d. W. 76 B, bl. 112—160, 19 r. (31 1/ 2 X 20 cM.) 

Uitvoerig verhaal van denzelfden inhoud, Aboê Samab wordt hier <u^, ^) 
gespeld; de ware naam is iu^ui ^)- 

CCCIX. 

HIKAJAT ABOE SAMAH VI. 

Collectie v. d. W. 97, 21 X 16 cM. 70 bl. 15 r. 

De redactie van dit handschrift is nagenoeg dezelfde als van V, alleen 
zijn de Arabische woorden hier beter gespeld. 

Andere handschriften. 

Leiden, cod. 1720 (1), 3201 (2) en 3309, Catal, bl. 200—202. 

's Gravcn/iage, 607, eerste ged. 

CCCXX. 

HIKAJAT AMIR HAMZAH I. 

Bat. Gen. 23 A, bl. 1—88, 42 r. (31 X 19 cM.), gedat. 1864. 

Zonder eenig opschrift begint dit brokstuk van den roman van Heer 
Hamzah in hoofdstuk LVIII, waarover men zie mijn Roman van Amir Hamzah, 
bl. 155; het loopt, zonder afdeelingen of opschriften, tot aan de onderwerping 
van Lahad, zie o. c. bl. 178. De eigennamen verschillen niet veel van die in 
de twee voornaamste Leidsche handschriften; cL>,U- heet hier ,^U^; voor na- 
dere bijzonderheden omtrent dit gedeelte en het geheele verhaal worde naar 
genoemd werkje verwezen. 






249 

CCCXXI. 

HIKAJAT AMIR HAMZAH IL 

Collectie C. St. 138, 25 X 20 cM., 248 bl. 18 r. 

Het verhaal begint met een vreemd gedeelte vol Bataviasche woorden, 
aldus: een djinn-vorst heeft 999 vasallen en twee vrouwen Ratna Seri en Tjahaja 
Seri; zijn minister heet Alkas Mantri, die bevriend is met Bacht Djamal. Deze 
ziet in een droom eeüe schatkamer, en de minister raadt hem aan zich veertig 
dagen af te zonderen; daarna gaan beiden jagen, Bacht Djamal vindt de schat- 
kamer en zijn vriend doodt hem. 

Op bl. 11 begint de geschiedenis van Boezoerdjmihr, geheel anders dan 
in de andere redacties: als knaap verbaast hij alle kooplieden op de markt 
doordat hij al hunne handelsgeheimen blijkt te kennen, zoodat zij hem al wat hij 
wenscht afstaan. Ook het verhaal van de geit is in de onderdeelen zeer gewijzigd. 
Op bl. 20 volgt de droom van Koebad Sjahrijar, hier Radja Djinn geheeten, 
wederom in afwijkende voorstelling; de geboorte van Nóesjirwan c Adil (bl. 41) 
vindt onder geheel andere omstandigheden plaats, en de voorspelling van den 
vijand in Mekka geschiedt als de vorstin zes maanden zwanger is; de dood 
van Nóesjirwans vader, zijn huwelijksaanzoek bij Kasoemba Nila Tjahaja 
(een nieuw feit) op raad van Bachtak, het huwelijk zelf en de geboorte van 
AJukJ _ a* (= Mihrnigar) worden beschreven vóór dat. Boezoerdjmihr's aankomst 
in Mekka is vermeld. Ook in hetgeen onmiddellijk volgt is veel fantastische 
afwijking, minder in het verhaal der geboorte en jeugd van flamzah en „Oemnr 
Maja bin Djamhari"; Boezoerdjmihr blijft 15 jaren in Mekka. Ook de eigen- 
namen verschillen ; de worstelaar Tahir bv. heet bier Tahir c 'Alam. Ook in 
het verhaal van het brengen van cijns aan Nóesjirwan (bl. 104) komen enkele 
nieuwe trekken voor: bv. dat Nóesjirwan zich ongerust maakt over het uitblij- 
ven van den cijns en daarover een brief schijft. flamzah wil den Perzischen 
koning en Bachtak in hunne stad aanvallen ; hij ontmoet hun leger in de vlakte 

Anta Bëranta, en overwint c Oemar Madï Karib (gespeld , }XY De episoden over 

Chajbar en Hisjam zijn uitgevallen. 

Op bl. 147 komt voor het eerst eene tjaritëra met opschrift voor, en 
wel de terugkomst van Hamzah uit Sjahristan, zijn vallen in handen van Dewa 
Përi, zijn verdwaliug en rondzwerviug in de zee en zijne gevechten metpëri's; 
dit alles staat in de andere handschriften in tjar. 21 en 23; een zeer groot 
gedeelte is dus niet opgenomen. Het verhaal van Salasil en de zijnen is weinig 
gewijzigd. Op bl. 159 volgt eene tjaritëra over de geboorte van Koeraisjï en 



250 

Hamzahs vallen in de handen van den garoeda; op bl. 171 het verhaal van 
de kist met den djinn er in, en het ontstaan van het paard .)j ,^j ï^) 
(Perz. sj); yj JLi) ; de vorm in dit HS. herinnert aan het Javaansch Sëkar- 
doewidjan). In de eigennamen is weinig verschil, zooals in X^ ( ,\ en 

fjJsü £# (Pers. te S-^yi) en ^a- ; JIJl>* zie °- c - bl. 228 sub XXIV). 
Op bl. 192 volgt het verhaal van Hamzahs verwonding door den vorst Hoemóem 
van Damascus en den terugtocht naar Ilalab, waarna regelmatig de inhoud van 
tjaritëra 29 volgt, zie o. c. bl. 138. Tjar. 30 begint op bl. 223; deze gaat 
geleidelijk over in tjar. 31; tjar. 32 vangt aan op bl. 139. 

Het eerste gedeelte van dit geschrift is eene moderne, voor het Batavia- 
sche lezerspubliek geadapteerde Hamzah-roman-redactie; het tweede gedeelte, 
dat op bl. 147 begint, geeft een deel van den roman vrij getrouw weder. Een 
deel van tjar. 33 (zie o. c. bl. 140) is in verkorten vorm' bewerkt, en vormt 
het slot van het handschrift. 

CCCXXII. 
H1KAJAT AMIR HAMZAH III. 

Collectie Br. 145. 

Deel I, 28 X 18 cM., 256 bl. 23—25 r., bevat tjaritëra 1 tot begin van 
19 (zie o. c. bl. 137), en eindigt abrupt. 

Deel II, 28 X 18 cM., 214 bl. 25 r., begint midden in tjaritëra 29; 
er is dus eene vrij groote lacune. Dit deel begint met hetgeen in de laatste 
alinea van bl. 138 van bovengenoemd werkje vermeld is. Het verhaal is volledig, 
mét den Lahad-krijg. 

Deze redactie is in indeeling en nummering der hoofdstukken zeer ver- 
want aan die van cod. Leid, 1697, maar de dood van c Amr ibn Oemajja, zie o. c. 
bl. 180, welke in dat manuscript niet voorkomt, wordt hier wél aangetroffen. 

Andere handschriften: 

Leiden, cod. 1697, 1698, 2020 en 3308(1), Catal. bl. 196—198. 

Londen, Koyal Asiatic Society, no. 56. 

's Gravenhage, nos. 420 en 528. 

CCCXXII1. 
HIKAJAT MOEHAMMAD HANAFIJJAH I. 

Bat. Gen. 164, 26 X 20 cM., 17 bl. 15 r., gedat, 1191. 



251 

Verhaal van de lotgevallen der zonen van c Ali, Hasan, Hoesajn en 
Moehammad-i al-Hanafijjah, hunne vervolging door den chalief' Jazïd, en slachting 
op de vlakte van Karbela. 

De inhoud van dit verhaal is medegedeeld door Prof. Pijnappel in de 
Bijdragen van het Kon. Inst. v. d. T. L. en V. K. v. N. L, 1870, bl. 167 ; 
in enkele exemplaren gaat eene geschiedenis van de mystieke noêr vooraf. 

In dit handschrift ontbreekt zij; de eerste bladzijden zijn geschonden, het 
begin is: r^i' JlL/ ^jb *Jjl«* <sJS C*U aÜIjü' ooj &^J> A>. U}*^ 

CCCLXXIV. 

HIKAJAT MOEHAMMAD HANAFIJJAH II. 

Bat. Gen. 359, 33 X 21 cM., 308 bl. 17 r. 

Zeer goed exemplaar, met de inleiding over de oudere profeten en de 
mystieke nocr, het verhaal van Fatimah de Syrische, de ouders van den profeet, 
het nederdalen van de noêr, de geboorte en jeugd van Moehammad, zijn huwelijk, 
krijg tegen Lahad, zijn dood. Daarna volgt de geschiedenis van Aböe Bakr 
(bl. 132), van Oemar (bl. 139) van Oethman (bl. 172*, en van cAli (bl. 199); 
daarop wordt de geheele lijdensgeschiedenis medegedeeld. 

CCCXXV. 
HIKAJAT MOEHAMMAD HANAFIJJAH III. 

Collectie v. d. W. 69, 33 X 20 cM., 370 bl. 19 r. 

Ook dit handschrift begint met de geschiedenis van de bëerving van 
de noêr door de profeten en de voorouders van Moehammad, tot op zijnen 
vader en hem zelven; vooral zijne geschiedenis wordt met uitvoerigheid ver- 
haald. De voorspelling van den aartsengel aan Moehammad van het droevig 
uiteinde zijner kleinzoons vindt men op bl. 80; daarna volgt de hemelvaart; 
het verhaal van het uit den hemel nederdalen van de kleederen voor Hasan 
en Hoesajn staat op bl. 101, de geboorte van Jazïd op bl 106, de dood van den 
profeet op bl. 120, de expeditie tegen Perzië onder c Oemar op bl. 125. Aan den 
strijd tusschen cAli en Moecawijah zijn vele bladzijden gewijd; de uitslag wordt 
vermeld op bl. 177, waarna melding gemaakt wordt van c Ali 's zonen 
(bl. 183), die met heerschappij werden begiftigd, nl. Moehammad Hanafijj ah met 



— ■> — 



c Ali Akbar in Ujb, c Oemar-i- c Alï, Talib-i- c Ali en c Akil-i- c Alï in Baghdad 
löi' Oww in e Irak, Ibrahïm Oestoer in <iui»j' en Toeghan Toerk met Moeghan 
Toerk in Tabriz; Hasan en Hoesaju bleven bij hun vader in Madinah. De 
dood van c Alï wordt beschreven op bl. 188, de vergiftiging en dood van Hasan 
op bl. 195; daarna begint de beschrijving van Hoesajn's tocht naar de vlakte 
van Karbela, waar hij zijnen dood vond (bl. 220). Niet minder uitvoerig dan 
de strijd van Hoesajn tegen Jazïd wordt die van Moehammad Hanafijjah be- 
schreven, benevens de beweging der Charidjieten (al-Chawaridj); eindelijk wordt 
Moehammad Hanafijjah zwaar gewond en gevangen genomen (bl. 333), maai- 
de zijnen redden hem van den brandstapel, en behalen op den vijand eene 
beslissende overwinning. Door een wonder wordt de afgehouwen arm van Moe- 
hammad Hanafijjah weder aan zijn schouder gepast en de wonde genezen ; Jazïd 
komt om in de vlammen, en de overwinnaar neemt bezit van zijn paleis en bevrijdt 
zijne gevangen gezette verwanten, en verheft zijnen neef Zajn al- c Abidïo tot 
vorst; de inhuldiging vindt met grooten praal plaats en de stad Damascus bloeit 
als te voren zoodat vele vreemde vorsten den nieuwen heer komen huldigen, 
en den islam aannemen. Na dertig jaren strijdens trekken de legerhoofden met 
hunne benden naar hunne woonplaatsen terug, maar Moehammad Hanafijjah 
blijft achter om Zajn al- c Abidïn in alles ter zijde te staan. De dochter van zijne 
zuster Sjahr Banoê, genaamd , uj J, de weduwe van een zoon van Aboê Bakr, 
was bevallen van een meisje Sjams al-Bahrain; toen zij volwassen was huwde 
zij met Zajn al- c Abidïn, een neef d>.U. huwt met Safijjah prinses van Egypte, 
en een andere neef (, ^Uü' met Kamar al-Bahrain prinses van Syrië. De par- 
tijgangers van Jazïd, voorzoover zij niet door de onophoudelijke achtervolging 
van Zajn al- c Abidïn's veldheeren gedood waren, verzamelden zich in eene grot 
bij den Djabal Nöer, en kozen zich een hoofd; spoedig giug Moehammad 
Hanafijjah geheel alleen daarheen en doodde bijna allen ; die ontkwamen ver- 
spreidden zich. Toen drie vierden gedood waren, beval eene stem Moehammad 
Hanafijjah het moorden te staken; hij verschrok en viel neer, op zijn paard, en 
de deur der spelonk sloot zich van zelve. Drie dagen en drie nachten beweent 
men hem; alle leden van het huis van c Alï treuren, als de donder is het 
geluid der jammerklachten, alle dieren weenen wede en de zon wordt verduisterd. 

CCCXXVI. 
HIKAJAT MOEHAMMAD HANAFIJJAH IV. 

Collectie v. d. W. 70, 22 X 18 cM., 353 bl. 17 r. (zeer compres). 



253 

Dit handschrift is, behoudens onbeduidende verschillen als dari voor 
daripada, bermoela voor sabermoela e. d.. volkomen gelijk aan TI f, de eene tekst 
moet eene copie zijn van de andere, of beide van één origineel. 

CCCXXYIL 

HIKAJAT MOEHAMMAD HANAFIJJAH V. 

Collectie v. d. W. 71, 33 X 20 1 /, cM.. 690 bl. 16 r. (Zeer groote letters). 
Ged. 11 Rabi«' I, 1288. 

Geheel hetzelfde verhaal, doch niet met den absoluut identischen tekst. 
Het handschrift begint met de geschiedenis van Fatimah de Syrische, die in 
II eerst op bl. 5 aanvangt. 

Dit manuscript is nu en dan wat slordig; aanduidingen van nieuwe 
pericopen en aanhalingen uit deu koeran zijn hier niet in rood schrift ge- 
schreven, gelijk in de twee vorige HSS. het geval is. 

CCCXXVII1. 

HIKAJAT MOEHAMMAD HANAFIJJAH VI. 

Collectie v. d. W. 72, 34 X 21 cM., 265 bl. 21 r. gedat. 6 Sja^oan 
1281, Riouw. 

Ook dit handschrift begint met de geschiedenis van Fatimah de Syrische. 
De quatern : bl. 140 — 148 is ondersteboven ingebonden. De dood van Jazïd, 
welke in III op bl. 340 vermeld is, staat in dit HS. 5 bladzijden vóór het 
slot; het geheele vervolg der geschiedenis is in die vijf bladzijden samenge- 
drongen, maar van hetgeen geschiedde nadat de verdwijning van Moehammad 
Hanafijjah bekend geworden was, wordt geen melding gemaakt. Het slot der 
verdwijningsscène is tevens het slot van het HS : ^ J c^o) J' c^ói CS-< 

JW-». (jij f^^- r*^ tj^ &•*&*»■ ^£ &a^\^c &j\S.i2>- C^~«J j| ëhlCw £J)J &ls£yy 
Boven de geschiedenis van Fatimah de Syrische is een opschrift dat in de an- 
dere exemplaren niet voorkomt, nl. J^ xAc <xil) lo adi) <Jy». )j>j>- *A&»- ^) 

^ili.l ^Jl»- s*z>x* JlGï ^UsU ^Sji (j)J <UxJ £))&Xi ijüLiJ uS" J ^ ^^' 

CCCXXIX. 

HIKAJAT MOEHAMMAD HANAFIJJAH VIL 

Collectie St. 157. 32 X 21 cM, 284 bl. 19—22 r. gedat. 1865. 



254 

Goed exemplaar, eveneens beginnende met Fatimah de Syrische, en 
zonder de voorgeschiedenis van de mystieke nóer, doch zeer uitvoerig in de 
levensbeschrijving van den profeet. Het verhaal is volledig. 

cccxxx. 

HIKAJAT MOEHAMMAD HANAFIJJAH VIII. 

Collectie Br. 211, 30 7 2 X 18V 8 cM., 337 bl. 21 r; gedat. Kroekoet 1243. 

De uitgebreide redactie, voorafgegaan door eene inleiding over de plicht 
van het opvolgen van de woorden des profeets. De geboorte van Hasan en 
Hoesajn wordt op bl. 88 vermeld, de held die aan het verhaal zijnen naam 
gegeven heeft wordt voor het eerst op bl. 219 genoemd. 

Andere handschriften: 

Leiden: cod. 1717, 3219 en 3223. Catal. bl. 198—199. 

Londen: East-India House, nos 373 a en 374. 

Londen: Britsch Museum, no. 2. 

Cambridge: Univ. Libr. L. 1. 6, 5, Handlist 1103. 

CCCXXXI. 

HIKAJAT cALï KAWIN I. 

Bat. Gen. 42 F, bl. 81—93. 14 r. (21 X 17 cM.) 

Notulen, VI: 40 (28 Apr. 1868, IV, 6°.) 

Verhaal van het huwelijk van c Alï met Fatimah, de versiering van den 
hemel en den bijstand der engelen. 

CCCXXXII. 

HIKAJAT cALï KAWIN II. 

Bat. Gen. 58, 17 X 10 cM. 32 bl. 

Fragment van een dergelijk verhaal, plotseling overgaande in eene ver- 
handeling over de methoden van den coitus. 

COCXXXIII. 

HIKAJAT FATIMAH BËRKATA KATA DÉNGAN PËDANG c ALï. 

Bat. Gen. 378 G, bl. 44—53, 17 r. (22 X 16 cM.) 



r. 



25t> 

Het verhaal van een gesprek van Fatimah met c Ali's zwaard; de volle- 
dige titel is : hikajat Fatimah tatkala ia bërkata kata dëngan pëdang c 'Ali jarig 
bërnama Dzöelfakar. BI. 46 en 47 zijn gevuld met aanteekeningen; het verhaal 
verloopt in de bekende onderrichting van Fatimah door den profeet. 

Over het geheele handschrift zie: Notulen, 1904, Nov. IV en Dec. IV. 

CCCXXXIV. 
TJARITÈRA TABOET. 

Bat. Gen. 145, 22 X 17 cM., 8 bl. 16 r. 

Bijzonderheden uit het leven van Hoesajn en zijn sneuvelen op de vlakte 
van Karbela. in verband gebracht met het taboetfeest. 

Het handschrift, dat eene zeer slechte spelling heeft, is verdeeld in tien 
zeer kleine paragrafen, als voorbeeld der gebrekkige spelling diene het aan § 1 
voorafgaande: HG}' J\j w» xj ^j ^\S JLJ >l> r^ï iU yL, j) 

cccxxxv. 

HIKAJAT ISKANDAR DZöE'L-KARNAJN I. 
Collectie v. d. W. 112, 8.8Vs X 20 V s cM., 400 bl. 19 r. 

Duidelijk handschrift bevattende eene redactie der legendaire geschiedenis 
van Alexander den Groote, welke gewoonlijk tot de dusgenaamde mohamme- 
daansche legenden gerekend wordt; om der wille van de uniformiteit is ook in 
dezen catalogus dit geschrift onder de genoemde rubriek gerangschikt. 

Na eene uitvoerige doxologie vangt het geschiedverhaal aldus aan: 

r—.). JlCw h\X\s- _^S)JJ ij^^r" (^ A. "— ^é^^" (ji) y£ ^-^) ^j^ ^.'^ 

Daarop wordt vermeld dat Allah Nabi Adam zijn nakroost doet zien, 
verdeeld in twee groepen: die welke voor den hemel en die welke voor de 
hel bestemd zijn; ook ziet hij schitterende nazaten, dat zijn de aanstaande 
profeten, onder hen één met bijzonderen glans verlicht; de latere nabi Ibrahïm, en 
de allerschitterendste: Moehammad. verder Da'öed en Soelajman; aan Da'óed 



256 

en zijn nazaat niet 60 maar 100 jaren wordt. Toen op zijn 960 ste jaar de engel 
des doods tot hem kwam om zijne ziel te nemen ontkende hij den afstand van 
40 levensjaren, en verkreeg dus 40 jaren uitstel; daarom verbinden zich al zijne 
nakomelingen op schrift. Daarna heeft God al zijne gezanten en alle koningen 
geschapen; onder de laatsten waren Soelajman en Iskandar Dzöe'l-Karnain de 

grootsten. De eerste vorst van diens dynastie was gj ^j£, de uitvinder van de 
zijde en de rijkunst, die 120 jaren regeerde. Na hem heerschte i , "_ , a U...) «'). in 
Babel, een zeer onrechtvaardig vorst; na hem £f\ i , _^ .. . zoon van ^<u& 
daarna: l J^> ] die 100 jaren regeerde; z^.ljjkS' die op Satans inblazing het paleis 
,*&**£ dat tachtig mijlen breed was bouwde; hij was de oppermachtige on- 
overwinlijke vorst, die den hemel besteeg om zijn bewoners te zien ; God deed 
hem en de zijnen nederstorten, doch hij bleef ongedeerd en regeerde 150 jaren. 
Hij werd opgevolgd door zijn zoon »^,^, die weldra abdiqueerde en het rijk 
overgaf aan l,_^,„\ ■■ 1; deze bouwde in Balch het paleis lj^. en na 120 jaren 
regeerens werd hij door een profeet vervloekt. Zijn opvolger was, mede in Balch, 
c^^u.ULw die madjóe3Ï werd; na 112 jaren regeerens werd hij opgevolgd daar 
„jLw_j, die gestreden heeft met Bachtnasar in Bajt al-Moekaddas. Hij had eene 
dochter Poetri Hoemajóen, met wie hij, naar de leer van zijn godsdienst, 
huwde; zijn einde voelende vaderen na een twaalfjarig bewind wees hij het onge- 
boren kind als zijn opvolger aan; voorloopig regeerde zijne dochter die daarin 
zooveel vreugde vindt dat zij het bewind niet wil afstaan. Zij wil zich van 
haar kind, een zoontje, ontdoen, en op raad eener voedster maakt zij bekend 
dat zij een meisje gebaard heeft, en blijft aan het bestuur; het zoontje laat zij 
in een kistje met geld en juweelen de rivier afdrijven, maar onmiddelijk daarna 
krijgt zij berouw, en laat het kistje zoeken. Te vergeefs echter. Zonder eenigen 
overgang volgt dan een gesprek tusschen Binar den herder en Darab; blijkbaar 
is hier eene lacune, welke wij uit den tekst van HS. v. d. W. 113 aanvullen. 
Daar, op bl. 7 en volg, leest men dat het kistje door een waschman (binara) 
gevonden werd; dat hij en zijne vrouw den vondeling zorgvuldig opvoedden 
en naar Madain verhuisden; zij noemden hem Darab, wat in het Perzisch iets 
bijzonders beduidt : ). Later vertelt zijne pleegmoeder hem hoe zij hem gevon- 
den hebben. 



1) Er staat: L^^j) .c^r* ^Mi &* ^->j^ ,j)A L_),)j Ll^o) (j^*> ^£) vj?^°~^ 

i«jl5wj moet waarschijnlijk (J^fwj gelezen worden. De plaats in het Sjahnameh kon ik niet op- 
zoeken, daar geen der uitgaven van dat gedicht hier aanwezig is. 



257 

Vorst imhs van Roem doet een inval in ^bak; Hoemajoen gelast al 
hare vasallen den keizer te bestrijden. Ook juL*,) van Madain ontvangt dien 
last ; Darab voegt zich bij de troepen en trekt naar Babel, waar de vorstin een 
ringsteekspel geeft, waarin Darab de meeste handigheid vertoont, Hoemajoen 
vermoedt dat hij haar zoon is, en draagt hem op aan de bescherming van 
JbJ (O^rfo' daarna trekt het geheele leger uit. Reeds den eersten nacht ver- 
kondigt eene stem de toekomstige grootheid van Darabs zoon; het leger van 
Roem wordt verslagen, voornamelijk door het optreden van Darab, en ^^a. 
die de nederlaag had willen wreken wordt door Darab gedood. Intusschen had 
Mahran Darab's pleegouders tot zich doen komen (thans volgt het gedeelte dat 
boven ontbrak, nl. de vondst van het kistje door den waschman), hij vernam 
alles omtrent den vondeling en schrijft een rapport aan Hoemajoen, die steeds 
berouw had over hare euveldaad. Zij wordt overtuigd dat Darab haar zoon 
is, en voor het geheele volk erkent zij hare daad, en laat Darab als vorst van 
Babel huldigen, en vraagt hem om vergiffenis. De strijd met ,idaj wordt her- 
vat; hij wordt verslagen en laat door *xGs- U'»J een brief naar Darab brengen 
om vrede te vragen. De vrede komt tot stand, en de prinses van Makadonia 
(= Roem) Us.) Ixiu^ wordt aan Darab, die bekoord was geworden van haar 
hem door U'J toegezonden beeldtenis, uitgehuwelijkt. Doch een onaangename 
geur uit haren mond, hoewel spoedig genezen, doet de bekoring verdwijnen, 
en zij wordt bij minnelijke schikking naar haren vader teruggezonden; kort 
daarna huwt hij met Mahran's dochter 2<ïyu- De teruggezondene echtgenoote 
bevalt van een zoon dien zij. naar de iskandar-bladeren waarmede zij genezen was, 
Iskandar noemt, en vier maanden daarna bracht de tweede echtgenoote eenen 
zoon v ,)j j ter wereld; de een wist niets van het bestaan van den ander. Iskan- 
dar wordt in de leer gedaan bij Aristoteles ; van zijne afkomst sprak niemand. 
Darab wordt ernstig ziek, en laat zijnen zoon (nu Dara genoemd) als opvolger 
erkennen en huldigen ; twee maanden la ter sterft ,jduki en Iskandar volgt hem op. 
Verschilt het hierboven in verkorten vorm medegedeelde gedeelte van 
de geschiedenis weinig of niet van den codex Leid. 1970, bl. 1 — 45, ook het 
vervolg vertoont geene belangrijke afwijking; alleen wordt hier verhaald dat 
Iskandars moeder hem mededeelde dat Dara zijn broeder was, terwijl volgens 
het referaat in den catalogus Dara die mededeeling deed, wat in strijd is met 
het vroeger vermelde feit dat Darab van het bestaan van Iskandar niet wist. 
Ook wordt vermeld dat Iskandars vroegere medeleerling ^yijüü poogde hem te 
vergiftigen, maar tot bekentenis werd gedwongen en door zijn eigen vergif gedood 
werd. Daarna begint de beschrijving van den veroverings- en bekeeringstocht 
Verhandelingen. l7 



258 

van Iskandar, welke iu het Leidsche manuscript op bl. 72 aanvangt, op pagina 
73. Naar het excerpt bij Juynboll, Oatal, bl. 192 sqq. te oordeelen, vertoont 
dit HS. geene afwijking in het verhaal, ook niet in de eigennamen ; alleen heet 
Djabar Sad hier LöoU- en *-r\ ^bbir- De inhoud vermeld in de eerste alinea 
van bl. 193 van den catalogus eindigt in dit HS. op 202. Daarna volgt een 
reeks van avonturen en ontmoetingen met djinns en zeldzame afgoden en nooit 
te voren ge/iene volkeren, welker beschrijving tientallen van bladzijden vult; 
het korte overzicht daarvan, op bl. 193, 2° alinea van den catalogus-Juynboll. 
past zich aan dit HS. volkomen aan, slechts wordt Hawas hier jj^ ^J) u J\c b 
genoemd en wordt Gidagah hier <xïaaï gespeld. Bl. 250 cod. Leid. komt over- 
een met bl. 269 van dit handschrift; bl. 271 (het begin van den tocht tegen 

Perzië) met bl. 297; • - van J heet hier ^_>%^. ,-«j) ■ ~»_ van ^Jh bl. 

JJ <L~ ■ • Lr » t> 

30G met bl. 317, het land _> J heet hier _>J en de vorst niet [Xxï maar 

'xxï en ook \jj£. De tocht naar Damascus vangt aan op bl. 366 ; de vorst (in 
cod. Leid. u^L) heet hier M Jio\ de laatste scène, welke in het Leidsche 
HS. eveneens de slotscène is, vangt aan op bl. 388: de weduwe van den vorst van 
Damascus overreedt hare dochter ^,«3 Iskandar listiglijk uit den weg te rui- 
men; een leger van Darinoes, die de dochter ten huwelijk had gevraagd, komt 
der weduwe hulp bieden om haren man te wreken. Men besluit de dochter als 
slavin verkleed met een nederigen brief en een geschenk, o. a. eetwaren welke 
de dochter vergiftigen moest, tot Iskandar te zenden. Aldus geschiedt. Iskandar 
wordt dadelijk van haar bekoord, en zij, dit opmerkende, maakt zich aan hem 
bekend en wint zijn vertrouwen; Chidr, die Iskandar overal vergezelde waar- 
schuwt hem tegen de lagen der jonge vrouw, en de wijze ^^L^^L raadt aan 
een stukje loud op haar borst te leggen zoodra zij in slaap is, want daardoor 
zal zij hare geheime bedoelens openbaren. Werkelijk vindt zulks plaats, Iskandar 
wil haar echter niet dooden, doch schenkt haar vergiffenis op voorwaarde dat 
zij het ware geloof aanneemt; zij spreekt de geloofsbelijdenis uit, het experiment 
met het lood doet zien dat zij het oprecht meent, en Iskandar laat zich met 
haar in het huwelijk verbinden. Acht dagen daarna vraagt en erlangt zij verlof 
om hare moeder op de hoogte der zaak te brengen ; toch geeft Iskandar haar 
enkele waarschuwingen. Hiermede eindigt de geschiedenis plotseling, evenals 
in het vermelde Leidsche handschrift. De laatste alinea luidt: 

^Iv^c o UdÜ ji.^ .{[xïS «j^V U^^ ^-.Ó (_5V* uV ^^^ ki/ï^f*" 'jS-< 



259 

^ais-y} Ci^ot /^«»ajus 77" J ^ t^J^"' j^lj &^' S.^wjJ LlX-« ^jÜJ év^A 33 ^A*«j 
*-.). (Jjj) Ci--« jjij») S^Amn#jA«JJ CL**aG-.« JIC* <X_Ltfl»».> C-^-< ^)..UJ' JlC* cJ 

C_>.iUS^ ( <=^*-r*S) ^« »— j)^) U *lc) <xU)j 
Uit _i~^ blijkt dat de schrijver zijn verhaal heeft willen voortzetten; 
het is echter onvoltooid gelaten. 

CCCXXXVL 
H1KAJAT 1SKANDAR DZöE'L-KARNAJN 1T. 

Collectie v. d. W. 113, 33X21 cM., 257 bl. 19 r. 

Het begin wijkt af van dat van 1 ; de tekst is : 
f)j <-£/^ J <J^ 7r\ y^f" ^fi^ L$ .AaC*) _). ^i) ^L <xi!b -JkajL*o & 5 

.xLs])j x C^ijl^AwJ ,J^j« ails^w all) (J^/ C_£-o /»^U .J»jJ^ tJJÖü K^ 
^Xas^c Ij yóoJo) i_f^r^. cj^" uf^w^ ^' ü*-<r^**' f 1 (O^r*^^ <ir° i*^- 1 ^ JjLw (Ji' 

^Sji ^j)jij>- yoO AA^ JCJjIX»- ^) .$1 J'U Aa2A^ L» *$Sj) Cljli' t-_yLoi' êï)j 

c^-Cvc JolXrs- J)jjJ jLï f.lj ja/j^ 
Daarna begint dadelijk de geschiedenis van Bahman (hier ,a^j) 
en JUj>i gelijk zijne dochter hier genoemd wordt. Alles wordt in dit HS. met 
geheel andere bewoordingen verhaald als in ], en de eigennamen wijken nu en 
dan af, bv. JoJ <o)r-<> mer JuJ dri^' 1 doch m eestal zijn deze afwijkingen 
aan slordige schrijfwijze te danken ; Ui') IxLe) heet hier 'ixc, <uius en v^Jv- 
hier ^J^- 

De tweede alinea van bl. 192 Catal-Juynboll vangt hier aan op 
bl. 59, het verhaal is geheel hetzelfde als in I ; LJJ , Jlüj wordt hier -^Jiido 
genoemd. De beschrijving van den grooten tocht naar het Westen begint op 
bl. 105; Djabar Sad (in I La >{^\ heet hier Lc U=^; de tocht naar dat rijk wordt 
nog beschreven, maar het laatste wat vermeld wordt is de brief van Lskandar 
1) Corruptie van Koeran XVIII : 82. 



p 



260 
aan cOebóed, welke door Chidr bezorgd moet worden. De laatste woorden zijn : 

^Jj) *Syul ^li" Jy^ aU£U- )^u ^US' <d!) 

Deze passus is in 1 te vinden op bl. 172; de woorden luiden echter 

anders, en wel : piLo JlJ CS^ -ai J^j*«i &{&* £)jjl ^ «yty^ cJ^ J 

üIj ^e\S c^a^v l_^ y^ C SIC ) *j& Jiy «UcU» CiU _Kl> ^^ ^ïj^j 

Na deze gebrekkige zinsnede vervolgt de schrijver van I aldus: 

sb) <xJJjJjfc> JU St JUS' JU ^IJ i-U* jj Jj.lT-i Lkr). X;jUU ji JÜ _|, 

Dit handschrift is meer dan twee malen kleiner van inhoud dan I. 

CCCLXXXVII. 
HIKAJAT ISKANDAR DZóE'L-KARNAJN III. 
Bat. Gen. 1, 3o bundel, 32 l j % X 20 cM., 4 bl. 26 r. 
Klein fragment uit het begin der geschiedenis. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1696, 1967 en 1970, Catal, bl. 191—196. 

Londen, Royal Asiatic Society, no. 2. 

(Bat. Gen. no. 40, bevat de Alexandersage niet, gelijk op bl. 191 r. 5 
van Juynboll's catalogus te lez.cn staat; de opgave in Cohen Stuarts inventaris 
was verkeerd). 

CCCXXXVIII. 

HIKAJAT SAJF DZóE'L-JAZAN I. 

Collectie v. d. W. 114, 33 X 21 cM., 350 bl. 21 r. 

Malelsche bewerking van den roman van den Himjarietischen vorst Sajf 
ibn Dzóe'l-Jazan, gewoonlijk genoemd Sajf dzöe'l-Jazan. De Arabische be- 
werking wordt o. a. vermeld : Leiden, Cat. cod. Arab. 2° ed. cod. 1680 a , Gotha, 
Pertsch, Catal, cod. arab. deel IV bl. 358, Lund. no. 6. Bibl. Ambrosiana 
199—209, Mus. Britt. 1537, Parijs, Bibl. Not. no. 68 Leipzig (Refaij) no. 99. 
In bijna al deze Arabische manuscripten wordt als auteur genoemd: Abóe'1- 



261 

Ma c ali, die als schrijver van den Hamzahroman meer volledig Ahmad ibn 
Moeham mad Aböe'l-Ma c alï al-Köefï genoemd wordt; deze verhaler wordt ook 
in de Maleische versie als de schrijver vermeld. 

Van Sajf staat vermeld dat hij in 600 eerst naar Constantinopel en 
daarna naar Madain vluchtte om hulp te vragen tegen de Abyssiniërs; in 
Madain is hij gestorven en na zijnen dood zond de Perzische koning eene kleine 
legermacht uit die Abyssiniërs versloeg en dwong het land te verlaten. Zie: 
Sprenger, Das Leben und die Lehre des Moh. III, bl. 448. 

De spelling van dit handschrift is zeer gebrekkig en onregelmatig. 

Het Maleische verhaal is in Singapoera uitgegeven; de korte inhoud 
van den roman is als volgt: 

In Jaman heerschte ^d-jd): $uï (Toebba c Dzöe'l-Jazan) ; zijn wezier was 
Jathrib die in den te verwachten profeet Moehammad geloofde. Optrekkende 
tegen Toebha c Ba'al bezoekt hij Mekka en wil de ka c bah afbreken om haar 
veel mooier weer op te bouwen, maar eene lichamelijke bezoeking verhindert 
hem daarin ; op bevel van eene stem verwisselt hij slechts het dekkleed voor 
kostbaardere tot drie malen toe. Verder trekkend sticht Jathrib eene stad, die 
hij naar zich zelven noemt, voorziende dat de profeet die plaats eens zal noodig 
hebben. De stad van Toebba c Ba c al wordt ingenomen. Dzöe'l-Jazan sticht de 
stad Madinat al-ahmar, en brengt zijne onderdanen derwaarts over; een voor- 
genomen oorlog tegen Abessynië laat hij varen omdat zijn wezier in de sterren 
ziet dat een ander dan hij den vloek van Nöeh zal ten uitvoer leggen en de 
Semieten over de Ohamieten zal doen heersenen. De vorst van Abessynië nu, 
Sajf ar-Ra c d, zetelende in Ad-Daur wil Dzóe'l-Jazan beoorlogen, doch op raad 
van zijn wezier gelast hij de slavin Kamarijjah den arabischen vorst te vergiftigen. 
Een andere wezier. moslim in liet geheim, en Arabier van geboorte, Ar-Raïf 
aboê Rifah (zijne dochters Rifah en JIG.J komen later ter sprake) waarschuwt 
heimelijk den vreemden vorst tegen de slavin, tegen wie ook Jathrib zijn heer 
wantrouwen had ingeboezemd. Kamarijjah door Dzóe'l-Jazan bedreigd bekent 
alles, wint zijne liefde en wordt boven alle bij wij ven gesteld. Spoedig daarop 
stierf hij en wees Kamarijjah als opvolgster aan (bl. 26). 

Het zoontje waarvan zij weldra beviel laat zij te vondeling leggen ; eene 
rei' zoogt het, een jager vindt het en geeft het den vorst sJid) tJ_£Lc, die juist 
een dochtertje, Sjamah, gekregen had. De vondeling wordt Wahsj al-Fallah 
genoemd; hij leert alle krijgskunsten, en gaat later zwerven. De wezier had 
aangeraden den knaap te dooden daar hij voorzag dat deze jonge man den vloek 
van Nöeh zou voltrekken; daarna bewerkt hij dat een djinn Sjamah opeischt 
op straffe van verwoesting der stad. De dochter wordt werkelijk naar buiten 



202 

gebracht, tillen zijn in bange afwachting, en toevallig kwam Wahsj al-Fallah op 
zijn dwaaltocht bij den tent der prinses; hij wordt herkend, slaagt er in den 
djinn te verjagen en vraagt de geredde ten huwelijk. De wezier, voorziende 
dat die gebeurtenis den ondergang des rijks ten gevolge zoude hebben, eischt 
als huwelijksgift het hoofd van den reus Sa c döen dien Sajf ar-Ra c d niet had 
kunnen overwinnen. Na onnoemraelijke gevaren, waarin Sjamah hem dapper 
bijstaat, dwingt hij Sa c döen tot onderwerping; deze volgt hem naar het paleis 
van Malik al-Afrah en biedt zijn hoofd aan. doch de vorst weigert en wordt 
zijn vriend. 

Nu eischt de wezier als huwelijksgift het zeldzame boek ta'rich NU. 
Na 61 dagen dolens ontmoet hij den asceet Djajad, die hem bekeert tot den 
godsdienst van Ibrahim en hem voorspelt dat hij het vloekgebed van Nöeh in 
vervulling zal doen gaan. Des asceets aanwijzingen volgende komt hij aan den 
Nijl bij een draak die de vijand is der zon. Daarna komt Sajf al-Jazan (zooals 
hij thans genoemd wordt) bij de stad van Malik al-Kamar, waar ieder bekend 
was met de voorspelling omtrent zijn toekomstig optreden en ieder hem dus 
duchtte; daar bewaarde men de ta'rich Nïl. Zekere Tamah en hare moeder de 
wijze c Akilah honden hem eene wijle voor den vorst verborgen, maar tegen 
haren raad in maakt hij zich bekend, en wordt in een diepen put geworpen. 
Daar vindt hij de door een djinn geschaakte prinses van Kamar, c Aksah ge- 
heeten; uit haar verhaal blijkt dat die djinn dezelfde is als die welken Sajf 
al-Jazan vroeger overwonnen en verminkt had; zij brengt hem uit het hol al 
vliegende naar de verblijfplaats van den djinn waar hij vele geroofde prinsessen 
aantreft, onder wie Nahidah van China aan wie zijne komst in den droom 
voorspeld was; hij doodt den djinn (bl. 100). Nahidah biedt zich als zijne vrouw 
aan, maar hij wil geen andere dan Sjamah, waarop zij hem verwenscht, c Aksah 
belooft hem hulp in alles, en brengt hem vliegende naar de stad van Iflatóen (Plato). 
Hij wordt gevangen, maar door zijnen bewaker op bevel van eene goddelijke 
ingeving bevrijd; poesaka's van groote tooverkracht komen in zijn bezit, c Aksah 
acht zich door hem verwaarloosd en brengt hem naar de stad van Malik al-Kamar 
terug, waar Tamah en c Akïlah hem met liefde ontvangen. Ditmaal gelukt het hem. 
door zich onzichtbaar te maken, den ta'rich Nïl machtig te worden; Tamah, die hij 
niet huwen wil, verraadt hem, maar hij ontkomt op den rug van den draak die 
de vijand der zon was; vervoegt zich bij den asceet Djajad, en vertrekt na diens 
dood met het boek naar Malik al- c Afrata. In zijne afwezigheid had de wizier 
met zijnen broeder den wezier van Sajf ar-Ra c d tegen hem geintrigeerd, en 
bewerkt dat zijn heer Sjamah ten huwelijk vroeg; maar Sa c dóen verwoed over 
deze zaak had den gezant van Sajf ar-Ra c d gedood, was daardoor in strijd 



263 

geraakt met het geheele leger van Malik al- c Afrah en was reeds zeven dagen 
lang aan het woeden, toen Sajf al-Jazan voor de stad verscheen (bl. 151). 
leder herkent in hem den vroegeren Wahsj al-Fallah ; weldra keert het leger van 
Sajf ar-Ra'd verslagen terug naar hun land (Madinah Doêr al-Koesoêr); Sajf ar- 
Ra c d wil het rijk van Malik al- c Afrah verwoesten waar de wezier Ar-Raïf 
maant hem aan tot vredelievend optreden, waardoor Malik al- c Afrah met de 
zijnen hem komt bezoeken. Op verzoek van Sajf ar-Ra c d gaan Sajf al-Jazan 
en Sa'doên met een groot leger Kamarijjah te Madïnat al Ahmar beoorlogen; 
zij herkent hem aan een moedervlek als haar uitgeworpen kind, belijdt hare 
schuld en belooft haar koninkrijk aan hem af te staan, maar misbruik makende 
van zijn vertrouwen verwondt zij hem doodelijk in den slaap. Twee vogels, de 
zielen der twee asceten die hem vroeger geholpen hadden, geven hem medicijn 
(bl. 172); na 61 dagen zwervens komt hij bij eenen asceet die hem reeds van 
vóór zijne geboorte verwachtte en hem het lijk van Cham wijst, waar hij a. o. 
een zwaard, steeds door Cham gebruikt, verkrijgt. Door tegen des asceets waar- 
schuwing in het gelaat van den doode te bezien komt hij in ellendigen toestand 
van. honger en dorst; een woeste stroom voert hem mede; hij belandt naakt 
in een land waar de dochter van den laatst vermelden asceet hem wil 
laten dooden ; haar vader echter maakt hem aan haar bekend en wil hen doen 
huwen, maar hij weigert. Met behulp van een bij Chams lijk gevonden toover- 
plaat vliegt hij naar zijn land terug, en bevond dat het huwelijk van Sajf ar- 
Ra'd met zijne Sjamah gevierd werd! Door zijn geleigeest laat bij zich dadelijk 
in de tent van Sjamah voeren, het gedwongen huwelijk was nog niet voltrokken, 
en hij kan zijne geliefde wegvoeren uit de drommen die hem na de ontmoe- 
ting tusschen Sajf ar-Ra c d en hem omsingelden. Kamarijjah had nadat zij 
haren zoon volgens hare meening gedood had vrede gesloten met Sajf ar-Ra c d 
en Sa c doên verraderlijk gevangen genomen; Sajf ar- Ra c 'd had hem willen dooden. 
maar de wezier Ar-Raif had bem het leven gered; de booze wezier had zijnen 
heer overreed aan te houden om de hand van Sarnah, en haar vader had haar 
tegen haar wil naar Sajf ar-Ra l 'd's land gebracht, waar de huwelijksfeesten 
gevierd werden. Toen was Sajf al-Jazan op de bovenbeschrevene wijze tusschen 
beide gekomen. Nadat hij Sjamah in veiligheid gebracht had daagde hij alle 
helden van Sajf ar-Ra'd uit onder zijn waren naam Sajf al-Jazan anak Toeb- 
ba c Dzóe'l-Jazau ; hij doodt zeer velen van hen en Sajf ar-Ra c d noodigt Sa c döen 
dien hij uit de gevangenschap bevrijdt uit Sajf al-Jazan te bevechten (bl. 218), 
wat Sa'ïlóen (die alleen de kracht van Sajf al-Jazan wilde beproeven en in eik- 
geval zich tegen het leger van Sajf ar-Ra c d zoude keeren) op zich neemt. 
Sa c dóen verliest 't tegen Sajf al-Jazan, maakt zich bekend, en tesamen met 






264 

dezen verslaat hij het leger van Sajf ar-Ra c d ; daarna laat Sajf al-Jazan zich 
met Sn9döen en Sjamah door zijnen geleigeest (dien hij bij het lijk van 
('ham gekregen had) naar de stad van zijnen vader, thans nog van Kamarijjah, 
brengen. Zij weet listiglijk zijn deernis en liefde op te wekken, en geeft het 
koninklijk aan hem over. De geleigeest had intnsschen gezien dat Sajf ar-Ra c d 
gereed stond Malik al- c Afrah te dooden ; op last van Sajf al-Jazan verlost de 
geest den vorst en voert hem naar de verblijfplaats zijner dochter, wier huwelijk 
eindelijk wordt voltrokken, (bl. 229). 

Kamarijjah steelt de toovertafel van haren zoon en laat hem door den 
geleigeest naar Ghïlan voeren, en Sjamah naar het land der schapenaanbid- 
ders, waar zij liefderijk opgenomen en tot hoedster van het aangebeden schaap 
aangesteld wordt. Daar bevalt zij van een zoon, dien zij Damïr noemt; de 
schapetempel raakt in brand, men wijt dit aan haar en laat haar geketend daar 
blijven (bl. 237). Sajf al-Jazan moest volgens eene onde voorspelling welke 
een onde man hem mededeelde het leelijke volk van Ghilan dooden; met 
behulp van een haan welks veeren lansen worden, dien hij op aanwijzing van 
ouden man gevonden had, doodt hij inderdaad de bewoners. Beiden gaan dolen, 
komen aan de stad der schapenaanbidders en worden opgesloten om latei- 
met Sjamah geslacht te worden. Zoo vindt hij zijne vrouw terug met hun kind. 
Hij doodt het god-schaap, zij worden belegerd door het geheele volk, en toen 
hun toestand hachelijk geworden was, kwam e Aksah, die door den geleigeest 
gewaarschuwd was, aanvliegen en redde hen. Zij brengt hem bij de stad van 
Aböetat waar hij een gevreesden en aangebedenen tijger doodt; deze vorst 
vereert hém maar begeert zijne vrouw, een strijd ontstaat, hij neemt den vorst 
gevangen, maar wordt eensklaps door zijn vroegeren geleigeest op last van 
zijne moeder naar een verren vulkaan gebracht, de vorst wil Sjamah benaderen, 
maar verlamt op haar gebed, waarna hij zich bekeert en den islam aanneemt, 
wat een burgeroorlog ten gevolge heeft. 

Bl. 268. Sajf' al-Jazan werd op den vuurberg gevangen door toovenaars 
om als offer verbrand te worden, maar uit het vuur verrees een man die den 
aanvoerder der toovenaars gelastte moslim te worden en Sajf al-Jazan te bevrijden; 
beiden worden onverwacht door c Aksah, die door den geleigeest gewaarschuwd 
was. opgenomen en naar de stad van Aböetat gebracht. Daar woedde de bur- 
geroorlog; drie vierden van het volk waren tegen den vorst opgestaan; de 
onverwachte komst van Sajf al-Jazan niet den toovenaar ^Jj doet de opstan- 
delingen besluiten den islam aan te nemen; hij laat nu door c Aksah Sjamah 
naar haren vader en • Jj naar Kamarijjah voeren. Daarna gaan hij zelf en 
Aböetat (dikwijls Aböetad gespeld) scheep naar de stad van Kamarijjah, maar 



265 

onderweg wordt hij op haar last wederom door den geest naar een eiland gevoerd, 
vanwaar hij zich met een schuitje kan verwijderen; hij lijdt schipbreuk en 
drijft naakt aan op de kunst van China, alleen een krab die een onfeilbaar oog- 
medicijn is, die hij op dat eiland verkregen had heeft hij bij zich. Daarmede 
geneest hij de blindheid der prinses die niemand anders is dan Nahidah, die 
hem toegewenscht had dat hij naakt en arm in haar land zou komen ! 
Thans weigert hij hare hand niet; het huwelijk vindt plaats; beiden worden 
door den geest, op • J^ 's last, naar de stad van Kamarijjah gevoerd, waar 
hij Sa c döen wedervindt. Zijne moeder smeekt hem weder om vergiffenis en wordt 
weder begenadigd (bl. 287), wederom steelt zij zijn toovertafel en laat hem door 
den geest in de lucht voeren tot boven de stad van Iflatoen waar hij een onzicht- 
baar makende muts weleer had ontvreemd, en hem door dien geest naar beneden 
werpen, nadat zij de inwoners heeft doen aanzeggen met omhoog gerichte lansen 
gereed te staan, maar op het laatste oogenblik redt c Aksah hem en voert hem 
naar haar land, waar hij eenigen tijd blijft. Met haar hulp bemachtigt hij de 
prinses Moehijj an-Noeföes, met wie hij huwt; c Aksah voert beiden naar een 
eiland waar hij lieden van Abóetat ontmoet; met dien vorst gaat bij naar de 

stad van Kamarijjah. 

Bl. 302. Deze slechte moeder werd door • J « ziek getooverd; zij roept 

de hulp in van Sajf ar-Ra c d, die den vorst Majmöen verzoekt -J-j en Sa c dóen 
te bestrijden; bij hen voegen zich veertig toovenaars, vroegere vrienden van 
^Jjj en gezamentlijk trekken zij tegen Sa c döen en ^_J^ op; toen de strijd fel 
was verschenen Sajf al-Jazan en Abóetat, en spoedig werd Majmöen overwon- 
nen en tot moslim gemaakt, maar » Jj wordt door de veertig gevangen, de 
schare van Sajf al-Jazan doen zij door vuur bijkans omkomen, maar c Akïlah 
redt hem en de zijnen uit dat gevaar, doodt op bovennatuurlijke wijze alle 
veertig, en geeft hem een kleed dat hem onbereikbaar maakt voor alle geesten. 
Kamarijjah vraagt hem wederom om vergiffenis en geefc hem de regeering over, 
maar door list en hulp van Nahidah bemachtigt zij zijn kleed, doch Tamah 
die alles had waargenomen ontrukt bet haar en doodt Nahidah. Kamarijjah laat 
zich ijlings naar China voeren en beschuldigt haren zoon van den moord; daar 
huwt zij met den vorst. Spoedig voert c Akeah haar terug en doodt haar, tot 
verontwaardiging van haren zoon. De asceet die hem bij het lijk van Cham gehol- 
pen had brengt hem zijne dochter, )jaa^ met wie hij huwt; eindelijk wordt 
ook Tamah zijne vrouw; hij laat Sjaniah met zijnen zoon komen. Zijne vrouw 
Moehijj an-Noeföes ontvlucht en gaat naar haar land terug, waar zij bard behan- 
deld wordt. Hij stelt Damïr in zijne plaats op den troon en laat zich door den 
geest en c Aksah naar het land der ontvluchte voeren; eene verzoening wordt 



266 

bewerkt, en roet haar laat hij zich naar Madinat al-Ahuiar terugvoeren. Daar 
regeert hij met rechtvaardigheid. 

Het slot is: ^J J\y£\ __i.^ CJ1« r^i) JU« )A>- jij ^ ^.^ 

o ^ o ^ 

i >J«ai\j J.J «xUU ,.-. LM .jiV-jdl _iA~. CiXc ^=~.j>- dJJol i«i*o) (_TrJ^=- Ju jj.J 

r > c*> •• * 

Hieruit blijkt dat van dezen roman nog een vervolg bestaat; de beloofde 
lotgevallen van de dochters van den wezier Ar-Raïf zijn trouwens in dit 
verhaal nog niet vermeld. 

CC0XXX1X. 

HIKAJAT SAJF DZöB'L-JAZAN II. 

Collectie v. cl. W. 115. 33 X '-O 1 /, cM., 384 bl. 19 r; gedat. W. 4 
Dzóe'lh. z. j. 

De spelling is beter dan van I: de doxologie ontbreekt, de eigennamen 
zijn veelal slecht geschreven, zooals jjdLï inplaats van oö'. JUd) J\ in plaats 
van IUaS) 4.0 e.d. De held van het verhaal wordt steeds ,\ydlj _i,i.„ geheeten. 

Het verhaal wijkt van I in geenen deele af. en de bewoordingen ziju som- 
tijds over geheele bladzijden nagenoeg identiek ; de eigennamen leveren slechts 
geringe verschillen in spelling op; grootere afwijkingen als , «Jü jLL« 
voor ^^ül s^ zijn zeldzaam. 

Aan het slot komt de vermelding van liet vervolg op het verhaal niet voor. 

CCCXL. 

HIKAJAT SAJF DZóE'L-JAZAX III. 

Collectie v. d. W. 116. 32 X 207 2 cM., 365 bl. 19 r. 

Geheel met II overeenkomende redactie van hetzelfde verhaal, eveneens 
zonder de doxologie, de bijvoeging aan het slot en de uitvoerigheid bij het be- 
sluit van den roman welke in I worden getroffen. De titel van het verhaal is 
hier Hikajat Sitli Kamarijjah. 

CCCXLI. 

HIKAJAT SAJF DZöE'L-JAZAN IV. 

Collectie v. d. W. L17, 30 1 /, X 20 cM., 181 bl. 21 r. gedat. 






267 



Malaka, 15, ... . 1258, met de bijvoeging Vj ^) g aSLJ J\A 

CjS j .j/**-»- gA*«J ^jLswJ Klein en co m pres schrift. De eigennamen zijn iets 
beter gespeld, eu de tekst komt geheel overeen met dien van II en III. Op de 
eerste 40 bladzijden zijn talrijke aanteekeningen aangebracht. 



AFDEELING III. 
GESCHIEDENIS. 



CCCXLI1. 
SJADJARAH MALAJOE I. 

Bat. Gen. 11, 21 X 17 cM.. 116 bl. 15 r. 

Notulen, TV; 24 (1 Febr. 1866. II, d.) 

Bijna geheel gelijk aan Klinkerts uitgave; de tekst eindigt in het 13o ver- 
haal, op de plaats van regel 7 v. o. bl. 153 van genoemde uitgave bij de woorden 
?\ «-Tr^ ^ i-fA*- 5. y*»J Voorin staat verkeerdelijk: »Palerabangsche Legenden". 

CCCXLIII. 

SJADJARAH MALAJOE II. 

Collectie v. d. W. 188, 33 V 2 X 21 cM., 312 bl. 23 r. 

De uitgebreide tekst met het toevoegsel (zie Tijdschr. v. In d. T. L. e. 
V. K. deel XLIV, bl. 358 — 373'. De hoofstukken zijn duidelijk aangegeven, 
doch zonder nummering. 

In mijn catalogus der Haagsche HSS was sprake van een tjiri in het 
begin van dit verhaal (zie ald. bl. 199). 

Die zonderlinge tjiri luidt hier (bl. 22;: 

s ■<■ ' ' ^ O s ^ s ,- ' C ' * s SS s v) • s • J s s s s s s s s < s s s 

(jV" ij^j f)^ C-^iu Lij c^jXmj A*M <jV?/ c/^c ^jK e^Cc jj.5 «Jixj 

.- ^ ' s s ' ■ • s s»> s - s s ' s s ; si's 

fcj*^ ^j^ ur^* *^V J3***j 7i\^ rb r^ J ^-T L -^ «_s^ Lj'r <-^ 

<• , s s - »> s s s' <■ ' " • ' S 

(J.ws) yMfc»»- i ys\ jiJj <*-WvJ W <^;^ i_S\.J^ ^lw< fcA.cLJ ja/,*-J'i^ W s^^^ 

(Jli" (J»&l) t_Tr^ «-l^e &.A_.c).^ 



269 

Op bl. 75 wordt deze tjiri herhaald; in de uitgaven komt de tjiri ook 
daar niet voor; er staat daar alleen dat een tjiri afkomstig van Bat werd 

C- ,■* l s t* s s s s t/ s si' (. s *- 1 s 

voorgelezen. De tekst luidt; ^^ ^y» rr^J** ^j" ^^ e^^ y&) 

t s s s s "J y s ^Cï s s s ) s s <~ s t, s * s s s s ss O O C) s s ** » s <- s s 

A*M d?-f L -^V c o^ t -^~ : U^r £ f*/^ ^ ^_S?"^ (*>? (J J ^ C^ïa^ 

*-U'«. <j»^} Cr'i.i d ) ij U-xiUw (j). ci^-w cJ t*" cJ m^°i^ lLS-ï*} üo t "-vi.u, 
_). _). *.J v_5y^ C_£'U ^J_»^ .j^ ^ t-S"^ U* ^. J J-^ ^.J»" (J>J«^ <^ 

^ )ï<^ / ,-^uJ ^^ 's' ** s 'Is' s s C s^* \:' ' t*S' f s s <> s t;)(- / 



Het slot der uitgave-Klinkert valt op bl 271. 

COOXLIV. 
SJADJARAH MALAJOE III. 
Collectie v. d. W. 189, 33 X 20V 2 cM. 328 bl. 19 r. 

\Y ederom geheel dezelfde tekst als die van Klinkerts editie, de kortere 
tekst dus. In de inleiding komt meer Arabisch voor. 

CCCXLV. 
SJADJARAH MALAJOE IV. 

Collectie v. d. W. 190, 34X217 2 cM. 204 bl. 25 r. 

De langere tekst, gelijk aan dien der uitgave-Shellabear. 

De afscheidingen tusschen de hoofdstukken ontbreken ; de hoofdstukken 
eindigen op de volgende bladzijden: 

I: bl. 15, II: van af bl. 51 (KI.): 3 v.o. verschillen de teksten, III: bl. 
31. IV: bl. 34, V: bl. 36, VI: bl. 41, VII: bl. 45, VIII: bl. 46 uit., IX: bl. 
50, X: bl. 52. r. 1 (daarna is de tekst anders), XI: 59 r. 4, XII: bl. 63, r. 10 
v.o. XIII: bl. 84 r. 6, XIV: bl. 98, r. 7, v.o. XV: bl. 103, r. 6, XVI: 110, r. 
4, XVII: bl. 113, r. 1, XVILI: bl. 114 r. 9 v.o. XIX: bl. 116 r. 1. XX: bl. 
119, r. 9. XXI: bl. 121 r. 9, XXTI: bl. 124, r. 13, XXIII: bl. 128, r. 9, 
XXIV: bl. 130, r. 3 v.o., XXV: bl. 133, r. 12, XXVI: bl. 146 r. 10, XXVII: 
bl. 152, r. 10 v.o., XXVIII: bl. 155, r. 6 v.o., XXIX: bl. 164, r. 8, XXX: bl. 
165 r. 2 v.o., XXXI: bl. 167, r. 2 v.o.. XXXII: bl. 172, r. 12, XXXIII: 
bl. 182, r. 5 (eind der editie-Klinkert: bl. 187 r. 4, waar XXXIV eindigt), 



270 

Verder zijn de pericopes: editie- Shellabear, 1)1. 330 hier: 188 middenin, 
ed.- Sh. 339 hier: bl. 192, r. 5, ed.- Sh. bl. 342 hier: hl. 193. r. 11. 
De raadselachtige toespraak van ^>. welke in het handschrift van 's Gra- 
venhage (XIII) voorkomt, word hier aangetroffen op bl. 17, als volgt: 
,j£ CS-< S»J ilöJu; C^oj ) JsJ-G jJo'^ »£ftJ 'JS-c JUji *ü} ♦JtXÜJ ^rJ C-£-e 

^^-■J Jij. ^^^ lSj" C^r^ -.j^o ^s^ uJ'i c^^yb) ^wo ^/^ lSjtT 

Jl> ^OoJ joJ o_j i\*w LïS-jijLs *_. •o., ^j^ *yó. yj). ^L. CS&*» <.1j 

^jl.J j.ax fcolJ A.y ul>-< ^Sjj^-^r 9 77 J TT J (*J^ ci/^ Ll>-uL<o Jb> iJj-* 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1703, 1704, 1716, 1760, 173G en 3210. Catal. bl. 230— 233. 

(Zie de daar genoemde litteratuur). 
Londen, Royal Asiatie Society, A. nos. 18. 35, 39, 68 en 80, B, uo. 5. 
's Gravcnhage, Kon. Inst. 587 en 631 (XIII en XIV). 

CCCXLVI. 

HIKAJAT RADJA B.aNDJAR DAN KOTARINGIN I. 

Bat. Gen. 2, 167 2 X 10 cM.. 513 bl. 9 r. gedat. 19 Nov. 1828. 
Notulen IV; 17 (16 Jan. 1866, III, p). 

Ter vergelijking met de inhoudsopgave van Hageman » Bijdrage tot de 
geschiedenis van Borneo" in Tijdsehr. voor Ind. T. L. en V. K. VI bl. 220 — 
246, volge de inhoud van dit manuscript: 

Er was een Klinganees Mangkoeboemi, niet een zoon tJ^TUW ^) 
en zijne vrouw Ui*, .en de vrouw des zoons .Ju£^ .x*. met twee zoons 
(jljLuXLc JU,) en Lëmboe Mangkoerat. De Klinganees geeH op zijn sterfbed 
goeden raad: als de zijnen eene stad willen stichten moet de grond warm en 
geurig zijn. Ampoe Djatmaka met Aria Makoeta Sari en Toemënggoeug Tanah 
Djiwa en de wijze Wira Mëraksa stichten Nagaradipa; de steden olUj' üb 
en tic £ïlj worden getuchtigd en gesteld onder de twee straks genoemde 
vrienden, die weldra vervangen worden door ^i U Ju) en ^U*. Jïjuj daar zij 
patihs in Dipa worden. Wira Mëraksa wordt naar China gezonden om brons- 
werkers te zoeken. De beide zonen verrichten niets, en hun vader sterft, waarna 



271 

zij twee jaren ascese oefenen. Lëmboe Mangkoerat vindt de wouderprinses 
Tandjoeng Boeaja. .' mpoe Mandastan heeft twee zonen ^j t«JLi ixij en 
C/j'voöi'; zij wekken de ijverzucht op van Lëmboe Mangkoerat; deze doorsteekt hen, 
en hunne lichamen verdwijnen, Mandastan en zijne vrouw dooden zich uit wanhoop. 
Lëmboe Mangkoerat krijgt in eeuen droom last de prinses uit te huwe- 
lijken aan Raden Poetra Moelia van Madjapahit. Hij gaat dien prins halen, en 
wordt moslim, Raden Poetra zegt eigenlijk Raden Soeria Nata te heeten ; het 
huwelijk wordt voltrokken. Ju hare zwangerschap laat de jonge schtgenoote uit 
Madjapahit een djamboe halen, en bevalt van Seri Gangga Wangsa, later van 
Raden Soera Nata Wangsa. Gangga Wangsa wordt vorst. Lëmboe Mangkoerat 
huwt met Dajang Dipa Radja, die sterft na de geboorte van het wonderkind 

.jJu r &- Later huwt deze met Gauga Wangsa, die vader wordt van Poetri Ka- 
larang Sari, die later huwt met Soera Nata Wangsa, die tot kind krijgt 

.xü !=.U- Gangga Wangsa krijgt nog eene dochter ^J^; later huwen deze 
beiden. Gangga Wangsa en Soera Wangsa verdwijnen; S ?,U- wordt vorst. 
Hij gewint Raden /«ix. euli i^ r w deze loopt weg op zijn zevende jaar; 
onder den naam Kjahi Emas Lëlana gaat hij later als handelaar naar Nagara 
Dipa, waar hij huwt met ^iJ^ ( z Ü ue moeder!). Spoedig komt dit uit; hij neemt 
den naam Raden Sari Kaboerangan aan en wordt vorst van Daha ; hij krijgt 
twee zonen Raden UljC* en (bij een bij wijf) Raden Bangawan Nata, waarna 
hij verdwijnt. ULu wordt vorst van Daha en krijgt vier zonen: Pangkas Nata, 
Pandji Nata, Bahalia Nata en Mambang Indra Nata. Bangawan Nata gewint 
Mantri Djaja Nata en Poetri Galoe; deze trouwt met Pangkas Nata, zij gewin- 
nen Raden Samoedra, die weldra zijne ouders verliest. Een der ooms wordt 
vorst; nadat zijue ooms hem hadden willen vermoorden, gaat Raden Samoedra 
heen, wordt gevonden door Patih Masah en tot vorst van Bandjar verheven, 
waar hij zijnen oom moet bestrijden. 

BI. 363. In Bandjar heerscht hongersnood; men besluit hulp te 
vragen aan den vorst van Dëmak. — Van Madjapahit was een mantri naar 
Pasaj gezonden om de prinses ten huwelijk te vragen; haar broeder Radja 
Bongsoe gaat met haar mede; in Toengkat Gading wordt hij wali, en huwt 
met de dochter van Mantri &&&.; de prinses van Madjapahit krijgt bij een 
Baliueeschen prins een zoontje, dat in eene kist wordt gelegd, in zee gewor- 
pen doch opgevischt en te Grësik opgevoed wordt; hij werd Pangeran Giri — 
BI. 385. De gezanten van Bandjar komen in Dëmak en worden daar 
geholpen ; de strijd in Bandjar wordt hervat, maar oom en neef sluiten vrede. 
Bandjar wordt door Dëmak tot den islam bekeerd. Er komt een Arabier Soeltan 



272 

dd!) ,jIj^5 n Ü krijgt twee zonen Rahmatallah en Pangeran Anom ; de eerste 
krijgt drie zonen: Soeltan Hidajatallah, Raden Zakarijja en Pangerau Dëraang. 
De Hollanders vallen Bandjar aan; Pangerau Panëmbahan doet hen afdeinsen 
en vestigt zich te Martapoera. 

BI. 433—449 Geslachtslijst. 

Soekadana en Kotaringin van Bandjar gescheiden, later ook Pasir en Sambas. 

Koningslijsten vormen het slot. 

CCCXLVII. 
HIKAJAT RADJA BANDJAR DAN KOTARINGIN II. 

Bat. Gen. 43, 32 X 20 cM., 72 bl. 30 r. 

Notulen VI: 87 (1 December 1868, VII, I c). 

Weinig belangrijke verschillen. De eerste namen zijn: ü). C, ft^ c*_ju! 
CS*J>s- }*U)> yuiU i_s-f"i Uuu^iW Vele Javaansche woorden komen voor. 
waarvan sommige verklaard worden. Het geschrift is onvoltooid; de door Dëmak 
verleende hulp wordt vermeld; het abrupte slot valt samen met bl. 419 van I. 
In dit HS. wordt verhaald dat Samoedra <dl) ^A wordt genoemd. 

CCCXLIU. 
HIKAJAT RADJA BANDJAR DAN KOTARINGIN III. 

Bat. Gen. 48, 32 X 20 ] / 2 cM., 169 bl. 42 r. Latijnsch schrift. 
Notulen VII: 33 (4 Mei 1869, III, b). 

De redactie is als van I; de eigennamen vertoonen geene belangrijke afwij- 
kingen, doch zijn dikwijls vreemd getransscribeerd. Vele Javaansche woorden 
komen in dezen tekst voor. 

CCCXLIX. 
HIKAJAT RADJA BANDJAR DAN KOTARINGIN IV. 

Bat. Gen. 124, 32 X 21 cM., 170 bl. gedat. 1229. 

Zeer gehavend en gescheurd handschrift, met onregelmatige lineatuur. 
De eigennamen en de redactie zijn ongeveer als die van I. 

Overal zijn doorhalingen en sporen van later aangebrachte verbeteringen; 

het fabelachtige wezen bv. wordt euy t^JJ genoemd maar deze naam is 
doorgehaald, en daarboven is \j)^ Asüj' geschreven. 



273 
CCCL. 
HIKAJAT RADJA BANDJAR DAN KOTARINGIN V. 
Bat. Gen. 157, 30X21 cM., 156 bl. 20—23 r. 

De redactie is nagenoeg als die van I; de afwijkingen worden voorname- 
lijk in de eigennamen aangetroffen. De gevonden prinses heet hier Toendjoeng 
Boeah, de prins van Madjapahit: Raden Poetra, het wonderkind: Hoeripan 
(met vocalen). 

Met zeer bleeken inkt is dit HS geschreven. 

CCCLI. 

HIKAJAT RADJA BANDJAR DAN KOTARINGIN VI. 

Bat. Gen. 218, 33y 2 X 21 cM., 186 bl. 21 r. 

Net geschreven exemplaar in eenigszins dialectisch Maleisch (ma vóór 
alif in stede van JtA 

Enkele eigennamen vertoonen afwijkende spelling, zooals op bl. 1 

C-S-V^s»- Ju)h ).. _U«j, (j^iL-o ^Amj! IaA/jj<AX-c Jt-cb °P Dl. 4 Ij ), {jujjso Mj 

,_$• f» li^Xo op bl. 9 de steden i^^ &'A» ü'L) en , alw &S"b op bl. 28 Poetri Tan- 

djoeng Boeih, op bl. 32 CS), lei'**- ix*j en CJ), UJü »&>, bl. 48 Raden Poe- 
tra, op bl. 51 Pangeran Soeria Nata, op bl. 59 Raden Soeria Gangga Wangsa 
en Kaden Soeria Wangsa, op bl. 72 het wonderkind _ju X <_5y.j op bl. 77 
Maharadja Tjarang Lalana, op bl. 92 de vier prinsen van Daha: Raden Paksa, 
Raden Pandjang, Raden Bali en Raden Mambang. 

Ook hier komt het ingevoegde verhaal over de islamiseering van Java 
voor; op bl. 136 staat vermeld dat een Arabier uit Mekka Djaja Samoedra 
Soeltan Soerian Sjah noemde; zijne zonen worden genoemd: Soeltan Rahmatallah 
en Pangeran Allah, genaamd Pangeran Angsana; de kleinzonen hebben dezelfde 
namen als in I. 

CCCLII. 

ve: 



HIKAJAT RADJA BANDJAR DAN KOTARINGIN VIL 

Collectie v. d. W. 200, 18 V 3 X 14 7 3 cM., 266 bl. 13 r. 



Hoewel de eigennamen meestal overeenkomen en het beloop van het 
erhaal in hoofdzaken hetzelfde is als van I, is er toch verschil te bespeuren 
in de volgorde der gebeurtenissen en in de voorstelling van enkele feiten. 
Verhandelingen. 18 



274 

De vrouw van den Klinganees wordt ^) 1 M genoemd, zijn zoon 
Empoe Djatmaka, diens vrouw .yj&s juh de kleinzonen ^U^J ^U.iu) en 
Lëmboe Mangkoerat. Seri Gangga Wangsa heet hier Raden Soeria Gangga Wangsa 
en Soera Nata Wangsa : Soeria Wangsa ; het fabelachtige wezen : s^ irsüj'. 
Het planten van eene plant, waaraan een menschenlot verbonden is, komt 
evenals in Leiden CCXLIV (waarmede dit handschrift zeer verwant schijnt) hier 
voor, op bl. 46. Op bl. 197 staat vermeld dat de Arabier den Pangeran Sa- 
moedra «dl) Ju f» noemt. 

Op bl. 261 begint het verhaal van een doktersknecht die zich voor 
dokter uitgeeft, hetwelk ook in genoemd Leidsch handschrift voorkomt. 

CCCLIII. 
HIKAJAT RADJA BANDJAR DAN KOTARINGIN VIII. 
Bat. Gen. 44, 32 X 20 cM., 51 bl. 18 r. 

Notulen VI: 87 (1 December 1868, VII, I. c.) 

Dit handschrift bevat een uittreksel uit de grootere geschiedenis: 

De eerste namen zijn: Mangkoeboemi, Empoe Djatmaka. tw4<\Lo yl-cb 
LixiU l _5- r ^j, Het fabelachtige wezen heet hier &_j»j cjsüJs overigens wijken de 
eigennamen niet af. 

De episode over Madjapahit ontbreekt hier. Evenals in VII wordt hier 
vermeld dat Raden Samoedra Soeltan <)JJ) ^L>^i genoemd wordt (bl. 46, 
.JCais-J )• Van Kotaringin, Pasir en Sambas wordt geen gewag gemaakt. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1701, 1702 en 3211, 3°; catal. bl. 237—239. 2 ) 

Londen, Britsch Museum, n°. 1 7 

CCCLIV. 

SJADJARAH RADJA RADJA MALAJOE. 

Collectie v. d. W. 191, 33 X 21 cM., 341 bl. 27 r., gedat, 23 Safar — 8 
RabïcII 1272. 



1) Dr. Juynboll noemt ook no. 45 van de IISS. Bat. Gen. Inderdaad is dit HS. in den inven- 
taris aldus genoemd, doch het is een geheel ander geschrift dat onder CCCIC beschreven wordt. 



275 

Volgens het dezen datum bevattende naschrift is de schrijver ïëngkoe 
Sa c ïd, die het werk heeft geschreven op last van den 'i^j) y,.)sjj ,ÏJ 
Ujyóui J)JJ ^.k«£ jA^, (toean von de Wall, assistent-resident in commissie). 

Eerst komt de geschiedenis van Iskandar Dzöe'l-Karnajn, dan die der 
epigonen Soêlan en Soêran, daarna die van .*££] en hare vorsten, de reis van 
Soeran onder de zee, en de andere episodes welke in de Sjadjarah Malajoe 
vermeld worden, waarmede de tekst geheel overeenkomt. Het 2 e hoofdstuk 
begint hier op bl. 15 r. 1; de tjiri van Bat komt hier evenmin voor als inde 
uitgaven. Na het begin van dit hoofdstuk zijn de teksten niet meer parallel, 
maar telkens zijn met de Sjadjarah gelijkluidende passages aan te treffen. Het 
begin van hoofdstuk 4 valt op bl. 25 r. 5 v. o. maar de inhoud van dat 
hoofdstuk komt hier niet in dezelfde volgorde der onderdeelen voor, doch 
hoofdstuk 6, welks begin op bl. 27 r. 8 v. o. valt, wordt aanvankelijk vrij 
trouw gevolgd. De geschiedenis van Pasaj, d.i. hoofdstuk 7, begint op bl. 34 
middenin; in hoofdstuk 8, dat op bl. 37 middenin begint, wordt in stede van 
Samoedra Pasaj genoemd. Het bericht over Pahali, d.i. hoofdstuk 12, vangt 
reeds op bl. 44 r. 2 v. o. aan. De geheele geschiedenis uit de Sjadjarah Malajoe 
is hier te volgen, zij het ook in eenigszius andere opvolging; hoofdstuk 17 
valt op bl. 84 r. 9 v. o ; de geschiedenis van Tjampa, d. i. hoofdstuk 21, 
begint op bl. 93 r. 12, hoofdstuk 26 op bl. 107, r. 11 o. v. (bijna woordelijk 
gelijkluidende tekst); hoofdstuk 27 op bl. 117 r. 8 v. o; hoofdstuk 28 op bl. 
124 r. 13 (steeds gelijke tekst), hoofdstuk 29 op bl. 128 r. 7, hoofdstuk 30 op 
bl. 139 r. 7, hoofdstuk 31 op bl. 141 r. 9 v. o., hoofdstuk 32 op bl. 144 r. 
6 v. o ; hoofdstuk 33 op bl. 151 r. 2, hoofdstuk 34 op bl. 163 r. 13 en het 
slot daarvan op bl. 169 r. 3 v. o. 

Daarna volgt het toevoegsel, dat op bl. 197 middenin eindigt. 

Nu vangt de nieuwere geschiedenis aan ; behandeld worden : de dood van 
c Abdaldjalïl, de vorsten van Djohor, Riouw, Lingga, Siak, wederom Riouw 
(bl. 241 \ Palembang, wederom Siak, en de kleinere staatjes. Het slot wordt 
gevormd door het verhaal van een onderhoud van den waarnemend Gouverneur- 
Generaal Merkus met Soeltan c Abdaldjalïl Sjah van Sikoedana, en diens over- 
lijden in Riouw, waar hij den resident had willen spreken. Zijn zoon volgde 
hem op onder den naam Panëmbahan Anom Sikoedana en zijn jongere broeder 
Tëngkoe Panglima Bësar werd tot hoofd van Poelau Karimata verheven. 

CCCLV. 
HIKAJAT NËGËRI DJOHOR I. 
Collectie v. d. W. 192, 32 X 20 cM., 68 bl. 19 r. 



276 

Geschiedenis van Djohor, en aanliggende lijkjes, aanvangende met het 
jaar 1083, toen Djohor werd ingenomen door den vorst van Djainbi en 
eindigende met den oorlog tnsschen Perak en Sëlangoer. 

CCCLVf. 

HIKAJAT NÈGARI DJOHOR II. 

Collectie v. cl. W. 193, 33 X 21 cM., 66 bl. 19 r. 

Dezelfde geschiedenis en dezelfde tekst, maar een paar regels aan het 
slot missende. 

Andere handschriften: 

Leiden: cod. 1741(2) en 3322, Catal. bl. 23G— 237. 

CCCLVII. 

HIKAJAT RADEN ALIT. 

Collectie v. d. W, 194, 34 X löVs cM - 8 bL 27 r - 

Fragment van een werk uit de taal van Oeloe Pasëmah Lebar in het 
Maleisch vertaald, over Raden Alit en zijn oorlog met Atjeh. 

Na de mededeeling dat het verhaal slechts een excerpt is, begint het relaas: 

, 5- -_C_i J:J r A^r> %J»£A&._> i_s£-i <K-Juü) 1 a/*'J j-t"-^ lzj*£ i_5"t^-J ^T" ^ 

M^j -iyfc LlO ë)j it c^«U^ ^j) J )^) *S~> A-J'Ul ,j)ó *juüJ ^jta JT^I s^^i 

C^jj &-\\> -< Lx-ü),*) 'ij-suS ^-»»jj l^>) i_?r^-> -*\ ^ ^ f ^.Uxb 

CCCLVIII. 
SJ AD JA RAH RADJA RADJA RIOUW I. 

Collectie v.d. W. 195, 33 X 21 cM. 35 bl. 21 r. 

Enkele fasl's uit het geschiedverhaal dat bekend is onder verschillende 
namen als Hikajat Nëgëri Riouw, Silsilah Radja Boegis, Atoeran Satia Boegis 
dëngan Malajoe. 

De eerste fasl begint met eene aanmaning omtrent het volgen van de 
juiste wegen en het omkeeren op wegen die dwaalwegen blijken te zijn, welke 
vermaning geleidelijk overgaat in het geschiedverhaal: Tëngkoe Bësar en zijn 
broeder, die Allah spoedig vereenigde met den in Boekit Soengaj Baroe over- 
leden vorst. 



277 

Het bondgenootschap tusscben de Boegis en de Malajoe wordt verder 
behandeld, dan de huldiging van Radja Soelajman in Djobor onder den titel 
Soeltan Soelajman Badr al- c alam Sjah in 1103, de aanstelling van Éngkoe 
Radja Indra Bongsoe tot Datoek Bandahara op den 28 en Radjab 1161, de 
verhuizing naar Lingga, tegen het contract in, van den Jangdipërtoean 
Moeda in 1166, en het overlijden van twee vorsten van Riouw zeer kort 
na elkaar. 

CCCLIX. 
SJADJARAH RADJA RADJA RIOUW II. 

Collectie v. d. W. 62 (bundel van verschillende stukken), VI, 34 X 21 
cM., 44 bl. 21 r. (slechts de rechtsche helft is beschreven) gedat. 
20 Dzóelh. 1274 te Pënjëngat. 

Geheel hetzelfde gedeelte als het in I voorkomende. 

CCCLX. 
SJADJARAH RADJA RADJA RIOUW III. 

Collectie v. d. W. 62, I. 32X20 cM., 43 bl. 17 r., gedat. 19 Djoem. I. 
1274 te Pënjëngat. 

Dit gedeelte bevat eene compleete geschiedenis van het verbond der 
Boegineezen niet de Maleiers, beginnende met 1103 toen door den vorst van 
Djohor en Pahang Soeltan Soelajman Badr al- c Alam Sjah een verbond werd 
aangegaan, waarvan later door den radja moeda is afgeweken. 

Het geheel is verdeeld in vele fasl's, waarin de historie van het verbond 
als voornaamste deel der politieke geschiedenis behandeld wordt. De zegels der 
behandelde vorsten worden steeds afgebeeld. 

Evenals in den catalogus der Leidsche handschriften wordt, aan het 
slot, dit geschrift een Boüdsboek (soerat satia) genoemd. 

Het is beëindigd op bovengenoemden datum, tijdens de regeering van 
Soeltan Soelajman Badr al- c Alam Sjah ibn al-marhóem as-Soeltan c Abdarrah man 
Sjah, toen Radja Hadji c Abdallah genaamd Soeltan c Alaoeddin ibn Marhöem 
Dja c far onderkoning van Riouw en Lingga was; de schrijver noemt zich Hadji 
Moehammad Sa c ïd moewallad Riouw ibn Daheng Mëmpawah Boegis. 

Als resident wordt ten slotte genoemd : Johan Hendrik Tobias. Eene 
transscriptie van een groot gedeelte hiervan bevindt zich achteraan in het HS. 



278 

CCCLXI. 
SJADJARAH RADJA RADJA RIOUW IV. 
Collectie v. d. W. 62, V. 32 X 197> cM. 40 bl. 15 r. 

Voortgezette geschiedenis Tan Riouw; de eerste 13 fasl's zijn genum- 
merd. Het gedeelte begint met 1103 (wat verhaald wordt op liet eind van v. cl. W. 
195) en eindigt met 1223, en loopt dus verder door clan cod. Leid. 1724(2). 

CCCLXI1. 
SJADJARAH RADJA RADJA RIOUW V. 
Collectie v. cl. W. 197, 20 1 /, X 16V a cM. 6 bl. 12 r. 

Het begin is: y»j£ji ~\ {J)J5^ <^-^ e/'^ <-^* ^V" e^ 

£ 

Het handschrift begint dus bij de verovering van Riouw door de Boe- 
gineezen in 1134; overigens bevat het slechts enkele feiten en voor het grootste 
gedeelte genealogische mededeelingen. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1724(2) en 1741(1). Catal, bl. 233—234. 

's Gravenhage, no. 630 (XIX). 

CCCLXIII. 
RIOUWSCHE CONTRACTEN. 
Collectie v. d. W. 62, II, 32 X 20 cM., 18 bl. 23 r. 

Contract tusschen de Compagnie en Soeltan Mahmóed van Djohor en 
Pahang in Riouw gesloten, jang tiada boleh bërobah salama-lamanja sahingga 
sampajlah toeroeu kapada sëgala anak tjoetjoenja jang akan ganti dia maka 
hëndaklah ia mëngikoet bagajmana jang ada tërsëboet didalam përdjandjian ini. 

Het contract bestaat uit eene inleiding en 26 artikelen en is gesloten 
den 2 en November 1784. 

Collectie v. cl. W. 62, III, 32 X 20 cM., 12 bl. 23 r. 



279 

Contract met denzelfden vorst op denzelfden datum gesloten, acht arti- 
kelen bevattende. Achter de clausule staat &lj ^.i' ^ J£ ,c,ll> <"U_ $j 

Collectie v. d. W. 62, IV, 34 1 /, X 21 cM., 15 bl. 21 r. 

Contract in 20 artikelen waarbij die van 10 November 1784 en 26 
November 1818 vervangen worden; in artikel 13 wordt verwezen naar Staats- 
blad 19 van 1829. 

De datum van het contract is niet aangegeven. 

CCCLXIV. 
ASAL RADJA RADJA SAMBAS I. 
Collectie v. d. W. 198 A, 32 X 20 cM., 16 bl. 21 r. 

Geschiedenis der vorsten van Sambas en Soekadana. voornamelijk han- 
delende over Soeltan Safijjaddïn. 

Op bl. 12 begint eene episode van Brawidjaja van Madjapahit die zich 
in Sikoedana vestigde; zijne nakomelingen worden opgenoemd. 

CCCLXV. 

ASAL RADJA RADJA SAMBAS II. 

Collectie v. d. W. 198 B, 8 bl. 36. Latijnsch schrift. 

Dit gedeelte is geen transscriptie van I. Het bevat slechts hetgeen in 
I voorkomt tot op bl. 12, en dat wel in dikwijls andere bewoordingen, en in 
Bataviasche kleur; op sommige punten verschillen de beide teksten geheel. 

CCCLXV 1. 

HIKAJAT ATJEH. 

Collectie v. d. W. 196, 33 X 21 cM., 48 bl. 21 r. 

Gedeelte van een kroniek welke voornamelijk over Atjeh en de aan- 
rakingen met andere landen handelt. Het begin ,.\a.~o /fr£^4) m"*^^ ^ f*W 
..tofli' t_5yJ jUï ij zoude doen veronderstellen dat dit een werkelijk begin 
van een verhaal is, doch — behalve de Arabische formule — is dit een zinsnede 
midden in het verhaal, welke gevonden wordt in het door G. K. Niemann uit- 
gegeven gedeelte, in zijne Bloemlezing uit Maleische geschriften, tweede stukje, 



280 

bl. 128 r. 3 v. o. Het verhaal dat daar op bl. 132 afgebroken wordt, heeft 
hier nog het slot, dat in de Aanteekeningen achter den tekst vermeld wordt. 

Daarna is sprake van Riouw; het laatst behandelde is de ziekte van 
Maharadja Dënda en de komst van Noersani en Entjik Sitti resp. 9 en 13 
Moeharram 1164. 

De kroniek is uitgegeven in het Journal Asiaticme, 1839, Jnillet, bl. 
47—81. 

Andere handschriften. 

Leiden: cod. 1954 en 1983(1), Catal, bl. 234—236. 

CCCLXVII. 
AS AL OESOEL BANGKAHOELOE I. 
Bat. Gen. 143, 43 X 22 cM., 43 bl. 26 r., gedat, 1859, Latijusch schrift. 

Eerst wordt de afstamming der Sumatraansche vorsten van lskandar 
Dzóe'l-Karnajn verhaald, daarna de geschiedenis van Benkoelen in 44 genum- 
merde en twee niet genummerde fasi's. 

Het slot is: 

Apabila Radhen Mohamad Zen soedah meninggal doenia lama terhenti 
perkerdjaan kepala dagang tahoen 1853 koetika toean Blok Resident Baugka- 
hoeloe, maka perkerdjaan kepala dagang di kombalikan Gouvernement kepada 
Pangerau Mohamad Sah Regen kepala dagang itoe dahoeloe pembrian dari 
Radja Soengai Lemau kepada Daeng Makoele, koetika Daeng Makoele terima 
nenek oleh Pangeran Mangkoe Radja Soengai Lemau saparti jang terseboet di 
dalam fatsal 31. 

Diatas ini djadi tempo Pangeran Mohamad Sah pegang doea perkerdjaan 
demikianlah adanja tamat alkalam di Bangkahoeloe tarich Isa 1859. 

Achteraan staat eene geslachtslijst der vorsten van Soengaj Lemau. 

CCCLXVIII. 
ASAL OESOEL BANGKAHOELOE II. 



Bat. Gen. 148, 35 X 22 cM., 60 bl. 37 r. Latijnsch schrift. 
Notulen XXV: 43 (8 Maart 1887, IV). 

Geheel dezelfde tekst. 

De schrijver is: Pangeran Moehammad Sjah Regen Soengaj Lemau. 



281 

CCÜLXVIII. * 
ASAL OESOEL TOEAN GADANG BATIPOE. 

Bat. Gen. 106, 34X21 cM. 8 bl. verschillend aantal regels. 

Een Hollandsche vertaling van vier pagina's volgt den tekst. Onderaan 
staat het jaartal 1871. 

CCCLX1X. 

ASAL TOEROENAN RADJA BAROS. 

Bat. Gen. 162, 36 X 22 cM. 322 bl. 

Over de afstamming, instellingen en wetten van de vorsten van Baros. 
Bl. 1 — 58: de Maleische tekst met vele Minano-kabausche woorden: het 

o • 

eerste gedeelte is geschiedkundig, het tweede, dat op bl. 36 begint, 

bevat voorschriften nopens etiquette, met een geografisch aanhangsel. 
Bl. 65 — 68: wetsbepalingen. 

Bl. 71 — 92; geschiedenis der genoemde landstreek en hare islamiseering. 
BL 95 — 104: Latijnsch schrift: ,,Bermoela awal negeiï Baros dan asal 

radja Baros dan perbatassan tanah Baros dengan tanah Battak serta 

pardjandjijan Battak serta dengan Malaijoe dari dehoeloe." 
Bl. 107 — 128: Latijnsch schrift, links de tekst, rechts de vertaling van 

het gedeelte over etiquette en plechtigheden van Baros. 
Bl. 131 — 132: Latijnsch schrift, over de erfopvolging, niet af. 
Bl. 137 — 258: „Inilah. Hikajat tjarita Baros parmoelaannja batak datang 

darie Tobah darie Soekoe Pohan sapartie tersaboet dibawa ini"; 

eveneens in Latijnsch schrift. 
Bl. 261 — 297: Transscriptie van het gedeelte bl. 71 — 92, met vele 

afwijkingen. 
Bl. 309 — 322: Latijnsch schrift. Katoeroenan Radja dan panghoeloe die 

Baros clan pardjandjian. 

CCCLXX. 
ASAL RADJA RADJA PALEMBANG. 
Collectie. Br. 157, III, 195 bl. Latijnsch schrift. 

Afschrift van eene vrij uitvoerige geschiedenis der vorsten van Palembang, 

waarvan de volledige titel is: Asal toeroenan radja radja didalam negrie Palembang. 

Aan den rand staan jaartallen, welke met den tekst niet overeenkomen. 



282 

Andere geschiedenissen van Palerabang zijn te vinden: 

Leiden, cod. 2270c, (CCLXV), Catal. bl. 251—252. 

'5 Gravenhage, HSS. XX Vil, XXVIII, XXIX, XXX en XXXI. 

OCCLXXI. 

TJARITËRA ASAL SOELTAN ATJEH. 

Bat. Gen. 221, 34X21 cM., 52 bl. 30 r. Latijnsch schrift, gedat. 3 
October 1877, Edi Besar. 

Dit abrupt eindigend en modem geschrift, welks volle titel is: „Tjaritëra 
Asal Sultan jang sakarang ini poenja bangsa dari Boegis Atjeh besar" heeft 
geen verwantschap met de Hikajat Atjeh, onder no. CCCLXVI beschreven. 
De Arabische uitdrukkingen zijn geheel verbasterd. 

In het begin wordt melding gemaakt van Mansoer, diens zoon Abdul 
Rabim zijn en zoon Zainoel Abidin, die den titel aannam van Maulana Sultan 
Djama Lullei (sic). Daarna volgen ook uit andere geschriften bekende namen; 
nu en dan worden bijzonderheden over handel en bedrijven vermeld. 

Jaartallen komen niet voor. 

Als hoofdpersoon treedt op : Djindral Rapalie, die later vollediger Sir 
Thomas Astampar Rapalie genoemd wordt. 

CCCLXXII. 

EERSTE ATJEH-EXPEDITIE. 

Bat. Gen. 98, 34X21 cM., 3 bl. 36 r., gedateerd 1290. 

Notulen 11 Sept. 1877, II i en 16 Oct. 1877, IV b. 

Een zeer kort relaas, annex eene vertaling van L. W. C. v. d. Berg. 
Inliggend; hetzelfde geschrift op één vel, 44X^6 cM. 

CCCLXXIII. 

SOERAT TJARITA GOEPÊRNÉMENT WOLANDA 
PËRANG NËGËRI ATJEH. 

Bat. Gen. 271, 34V 2 X 21V 2 cM., 15 bl. 45 r. 
Handschrift-Holle. 

Deze geschiedenis van den Atjeh-oorlog is gedateerd : Koetaradja, 10 
April 1884. 



283 

CCCLXX1V. 

GESCHIEDENIS VAN PASëMAH. 

Bat. Gen. 234, 34 X 21 cM., 18 bl. 34 r. Latijnsch schrift, gedateerd 
28 November 1898. 
Notulen 1899 Febr. I m en April II, 2° <r. 

Voorin: »Uit de doesocn Tanah Pilih, Marga Benoea Kling (Palembang 
Pasëmah). . ." 

De titel is : Salinan dari boekoe orang jang mandjadikan djagat Paseuiah 
disalin dari Kitab orang tanah pilih marga Soembay Oeloe loera Benoea Kaling 
jaitoe Pangeran nama Samadil doesoen Tanah pilih disalin oleh saja Mohamad 
Tajib magang di kantoor bandar Pasemah 25 Jannari 1882. 

Het geschrift is eene copie van een afschrift. 

CCCLXXV. 
ASAL DJAGAT PASOEMAH. 

Collectie Br. 157, VIII. 5 bl. 

Achtste stuk van eene portefeuille met copieën van Palembangsche 
geschriften. v 

De volle titel is: Asal orang mendjadiken Djagat Pasoemah. 

CCCLXXVI. 

GESCHIEDENIS VAN TAMB0ES1 I. 

Bat. Gen. 100 a. 21 X l^Vs c ^-' 48 beschrevene en vele onbeschre- 
ven bl., 16—18 r. 
Notulen 16 Juni 1878 Ila en 17 Sept. V. 

Afstamming der vorsten van Tamboesi van Radja Paga Roejoeng; 
vermeld worden : Jangdipërtoean Toea, zijne zuster Toe Përruajsoeri, eene 
dochter Sitti Dawaiim en twee zonen Tëngkoe Radja Moeda en Jangdipërtoean 
Achir Zaman; verder familie aangelegenheden en contracten. 

§ 2. (bl. 8) U^ \3*£ C.&X* U-. ^j-))^ lW m/^t^ ^ i^^}. ó^ 
Begint met vorst J\.y£ i^X*» zijne zuster } Xu ,U*=poi en y i er kinderen: 

verder genealogie. 



284 

§ 3. (bl. 21) .aylói' 1=-, ijyifi lM li/^-* 1 ^ CS-yS Li J-,23 
Komst van Radja, Poerba uit Djohor, met elf kinderen ; hij vertrekt naar ( 
en komt bij den vorst van Tamboesi Soeltan c Abdallah. Deze paragraaf is 
verdeeld in verscheidene kleine afdeelingen, waarvan de laatste handelt over 
Marhoem Achir Zaman van Tamboesi. 

§ 4 (bl. 44) QJjy \is.j J>)jft, lM y/^ «** *-*•) h J^ 
Over oorlogen met Atjeh, met lacunes. 
Eindigt abrupt; veel Minangkabausche woorden. 

CCCLXXVII. 

GESCHIEDENIS VAN TAMBOESI II. 

Bat. Gen. 100 b, 33X21- cM. 58 beschrevene en vele onbeschrevene bl. 
18—20 r. Gedat. 1272. 

Begin: |Uj c_j c^ Ajj )si,ó ^.^ L.j L««J u/!/^ *'?" *~^ 



[.G 


yjllaJuw )-!ij 


l^Pj^f' u)" 3 ^ 


)jjj 


ei 


^jl^-Ju 







De inhoud is: 

Verleiding van Adam en Eva; zij krijgen 99 kinderen, de laatste is 
Sjis. Een widadari ontdekt Langapoeri en het Hindoelancl, waar de vogel Warna 
Nila woont; de widadari wordt door Gabriël aan Sjis gegeven; eene reeks van 
profeten, tot Nóeh, Ja c köeb, Ezau fi>JlcY deze gewint Iskandar Dzöe'l-Karnajn, 
deze Alif Djipang, Daradj en Limpat. Strijd met Jadjóedj wa Madjóedj. Hij 
ontmoet de lieden die het goede nastreven ; dezen spreken met hem over den 
dood van zijn jongsten zoon en bekeeren hem; hij laat eene vloot bouwen, 

waaraan Asaf f, LjU-) medehelpt. Die vloot bezoekt Indië, Atjeh, dat toen nog 

onbewoond was, Bangka Hoeloe, Priangan. Gesprekken van Daradj met den 
Datoek Katoemënggoengan en Përpatih Sabatang, Datoek Seri padoeka en 
Seri Maharadja; kennismaking met verschillende kleine landstreken aldaar. 
Zonderlinge verdwijning van zijne dochter, die na veel moeite teruggevon- 
den wordt. 

Alle eilanden van den Archipel genieten rust en vrede. Daradj wordt 
vorst van Atjeh onder den naam Seri Pada bërpangkat Rahïm ; Loewoek Rëkan 
krijgt tot vorst den zoon Mandjóedïn. 

Op bl. 54 eene soerat Siri ter bevestiging der afkomst van de vorsten 
van Tamboesi. 



285 

Genealogie: Madjhöedin; Zajnal; Ahmad; Tëngkoe Bësar Soeltan c Ab- 
dallah; Sajfaddïn; c Abdarrahman ; Doeli Jangdipertoean Toea; Doeli Jangdipër- 
toean Achir Zaman; Sajjid al-Makamil ; Doeli Jangdipertoean Sakti; Radja 
Lela Mamat; Jangdipertoean Achir Zaman; Djamal al- c alam van Tamboesi; 
c Abdalwahid de thans regeerende vorst. 

CCCLXXVIIL 

SALAS1LAH KOETAJ. 

Collectie Br. 513, 35 X 23 cM., 138 bl. 38 r. Latijnsch schrift. 

Gebrekkige copie van de geheele kroniek, en wel niet de tekst van 
het Berlijnsche handschrift waarover Dr. C. Snouck Hurgronje handelde in zijn 
opstel in de Bijdragen van het Kon. Inst. v. cl. T. L. en V. K. v. N. I. 5, 
III, 109—120, maar die van wijlen S. W. Tromp (zie Bijdragen 5, III, 1—108). 

Het in de Bijdragen uitgegevene gedeelte loopt hier tot bl. 23, juist 
één zesde van het geheel dus. 

CCCLXXIX. 

SJADJARAH KA'ADA'AN NÈGËRI BANDOENG. 

Collectie v. d. W. 199, 31 y s X 20 cM., 10 bl. 21 r. 

Voorin staat: Miss. Res. Preanger Reg. 25 Sept. 1857, no. 3340. 
Eerst eene genealogie van de regenten van Bandoeng, van Adam, over 
de vorsten van Padjadjaran tot den laatsten regent. 
Daarna eene yjtf &£ ^rJU *_jJX>. 
dan eene i^^^ i.jjj *-jU»- 
die in Bandoengs voortijd spelen. 

CCCLXXX. 

GESCHIEDENIS DER PREANGER. 

Bat. Gen. 165, 22 X ^ cM., 8 bl. 19 r. 

De geschiedenis begint met de schepping; daarna handelt zij over 
Padjadjaran, den strijd met de Compagnie, den aanleg van enkele kampoengs 
bij Bogor; dan over Coen en de grooten die hem aanhingen in 1613, Anthony 
van Diemen, iets over kapitein Jonker, over de openkappingen in de wouden 
bij Tjimahi, Tjipelang en Pëlaboean Ratoe en de koffieleverantie. 



286 

Het gevocaliseerde, maar zeer slecht gespelde handschrift eindigt abrupt 
in het verhaal van bet bestuur van Van der Parra. 

CCCLXXXI. 

GESCHIEDENIS VAN BLËDOEG, NGEMBAK EN DJONO. 

Bat. Gen. 211, 34 X 21 V 2 cM., 14 bl. 30 r. Latijnseh schrift. 

De titel is : Dari adanja Tjaritaan moelainja adanja Bledoeg di Koewoe 
dan Ngembak district Poerwodadi, Djono district Selo. Tjrewek Karanggeneng, 
Djati dan Mendikil ija itoe asal moelainja dari bekasuja Oeler nama Djokoliloeng. 

Het geschrift is opgesteld volgens het verhaal van eenige desalieden. 

CCCLXXXII. 

GESCHIEDENIS VAN JAVA. 

Bat. Gen. 80, 35 X 22 cM., 526 bl. 28 r. Latijnseh schrift, gedateerd 
18 April 1842 

Geschiedverhaal in den trant van den Babad Tanah Djawi, slecht Ma- 
leisch met vele Javaansche woorden. 

Achteraan staat: Inie Boekoe Tjarieta Jawa Toeroon To .... Raya 
Raya die Tanah Jawa. 

Darie Boekoe jawa die translat, tjara .... Darie Kangyeng Sinoehoon 
Soeltan Tjakra .... Ningrat, Komandeur der orde njang darie Nederla .... 
Neeuw Terdoedook Karayahan dan Kabezaran .... kraton Poelo Negrie 
Madura. i) 

Een geheel ander werk dan Cod. Leid. 1756, zie Catal. 248 — 250. 

CCCLXXXIII. 
SADJARAH WANGSAGOPRANA SAGARA HERANG. 

Bat. Gen. 268, 35 X 22 cM., 10 bl. 38 r. Latijnseh scbrift. 

Handschrift-Holle. 

Over de oude regenten van Tjiandjoer; de bedoeling van het (zeer 
gehavende) geschrift blijkt voldoende uit de aan vangs- woorden : 

Adapoen tjrietanja ijang bermoela memasok kapada agama islam toeroen 
menoeroen ijang memasok die kabopaten Tjiandjoer, ieja itoe hinga darie Arijja 



1) De puntjes wijzen de gescheurde plaatsen aan. 



287 

Wangsagoprana Segara Herang tanah Krawang hingga darie sitoe dateng seka- 
rang, mendjadielah baharoe troenan ampoenja lama telah memasok kapada 
aeama islam. 



"8 



CCCLXXX1V. 

SCHETSEN OVER DEN JAV A-OORLOG. 

Bat. Gen. 07, 33V 3 X 21 cM. 116 bl. 25 r. Latijnsch schrift, gedateerd 
2 Febr. 1857. 

Voorin staat: Schetsen over den oorlog van Java 1825 — 1830 opgesteld 
door den bopatti van Karanganjar Raden Adipatti Ario Djoijo Adiningrat 1855 — 
1857. De kantteekeningen zijn gesteld door J. Hageman J. Cz en hebben 
betrekking op diens geschiedenis van dien oorlog, uitgegeven te Batavia 1856 
(geschreven op reizen, van 1842 — 1854 op Java). 

Het begin der eerste schets is: Njang bermoela koetika Perang Tegal 
radja naseknja Kompagnie Arie Reboo wagie Tangal Jawa ampat Boelan bessaar 
Taoen bee hedjrah 1752 taoen Jawa. 

Het geschrift bevat data, opgaven van geldzaken e. a. en is aan de 
randen voorzien van verwijzingen naar het werk van Hageman; het is benut 
door den schrijver van de eerste deelen van het historiewerk De Java-oorlog. 

Achteraan staat: 

Karanganjar arie 2 Februarij 1857 njang bikin inie tjarita, amba Bopatti 
Karanganjar. Raden Adipattie. s^°)tuvinK<uv>Mi&fo^«snji\ 

CCCLXXXV. 
TJARITA BANDOENG BONDOWOSO Dl PRAMBANAN. 

Bat. Gen. 40, 33 X 21 cM. 14 bl. 33 r. Latijnsch schrift. 
Notulen VII: 20 (4 Mei 1860, II a 2<>.) 

Deze geschiedenis is geschreven door Mas Djasiman den 17 en April 1866 
te Buitenzorg. 



l o - 



CCCLXXXVI. 

TJARITA PRABOE ANGGALARANG. 

Bat. Gen. 50, 20 X 17 cM., 40 bl. 22 r. Latijnsch schrift. 
Gedateerd: Tjiamis 1861. 



288 

Het begin handelt over Patih Garbamenak. die later vorst werd. 

Het slechte Maleisen, de onzekere spelling der eigennamen en de zon- 
derlinge schrijfwijze maken het uiterst moeilijk eene inhoudsopgave van dit 
trouwens niet belangrijke werkje te geven. 

CCCLXXXYII. 

KRONIEK DER MOLUKKEN. 

Bat. Gen. 173, 21V 2 Xl7 cM., 18 bl. 13 r. 
Notulen Mei 1889, IV, d. 

Het geschrift begint met eene zonderlinge geschiedenis van de vorsten 
van Turkije. China. Holland en andere landen, en gaat over in eene kroniek 
van enkele Moluksche eilanden en plaatsen als Hitoe, Ternate, Ambon e. a. 

ccclxxxviii. 
hik a jat istamboel. 

Collectie Br. 319, 20 X 10 cM., 332 bl., bl. 1—238. 11 r. bl. 239—332, 1G r. 

Vertaald uit het Arabisch „kapada bëhasa Malajoe nëgëri". 

Inhoud : 

In Istamboel is Soeltan Mahmóed met zonen c Abd al-Madjïd en c Abd 
al- c Azïz; na zijn dood wordt c Abd al- c Azïz vorst; hij roept den pasja van 
Egypte, Moehammad c Ali. op, die na eenige pogingen om weg te blijven, komt 
en met den Soeltan te rade gaat over de oproerige Soeahelis. Moehammad 
'Ali neemt op zich hen te bestrijden; hij verslaat hen, en sterft daarna in 
Istatnboel. 

In Rusland heerschte vorst Moskou ; ook waren daar Baron Eagelman 
en Baron Jju:,- Moskou gaat naar Istamboel; ook de vorsten van Frankrijk, 
Engeland, Oostenrijk, Brabant en Holland gaan daarheen, en gaan na be- 
sprekingen over de billijke en meest raadzame staatkunde terug. De koning 
van Engeland wil de belangen der Christenen in Jeruzalem behartigen en 
zendt er monniken heen, waarop de Russische monniken verstoord heengaan; 
de koning van Rusland beklaagt zich bij den soeltan, die zich onbevoegd ver- 
klaart. Daarop verbindt Moskou zich met een oom die moslim en zelfs wezier 
geworden was ; een verzoek om een Russisch klooster in Jeruzalem te bouwen 
wordt toegestaan. Een Russische vloot gaat daartoe op reis, maar met 700 
kisten wapenen; dit Avordt ontdekt door Rasjïd Pasja, die de Russen wegjaagt; 
het verraad van den wezier wordt ontdekt, en de doodstraf volgt. 



289 

De Turken vallen nu in het Russische land J) i^ waar Generaal Ber- 
ling bestuurder is, en verslaan de Russeu; in een tweeden slag sneuvelt Generaal 
Van Duin, wiens gezin naar Istamboel gevoerd wordt. Ook J.jJa> wordt 
bezet. De koning vau Frankrijk gaat de zaak bespreken met den soeltan, die 
betoogt dat de schuld bij Rusland is. De Russische vorst vraagt den raad van 
^UuT Ju.; de oorlog wordt verklaard, Engeland en Frankrijk treden tegen 
Rusland op, alle pasja's der provinciën helpen Turkije. In den eersten slag 
wint c Oemar Pasja, J.yu^ wordt veroverd, de generaals .^Jb en «j,j.) 
verliezen gevechten. Zoo gaat het in de landschappen tij)^^, .^j, Jaiu^ï, 
Batoem, Tiflis, [j^Jüü, J\*.^; door Anatolië wordt voortgerukt tot Daghistan 
alle zeeslagen en gevechten te land worden door de Turken gewonnen ; Krima 
(Generaal .J»3>j) wordt aangevallen. 

BI. 188. De koning van Holland durft geen partij te kiezen ; ein- 
delijk ontbiedt hij generaal \jSm£-> en zendt schepen uit tegen Turkije, die 
door de Engelschen genomen worden. De landen QJiJ*, lWw' 5 Vr^' ih^i 
en \)£ worden veroverd; de generaal ,.Ljüi sneuvelt, het land om Tifl 



JCè ïïuiubu veiuveiu, uu gcuciaai ..j y 



IS 



wordt geïslamiseerd, ook Jj gL*, / .Ju wordt genomen. Moskou sterft van 
verdriet. 

Het land Lj j wordt genomen, lang woedt de strijd om Kroonstad, de 
profeet verschijnt den Soeltan in den droom en voorspelt hem den goeden 
afloop, die eindelijk plaats vindt. 

BI. 272. In yj^j) is vorst .Jasw, die met den vorst van Maghrib de 
Turken komt helpen; J.jJui wordt genomen, met de hulp van Sitti Sadja c ah 
uit Auas. De Russen in Daghistan worden 's nachts uitgeroeid. Kroonstad 
wordt heroverd; Duitschland helpt Rusland, de Turken slaan de verbondenen 
en hernemen Kroonstad; Rusland vraagt om vrede, en komt met Duitschland 
aan Turkije, de czaar krijgt een klein jaargeld. 

BI. 323. In „^^ is Soeltan JjJÜc}, zwager van den overleden czaar; 
hij gaat naar Rusland en houdt besprekingen met de voornaamsten in Kroon- 
stad; de Turksche Soeltan wordt in alles geraadpleegd. 

Deze „geschiedenis" van den Krim-oorlog behoeft zeker weinig com- 
mentaar; wellicht ware haar plaats eer in Afdeeliug I geweest. 

Over de handschriften van dit verhaal, welke het Bat. Gen. zich wenschte 
aan te schaffen, is veel te doen geweest, gelijk blijkt uit Notulen V: 95, 102, 
VI: 49, 69, VII 55: X 19, 70 XI: 12. 

Verhandelingen. Iy 



290 
CCCLXXXIX. 

SJADJARAH NËGËRI KËDAH. 

Collectie v. d. W. 201, 33V 3 X 21 cM., 256 bl. 19 r. 

Grootendeels fabelachtige geschiedenis van Këdah, voorin Sadjarfi (sic) 
nëgëri Këdah Zamïn Töeran, en in den tekst Salalat as-Salatin genoemd, op- 
gesteld onder de regeering van Moe c azzam Sjah ibn Soeltan Sjah. 

Na de doxologie wordt het ontstaan van het boek vermeld in de volgende 
woorden: tëlah bërkata fakir jang insaf akan lëmah ka'ada'an dirinja dan singkat 
pëngatahoean ilmoenja adalah pada soeatoe masa pada sjams zaman soeltan Moe c az- 
zam ibn Soeltan Sjah jang mahamoelia karadja'an di nëgëri Këclah dan pada soeatoe 
hari baginda pon kaloear kapënghadapan dihadap oleh sëgala mantri hoeloebalang 
dan pahlawan dan c alim moeta c allim pon banjak mënghadap maka kajsar pon tëlah 
hadirlah mënghadap doeli baginda itoe pënoeh sësak pënghadapan itoe mëinbi- 
tjarakën përkara nëgëri dan mëngadji kitab tëlah itoe sjahadan maka titah doeli 
baginda jang mahamoelia djoendjoengkën kaatas djoemala fakir dëmikian 
titah jang mahamoelia bahoea hamba pinta përboeatkën hikajat pada toean (sic) 
përi përatoeran sëgala radja radja Malajoe dëngan isti c adatnja sakali soepaja 
dapat dikatahoei oleh sëgala anak tjoetjoe kita ini kamoedian daripada itoe kita 
ini sërta dikaroeniai dëngan sadjarahnja satëlah fakir alladzi moerakkab c ala 
djabil maka fakir pon përkëtjiklah diri pada mëngoesahakën dia dan mëmoe- 
hoenkën tawfik kahadirat toehan sanic al- c alam dan minta hoeroef kapada sajjid 
al-anam dan minta apoeah pada kaëmpat jang sahabat jang akx*am satëlah itoe 
maka fakir pon ïnëngaranglah hikajat ini maka dinamai oleh fakir salalat 
as-salatin ja c ni përatoeran sëgala radja radja. 

De voorgeschiedenis der Maleische rijken vangt aan met de vermelding 
van de wereldheerschappij van Soelajman, en de komst van eenen garoeda op het 
eiland van Seri Rama en Hanoman : Langkapoeri, die van eenen adelaar vernam 
dat de koning van Roem eene Chineesche prinses wilde vragen voor zijnen 
zoon, en met Soelajman middelen beraamde om dat huwelijk te verhinderen. 
De garoeda vloog naar China, lichtte de prinses en twee dienaressen op, en 
bracht ze naar Langkapoeri. Intusschen had de vorst van Roem Radja Mërang 
Mahawangsa met den prins naar China gezonden, met eene groote met kanonuen 
gewapende vloot; onderweg valt de garoeda meer dan eens de vloot aan en 
vernielt een zestal schepen; eindelijk toovert Mërang Mahawangsa den vogel 
Djintajoe die den garoeda bestrijdt ; toch slaagt deze er in het vaartnig van den 
prins te vernielen. De prins drijft op een plank rond. Mërang Mahawangsa 



291 

sticht op een eiland de stad Langkasoeka, die weldra rijk bevolkt wordt. De 
prins was aangedreven op de kust van Langkapoeri, en gevonden door de 
('hineesche prinses; zij verzoekt den garoeda hare staatsiekleêren uit China te 
halen, en bemint onderwijl den prins. Zonder iets van den prins te weten, gaat 
de garoeda aan Soelajman melden dat hij het huwelijk verijdeld heeft, maar de 
alles wetende profeet lacht en laat de prinses met hare twee dienaressen en 
hiiren beminde halen, tot groote schaamte van den garoeda. die naar de zee 
Koelzoem verbannen wordt. Soelajman laat de koningen van Roem en Tjina 
over al het gebeurde inlichten, en de gelieven naar laatstgenoemd land voeren. 

Mërang Mahawangsa liet een gezantschap gaan naar Atjeh en het eilan- 
denrijk van Goelanggi, waar bijzonder oude tempajans zijn (waarvan in den 
brief om één verzocht wordt), en waar gezanten van Roem vertoefden, die 
naar den pi-ins moesten informeeren. Dezen gingen met het gezantschap naar 
Langkasoeka, en hunne verhalen brachten Mërang Mahawangsa er toe naar 
Roem terug te gaan, na zijuen zoon met den naam Mërang Mahawangsa Poe- 
dimat in zijne plaats aangesteld en zijn eiland, dat hij met den vasten wal 
had doen vereenigen, Zamin Toeran genoemd te hebben; eindelijk draagt hij 
zijnen zoon op later een zijner zonen in het Noord- Westen van Këdah als 
vorst aan te stellen, een in het Zuid-Oosten, een in het Noord-Oosten (Zamin 
Toeran en Këdah zijn blijkbaar hetzelfde land); de tëmpajan wordt bij een 
roekëmboom neergezet, en Mërang Mahawangsa vertrok naar Roem, langs 
Boekit Lada, Boekit Djamboel, Poelau Këra (Boekit Tandjoeng). 

BI. 55. Mërang Mahawangsa Poedimat regeerde wijs en rechtvaardig 
in Këdah Zamin Toeran; hij kreeg twee zonen, eene dochter, en nog eenen 
zoon. Den oudste laat hij met den Maleier +\^ 3 i westwaarts trekken; na 
tweehonderd dagen reizens vinden zij eene goede plek waar zij Siam stichten; 
den tweede laat hij naar het Zuid-Oosten gaan, en deze sticht op het eiland 
waarop zijn pijl Indra Sakti viel eene stad van dien naam, welke later in Perak 
veranderd werd. De dochter laat hij naar het Oosten geleiden op een olifant, die 
bestemd was om later als boodschapper tusschen de rijken van vader en dochter 
te loopen; zij sticht Patani, genoemd naar haren tooverkris Lela Sani. Weldra 
stierf de vader en werd opgevolgd door den jongsten zoon, onder den naam 
Seri Mahawangsa, die de stad Si Roekëm stichtte. Bij eene Maleische prinses 
kreeg hij eenen zoon; ook zijn broeder in Siam kreeg eenen zoon, waarop eene 
wisseling van geschenken volgde als voorbeeld voor de volgende koningen ; 
evenzoo ging het tusschen Këdah en Perak en Këdah en Patani. Tegen den 
wil van zijnen vader huwt de prins van Këdah met eene slavin, en na eenige 
jaren volgde hij zijnen vader op als Seri Maha Indra Wangsa. Hij krijgt eenen 



292 

reusachtigen zoon dien hij Awang Maha Parita Daria noemt. Deze laat, vorst 
geworden, eene nieuwe stad houwen met uit Atjeh aangebrachte steenen, *) en 
regeerde zeer onrechtvaardig. 

Op een zijner zwerftochten vindt hij den ouden Patani-olifant met een 
jong en neemt heide tot zich; de oude heette Koemala Djauhari, het jong noemde 
hij Poelang Hari; hij zelf verkreeg naar eenen slachttand dien bij kreeg den 
bijnaam Radja Bësioeng. Hij raakte verslaafd aan het drinken van menschen- 
bloed, eiken dag werd daartoe een mensch gedood; eindelijk wordt een onkwetsbaar 
man gevonden, niemand kan hem dooden of verwonden, hij verandert zich in 
verschillende dieren, en doodt zeer velen, en ontkomt in de wildernis. Eindelijk 
staan de vier eerste ministers tegen den vorst op, zeven dagen lang bestrijden 
zij hem, den achtsten vlucht hij en is onvindbaar; de vier mantri's besturen 
het rijk en berichten alles aan den koning van Siam. Bësioeng werd een land- 
bouwer in Patani, en trouwde daar met eene boerendochter, die weldra een 
zoon kreeg, zóó sterk op zijnen vader gelijkend, dat degenen, die het zagen, 
begrepen dat Bësioeng in die eenzame streek als landman leefde ; de vier mi- 
nisters laten hem overvallen, maar hij ontkomt door de vlucht. Den vorst van 
Siam wordt door zijne sterrewichelaars medegedeeld dat hij niet in Këdah mag 
regeeren, daar een zevenjarige recht op het bewind heeft, dien de olifant Koe- 
mala Djauhari moet aanwijzen. Deze verschijnt, en gaat onmiddelijk naar het 
bosch, vanwaar bij den zoon van Bësioeng oplicht, die door de grooten van 
Këdah gehuldigd wordt, en daar met zijne moeder blijft. 

BI. 122. In het eiland Ajër Tawar heerschte Këlana Hitam; deze trok 
tegen Këdah op, een bevel van den vorst van Siam om terug te keeren wees 
hij honend af, en bestreed buiten Këdah de door den koning van Siam tegen 
hem afgezonden legers in een ontzettenden strijd, doch werd eindelijk gevangen 
genomen. De jonge vorst. x^AJ'.i I^acJ genaamd, werd geheel door de vier 
mantri's geleid; hij vestigde zich te Koeala Moeda, en kreeg eenen zoon, dien 
hij Përawang Mahawangsa noemde. Uit een boeloeh-bëtoeng kwam een knaapje 
te voorschijn, dat de vorst tot zich nam en Radja Boeloe(h) Bëtoeng noemde, 
en uit afdrijvend schuim een meisje dat Poetri Sëloeang genoemd werd; beiden 
werden met elkaar in den echt verbonden. De eigen zoon werd vorst na zijnen 
vader, en werd een groot drinker. In dien tijd bracht de sjajch Nöeraddïn 
uit Mekka den islam naar Atjeh. In Baghdad was een heilige, Sjajch c Abdallah 
geheeten, wiens leerling c Abdallah Jamani eens den duivel ontmoet had, en 



1) ^jl^Jio jflji JüU <*_^Uu itjCjj)) <»L. > ^A ^^i) ii/^J* e/ ^^ ! "~"^' 



) ^U/ £1a1^ Jp 



293 

allerlei avonturen onder diens geleide beleefd en veel slechts gezien had ; overal 
waar zij kwamen ontstond oorlog en verwoesting, eindelijk kwamen zij in het 
land van den drinker, dien zij slapende vonden; na zijn ontwaken vraagt hij om 
arak, de duivel urineert in den beker, en Përawang Mahawangsa dronk dat. 

Daarover onderhoudt de sjajeh den duivel, die boos wordt en hem ver- 
laat; zoo stond sjajeh e Abdallah Jamani plotseling voor den vorst van Këdah, 
die spoedig den islam aanneemt, allen arak doet vergieten en alle afgodsbeelden 
laat vernielen. Alle inwoners worden moslim; de sjajeh noemt den vorst Soel- 
tan Moezaffal (lees Moezaffar) Sjah, opdat die Arabische naam in de vrijdagspreek 
kunne vermeld worden, en laat hem allerlei goede werken volvoeren, waarin 
zijn geheele volk hem volgde. Toen men dit in Atjeh vernam, liet de 
moslim geworden vorst aldaar Sjajeh Noeraddïn diens boek Sirat al-moesta- 
kitn naar Këdah brengen ter onderrichting in de Wet. De vorst kreeg daarna 
drie zonen: Moe c azzam Sjah, Mahmöed Sjah en Soelajman Sjah, door c Abdallah 
aldus met koeranische namen genoemd (!) 

BI. 236. Radja Boeloe(h) Bëtoeng gaat eene plek zoeken om daar eene 
stad te stichten; in zijne afwezigheid misdraagt Poetri Siloeang zich met eenen 
anak mantri, bij wien zij eenen zoon, Jjo- o^Ce krijgt, dien de vorst met 
zijne zonen door e Abdallah laat onderwijzen. 

Radja Boeloe stichtte Kota Palas, en bleef daar toen hij het wangedrag 
zijner vrouw vernam; weldra werd zijne stad aangevallen door eene bende 
boosdoeners van Patani, en in den strijd tegen hen verdween hij en keerde 
terug tot zijnen oorsprong. De vorst van Këdah stelde zijne oudste twee zonen 
aan over de twee door Radja Boeloe gestichte steden. De jongste wordt vorst 
van Langkapoeri ; daarna keerde de sjajeh naar Baghdad terug, waar hij bleef 
bij zijnen leeraar. Moezaffar Sjah liet zich door Moe c azzam Sjah opvolgen, 
en daarna volgt deze genealagie : 

jjj) (J^t ^jllsLj ^Lüi ,j)j &>■] (_5*jil> J c^X»-o & f^r ^.« *-**' (j^y^ 

>y*2X< ^ViXl) .e»-* jjllaLw J6 ji C^o) \&)^J** L - ^ ^ fi^J^ ^"^- •• A*^<* 

.illac (jllaLj Jóji O- r dj* 3 Li >ys>- f*) CU^AmjJ ^j3 ^J^ d 1 -* j*}-^ fi^x 

Jj )j\^- óvczs^o (jllaLw Jjji c^oj dj* 3 è*i? ^ £ ""^^ *^ ^^"° ^' 

&.£ *JJÜ\ <XÜ) tXxc (jlkiLj >Ü.; dj* 3 !$>*£ ti^f ^"Ql ^ f^" y^v^' 

ïas^ jjoUi^ .y Uj^ ^lüuu dj* 3 ^y.^^ '^-^ji ^y° fl^x ^"""^ ^ 






294 

(jllai^ >Uy «P-), uf J V *-'" ( s *°) r^ ^ ^ c U^^ «y|r^ ^.^ mA^ ^.T 

cccxc. 

H1KAJAT ASAL BANGSA DJINN DAN DEWA DEWA. 

Collectie v. d. W. 187, ÏO 1 ^ X 16V 8 cM. 72 bl. 13 r. 

Deze .,hikajat" behandelt de schepping der djinn's, welke duizend jaren 
vóór die van Adam plaats vond. De eerste was ^I^Lo ,oU-i deze werd uit 
rookend vuur geschapen, doch Adam ontstond uit de vier elementen : vuur, wind, 
water, aarde, en hij is de stamvader van alle menschen met hunne verschei- 
dene eigenschappen (die met uitvoerigheid vermeld worden). 

De oer-djinn nu, wiens plaats op den djabal Kaf was, kreeg drie zonen: 
Sangjang Toenggal, Sangjang Winaja en Sangjang «J^.».; van den tweeden 
stammen alle goden en mambang's af, van den derden alle tjandra's en përi's. 
De eerste kreeg twee zonen: Batara Indra Goeroe en Sangjang 4_j'.jj, van 
wien alle spoken en sétan's afstammen; de eerste kreeg twee zonen: Batara 
lndra Brama en den aan één oog blinden Maharadja Loka; de eerste gewon: 
Batara Indra Manis, en deze: Maharadja Indra Palasara, deze: Maharadja 
Toenggal Pandita en Batara Indra Ratoe den allergrootsten vorst „baginda 
itoelah katoeroenan mëndjadi radja rnëmëgang pëkerdjaiin di nëgëri ^S ialah 
radja mëmpëranakkën sjangir gading". Toenggal Pandita volgde zijnen vader 
in het hemelrijk op, en kreeg twee zonen : Bagawan Basoegi en Bagawan 
Biasa; de eerste gewon een niet genoemden held, en deze: Poetri Djoeloes 
al- c Asjikïn, de latere gemalin van Iskandar Dzóe'l-Karnajn den meester van 
Nabi Chidr, die hem raad geeft in zake zijnen aanval op het rijk van de 
djinn's van Batara Toenggal. De strijd duurt twaalf maanden, en nog slechts 
ééne muur van hunne vesting was gevallen, zoo duurde het nog maanden, 
eindelijk namen zij den godsdienst van Nóeh aan, en werd Djoeloes al- c Asjikin 
aan den overwinnaar tot vrouw gegeven; zij kreeg drie zonen: den vorst van 
Stamboel d.i. Roem, van Djëpoen d.i. Tjina, en van Andalas d.i. Minangkabau. 
Daarna wendt Iskandar zich met de nieuwe volgelingen tegen het rijk der 
djinn's van Batara Ratoe; hevig was weldra de strijd, negen jaren lang, ein- 
delijk namen de djinn's den godsdienst van Nóeh aan. 

Bl. 43. Bagawan Biasa kreeg een zoon: Maharadja Pandoe Dewa Nata 
en eene dochter —)^aj Ju^; deze tAvee huwden met elkaar en kregen vijf zonen: 



295 

Darmangsa (sic), J ) Sang Biraa, Sang Koela, Sang Radjoena en Sang Dcwa. 
Bima daalde met de zijnen naar Java af en geraakte over dat land in twist met 
Maharadja Boma, en spoedig in bloedigen strijd; Ardjoena wordt gewond, Bima 
krijgt van eene afstammelinge van Winaja: Dewi Rimbi een geneesmiddel op 
voorwaarde dat bij haar tot vrouw neemt. Zij baarde Sang Gatotkatja, en deze 
mengde zich, volwassen geworden, in den nog steeds woedenden strijd, en over- 
won Maharadja Boma. 

Dërmawangsa gaat naar den berg Sëmawe, het latere Pasaj, het vóór 
alle andere landen geïslamiseerde land, waarvan de profeet bij zijn sterven 
aan Aboê Bakr mededeelde dat het reeds den islam had aangenomen. In den 
tijd van Zajn al- c Abidin, den zoon van Hoesajn, werden twee saijid's Moebam- 
mad en Ibrahïm naar de benedenwindsche landen gezonden, die de opdracht 
van den profeet om Darmawangsa het eerst te groeten, vergaten, en daarom 
uit schaamte niet durfden terug te keeren en aldaar orang dalem werden. 

Bima ging naar het Oosten; de dochter van den nagavorst in het eiland 
iJsJJJu^ wordt zijne vrouw en baart Poetri Indranasi Seri Naga, die later de 
moeder wordt van Maharadja Indra Koemala en Maharadja ïndra Zamroet, die 
in zee geworpen worden en aandrijven te Dempo en zich op den berg Loenda 
vestigen. Na enkele avonturen verdween de eerste in een vijver, jang dinamai 
dëngan bëhasa Bima jj,»j e?^ - Toen werd Zamroet vorst van Bima, en onder- 
wierp Java, Bali, Soembawa, Endeh, Soemba en Manggarai. Hij kreeg eene 
dochter Poetri Indra Përi, die de moeder werd van Batara Bima, Patara Dewa 
en Poetri Raina Dewi Seri Përi. De oudste werd heer van Solo Mataram, en 
uit hem zijn de latere vorsten van Madjapait ontsproten. 

Daarna volgt eene genealogie, eindigende met Poetri Raina Tedja die 
eenen zoon Maharadja Bima Indra Seri en eene dochter Poetri Indra c Alam 
Raina Seri kreeg; deze huwde met haren broeder en kreeg twintig zonen en 
tien dochters. 

Deze „hikajat" zoude met evenveel recht in rubriek I bij de Ardjoena- 
verhalen gerangschikt kunnen worden als in deze afdeeling. Het verhaal 
Hikajat Sang Bima, HS. Kon. Inst. v. d. T. L. & Vk. v. N. I. te 's Graven- 
hage, no. 633 (no. VII) bevat in het begin eene verwante geschiedenis. 



1) Later: Darmawangsa. 



AFDEELING IV. 



INLANDSCHE WET EN ADAT. 



CGCXCI. 



RISaLAH HOEKóEM KaNóEN I. 
Bat. Gen. 154, 28 V, X 20 cM., 38 bl. 21 r. 
Maleiscli wetboek, verdeeld in de volgende 19 paragrafen 



§ 1 

§ 2 



§ 



§ 4 



§ 



§ 6 

§ 7 

§ 8 

§ 9 

§ io 

§ 11 



§ 12 

§ 13 
§ 14 
§ 15 

§ 1*3 
§ 17 
§ 18 
§ 19 



Over de vorstelijke prerogatieven ; 

Over de uitdrukkingen tegenover vorsten te bezigen ; 

Over begrafenisplechtigheden ; 

Over de regelingen der afzonderlijke stroomgebieden ; 

Over amok; 

Over het dooden van een hamba radja door vrijen (niet slaven); 

Over verwondingen ; 

Over hen, die gerechtigd zijn met den dood te traffen ; 



oy 



•**^ j '& ^ r éV u^ & 



rj 



Over diefstal ; 



'r° ^ ,u oy 



J • 






,o 



,] 



■U 



>J 



Over ontvluchte slaven en het bij zich verbergen van ontvluchte 
hamba radja's ; 
Over aantijgingen ; 

AJUUS *.G>- ^)j (J»-ÓS *£>- 

Over het aannemen van geld om anderen te dooden; 

Over wederrechtelijk optreden; 

Over de regelingen van ooftpluk in bewoonde plaatsen; 

Over de rechten op den grond. 
Daarna volgen enkele regels over huwelijk en scheiding, en op bl. 30 
eene paragraaf over de etiquette der Maleische vorsten, de rangorde der amb- 
tenaren en de gebruiken aan de hoven tot op c Abdaldjalil Sjah. 



297 

Geschreven door Intjik e Oemar, eu aangeboden in Aug. 1846. — 
SjVban 1262. 

CCCXCII. 

RISaLAH H0EK6EM KaNöEN II. 

Collectie v. d. W. 55, 33 X 20 V 3 cM., 42 bl. 25—26 r. 

Hetzelfde wetboek met hetzelfde aantal paragrafen, eveneens gevolgd 
door een fasl over de isti c adah radja-radja nëgëri Malajoe toeroen toemoeroen 
daripada zaman Malaka sarapajlah kapada masa $J£) ^U^il L>)J C^Ijö'J 

Deze kanoen der Maleische gewoonten .^ gj^ (sic) jC=s. J.C.J tc.ta ^ylï 
is gedateerd: 25 Rabi c II, 1275, en het ten besluit gegevene gedichtje: 25 
Januari 1854 bilangan hidjrah (sic). 

Op de kaft staat: De Kanoen van Pontianak, maar in het handschrift 
zelf is dit land niet vermeld. 

Het begin is gebrekkig Arabisch J\^ ^J ^ylSJ) J^i) aSLJ) ^ )ia 

gevolgd door het Maleische: '^ ï ^ ^) ^j j^j ^jJ^ ^J) A*j U 
i"^wj o fl&-). (J^Cj Si jjlj r^jjj o ^Xi (J.C* <Ai jj^'j' *^^- -Axyc Si 
,j)j ijjlc JXwj Ai J\d «SU^ia (j|j ^.ax* J.Cj Ai yjÏJ ^Js\a~J o»i' 

De laatste vijf' bladzijden zijn gevuld met modellen van officieele brieven. 

CCCXCHI 
OENDANG OENDANG MALAKA. 
Bat. Gen. 152, 31 X 20 cM., 54 bl. 19 r. 

Wetboek afkomstig van Soeltan Moehammad ibn Sang Sapoerba, die 
afgedaald is van den berg Sago en tang. 

Ook dit is verdeeld in negentien paragrafen, en wel op ééne na dezelfde 
als van het vorige geschrift; na de laatste paragraaf komt hier echter iets over: 

wilde karbouwen en runderen, 

door opzet afgebrande akkers, 

over den oorlog en zijne force majeure, 

en huwelijkswetten, als in het vorig HS. 



298 

Op bl. 41: eene verhandeling over de acht grondzaken, nl. akal, c ilmoe. 
tjërëdik. tjandakia, c arif, boediman, bidjaksana, bingoeng, die nader ontwikkeld 
worden. 

Op bl. 51: een verhaal uit den Sirr al-moelóek over een gesprek van 
Noesjirwan met ^CsJ] ,**^>- met wien Boezoerdjmihr al-hakim bedoeld is. 

Andere handschriften : 

Londen: Britsch Museum, nos 20 en 24. 

CCCXCIV. 
HOEKOêM KaNöEN. 

Collectie v. d. W. 13, 20 X I6V2 cM., 75 bl. 17 r. 

Wetten en gebruiken van verschillenden aard: soeatoe risalah pada më- 
njatakën hoekoêm kanoën jaitoe sëgala nëgëri jang bësar bësar pada sëgala 
nëgëri radja radja jang bësar bësar dan pada adat ta c alloek dan doesoen soepaja 
manfa c ab atas nëgëri dan radja radja dan man tri aken mëmëliharakën sëgala 
ra c jatnja. 

Het werkje is verdeeld in 27 paragrafen, over ceremonieel, strafrecht, 
slavenrecht, bewijsvoering, slavinnen, rechten op den grond, vee, maten en 
gewichten, handel en pandrecht. 

Het wetboek eindigt op bl. 63; daarop volgt eene fa c idah over de lijk- 
wassching, een doe c a, djimats, brokstukken van moslimsche verhandelingen, 
zooals over de verkorting der salat onder de reis, over de 29 letters, eene 
doe c a bij het aannemen der zakat, en op de laatste bladzijde (omgekeerd): een 
brokstuk over verloving. 



'O' 



cccxcv. 

OENDANG OENDANG TAN AH DAT AR 1. 

Bat, C4en. 35, 34X21 cM., 384 bl. 30 r., voor de helft beschreven; 

Latijnsch schrift, onregelmatige, dikwijls onjuiste spelling, onvoltooid. 

Het eerste gedeelte, bl. 1 — 158, handelt over procesrecht, getuigen e. d.. 
verdeeld in 22 hoofdstukken. 

Het tweede gedeelte, bl. 158 — 327, handelt over eigenschappen van geest 
en karakter, en verder over zaken van rechterlijken aard; het is verdeeld in 
84 hoofdstukken. 



299 

Het derde gedeelte handelt over scheepvaart, en eindigt in het 
53° hoofdstuk. 

De wetten heeten te gelden voor Tanah Datar, Loeboe Agam en aan- 
grenzende landschappen. 



o 



Veel Minangkahausche woorden komen in den tekst voor. 

CCCXCVI. 
OENDANG OENDANG TANAH DATAR IL 

Bat. Gen. 36. 34X21 cM. 140 bl. 32 r., voor de helft beschreven. 

Latijnsch schrift, veel Minangkabausche woorden. 

Wetten uit dezelfde landen als I, maar van andere inrichting en 
redactie. 

Het geheel is verdeeld in dezelfde negen capita als de later te behandelen 
Oendang oendang Minangkabau, waarmede deze wetgeving zeer nauwe ver- 
wantschap heeft; zij is óf eene navolging daarvan, óf behoort tot de gewoonlijk 
met dien naam aangeduide wettenverzameling. 

Verder : 

Op bl. 79 Pasal pada menjataken sagala tjiemo; 



» 


» 80 


» 


» 


» 


tanda djahat; 


» 


» 85 


» 


» 


» 


daawa ; 


» 


» 92 


» 


» 


» 


sagala manasieij apabiela barkaheu- 
dak ieija akan mendjadie kapala; 


» 


» 100 


» 


» 


» 


akal ; 



Door het geheele werk zijn verhalen ter opheldering ingevlochten. 
Eene Hollandsche vertaling van een dergelijk werk is vervat in een gedeelte 
van no. 37. 

OCCXCVII. 
OENDANG OENDANG KËDAH. 
Bat. Gen. 25, 19 X 15 cM. 97 bl. 13 r. 

Geschreven op last van Rafïïes door Ismail van Këdah den 15 cn Dzoelk, 
122 (,rr) SIC. 

Notulen V: 11 (29 Januari 1867, VIII). 

Voorin in deze wetgeving van Këdah ligt eene Maleische inhoudsopgave, 
benevens eene Hollandsche, welke aldus luidt: 



300 



koophandel 




bl. 


1, 36, 53; 


ceremonieel 




» 


2, 29, 30, 32, 48—51, 80; . 


vluchtelingen 




» 


2, 28, 32, 61; 


ha venregiem ent 




» 


3—6, 9—13, 21, 29, 55—61, 62, 65; 


belastingen 




» 


6—9, 13—21, 61; 


sjahbandar 




» 


22—27, 28, 32; 


panglima 




» 


63, 68—74, 91 ; 


loskoopen van slaven 




» 


27, 


diefstal, dobbelspel 




» 


34, 87; 


gebed 




» 


35, 43—45; 


ontginning 




» 


36, 37, 87—91; 


schade door vee aangericht 


» 


38—41, 45—47; 


maten en gewichten 




» 


41; 


kampoengpolitie 




» 


42—43 ; 


recht van wegen 




» 


47; 


over den toenianggoeno- 




» 


51; 


» » panghoeloe ma 


,sdjid 


» 


74—86 ; 


» p -^i, ÜJlc en Jjic 




» 


93; 


» de moekallaf s 




» 


94; 


» » pitrah 




» 


95; 




CCCXCVIII. 



OENDANG OENDANG K0R1NTJL 

Bat. Gen. 134, 17 X 11 cM., 8 bl. 

Enkele krabbels met potloodschrift in verschillende richting, iets uit 
de wetten van Korintji. 

CCCXCIX. 
OENDANG OENDANG KOETARINGIN. 

Bat. Gen. 45, 31 X 19 cM., 65 bl. 25 r. 

Notulen VI: 88 (1 Dec. 1868, Vil, 2, a). 

Na eene inleiding over het mystieke verband der viertallen in het 
heelal, de philosophische oordeelen, de belangen van den geordenden staat, 
de grondslagen der kennis en de Hindoesche rechtstermen (welke in het 



301 

geheelc boek aangetroffen worden), volgt eene wetgeving van Koetaringin, 

welker verdeeling achteraan aldus aangegeven wordt: 

ceremonieel bl. 7—8, 25—29, 50—52; 

strafrecht » 8—17, 20, 21—24, 29, 30, 35—39, 

39—41, 52, 53; 
gevonden zaken of menschen » 17 — 20; 

pand » 20 ; 

rechtstoestand van den grond » 24; 

huur » 31, 39; 

huwelijk » 41 — 47, 56 — (35; 

verklaring van eenige woorden » 47 — 50, 52 — 54; 

over de door den profeet verdoemden » 55 ; 

Vele Javaansche woorden en uitdrukkingen komen in den tekst voor. 

CD. 

OENDANG OENDANG PALEMBANG I. 

Bat. Gen. 150, 34 X 21 cM. 79 beschreven bl. Latijnsch schrift. 

,,Oendang-oendang jang ditoeroet didalam oeloean negeri Palembang". 

bl. 1 Adat boedjang dan gadis dan kawin in 32 paragrafen; 

» 16 Atoeran Marga 

» 27 Atoeran Doesoen dan berladang 

» 40 Atoeran Kaoem 

» 45 Atoeran Padjak 

» 51 Adat Perhoekoeman 

CDI. 
OENDANG OENDANG PALEMBANG II. 

IBat, Gen. 140, 34 X 22 cM., 55 bl. 39 r. Latijnsch schrift. 
Dezelfde tekst als van I, doch zonder de hoofdstukken II en III, en de 
rest in deze volgorde: 
I van no. 150 hier (bl. 3) I, 
IV » » » » (bl. 51) IV, 
V » » » » (bl. 47) III, 
VI » » » » (bl. 27) II, 



» 


ÖU 


» 


» 


35 


» 


» 


18 


» 


» 


16 


» 


» 


64 


» 



302 
CDIL 

OENDANG OENDANG PALEMBANG III. 

Collectie v. d. W. 58, 33 y 2 X 21 cM., 96 bl. 36 r. Latijnsch schrift, 
slechts de rechterhelft der bladzijden is beschreven. 

„Oendang-oendang iaug di toeroet di dalam djadjakan Negrie Palembang." 
Dezelfde indeeling als van I, alleen in aantal §§ verschillend, nl. 
Hoofdstuk II: 29 paragrafen. 
III: 36 » 

» IV: 19 » 

Enkele noten zijn in het geschrift aangebracht. 

Andere handschriften : 

's Gravenhage, nos. 236(7) en 416. 

CDII1. 
OENDANG OENDANG PALEMBANG BOLANG TENGAH. 

Bat. Gen. 1 F, 35 X 22 cM., 14 bl. 44 r. 

Links de tekst, rechts de transscriptie. 

Klein wetboek, verdeeld in 58 Fasal's. 

Het terrein, waarin de wetgeving vigeert, blijkt uit de woorden: 
„Bahoea inilah adat njang di djatoehken oleh Sri Padoeka Ratoe Sinoehoen 
„lladja di Palembang didalain rnarga Bolang Tengah, maka terlimpalah kapada 
,,sakalian oeloe'an Palembang dan marga-marga dan doesoen di Batanghari 
,,Sembilan". 

CD1V. 
OENDANG OENDANG DAN ATOERAN PALEMBANG. 

Collectie Br. 157, IV b, 16 bl. (uit eene portefeuille met Palembangsche 
papieren), gedat. 1278. 



£*&s ^^ yCL< Xxi) ylsU ^^ Ö*i? iji) i^ (j)J r ^^^ *j 

met aanhalingen uit de Moslimsche Wet en Traditie, en toespelingen op 



>, tui 



onderdeelen der geloofsleer. 



303 

ODV. 

OENDANG OENDANG DJAMBI. 
Coll. Br. 157 II, 25 bl. 

De volle titel is „Oendang oendang atoeran radja radja, mantri mantri 
dan segala hoekoem didalam negari Djambi", in 31 §§. Daarop volgt eene ver- 
handeling over het verschil tusschen de Moslimsehe Wet en de adat, getiteld : 
peri menjataken perbidaan hoekoern Adat dengan hoekoem sarak. 

CDVI. 

OENDANG OENDANG LOHOK TIGA LARAS. 

Bat. Gen. 306, A, 21 X 17 cM., 50 bl. verschillend aantal regels. 
Notulen. Nov. 1904, bl. 107, I, c. 

Verdeeld in vier fasal's : 

1°. ï)iilc fJlX.^ J 

2o. ^Gül*, J 

3°. uL>)0\pj J 

4°. Jl)Ü4 StaWSu.) 
Daarna, op bl. 17, de hoekoem Allah in 16 përkara's nl. J.), T ^-)^ 

Verder: iets over hofetiquette; over Djambisehe vorsten, dan (bl. 30) 
over de e^-x<) rcJÓ.) en andere wetten. Aan het slot heet het geschrift Oen- 
dang nan doealapan perkara. 

Bl. 43—44 ledig. 

Bl. 45 — 49, stukken uit den ratib Samman en andere ratib's. 

CDVII. 

OENDANG OENDANG SIMBOER TJAHAJA. 

Bat. Gen. 141, 34 X 21V S cM., 48 bl. 24 r. Latijnsch schrift. 
Notulen XXIII: 160. 

De volle titel is Oendang oendang Simboer Tjahaja Moeram Marga. 

Onvoltooid geschrift, welks eerste gedeelte, in een en twintig paragrafen, 
handelt over ambtenaren en straffen; daarna: Moeram Doesoen dan berladang 
in 17 §§, en Adat terhoekoem in 103 §§. 



304 

CDVIII. 

PIAGËM ORANG PASOEMAH LEBAR. 

Collectie Br. 157. VII, lfi bl. Latijnse h schrift. 

Klein stuk wetgeving van genoemde streek, gespeld: Piagem orang 
Pasumali libar (soemboer tjaja). 

CDIX. 
OENDANG OENDANG PASOEMAH. 

Collectie Br. 157. X. 20 bl. Latijnsch schrift. 

Vier bladzijden zijn in Arabisch schrift. 

CDX. 

KANOEN MATAN. 

Collectie v. d. W. 50, 32 X 20 cM., 186 bl. 10 r. geëncadreerd. 

Het begin ontbreekt, de laatste vijf bladzijden zijn Javaansch, bijna 
geheel ongevocaliseerd. 

Voorin ligt eene Maleische inhoudsopgave, benevens eene Hollandsche, 
welke hier volgt : 

Over koop bl. 3, 8, 14—16; 

» dading » 0, 77; 

» iqrür » 7, 12, 78; 

» depositum » 9, 80, 91; 

» aanhoorigheid (res accessoriae) » 10, 81; 

» huur van diensten » 11, 52, 82; 

» » » grond » 11, 82; 

» ontginning » 12, 41, 56, 61, 82; 

» schenking » 12, 83; 

» wak af » 13, 83; 

» gevonden slaven of goederen » 13, 14, 84; 

» strafrecht » 16—20, 21, 4—48, 53—56, 65, 

69, 80, 88—90, 102—115; 

» zakat » 20, 89; 

» heilige oorlog » 21, 90; 

» huwelijk » 27—38; 






305 



Over 


ceremonieel 




bl. 


38- 


-41, 


11! 


» 


rechtstoestand van rivieren. 












gronden, ontginning 




» 


41, 


56- 


-61; 


» 


verleiding van vrouwen 




» 


48; 






» 


veepolitie 




» 


61; 






» 


maten 




» 


63; 






» 


faillieten 




» 


ÖÖ, 


77; 




» 


pand 




» 


76; 






» 


hawalat 




» 


49; 






» 


bruikleen 




» 


79; 






» 


verbruikleen en commarj 


dite 


» 


79; 






» 


kafalat 




» 


84; 






» 


. Jv-m 




» 


53, 


91; 





CDXI. 



OENDANG OENDANG PERBOE AT AN DATOEK BESAR DEHOELOE. 



Collectie v. d. W. 57, 20 X 16V 2 cM., 224 bl. 9 r. 



In 1161, den 7 en Djoem. II verzameld: «üjj <jS-< c^-o) CSüï Ai y& 

Na liet tammat volgt de volgende autorisatie: den 28 en Safar 1199, 
bahoea pada pada l ) koetika itoe maka adalah titah jang dipërtoean jang maha 
moelia ka'atas djoemala datoek bandahara: ^.IG jiL xJ i^^iü ^ s.«*u 

<x»-li> JAS' ^j i^^ ^ f*^ u^ P^ ^ e^Jujl^ <j)^ f^Ju <^' <*ï-£-^ 
*jJJ all^Uï ^Ul .ï)U' <x!»j CX-y' Juwj .jj Jxoi &».jj C-£-c o^i *=*-ƒ" c^ J 
_j^ji' ^J ^l.l^li ^ji' .cJ LlfcjJu p\<2 <s^ai)yo ïJ^ <xlS' C-£-o C^l ^^ 

^S* r^ y eW J ^ erS J) r-/ J *^ ^ & ] ^ J) ^ ,LJ ^ ^ 



o! Al> s.lLo , c ,^ si »,lï 



V 



Ctf' 



^b l_SyJJ (J"^ *; 



J 



*f" 



)) óSï I SÜJ' 



<_5V^ jli (Xjó'IS' jd C^oj , c ,^ tj^) *jJ^ 



<xLl»j 



«J 



jbls" Aiy ll&ü s^bj ci 1 - 



1) Overtollig. 
Verhandelingen. 



20 



306 

\J1 i) Ü.yjg (Jli>J ^-ILe y(i2 -Le t-f*«J &Uï ^^J <xJuü) C^^o C^v«J jJ>Jll»-) -2*> 

j) S.»wj (5iC) J)j)j 2Jui <Xjü j JCbJüJ i_fj^ (_f.Jk.Lo (j£«j C^Üi)^ JSA*w C^vcó' 

i«^o) ^jIaSJ b'Jwj.iL) *Do o culj .SlgCL© ^-JÓ . ) d^-»J' ^Jjlaiu cl*»-). <X_üj)»a> 

Daarop volgt de aanteekening: 
^\si ^_$-jX^c <xlxL>j ^)y 1849 &U Jjj) J»j 28 t^^xvw i_5\b& )aa^ 

^X'^ $ƒ ja/Uj ul/^- t-U-ij c^o) ,j1j yyljj ^ ^xL») y«j ^Jl^x* 

In het boek liggen eene Maleische en eene Hollandsche inhoudsopgave; 

de onderwerpen zijn de gewone als: ontginning, koop en verkoop, ceremonieel, de 

toemënggoeng. de panglima koeala, instructies, aanstelliug van beambten enz. 

CDXII. 

OENDANG OENDANG DJOHOR. 
Collectie v. d. W. 50, 21 X 16 cM. 86 bl. 17 r. 

Het eerste gedeelte van dit handschrift is eene weinig samenhangende 
verhandeling over koop en verkoop, enkele punten van het strafrecht, dading, 
en andere onderdeelen der rechtshandelingen. 

Op bl. 27 — bl. 36 komt eene Djohorsche wetgeving voor van geringen 
inhoud, voornamelijk van strafrechtelijken aard en over de plichten van den 
vorst, welke op bl. 33 aldus geautoriseerd wordt: &a> j) <KjuG .XiLs\iL^\Ju> o 

(JjUjJ' f,.) (JXjj ..CfcjCz&sU) <XXO (i^r* — — JliwL* tJLCjO ^r^^ 

Daaraan sluit zich eene grensregeling aan nopens het Djohorsche en 
het Portugeesche gebied door Soeltan Mahmóed Sjah al-Ghazï ibn Soeltan 
c Abdaldjalil den .... Radjab 1203 vastgesteld, gelijk ook achter het Leidsche 
handschrift 1722(2) (CCCXXVII, cat. bl. 300) gevonden wordt. 

Dit gedeelte, dat ontleend is aan het manuscript van Datoek Pënghoeloe 
Naneng, is gedateerd 20 Radjab 1266 te Dëmak, en geschreven door Hadji 
Moehammad. 

Het derde gedeelte bevat eene wetgeving van den genoemden vorst van 
Djohor, verdeeld in 66 paragrafen, gelijk Leidsch handschrift 1725 en de daar- 
mede verwante, zie catal. bl. 298: — 300 ; in de inleiding wordt gezegd dat deze 
wetten afkomstig zijn van Tskandar Dzöe'l-Karnajn en gegolden hebben tot 
op Soeltan Iskandar Sjah, dat hij onder den titel Moehammad Sjah de eerste 



307 

vorst in Malaka was die den islam invoerde en eene wetgeving instelde, en 
dat deze wetten verder golden onder Moezaffar Sjah, Mansóer Sjah, c Alaoeddïn 
Ra c jat Sjah, en Mahrnöed Sjah den tegenwoordigen vorst. 

Dit gedeelte is gedateerd: 1 Sja c ban 1266, Hadji Moehammad te Samarang. 

Deze wetten kunnen ook als onderdeden der groote Maleische wetgeving 
behandeld worden, welke gewoonlijk Oendaug oendang Malajoe genoemd wordt. 

CDXIII. 

OENDANG OENDANG MALAJOE. 
Collectie v. d. W. 59, 33 X 20 V 9 cM. 202 bl. 19 r. 

Kleine, gebrekkige inleiding, waarin Iskandar Dzóe'l-Karnajn als schep- 
per dezer wetgeving genoemd wordt, en het aantal harer hoekóem op negen 
gesteld wordt. 

In het handschrift ligt eene lijst der paragrafen. 

Het eerste gedeelte telt 40 §§, en is afgesloten 1202, 3 Djoem. I, en 
geschreven in Atjeh. 

Het tweede gedeelte is de verzameling scheepvaartwetten van Mahmöed 
Sjah van Malaka, in 24 §§, gelijk Leidsche Handschriften 1705(2), 1706(2), 
1726(1) (uitgegeven door E. Dulaurier onder den titel Institutions maritimes 
de 1' Archipel d'Asie, traduites en francais, Paris 1845), 3199(2); beëindigd in 
Atjeh 1222. 

Het derde gedeelte behandelt in 5 §§ (bl. 77 — 85; eenige ceremonieele 
wetten. 

Het vierde gedeelte (bl. 85 — 118) bevat eene wetgeving van scheepvaart 
en van ambten en bedieningen met hare plechtigheden in 25 §§. 

Het vijfde gedeelte (bl. 118 — 132) bevat eene wetgeving in 9 §§, voor- 
namelijk civielrecht, van Soeltan Ahtnad Tadjoeddin met inleiding en besluit 
waarin 1138, Dzoelh., als tijd van vaststelling genoemd wordt. 

Het zesde gedeelte, af komstig van Moehammad Zajn al- c Adilïn Moe c azzam 
Sjah, bevat enkele §§, sommige over onderdeelen eener scheepvaartwetgeving, 
andere over formeele zaken, als de inrichting van verschillende kapala-soerat 
en voor het meerendeel poedji's aan imam's, datoek's, bantara's, lalcsama- 
na's, vorsten, e.d. ook van vorsten onderling; bijna alle poedji-modellen 
(99 in getal; behalve de bovengenoemde bepalingen die tien §§ tellen) zijn 
in het Arabisch, maar na het amma ba c dahoe, althans bij volledige brieven, 
is de taal Maleisch. 



308 

Andere, dergelijke handschriften zijn de Leidsche nos. CCCXXII — 
CCCXXXVI, en de Londensche, Royal Asiatic Society, no. 1 en Britsch Museum, 
nos. 20 en 22. 

CDXIV. 
OENDANG OENDANG ^ADAT. 

Collectie v. d. W. 60, 20 J / 2 X ™ cM. 20 bl., 15 r. gedateerd : 20 Moe- 
harram 1275, geschreven door Datoek Radja Bandahara in 1858. 

Kleine wetgeving van Minangkabau, met enkele Minangkabausche woor- 
den. In de inleiding worden de wetten genoemd: &UjL> ^ £^- *A r 9- ^ 

iü rjjj ^J (Jas!) J.2)) K^ ^ f ). (j^^ ^ f^ ^yUb l V*^ Al l >*^ s - 

De paragrafen zijn : 

1° ï±£ ^Ü^i. 2o ^ & ,U^, 3o lITUJ lü>1£ 4° Lüi^ eJi" 
5°^li^ 10 l\y ^U o, 6° <xl^j ^j rp^, 7° ^iU ^ rcjj^, 8° Lys, 

*xs- (-_ -il», 9° <Xy lLmJ" &aï C^.foU- tiJüs 10° *G*- &jjj) o»3> 

CDXV. 
OENDANG OENDANG MOKO MOKO. 
Collectie v. d. W. 161, 21 X 17 cM., 27 bl. 17 r. 

Kleine wetgeving, voornamelijk over hooge ambten en de daaraan ver- 
bonden verplichtingen, van Moko Moko, ingericht in vragen en antwoorden, 
gevolgd door eene Engelse he vertaling. 

Bij de oendang oendang is een a«al katoeroenan radja Indrapoera Moko 
Moko gevoegd, welke eveneens vertaald is. 

Vooraan is een „Comparative vocabulary of the Mënangkarbau and 
Malay dialects intended to illustrate the points of difference which exist 
between them". 

Zie Catal. der Mal. HSS. v. h. Kon. Inst. v. d. ï. L. & Vk. v. N. I. 
no. XLIV. 

Deze tekst en vertaling met woordenlijst zijn uitgegeven als nos. 13 
en 14 van deel II der Malayan Miscellanies. 



309 
CDXVI. 
«■■ADAT RADJA RADJA MALAJOE. 
Collectie v. d. W. 64, 32 X 20 cM., 107 bl. 19 r. 

Qebruiken aan de hoven der vroegere Maleische vorsten. 

De volledige titel is: (maka tërsëboetlah përkata'an) përi e adat sëgala 
radja radja Malajoe jang poerbakala radja radja jarig bësar bësar tatkala istëri 
baginda itoe hamil. 

De gebruiken tijdens de zwangerschap worden het eerst vermeld, daarna 
die bij de geboorte, die bij het huwelijk, de etiquette tegenover de ouders, de 
t;i fel wetten; op bl. 68 begiut eene verhandeling over den përatoeran dan katoe- 
roenan dari pada baugsa radja radja dan mantri en andere hooge beambten. 

Aan eene mededeeling over het jachtvermaak der vorsten is een heel 
verhaal vastgeknoopt. 

Daarna wordt gehandeld over de rangen van vorstenkinderen en van de 
hooge ambtenaren; verder over de tegenover vorsten gebruikelijke uitdrukkingen, 
over die waarmede de voornaamste hoofden aangesproken worden, over inrich- 
ting van brieven. 

Op bl. 97 beginnen fasl's over het maken van soldeersel, van zilverinkt, 
van brillantine, verguldsel, buskruit van allerlei soorten, over ketelboeten. 

Dit handschrift heeft geene inleiding of vermelding van herkomst. 

Een ander handschrift is dat der Royal Asiatic Society, te London, no. 
4, waaruit het laatste stukje in deel I van Niemann's Bloemlezing ontleend is. 

CDXVII. 
«ADAT PALEMBANG 1. 

Bat. Gen. 265, 34 X 21 cM. 9 bl., 29 r. 

Handschrift-Holle, zie Not. Oct. 1900 I, d en Maart 1901, I, c en 
Aug. 1901 III. 

Over de oude gebruiken in genoemd gewest, in 58 §§; de volle titel 
is: Adat jang timpoe Sultan dahoeloe tarpakie die tanah Oeloean didalam 
djadjahan Palembang. 

CDXV11I. 

«ADAT PALEMBANG II. 

Bat. Gen. 270, 34 X 22 cM., 16 bl. 42 r. Latijnsch schrift. 



310 

Transscriptie van I. 

Zie Gat. der Mal. HSS. van het Kon. Inst. v. d. T. L. & V. K. v. N. I. 
no. XLIX.. 

CDXIX. 

LARANGAN. 

Bat. Geu. 278, 22 X 18 cM., 36 bl. 19—21 r. Latijnsch schrift. 
Haudschrift-Holle. 

Allerlei raadgevingen aan inlandsche ambtenaren, opsomming van ver- 
boden zaken en de daarop gestelde straffen, over de belastingen en andere 
onderwerpen, die wijlen Holle den lieden wilde medegedeeld zien. 

Geschreven in Tji Boerial. 

ODXX. 

PËRATOERAN BAMBANG DAL AM NËGËRI B&NGKAHOELOE. 

Bat. Gen. 144, 34X21 cM. 12 bl. 24 r. 

Inrichting der verlovings- en huwelijksfeesten in genoemd gewest; aan 
het slot is de titel: Oendang oendang banibancy atau kawin. 

o o o 

Het is verdeeld in elf §§. De laatste bladzijde is gevuld met de namen der 
benoodigdheden voor het huwelij kscostuum en der onderdeelen van de bruidskamer. 

CDXXI. 

PIAGËM DJAMBI. 

Bat. Gen. 396, 21 X 17 cM. 

Notulen Nov. 1904, bl. 107, 1, c. 

C Afschriften van drie Djambische piagems, waarvan het origineel in het 

bezit is van den dipati van Sandaran Agoeng. 
D Afschriften van vier Djambische piagëms, waarvan het origineel in het 

bezit is van den dipati van Soleman. 

CDXXII. 

PIAGËM 1NDRAPOERA. 

Bat. Geu. 396, E. 

Notulen als boven. 



311 



„Afschrift van een geschrift afkomstig Yan Indrapoera in het bezit van 
den depati van Kararaanten (komt reeds voor als bijlage van E. A. Klerks, 
Tijdschrift T. L. en V. K. van N. I. deel XXXIX, Geogr. en Ethnogr. Opstel 
over de landschappen Korintji, Serampas en Soengei Pinaag". Het origineel 
is of een afschrift of te oordeelen naar het papier waarop het geschreven is 
van hoogstens 30 of 40 jaren geleden (en dus van jongeren datum).'' 

Bedoelde bijdrage staat in gemeld deel, bl. 115 — 117. 



AFDEELING V. 
GEDICHTEN. 



CDXXIII. 

SJA«IR KEN TAMBOEHAN I. 

Bat. Gen. 247, 33X20 cM., 115 bl. 18 r. gedat. 30 Januari 1897. 
(Uit eene inlandsche leesinrichting). 

Dit, 2070 dubbelverzen bevattende, handschrift vertegenwoordigt eene 
voor het Bataviasche lezerspubliek geadapteerde bewerking der bekende Ken 
Tamboehan-materie, welke verwerkt is in de gedichten uitgegeven door De 
Hollander in 1856 en Klinkert in 1886. (Voor meerdere litteratuur zie de op- 
gaven bij Juynboll. Catalogus-Mal. HSS. bl. 4). 

Evenals in de andere redacties wordt eerst de geboorte van Raden Ino 
in Koripan verhaald, daarna de aanleg van den lusthof en de geschiedenis van 
Ken Toeraboehan (steeds aldus genoemd), maar van hetgeen daaraan in Klin- 
kert's editie voorafgaat (zie zijn inhoudsopgave in den ludischen Gids, III, I, 
bl. 1167) staat hier bijna niets. In het vervolg vertoont het eigenlijke verhaal 
geen afwijkingen. Het maken van het vlot (ibid. bl. 1172) komt hier voor 
(in afwijking van De Hollanders uitgave) op bl. (56, de inmenging van Batara 
Kala en Batara Goeroe (ibid. bl. 1175) hier op bl. 86; de gandapoeri-bloem 
heet hier boenga poera, widjaja fcoemala en gandapoera. Op bl. 101 begint de 
episode van den vorst vau Bandjar Koeion (ibid. bl. 1176); verder is het 
verhaal zeer bekort, doch uitvoerig is de beschrijving der kroningsfeesten. 

Het handschrift eindigt bij de troonsbestijging van den vorst van Koripan. 

CDXXIV. 

SJA<TR KEN TAMBOEHAN II. 

Collectie v. d. W. 247, 33 X 20y a cM., 170 bl. 19 r. 

Dit gedicht telt 3212 dubbelverzen, slechts 50 meer dan Klinkert's editie. 
De naam der hoofdpersoon is Ken Taboehan. 






313 

De tekst is gelijk aan dien van Klinkerts uitgave; alleen aan het slot 
komt eenige afwijking. 

Ter vergelijking met de citaten bij Juynboll, bl. 6, geven wij vijf strophen 
van bl. '17, welke geheel overeenkomen met Klinkert, bl. 15. v. 293 — 297. 

r .ailj i RjL.su ^-V?- »Ci»i' ^^^J' ^-$ &->a«j a.i'JJj 

De beide teksten blijven congruent — behoudens de gewone kleine 
veschillen in rijmwoorden en synoniemen — tot bl. 165, r. 6 waar het einde 
der editie-KHnkert valt. In plaats van den laatste regels dier uitgave : 

heeft dit handschrift: 

Waarna nog enkele bladzijden gewijd worden aan de beschrijving van 
den feestdag en den daarop volgenden morgen ; de laatste twintig verzen bevatten 
eene opwekking tot den lezer gericht om vergevensgezindheid voor des schrij- 
vers onbekwaamheid. Achteraan is het begin van een ander gedicht ingenaaid. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1695, 1997 en 3375, catal. bl. 4—6. 

Londen, Royal Atiatic Society, no. 7, II. 

CDXXV. 

SJAcIR LALAKON MESA KOEMITAR. 

Bat. Gen. 182, 20 V 2 X 15y s , cM. 102 bl. 15 r. 

Een gedicht, de Pandjigeschiedenis behandelende, met de gewone persoons-en 
plaatsnamen, voor een deel door vlekken onleesbaar; het begin is geheel bevuild. 
Het slot is: 

<^s£-i <X_L-^c Lll^i)^ ^ylsuw ^5* jj&X.&ï>jX* i|rRA-J y^NAaJ 



314 



U„ , «ti iC-'-^- -j«^ c^Usmi ^'^_ , ».CLc^c ï r iA_> ,.,L 






.JbUi (_c'Ju« ftX_«j) icJU Jsi ,_j._iLi Fytfiui *_!• ) £,l$J 

- L^ f-£-A-z C sic ) 4-^H f- ' ~ *-U * 3 *-*-' 

Na de gewone opmerkingen over het uitleenen en gebruiken van het 
geschrift volgen nog de versregels : 

i_*>.lLjL_>J 1 _CjJk.< J Li t , _AJ , O ê_JU *j.-j\ i-JiM. 

..-. ^.s- jLxJ jUk.S' Joa_=» pJüuw ..jJLLi i>Jo .Lo Jl^ 

W .. J .. • Qj . Oy ^ y J 

CDXXVI. 
SJA^IR TJARITA WAJANG. 

Bat. Gen. 248. 83X20 cM. 136 bl., 15 r. gedat. 9 Dee. 1890. 
(Uit eene inlandsche leesinrichting). 

Een wajanggedicht, vol Bataviasche termen en moderne woorden, van 
dezen inhoud : 

Vijf goden inearneeren zich om de paudawa's op de proef te stellen ; 
zij worden Aria Sadjati in Tjoeatja Nagara, Djoeata Kala in Djambi Poera, 
Ganda Koesoema in Poera Nagara, Ganda Parwati en Ganda Prawira, en Kinsi 
in Kinsoe. Ganda Koesoema valt Ardjoena aan. Aria Sadjati : Darma Koesoema, 
Djoeata Kala: Djajasina (Bima) Kinsoe en Kinsi: Sakoela en Soedewa; groot 
gevecht, optreden van Sëmar en de zijnen; de Pandawa's winnen. Ardjoena en 
Darma Koesoema verdwijnen. Bl. 53. In Astma is Soejodana met Pandita 
Drona; Ardjoena tracht daar door te dringen. Bl. 60. Uit Astina trekt men 
tegen de Panda wa-stad op. welke na heeten strijd verlaten wordt: optreden 
van Gatotkatja, Angkawidjaja en Soetama; de Paudawa's dringen door naar 
Astina; optreden van Ratoe Djënggala; in den strijd blijkt Ardjoena terugge- 
komen te zijn. Eindelijk keeren de batara's tot hun oorsprong terug. Ardjoe- 
na geeft verslag van zijne omzwervingen; blijdschap over de terugkomst der 
verdwenenen ; Darma Koesoema was in eene bloem veranderd geweest, en om 
die bloem was het felst gestreden ! de goden doen hem van bloem weer 
vorst worden. 



315 



CDXXVII. 

SJA*IR BIDASARI. 



Collectie v. d. W. 256, 33 X 20 cM., 166 bl., 19 r. 

Dit gedicht is uitgegeven (en vertaald) door W. R. van Hoeveil, Ver- 
handelingen van het Batav. Gen. v. K. en W. deel XIX, en door H. C. Klinkert 
in zijn Drie Maleische Gedichten. 

Het begin is: 

^.lüwj (j^»^ .«jLr^ (jÜaLu ^..JLJ ü Lx_^ _). <X_l|j) 

wat woordelijk met Klinkert's uitgave overeenkomt. Die overeenkomst is 
op te merken van het begin tot het einde: de beide teksten zijn geheel identisch. 

Andere handschriften : 

Londen, Royal Asiatic Society, A, nos 7. I en 36. 

CDXXVII I. 
SJA^IR JATIM NOESTAPA. 

Collectie v. d. W 253, 32 X 20 cM., 123 bl. 19 r. 

Dit gedicht is uitgegeven door Klinkert in zijn Drie Maleische Gedichten, 
bl. 153—269. 

Hoewel de naam , i\^\ in het gedicht voorkomt, is de titel JiLa* *.Gl> 

•Ie goede transscriptie is nastapa. 

In de uitgave gaan aan het begin van het eigenlijke verhaal acht dub- 
belverzen vooraf, in dit handschrift achttien, waaronder de acht der editie niet 
voorkomen. 

Het begin is: 

C^l aj i^)j tl^ 1 - 1 H^*" ""—-y H ^y° i_S"^ : ''^ Uj'^ 



OJ /'iJOLS Jk&tXftJ )J>.-2~ C^O..J^ ï)»*w T _Ai._wj , C ;Lsl« 



(jt\JJtl vjiö'XfcJ 'r*-^ Cl^Oi— ■*- siy* 1 /-„■*— '- u f 



y 



JjJj <xJjJLj' ^'La ^.IT -A J-J^pJ ü s t-> f)~*" 



I 



316 

Aan het begin van het verhaal gaan de regels vooraf: 

De aanvangsstrophe in de editie 



luidt hier 






Dergelijke geringe verschillen in bewoordingen doen zich telkens voor, 
bv. (op de eerste bl. der uitgave). 



3 \iS $ »J r ; ^ ii'l aJUxsi aJU? _ 'j ^ li£ 



hier: 



L 



t^ e,.^ ,ƒ* e/ 5 ^ e- 1 ^ C^ ^ **/ 



en 



hiei 



Overigens stemmen de teksten overeen; de slotrerzen der editie 

jó j \ ó3S <Lc j^>- ^JkjJ._.Cu i\iX.j .lso s.k^i ^J jjjlc 
luiden hier: 

JÓ J ) ji.^ ï_< p- .-J.a1-.Cu )jo*« s,Uj i_cX; 50 CJ^jo 



xs 



Evenals in de uitgave volgen nog tien strophen. beginnende met 
tammatlah sjaPir Jalim Nastapa 
soeralan lidn z kalahoean roepa 



maar verder geheel verschillend. 



CDXX1X. 
SJA<LR DAMAK WOELAN I. 

Bat. Gen. 190, 19 X 16 cM., 118 bl. 11 r. gedat. 2 Mei 1868. 
Het verhaal van Damar Woelan in berijming. 



317 



Begin 



,.-.i tej C^-W; 



^3 



,x> i " ^i*.\ x.Joib ,i_fl.Ai J 



i_?/^ 
£ 



Slot 



J l» »J <XJ Ij (j£*. JÜi' (. ~Xaw 















^'U ^jfC 



>XT 



^ 



S'l* £j ^o 



c 









tf £ 



U 



7v 



ö"- 



e^ ^ tJy f^ ^ 



(^XWJ 



»A_J . «Lu 



s> ~> ë ) J CJ-jüS' c^~j) 



Inhoud : 

Loegender is in gesprek met Darma Woelan, die gras raoet snijden, 
en door eene weduwe vriendelijk behandeld wordt; hij wordt verliefd op An- 
djasmara, doch raakt in gevangenschap. Menak Djingga vraagt de vorstin van 
Madjapahit ten huwelijk; zijn aanzoek wcrdt afgewezen, hij valt Madjapahit 
aan, verwoest Daha en verslaat Toeban. De vorstin droomt van Damar Woelan, 
en haar patih Loegender zal hem bevrijden, maar Damar Woelan kan zich 
zelf bevrijden en trekt tegen Menak Djingga op; hij wordt gedood, maar her- 
leeft weer, laat den koperen staaf van zijn vijand stelen en vermag hem te 
dooden; daarna trekt hij zich in de wildernis terug. BI. 45. Zijne zwagers 
Setra en Koemitir trachten hem te dooden en werpen hem in een put, doch 
Toenggoel Manik (zijne aangenomen zonen waren Tampak Oena en Tampak 
Oeni) redt hem. Intusschen was het hoofd van Menak Djingga te Madjapahit 
aangeboden; Andjasmara, die Damar Woelan was gaan zoeken, vindt hem en 
gaat met hem terug. Setra en Koemitir houden vol dat zij Menak Djingga 
gedood hebben, een tweegevecht moet beslissen, en hij overwint. Nu vindt zijn 
huwelijk met de vorstin plaats ; hij noemt zich Brawidjaja, en wordt vorst. 
BI. 70. Loegender verlaat het rijk, en gaat naar Wawandan, welks vorst 
met diens broeder Inggris tegen Madjapahit optrekt. Een zoon van patih 
Oedara, Koedarangin, die zijn vader was gaan zoeken, verneemt dat Damar 
Woelan zijn broeder is, en mengt zich in den strijd. BI. 92. De prinses van 
Portugal had een zoon Koeda Tilirasa ; deze verneemt dat Patih Oedara zijn 
vader is, en gaat hem zoeken ; hij komt in gevecht met Koedarangin, zij 



318 

ontdekken eikaars afkomst en mengen zich gezamenlijk in den grooten strijd, 
waarin vooral Menak Koendjar zich geducht weert. Damar Woelan ontdekt zijne 
broeders; met hunne hulp behaalt Madjapahit de overwinning. Loegender 
wordt begenadigd (bl. 105). 

De vorst van Kambodja, die de vorstin van Madjapahit had willen tot 
echtgenoote hebben, daagt den vorst van dat land uit ; een geweldige strijd 
volgt, waaraan vorsten en patihs met vele legers deelnemen. 

Dit handschrift bevat slechts een fragment der Damar AVoelan-legende, 
welker inhoud volgens de Javaansche versie medegedeeld is in Prof. Vreede 's 
Catalogus der Javaansche en Madoereesche handschriften der Rijksuniversiteits- 
bibliotheek te Leiden, bl. 1 7(3 sqq; tot bl. 106 komt dit geschrift vrij goed 
overeen met het parallelle gedeelte van het Javaansche werk. De vorst van 
Kambodja wordt daar eerst later genoemd; zie o.c. bl. 181. 

CDXXX. 

SJA^IR DAMAR WOELAX II. 

Collectie Brandes, 122. 22 X 17 cM., 73 bl. 18 r. 

Dit handschrift bleek bij onderzoek eene copie te zijn van het vorige 
manuscript. 

CDXXXI. 

SJAcIR SILINDOENG DALIMA I. 

Bat. Gen. 34. 33 X '-1 cM., 81 bl. (voor de helft beschreven) 28 r; 
gedat. Boekit Tinggi 1850, Latijnsch schrift. 

De titel van dit handschrift is Sja c ir Sari Boenian, evenals van cod. 
Leyd. 3333; het heeft vele Minangkabausche woorden. 

Ter vergelijking met de eigennamen in de Leidsche handschriften, met 
name cod. 2006 (2) (= XXVI. Catal.). volge hier een gedeelte van den 
inhoud: 

In Baudar Piroes is Dewa Peri met eene dochter Sari Boenian en eenen 
zoon Indara, bijgenaamd Abang Sagara, die bij eenen sjèch te Tandjoeng 
Poera in de leer is. De stad wordt aangevallen door een garoeda; bijna alle 
inwoners worden gedood ; Sari Boenian had zich echter in eene kist verscholen. 
Met haren broeder gaat zij naar Pangkalan Lama. waar zij een huis bouwen; 



319 

zij eet een verboden dalima, waardoor een meisje, Sidang Dalima later genaamd, 
geboren wordt; de moeder sterft. 

CDXXXIL 

SJA^IR SILINDOENG DALIMA II. 

Collectie v. d. W. 251, 31V 2 X 20 cM., 112 bl. 19 r. 

Vooraan is de titel SjaHr Indra Laksana; aan het slot van het gedicht 
wordt het Sfa c ir Séri Bocnian genoemd. Begin (na eene captatio benevolentiae 
van zes strophen): 

£^.y3 f L; (^;;^ ^^> e/^j ^ 7r\j t) ?" 

(_5* .£_) v__ftACw . »^Lo »£;r*»- J LCjj ^^0 J ) ►> Ai IS 

Slot 

SJÖi-J ï. J J jjj ukxi ^ Lu ) . Xój£ ^^'r? l)^ 1 ' f-> lJ^ 

) JIm j y j JcJ é.'x> ) 'JiS~>J-J I r^f 1 ^ CJG IJ (j *5 JöX.J 

^ ._iu_i' il.J 'i-xz . ^.-G: *J ) ^ l.J.lS' dJ lc . J )»jJ 

t_5* . U> lLj J iu^> yLo /UJ.Ï.Ï t_f^ **? )«Ai 5^»wj <xla.JU 

^fJ ^J <X*aï j*^ jdixCcJ uT;^ ë ;^ J ^~ ^ ^^ 

De korte inbond van dit gedicbt is medegedeeld in Tijdschrift van 
Ned-Indië, 1849, I, bl. 394 — 396. De eigennamen in dit manuscript komen 
meer overeen met die in de Londensche exemplaren dan met die in cod. Leid. 
2000(2) = Cat. XXVI. (Baudan Piroes, niet Bandar Piroes, Bangsakara of 
Bangsagara, niet Abangsagara, Bandoe en Bindoe (zie Juynboll, Catal. bl. 24, 
r. 1) is in het schrift niet te onderscheiden). 

De redactie schijnt, naar den inhoud te oordeelen, niet van die dei- 
andere handschriften af te wijken. 



320 

CDXXXIII. 

SJA<=IR SILINDOENG DALIMA UI. 

Collectie v. cl. W. 252, 32 X 20 cM., 104 bl. 19 r. 

Geheel dezelfde tekst als van II. Doch het gedeelte bl. 102 r. 9 — bl. 
111 r. 1 van het vorige handschrift wordt ia dit exemplaar niet aangetroffen, 
terwijl achter de eerstgenoemde regel één vers is ingevoegd, nl. 

^Ki) if*&) ' a&LLe (j<yj>%> WiJ io 'Ju> ) ■ óS , Jkc lï 

In plaats van de laatste met jdjuó' aanvangende regnl heeft dit exemplaar: 

l»_J S- Ui ) j »»- .^! ) £aJ I . I—J ) ytL U JLc ï <x_l_l ) ^ 

Overigens is geen verschil te constateeren. 

Andere handschriften : 

Z«tf™, cod. 2006(2), 3330, 3333 en 3334, Catal. bl. 23—25. 
Londen, Royal Asiatic Society, no. 7 III en bl. 468, Aant. 3. 
Londen, East India House, no. 292. 

CDXXXIV. 
SJAcIR POETR1 <AKAL. 
Bat. Gen. 21, 21 X 16 cM., 74 bl. 14 r. 

In den catalogus der Leidsche handschriften wordt dit gedicht Sja c ir 
Poetri Haudëlan genoemd; behalve de ia den Catal. van Juynboll gegeveue 
inhoudsopgave, bl. 19, is de vertaling van het geheele gedicht te lezen in 
Ind. Gids. deel XXIV, bl. 350 sqq en 492 sqq; het is uitgegeven door C. Spat 
in zijne Lees- en Vertaaloefeningen, bl. 58 — 120. 

Begin : 

j\s ƒ (j lUj -«jj ^j .<• U». .> . j J c^JJj * U ji ^5" -£_> 

j/^ J JJLc u?^-^ J^-f f ö^ «yj4?J 



321 



Slot: 










u * 


IjUJ' 


t " ^-'-" »J 


er^ 


h> ] 


luITj 


C^ 




_S* la** 


C1J 5 J 


e- J 


(J£*>J 


cXS.S' 


oU 


JaS" cu l» 


ss. al 


.ajuJt) 


*&S 


^Joj' 


C 

.-■■■• 


' oT ; 


*jr 


j_5* ,y^< 


S^ 


J 


i\jÜ 


*2U9 J 


ÖÏJ) 


J 


Lj 


^ 


ü J 



LU L) axa^ ) J wJ (dij I 



De uitgave telt meer stroplien en heeft nu en dan geheel andere rijm- 
woorden, maar belangrijke redactieverschillen werden niet aangetroffen. 



Ander handschrift: 

Leiden, cod. 1771, Catal, bl. 19. 

CDXXXV. 
SJAcIR (SOELTAN) C AI3D0ELM0EL0EK. 
Collectie v. d. W. 257, 33 X 21 cM., 190 bl. 19 r. 

Uitgegeven door P. P. Roorda van Eysinga, in het Tijdschrift van Ned.- 
Indië, IX, 4 (1847), met vrije vertaling, bl. 285 — 526, en te Batavia, in 1892, 
in Latijnsche karakters. 

Volgens den titel der eerstgenoemde uitgave is de dichter Radja AH 
Hadji ibn Radja Ahmad ibn jangdipërtoean moeda Radja Hadji fi sabïl Allah 
van Riouw; in Van den Berg's inventaris staat aangeteekend: „blijkens eene 
aanteekening, op het HS. door H. vou de Wall gesteld, noemt Roorda van 
Eysinga ten onrechte als auteur Radja c Alï van Riouw, terwijl inderdaad liet 
gedicht vervaardigd is door diens zuster Salihat geheeten. Radja c Alï schijnt 
het werk slechts te hebben nagezien, en hier en daar verbeterd en aangevuld". 
Deze aanteekening is niet meer op het handschrift aan te treffen. 

Begin : 

L^o .=>- c . Uu .jULJ 1 J LU 15" J J j-'s 3 J>.a-J U i 

iSjky. u ^^ *&A J>} <s/ &f-*} t^J^ ^~ 

Verhandelingen. 



322 

De disticha 2 en 3 komen in de editie-Roorda van Eysinga niet voor. 
Het slot is nagenoeg gelijkluidend met dat van de uitgave; in plaats 
van hare laatste regel der voorlaatste pagina: 

,.j' J Li ..j j:_a > ,-j ii ^a_*w JUvJÓJt ,.ib i_c r G ,_*__« <kLjIs- 

heeft het handschrift beter: 

f J J Li «-J ■^■{■1 3 ._ ï (, ^>._>^ (j'JLu jói (_5* JÓ J , 4^^< jdj Jl». 

De laatste twee regels der uitgave ontbreken hier. terwijl hier de slotregel is: 
i ) LeuaJ I. sjwyoJ ) <x_a_' I . i ) \ ..«__! Lj *_i_i I <x_l_ ^ . 

De tekst van dit manuscript is veel beter dan die der uitgave, èn in 
het aantal lettergrepen, èn in de schrijfwijze der eigennamen, welke trouwens 
ia de uitgave gebrekkig is; ui wat Arabisch klinkt, is daar verkeerd gespeld 
en getransscribeerd. Behoudens de gewone kleine verschillen in svnonieme 
uitdrukkingen en rijmwoorden zijn beide teksten gelijk. Het op bl. 3 van 
Juvnboll's Oatal. voorkomende citaat uit dit dichtwerk luidt hier : 

__" IC_J 1 ,-cJ 9 . «^ 4 Lj J ..lUaluj ..m) At vO A< c ..) 

j' »J6 J ) ,_o Xe o J j _v-*^ J . , ,.i ï J *j Li JL-a-jo J 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1740. 1748 en 3368, Catal, bl. 3—4. 

CDXXXVI. 
SJA'IR SOELTAN JAI.1JA I. 

Collectie v. d. \V. 249, 33 X 21 cM., 130 bl. 19 r. 

De titel is hier SjaFir Saudagar Boediman. 

De inhoud van dit gedicht is verkort weergegeven in den catalogus 
van Juvnboll, bl. 25. 
Begin : 

jJUJI jJU- r U ^JJ ^ ^y c^j) ai!) ^j 
.. }!_**. i (JwV_*« ^ ,_j._^,_i _vaS a. L« ^ji J Cjuu &«_«»-, <xiuA 

" (,_J _j.xl_.Cw S . »^c ^ A&_<: <XA^ 3 ) _w ^ > ) ,j A_>- J t 






. i ^ 



. ,J.JUV^ 

er •• 



yO , -j J la ,, ILi ) iji- , 



i_^..;_i._^c *JU I ^ U_^c ,-u , »j j ' U ,, 2L, ) ixi: , 'j 



323 

De eigennamen vertoonen luttele afwijking, z.a. Radjapoetra in plaats 
van Djajapoetva, die echter ook hier meestal Djajapoetra genoemd wordt. Het 
verhaal is hetzelfde. 

Na bl. 00 is één blad ledig, van bl. 70 is de onderste helft niet beschreven. 

In de laatste acht regels wordt Singapoera als plaats des schrijvers 
vernield, en de gewone aanspraak aan den lezer ten beste gegeven ; de zes 
laatste strophen van het eigenlijke gedicht luiden: 

Ll^-CfcJ ji Q Sxï ,j j3 ^ l». .S C^C) -*w Siiyjj 1>JU>j jjlti -SÜ^. 

CDXXXVII. 
SJAcIR SOELTAN JAHJA IL 

Collectie v. d. W. 250, 20 X 17 cM., 289 bl. 17 r. 

Vrijwel dezelfde tekst als van I, die echter veel kleiner in omvang is; 
liet slot van 1 valt in dit handschrift op bl. 145; de rest. d. i. de helft, komt 
in het vorige HS. niet voor. Het Leidsche manuscript, dat evenals I iets meer 
dan 2470 disticha bevat, heeft blijkbaar niet meer inhoud dan het zooeven 
behandelde. 

Na den regel 

fCi*-Xaü ji ^jSx> ,j J <j v ^- S l^£>»am sJvjj ujuw ^J -só»- 
volgt: 

De inhoud van het vervolg is aldus: 

De vrouw van Soeltan Jahja bevalt van een zoon, die Soeloeng Poetra 
genoemd wordt; 's vorsten gemalin in Zamin Toeran baart een meisje, dat door 
een boeta wordt geroofd. 

Soeloeng Poetra, die het meisje ten huwelijk had gevraagd, wachtte in 
Pëlantapoera, met een witten aap die zijn vriend geworden was; met dezen en 
zijn broeder Sahadan Dewa gaat hij zwerven, en beleeft menig liefdesavontuur. 



324 

BI. 189. Soeltau Negara van Indrapoera had eene dochter Lila Indra. 
die door een droom van liefde in ongeneeslijke bezwijming valt; overal wordt 
bij bekkenslag een geneesheer gezocht, de bode komt ook bij de këbajan, die 
Soeloeng Poetra en de zijnen herbergt. Hij is in staat de prinses bij te brengen, 
en zij herkent in hem den held van haren droom. Hij trekt zich terug, en 
vermomt zich als eene oude vrouw; zóó geniet hij vele dagen het gezelschap 
der prinses; zijn broeder en de aap weten in het paleis door te dringen door 
als vertooner en gedresseerde aap op te treden; zij worden in een gevecht 
gewikkeld. 

BI. 215. Soeltan Sah Pëiï heeft een zoon Sah Djohan, voor wien hij 
de prinses van Indrapoera ten huwelijk vraagt, welk aanzoek aanvaard wordt. 
Kort. voor de voltrekking daarvan, herneemt Soeloeng Poetra zijne oude gedaante, 
toovert eene stad te voorschijn, en maakt zich van de prinses meester; een 
neveeht ontstaat, bij en Sahadan Dewa blijven overwinnaar, dank zij ook der 
bul]) van den aap. Radja Azrang wordt ter hulp geroepen, Sah Peri wordt 
gevangen genomen; de strijd woedt voort. In de beschrijving daarvan ein- 
digt het gedicht, dat zeer slecht gespeld en onduidelijk van bewoordingen is, 
plotseling. 

Slotregels : 

Ü . , dd*w » Iaï jJü ) c Jai J Ij U«jJ J».« eS uu ..■.iC^ixJ 

lj l_s y ■•■ t_? > i-S c/> J \~>j SrV 

Ander handschrift: 

Leïrfen, cod. 1777, Catal, bl. 25. 

CDXXXVIII. 

SJA C IR KOEMBAJAT. 

Collectie v. d. W. 255, 33 X 21 cM., 422 bl. 19 r. 

Begin : 

C^ C^i ) l>ou ^c la- ^ Umi ^^^ ij^*" Mf^V. ^ ^^ 



325 

Slot: 

il/ JU £_*.£ , l_c Jut* o Uli> p CjT »_wj J JsX—) *JU> j . J 



p jk, 

u-S 



3 J u c ••• s? J ■> e- c- > 

i j (J .A3 jj ) J (>»*-* I p iLJLi .J (_$• ..(_; i a_i_Cw 

5 J tAM £j IX-O C ■ « I C k! «.» J 5 J>_>_J J -_A_S AU <X_A_Jl_.^_S 

S tXii <&aJ ~> S , <mj ë lJvJU^- 5 J ».< . JO *J »-«>_=- »J j'ufc 

Inhoud : 

In Koembajat heerscht Darman Sjah, die een zoon krijgt, welke Zajn 
al-i'Abidin Sjah genoemd en Fatli al- c Arifin bijgenaamd wordt; vele mantri- 
zonen worden hein toegevoegd nl. Dja c far Saddïk, c Oemar Bakï, 'Abdallah 
Sëni, Moehammad Moehidin; als hij volleerd is, vervangt hij zijn vader. Wegens 
de berechting van een Chinees, krijgt de vorst van China een af keer van hem: 
deze vorst had zeven dochters: ,) -^ \^ , \\^ U£ ,^L> W£ ,,«■,,« Jj^ 
vAA^jj ,Jj^ ),*aw Jui' en de jongste. De jonge vorst van Koembajat droomt 
van eene bekorende prinses, en gaat met zijne vrienden dolen 0111 haar te zoeken. 

In L^ G\ r xz is vorst Pandita Oelama, met dochter Dzoebajdah en 
Moehammad Tahir; een groote stichting in Poelau Përanggi was een zijner 
goede werken. Daar kwam Soeltan ''Abidin met zijn schip Fath al- c Arifin; in 
de prinses Zoebajdah herkent hij zijn droomheldiu. zijn huwelijksaanzoek wordt 
aangenomen en op den 14 en Moeharram hnwt hij met haar. BI. '.>:!. Zij komen 
in Jaman, waar vorst Sjahristan regeert, die in oorlog was met Radja Bang- 
gala; degeen die hem overwon, zou de prinses van Jaman verkrijgen. 

Op raad van 'Abidïn liet de vorst van Jaman het gerucht verbreiden, 
dat zijne dochter gestorven was; dit noopte Radja Banggala tot opbreking van 
het beleg eu terugkeer naar zijn land, waarop ( ' Abidïn met de prinses in het 
huwelijk treedt, en naar zijn land terugvaart. Daar wint vooral Zoebajdah 
ieders toegenegenheid, behalve die harer schoonmoeder, die de prinses van 
Jaman voortrekt. 

BI. 140. De vorst van China doet Koembajat den oorlog aan: Kilan 
Soera is de aanvoerder, ook de andere zusters tijgen ten strijde: als haar 
echtgenoot uitgetrokken is, verlaat Zoebajdah de stad en neemt baar intrek bij 
eene këbajan; de vier vrienden van c Abidïn worden door een tooverpijl mach- 
teloos gemaakt, weldra ook hij zelf, zij worden in vergiftigde putten opgesloteu. 



326 

BI. 200. Zoebajdah hoort dat en gaat dolen : zij baart een zoon. dien zij in 
h j t wond achterlaat. Moehamniad Tahir was de zwager geworden van den vorst 
van Hindoestan Saharï Noêristan, en de vriend van Radja Portugal en Radja 
Handalan: on een jachtpartij vinden zij den zuigeling, bij wien de ring van 
Zoebajdah aangetroffen wordt: zij noemen hem Ahmad Bangsawan. Zoebajdah 
leert bij een kluizenaar de krijgskunst, en neemt den naam Sjahr Pahlawau aan 
en vestigt zich in Joenan. vanwaar zij naar China trekt als danseres vermomd: 
als zoodanig komt zij in het paleis, wiut daar het vertrouwen, en verlost haren 
man en de zijnen door een venster van de vergiftigde gevangenis. Een bad van 
drie dagen in uienwater doet de inwerking van het vergif uit hunne lichamen 
wijken: Zoebajdah treedt op als vorst van Joenan en maakt zich aan haren 
man niet bekend. 

Zij krijgt bezoek van haren broeder Moehamniad Tahir en de zijnen; 
spoedig vindt herkenning en opheldering plaats. Danrna gaan allen China 
beoorlogen : alle Chineesche prinsessen op ééne na worden gevangen ; zij 
bekeeren zich tot den islam en worden begenadigd: c Abidïn huwt met Kilan 
Sjah. de andere jonge vorsten met de andere prinsessen. Daarna gaat men naar 
Joenan terug, waar c Abidin huwt met Roêki Lila die Zoebajdah in alles had 
bijgestaan: nu gaan zij naar Koembajat terug, waar de oude vorst hen met 
vreugde ontvangt en zijne gemalin hare liefdeloosheid voor de voortreflijke 
Zoebajdah verwijt: eene verzoening volgt. c Abidin wordt vorst en Zoebajdah. 
hoogelijk vereerd en gehuldigd, wordt përmajsoeri Lila Bangsawan. Radja 
Ahmad huwt met de Hindoestansche prinses Kënibar Soeasa. en sluit nog 
drie huwelijken: ook de vier trouwe gezellen van e Abidin huwen Koembajat 
bloeit onder een goed bestuur. 

CDXXXLX. 
SJA«0R SITTI ZOEHRAH I. 

Collectie v. d. W. 261, 34 X 21 cM.. 247 bl. 19 r. gedat. 128 H. (sic.) 

Xa eene captatio benevolentiae van zes regels begint het eigenlijke 
gedicht als volgt : 

v Cl > C /v J J ° J 

> s y' VJ J J J" J s * ü ' J 

■ e ) , J * . J /_• *Jï _ \ . ,_c.->^ _ 1 . J*x~. P.,1 lL$ 

- J / *> Cl ' 



-J ■■ Cl> ; - L' 

y > L " - J- , - -J v Cl > 



^f _C„> »..C_^_^^c r <L_v — ...< i_f r < ±X~ 



327 

Slot: 

^5» o lió^ } Jü ^-^ ^ 1 i_f; W^. TT ^ ; ^ ^ ƒ V 

i^ . Uo ^j i^.S /wj jL-c /wo « ) ^5* -J J .-«j .Ai ,5> li' sIaAmj 

^jLm ^il ,Uj <X_üi)^.< Iawj Jij) ^i ) .i>- <j)J <x1aj.CcJ 

»JU Jlfc-J .iM-i <x! ) J Ixi' yV" i^j^? A^ u^ <^^ 

Daarna volgen twee bladzijden gevuld met versregels over het lot van 
den schrijver, eindigende met de regels: 

JjX* ^,«jb ^ J3 ) ^l^j ^ÏjS JjLï £so) ^J 

Inhond : 

Er waren drie broeders; 1° Baginda nan Soeltan in Sahristan, 2° Soeltan 
Mëngindra in Indrapoera; deze heeft eene dochter Poetri Bandahara en twee 
zoons Sidi Manlana en Radja Harsah; 3° Soeltan Ma c rifah in c Irak met vier 
kinderen: Radja Indra, Poetri Samijjah, Radja c Arifïn en Poetri Hajrani; de 
vorst van Sahristan heeft twee dochters Poetri Zoehrah en Poetri Noerkijjah, 
en van de andere gemalin: Radja Ahmad, Poetri Djamdjam en Soeloeng Poetra; 
deze gemalin heeft eene booze zuster c Ardan. Radja Ahmad was verloofd met 
de dochter van Radja Indra, Soeloeng Poetra met Sërnbah Poetri, Poetri 
Djamdjam met Radja Indra, Poetri Zoehrah met Sidi Manlana, Poetri Noer- 
kijjah met Radja Arifïn. 

( 'Ardan stookt hare zuster op en maakt haar afkeerig van Zoehrah en 
Noerkijjah. die hare moeder verloren hadden; op last van hare stiefmoeder 
worden zij allengs van alles beroofd, en haren vader spoort zij aan om eene 
groote jachtpartij te ondernemen; in zijne afwezigheid komt de gespannen ver- 
houding tot eene uitbarsting, de twee zusters verlaten, als mannen vermomd, 
de stad. De stiefmoeder doet den vader gelooven, dat de prinsessen door be- 
doewienen zijn geroofd, overal laat hij ze zoeken. Beiden waren in de 
wildernis bij een kluizenaar beland, die ze onderwijst in alle geheime 
wetenschappen. Kort daarna gaat de kinderlooze vorst van Misr uit jagen: 
hij vindt beiden, zij noemen zich Sjarïf en Moehammad Basrï, en worden 



328 

door hom als zonen aangenomen. BI. 96. Spoedig daarna sterft hij. en wijst 
Sjarïf al> zijn opvolger aan: de onwil van den gewaanden vorst oni te huwen 
wekt ieders verbazing. Spoedig komt Sidi Maulana, die haar zoekende 
was. aldaar en vertoeft er eenigen tijd. later trekken zij uit en voeren krijg 
u Radja Saranï en zijn zeven zonen. Radja Indra eu Soeloeng Poetra waren 
eveneens zoekende, met Alimad Sjah: zij komen in het gebied van Sjarïf, en nemen 
aan diens zijde deel aan den strijd, en erlangen hooge ambten. Na zijn neder- 
laag wil Radja Saranï Indrapoera aanvallen: met zijne zeven zonen nadart hij 
de stad. en weldra ontbrandt de strijd, het geheele gezin des konings wordt 
gevangen en zoo medegevoerd door Radja Saranï. die zich tegen c lrak richt: 
daar en in Sahristan geschiedt alras hetzelfde : alle vrouwen, ook c Ardan worden 
gevangen (bl. 150). De drie koningen weigeren hun godsdienst af te zweren en 
worden geketend. Sjarif had intusschen een onstuimig verlangen naar haren vader 
gekregen, booze droomen maken haar beducht, weldra verneemt zij de rampen 
en trekt met de broeders uit tegen Radja Saranï en brengt hem een geduchte 
nederlaag toe. (Vele helden worden met name genoemd, o.a. Sinjor Endrik en 
andere dergelijke cmasi-Europeesehe namen). En de ongeloovigen moeten den 
islam aannemen, terwijl de christennamen in Maleische veranderd worden (De 
radja Saranï wordt nu en dan radja Wolanda genoemd); de gevangenissen 
worden geopend. Terwijl Sjarif er over denkt, hoe zij zich zal bekend maken, 
komt haar vader door sterrewichelaars te weten wie zij is. algemeene herkenning 
en vergiffenis volgt, en de voorgenomen huwelijken worden gesloten. De man- 
nen krijgen hooge posten, en vreugde heerscht alom. Radja Sarauï neemt in 
zijne laatste oogenblikken den islam aan. Radja Indra wordt vorst van e Irak, 
Rada c Arifin van Koefah. Radja Harsjah van Indrapoera en Sidi Maulana van Misr. 

CDXL. 
SJA«IB SITTI ZOEHRAH II. 
Collectie v. d. W. 262, 33 X 20 1 , cM-, 254 bl. 19 r. 

De titel is hier Sja c ir c Arddn. 

heel dezelfde tekst, de afwijkingen zijn onbeduidend. 
De slotzang na het eigenlijke besluit is echter anders. 

i DXLI. 

SJA'IR SITTI ZOEHRAH III. 

Collectie v. d. W. 2-33. 20 X 17 cM. 319 bl. 15 r. 



329 



De titel is hier Sja c ir Soeltan Sjarïf, maar aan het slot als die van 11. 
nl. in den resel : 



Ai *! 



.la 



.! ] S*5> jj ) J ~Z .Ki^M iXiJUO 



De slotzang is als die van II, en de tekst vertoont geene afwijking, 
behoudens de zeer slechte spelling. 

CDXLII. 

SJACIR SïDi IBRaHïM. 

Collectie v. d. W. 245, 33 X 20 V 8 cM. 118 bl. 20 r. gedat. 1282 en 
onderteekend. ^ ^ ^Ij' y)j *£&/) 

De volle titel op den omslag is llifoijal Sidi Ibrdhim ibn Chasib U .x«zè*-) 

Soeltan Mist'. 
Begin : 



\j£ Li' * Iswj ^yLG ) c ) , l_JU 



,j jX*..* 



j U_i' * LH J [l< 



,j IsO . L^_> ) »«j A^2i ,i ~C J 



s£tf J êl/A /-V ^ J ' J ^y^- d' J ;' J,J r XJ ' 






,*j& ^S LU»*, o! 



i) J L 



Slot : 



,c. la i &juLj s j Ui ^ joo 

. ,_J_i' %i $ ) _ Ui »i Ü T -wj 

.j£i ,.j^y cj.^ ^ ,£j 






&l 



) J 






J 



Uj J 



).« ^J ï y &JLl£ 



g J Ui' 



■; Ja: 



3 £'j 



M&* 



uT° 












S Ia^s- j 



If 



XA: 



i^ 



<Uüu 



5 J 



ƒ* e/ 



.. A-J »■} — b A-A-i 



ÏS l50 ) ^-^-J %-J 






v_5" r^-< (jj ^^^ 






. .A. L< .Ai/JJ 



1^5» .Lu) ë ) . L« O^U^wo LLMu 



l5*^>J g__jA^o ï^a^ ^_/y 



waarna in vier regels de datum vermeld wordt. 

Inhoud: (uit het Arabisch is het gedicht vertaald). 

In Misr is vorst Chasib met zoon Sïdï Ibrahim. Deze ziet de af beelding 
eener vrouw en wordt daarvan dermate bekoord, dat hij het origineel gaat zoeken, 
na van zijnen goeroe gehoord te hebben dat zekere Abóe Kasim te Baghdad de 
teekenaar is. Allereerst gaat hij naar die plaats, en verneemt dat het origineel 
de prinses van Basrah is, waarop hij ijlings naar 'Basrah gaat. waar hij zich 
aansluit bij den kleermaker der prinses en den bewaker van haren tuin, met 



330 

wier hulp hij de gevreesde prinses te zien krijgt: hij wordt ontdekt, en door 
de prinses niet onvriendelijk bejegend. De liefde ontwaakt in haar. en zij stemt 
er in toe door hem ontvoerd te worden; zij gaan naar Baghdad. waar zij eene 
onaangename ontmoeting hebbeu. 

BI. 101. In MiST was men iutusscheu zeer ongerust over den prins; overal 
wordt hij gezocht, eindelijk vindt men hem in gevangenschap, op het punt 
van gedood te worden, van roof verdacht: de afgezant brengt aan het licht dat 
de prins ten onrechte verdacht is, de ware dief wordt gevonnisd: de vader der 
prinses wordt verzoend met de zaak. het huwelijk wordt gesloten, en de prinses 
naar Misr medegenomen. 



"O 



CDXLI1I. 
SJA^IR KAHR MASJHóER. 

Collectie v. d. W. 24G. 34 1 , X 21 \ : , cM., 172 bl. 19 r. 
Na de eerste regels. 



volgen nog tien regels inleiding, en daarna: 






k.' jj _ I , £, ».«j i " -v' .S- i> I »~v i.l ï «J -'^-A. 1 1 



e. i: 



o 



Slot: 

.. . ^ . .u^ö j J ) A.o j La .. iiJ j »x>^w c^*-* iüij^^j 



^ Ij >U*K £J/j ^l ^ .jy ^ £ajj .J c^U 

l • J •■ • r 

Inhoud : 
Vorst Kamarsjab in Syrië had twee zonen : Samsoeddin en Kahr Masjhöer, 

en eene dochter Djoerijjah; de vader sterft en de oudste zoon volgt hem op, 
hij bestrijdt de ongeloovigen. en huwt met de dochter van Radja Lébari: 
Djarijah en diens zoon Chabarsah neemt hij tot zich. Hij hoort van de joodscbe 



331 

koningin Amardi in Soengajdi, en zendt zijnen broeder en Chabarsah met een 

leger daarheen om haar te bekeeren. Hij komt bij den vorst van c Adjam, die 
hem zijne dochter Salbijah ten huwelijk geeft, waardoor hij de opdracht zijns 
broeders vergat; ongerust daarover gaat hij na eene maand verder. 

De vorst van Barham, Hamzah, was een broeder van Kamarsjah, zijn 
zoon heette c Ambarsah, zijne dochter: Lilakandi. Kahr Masjhóer komt aldaar, 
en vertoeft daar één nacht, waarna hij zijn tocht naar de geduchte vorstin 
voortzet; hij komt daar aan, zij weigert zich te bekeeren, zij trekt tegen hem 
op met haar leger, vreeslijk is het gevecht, de moslims lijden groote verliezen, 
velen hunner vluchten, Chabarsah wordt gevangen, eindelijk Kahr Masjhóer 
zelf. Vluchtelingen berichten dit aan Samsoeddin; deze roept vele vorsten ter 
hulp, ook Hamzah trekt met hem op tegen Soengajdi, waar weldra een moord- 
dadige strijd woedt; de moslims verliezen het en hunne vorsten worden gevangen. 

BI. 79. Djarijah bevalt van eenen zoon, Moehammad Nöeraddïn. In 
Baghdad is vorst Malelasah, met eene dochter Lilan Lila, eene heldin, die zich 
Sjahroem c Aghah noemt; zij hoort van de geweldige koningin, en wil haar 
aanvallen. Djarijah, die haren man was gaan zoeken, voegt zich bij haar en 
verkleedt zich als man, onder den naam Tamindari ; zij overwint Amardi en 
boeit haar. De gevangen vorsten worden bevrijd, en laten hunne vrouwen en 
moeders derwaarts komen ; eerst na langen tijd maken de gewaande helden zich 
bekend, nadat Kahr Masjhóer had ontdekt dat Sjahroem eene vrouw was, en 
nadat Amardi zich tot den islam bekeerd had, en in vrijheid gesteld was, en 
met Chabarsah was gehuwd. Kahr Masjhóer huwt met Sjahroem, Samsoeddin 
met Lilakandi; ook Salbijah voegt zich bij hem; de vorsten gaan naar hunne 
landen terug, vrede en liefde heersenen. 

Zie overigens: H. C. Klinkert in Bijdragen Kon. Inst. 4, IV, bl. 512 — 522. 

CDXLIV. 

SJAcIR BOEDJANG. 
Collectie v. d. W. 239 D, bl. 71 — 93, 19 r. (33 X 20'/ 2 cM). 

Inhoudloos en dikwijls onderbroken, van eene lange inleiding voorzien, 

gedicht over de smachtende liefde van een armen boedjang. die wees was. voor 

eene vrouwe die ..-^-^ o - enoemd Avordt, doch in den laatsten regel i^j^ 

r • • c ■ • 

heet; in dien regel heet de jongeling boedjang piatoe. 

Wellicht hetzelfde als. 

Leiden, cod. 1955 en 3339, Catal. bl 29. 



332 

CDXLV. 
SJA-IK SOENGGING. 

Collectie v. d. W. 248, 33 X 207 3 cM., 127 bl. 19 r. 



Begin : 



^ 



y > 



v y y »y 



-I^au 






o 


LJL 


-H ^ 


*>ƒ 


u#° 


U 


L. 1 






i-ij-ï- 


^ 


-i/ 


i-S- 


r ü J» 


^./• ; 



;'-*«j i a£«] C Ubfc j_5" AJu c^y.i /v#j' u J jJiSÓ (XÜlLJ" 



Slot: 



V I ^ J >• > • - J • ' 

y - UT l_5^ > C^-V y ~J ^ y J 

Na het ,.ü\j«) t ju^ <di*ï volgt nog anderhalve bladzijde over de we- 
tenschap en de bakïkah. 

Inbond : 

In Kasoembikarta is vorst Oedajan, met jongeren broeder Karandajan; 
in Kasoembirata is Tjandramina niet dochter Astrawidati; in zijn dienst is de 
schilder Soengging. die door een vlekje op een door hem gemaakt portret der 
vorstin 's vorsten argwaan opwekt, en verbannen wordt met afgehouwen 
hand. Oedajan droomt van eeue schoone vrouw en gelast zijnen patih die te 
zoeken; Soengging komt aldaar en vertoont zijn schilderij, en Oedajan ziet het 
met verrukking, en geneest de hand weer; hij hoort nu zoo veel van Kasoem- 
birata. dat hij er heen gaat om alles te zien. De prinses aldaar had van 
Oedajan gedroomd, herkent hem dadelijk, als hij in haar slaapvertrek dringt, 
en haai zijne liefde belijdt: met verwarde zinnen gaat hij naar zijn land terug. 
Karandajan valt bij zijn broeder in ongenade, en wordt verbannen: hij komt bij 
den berg Andjakapëri bij den asceet Darona Sakti. die hem alles leert. Oedajan 
herbaalt zijn bezoek, en laat in overhaaste vlucht zijn gordel achter, en wordt 
achterhaald en met list gevangen : zijn jongere broeder verneemt dat. en wil 
hem bevrijden; hij neemt den vorm van een olifant aan. en Oedajan wordt 
gedwongen hem te bestrijden, (bl. 7(3). doch onmiddelijk herkennen zij elkaar. 
Oedajan schaakt nu de prinses; de gewaande olifant richt groote verwoestingen 
aan : weldra voegen zijn broeder en het leger zich bij hem. en een groote strijd 



333 



vangt aan; Soengging werkt mede tot het sluiten van een wapenstilstand, 
de vrede komt tot stand, en het huwelijk vindt plaats. Oedajan vervano-t 
Tjandramina en Karaudajan zijnen broeder; Soengging krijgt den titel Senapati 
Kasoembirata. 



CDXLYT 
SJA C IR MaDï. 



Collectie v. d. W. 254, 33 V 2 X 20 V 2 cM. 238 cM. 19 r., in het vers 
zelf gedateerd: Pënjëngat. 4 Djoem. I, 12G6. 



Besrin : 



■ •-> 



(J-^y J> } £ v'^ J * ^ e/'*i^ H ^?° d? xtiójcJ 



,X=- 



i_S" &> ^^ **-< è£*-o il Ij ) ^ jtojs- *\iji C^o ) f , wjj 



Slot: 

C>a»J^ illi«jj ^ jL<, (_f.i3J ci^ji ij _ ). ^é[ï jjlLaLj 

Na het i«ö jduJ) Ci-i-^ volgen nog twee bladzijden over den datum 
en het lezen en leenen van het geschrift. 

Inhoud : 

In een bovenwindsch land is een vorst met eenen zoon, Madï, in Perzië 
een vorst met twee dochters Rantan Badawijah en Rantan c Askijah en beider 
stiefmoeder Djarijah en een pleegzoon c Abdoelwahid. Djarijah echter stond in 
ongeoorloofde verhouding tot Wabasj mantri, wat door Badawijah gezien werd ; 
Wahasj beschuldigt haar nu van ontucht met den pleegzoon, en doodt dezen; de 
vorst verbant Badawijah, en hare zuster deelt vrijwillig haar lot. In het bosch was 
een vorst met dochter Tarfah; deze vindt de twee zusters en behandelt ze als sla- 
vinnen. Madï gaat jagen, en verdwaalt; Tarfah vindt hem en wordt van hem 
bekoord, doch hij walgt van haar en wordt gevangen gezet en geeft eindelijk toe; 
zij baart hem een zoon, maar hij wil de twee zusters bevrijden, doodt Tarfah, ver- 
slaat haar leger, en voert de zusters met zich. Hij komt in het woud bij eene 



334 

prinses Nilakandi die indertijd door een apenkoning ontvoerd was en hem drie kin- 
deren gebaard had; zij helpt hem aan oogmedicijn en brengt hem in kennis met 
Noêr al- c asikïn, met wie hij in het huwelijk treedt (bl. 68). Zwanger verlaat 
hij haar en tijgt naar Kaum Bandar welks koning eene dochter Noerlila en 
eenen zoon heeft: Radja /^..j; de koning had het rijk beloofd aan ieder die 
de oogziekte der prinses zou kunnen genezen ; Madï geneest haar met de pas 
verkregen oogmedicijn, en verkrijgt het rijk en de prinses. De twee zusters 
blijven bij hem; na eenigen tijd geleidt hij ze naar Perzië. waar men ze met 
ontsteltenis herkent; hij huwt met c Askijab, en zijn trouwe metgezel Ibrahïm 
met hare zuster Badawijah. Wahasj wordt gesteenigd, later ook Djarijah. Madi 
wordt vorst in Perzië (bl. 145); hij krijgt eene dochter Noêr al-Kamal, en een 
zoon Badaroeddin; verlangen naar zijne ouders bevangt hem, en alleen vertrekt 
hij om hen te zien. Zijn vader had nog een zoon gekregen : Radja Kadi ge- 
heeten, en was kort daarna gestorven, en de jonge prins zal hem opvolgen; 
ook de koningin sterft. Toen kwam Madï daar aan, en keurde alles goed, waarna 
hij ijlings terugkeerde. Noêr al- c Asikïn was intusschen van een zoon, Roezachan, 
bevallen; weldra vliegt deze weg; de zoon van Tarfah, Badar al-djamïl, was 
intusschen groot geworden en zijnen vader gaan zoeken ; hij had Roezachan ontmoet 
en met hem den tocht naar het land van hunnen vader voorgezet, en beiden 
vragen Noêr al-Kamal ten huwelijk, eene weigering volgt, en beiden ontbieden 
hunne legers; spoedig wordt de strijd geopend, Radja Kadi wordt ter hulp ge- 
roepen, waarna de strijd eerst recht gaat woeden. Badar al-djamil wordt gevangen, 
hij maakt zich bekend, alles wordt opgehelderd, en vreugde vervangt den strijd; 
allen keeren naar hunne landen terug. 

De twee laatste bladzijden zijn gevuld met stukken van een ander gedicht. 

CDXLVIL 

SJA^IR TaDJOEL MOELOÊK. 

Collectie v. d. W. 258, X 20 cM., 103 bl. r. 
Begin : 



& 



J 






335 



Slot 




^_f jJX.^ ) lÜ ^ (j r #_a_w O -_j 


(_5\liwj <xS li' l£ (XiïJ^J 


^..Jj. ULij-ju O^c i jJl-jJ 


<_£\.C> (J^'V.J (j^r^ *—*■' r /0 ^° 


wA_.' c\-.> l\-A*W (Ij ,J ,._A->JJ ) ü »_AJJ 




<_5* Li_j jj ) J LI* <^s . J /pi. J 


(_S* t ( — ^-^ H r (_S* ) W^* 1 



Na het i^ jdjUï volgt nog eene halve bladzijde. 

Inhoud: 

Soeltan Soelajman wenscht te huwen; hij huwt met de dochter van 
Zaharsjah, en krijgt een zoon Tadjoelmoeloek, wien zekere c Azïz het volgende 
verhaal doet; »ik was verloofd met zekere c Azizah, en toen het huwelijk 
»gesloten zou worden werd ik bekoord daar de gevaarlijke Dalïlah en daar- 
»door vergat ik mijne wachtende bruid; ik liet den huwelijksdag voorbijgaan, 
»keerde steeds naar de verleidster terug, sprak niet met haar, doch smachtte 
»aan haar deur, mishandelde e Azizah die mij bleef beminnen en mij de teekens 
»die Dalilah mij gaf uitlegde, wat leidde tot ontmoeting met de verleidster; 
» ( 'Aztzah kwijnde weg en stierf van verdriet. Dalilah en ik bezochten dikwijls 
»haar graf. Eens ontrukte eene andere vrouw mij aan haar, dwong mij tot een 
» huwelijk, en schonk mij een zoon. Dalilah hoorde dit, mishandelde mij en 
»wierp mij naar buiten; dit vernam mijne derde vrouw die mij ook uit haar 
»huis liet werpen, waarna ik bedroefd naar mijne ouders terugging, die mij 
»enkele zaken van Dalilah afkomstig gaven, welke c Azizah bewaard had en hun 
» verzocht had mij als herinnering te geven. Ziehier een dier zaken: een zakdoek." 

De vorst vroeg wie den doek geborduurd had, en hoorde dat de Per- 
zische prinses Altija(V) de maakster was, wier schoonheid alom bekend was; 
zijn zoon wilde haar bezitten, de vader liet hare hand vragen, maar zij weigert 
te huwen. De prins verkleedt zich als koopman en gaat met c Aziz naar Perzië, 
waar hij zijne waren uitstalt; hij verkoopt aan de prinses, treedt in briefwis- 
seling, booze brieven van haar worden beantwoord met liefdesverklaringen; hij 
koopt een poortwachter om, wint de medewerking van eene oude slavin, en 
slaagt er in het vrouwenverblijf' binnen te dringen. c Azïz wacht eene maand 
en bericht het aan zijnen vader; deze verzamelt zijn leger en trekt tegen Perzië 
op. De prins verbleef intusschen bij de prinses in mingenot; de koning bespeurt 
het, laat hem gevangen nemen; onderwijl komt de vader vóór de stad; de prins 
wordt bevrijd, de prinses wordt in haar plan tot zelfmoord verhinderd, alles 
wordt opgehelderd, en het huwelijk vindt plaats. c Aziz keert terug, en treurt 
met zijne moeder op het graf van c Azïzah, zijn leven lang. Tadjoelmoeloek 
volgt zijnen vader op. 



336 
CDXLV1II. 
SJAcJE HIKAJAT RADJA DAMSJïK 
Collectie v. d. W. 260, 33 X 20 cM. 222 bl. 18 r. 

Gedat. 4 Radjab 1280 H. en 1864, onderteekend Hadji Ibrahim Datoe 
Kaja Moeda Riouw. 

De inleiding bevat eene holde aan de Hollanders en aan den heer von 
de Wall, assistent-resident te Tandjoeng Pinang, aan wien de dichter dit uit 
een roman (zie HS. v. d. W. no. 164) getrokken gedicht opdraagt. 

Het begin van het eigenlijke verhaal is : 

Slot: 

&_a.CsLj <x_ . ^_.> j) c|.LC_>*) c^joLj lei } ^LcJ ^JLj 

-JÜX_L< 3 J>-^ -oJiJ ) i__£^£ j 'j£> RJUuJ .^..j ..143 tXJió 

Xa het tammatlah kissah volgen nog 27 regels. 

De inhoud is dezelfde als van HS. v. d. W. 164 (no. C'XXIH); alleen 
heet de vorst van Koêfah Salisala hier: Salasila. en Sajf al-Kamar wordt dikwijls 
Saf al-Kamar genoemd, wat wel een schrijffout zal zijn. 

Matelooze uitvoerigheid heeft het beknopte verhaal tot een breedsprakig 
gedicht doen aanzwellen. 

CDXLIX. 
SJA^IR MAM BANG DJAÜHARI. 

Collectie v. d. W. 264. 20 7 9 X 157 2 cM.. 177 bl. 14 r. 

Begin : 



<x!^.j 


(JjA>J nSU yj)j 


i fiJ ; .lc 


«MU- 


//aO O J 


i}Jk.G 


<X_ls.jLi' 


L^_! Ȇ^o J <<-J 1 


^ 


I — j ) .a_j 



337 



Slot: 

J Li Ij,! ^ y~J.„o A-^tJ ^--^ ij j-L-< )£*-*, ^-S" I 
J Lr i o j : ^ <xj e^ó' U 
ci^ LC_wj c^a~«) j : « »..Ci_3 J 

Na het tammallah sja c ir volgen nog vijftien regels. 

De inhoud van dit gedicht komt overeen met dien van cod. Leid. 1943 
(XXIV), niet met cod. Leid. 1890, waarnaar het overzicht in het Tijdschrift 
v. d. T. L. & V. K. van N. I. deel XLV bl. 333—309 is vervaardigd. 

De eigennamen vertoonen eenige afwijking, de gezellinnen van Koesoema 
Indra heeten hier Lila Mëngarna dochter van Arja Kësna, —^J >j) dochter 
van Baliaradja, Lila Indra dochter van Arja Sëgara, en Lila Bangsawan dochter 
van Arja Fahlawan; Mambang Djauhari heet ook Mambang Oedara (van daar 
de titel vóór in het boek), en zijn vier këdajan's: , ^) j^ (de boeroeng wil- 
mana), Moeda Lila Indra Pahlawan (de boeroeng bajan), Moeda Bangsawan 
Lila Mëngindra (de kantala Indra) en Moeda Oesoel Mëngarna Lila (de boe- 
roeng kantala). 

De afloop is evenals in cod. Leid. 1943. 

Andere handschriften. 

Leiden, cod. 1890, 1943 en 1955, Catal, bl. 21—23. 

CDL. 

SJAcIR SOELTAN MANSOÊR I. 

Collectie v. d. W. 205, 33 X 20 cM., 212 bl. 19 r. 
Begin : 

i_s" X-i <^-> j-Cj.,-0 aa5Lj i" ) o~>r=- &jè~*) ï~^j^ «y 

Verhandelingen. 22 



338 

Slot : 

ü »*..> . u-.ii.wj s«. Jou Lx_^._j r oo ._> ë . . ) ^_> L; 

C^-sJji O j) L^"i)tXl«0 O l)) Ü»X«JU> 3».U»jj ^J'iXo (J..UsiLo 

f J ^ lïf" ^ ^ f J ^ *"' ^^° 'f J )^ ^d-C*, CS »_wj y ü ö' 

Na het tammat al-kalam volgen nog zes regels. 

Inhoud : 

In Baghdad is vorst Mansöer, ongehuwd, doch inet honderd goendik's; 
hij huwt raet prinses Dzoehrah van e Irak die spoedig sterft, waarop hij met 
hare zuster Dzahóerah trouwt, die ook weldra sterft, waarover de ouders zich 
dood treuren. Noêr al- c Asikïu van Jaman wordt zijne vrouw en sterft, Nila- 
kandi van Hindi evenzoo, dat alles wegens verdriet over zijne voorliefde voor 
de honderd, Djanïlan van Darusjik evenzoo, totdat geen vorst zijne dochter 
meer wilde geven. Een koopman noemt hem Djamdjam de prinses van Köefah, 
hij eischt haar op; deze houdt het uit, na drie jaren wordt zij zwanger en 
baart eenen zoon Sjarif Isma c il. Den vorst van Malabar wordt voorspeld dat 
de jonggeborene hem zal onttroonen, hij zendt een gewaanden sterrewichelaar 
naar Baghdad, die zoo veel kwaads van den prins voorspelt, dat de vader hem 
te vondeling laat leggen (bl. 99); berouw en verdriet kwellen hem, en hij laat 
bet kind zoeken, doch tevergeefs; rouw heerscht alom. Een bedoewien had het 
kind opgenomen en hem Aböe Zahïd genoemd, en hem opgevoed ; avonturen 
willende beleven gaat hij zwerven ; hij ontmoet eenen kluizenaar die hem zijne 
afkomst mededeelt en hem in alles onderricht. Dan trekt hij tegen Malabar op, 
lokt een strijd uit, doodt velen, ook den koning; de leugenachtige raadsheer, 
die als sterrewichelaar was opgetreden, wordt opgehangen en verminkt; als 
overwinnaar regeert hij het land, en neemt de prinses Seri Banoen tot vrouw. 
Zijne gezellen Aböe Sa c id en Abóe Mas c oêd worden minister. Alle bedoewienen laat 
hij overkomen. Zijn vader had hij van zijn in leven zijn laten vergewissen, 
zonder hem zijn grootheid te berichten; hij verklaart Baghdad den oorlog; 
zijn vader trekt naar Malabar om zich over te geven; de zoon ontvangt hem, 
de oude bedoewien doet zijn verhaal, alles wordt opgehelderd, vreugde vervangt 
de droefheid, groote feesten worden gevierd, Sjarif Ismacil wordt heer van 
Malabar en Baghdad. 

CDLI. 
SJAcIR SOELTAN MANSOÊR II. 

Collectie v. d. W. 266, 20 X 16 1 /» cM., 240 bl. 17 r. 



339 

Geheel dezelfde tekst; aan het slot een paar regels prosa over de on- 
wetendheid van den schrijver 

Zie overigens: H. C. Klinkert in Bijdr. Kon Inst. 4, IV, bl. 512 — 522. 

CDLII. 
SJA^IR TJINTA BIRAHI. 

Collectie v. d. W. 207, 20 V 9 X 16 cM., 38 bl. 19 j. 
Begin : 

^JSy t CSl^. ü^^ ^4; J UjJjk* ^j) i\j ju iS'lJ 
Slot: 

!_?/ƒ (jr^jui ^jjjJ) y^ULis-j s^i^ H ^Sjü M>>^i j-^ J 



daarna volgen nog elf regels, in den op een na den laatste waarvan het gedicht 
Sja'ir Farahid genoemd wordt. 

Inhoud : 

Soeltan Indra van Bëranta In dra heeft vele vrouwen; Sitti Lila Mëngindra. 
eeue dochter van den bëndahara, wordt door hem het meest bemind. In een 
ander land is Mëngindra Sah Përi, die van een papegaai veel goeds van Lila 
Mëngindra hoorde, zoodat hij besloot haar te gaan zien; hij droomde voort- 
durend van haar; als hij haar ziet wordt zijne liefde onstuimig. Hij neemt zijn 
intrek bij Nenek Këbajan noemt zich Moeda Farahid, en wordt kawau van 
den vorst, wiens toegenegenheid hij wint door zijne teekenkunde, maar toen 
bij en de vorstin liefde gingen koesteren, beval de vorst hem een woesten tijger 
te vangen, aan welk bevel hij voldoet, en later: een berg te doorboren ; de vorst 
moet zijne belofte hem zijne vrouw af te staan gestand doen. doch gelasteene 
oude vrouw hem te vergiftigen. Zij stoort Farahid terwijl hij de schoonheid 
zijner geliefde bezingt, vertelt hem dat de schoone dood is, waarop hij dood 
neervalt. De vorstin, dat hoorende, sterft; de heele stad treurt, de bëndahara 
laat de oude vrouw dooden, de vorst sterft van verdriet. 



340 
CDLIIL 

SJAcIR cABDASSAMMaN. 

Collectie v. d. W. 269, 33 % X 21 cM., 184 bl. 19 r. 

Begin (na twee regels in het rood): 












uSV-*"* „A 3 F }£" t> J ^ 



i Ct-w »J <X_»-» <X_A_wj J cj-*J 



Slot: 






fj) is J !ajO 



X .X>jj ' o t t"< 



pi, 



> u> 






*AA*JJjJ (^XA^ (IAk.v«wC (O U«M*. ) AXC 



j) L .<.jl,u_) ijk-*» i aJÓk_*« 



Inhoud : 

De koopman c Abdarrahman heeft een zoon Intjik c Oethman die in een 
droom den raad krijgt te huwen met Sitti Dang Lila van Poelau Tinggi; hij 
(nu c Abdassainad genoemd) gaat daar vertoeven, wat niet zonder bezwaren is, 
en niet gelukt zonder de hulp van Djoeragan Djilani; ééne ontmoeting met 
de in den droom aangewezene leidt reeds tot wederkeerige liefde, hij (telkens 
c Abdassaman genoemd) moet veel geduld oefenen eer hij zijn wensch verkrijgt; 
eerst krijgt hij eene besliste weigering ; hij oefent geduld. Hij (veelal c Abdassa- 
man genoemd) kwijnt schier weg; eindelijk kan zijn wensch vervuld worden, 
doch eerst na veel beschaamdmakinff en teleurstelling verdragen te hebben kan 
hij zijn droom werkelijkheid zien worden, en nadat de oudere zuster der bruid, 
Dang Malani, krachtig tusschen beiden was gekomen ; maar de werkelijke afloop 
wordt niet vermeld, daar dit door lange beschrijvingen zeer gerekte gedicht 
niet voltooid is. 

CDLIV. 

SJA<4R SITTJ DZAWIJJAH I. 

Bat. Gen. 214, 19y 2 X lö 1 ^ cM., 180 bL 14 r. 

Dit gedicht wordt ook Sja c ir Haris FaJilah genoemd. 



341 
Begin : 

i" Lii j J Uiuw ,j UaA>i, <ülu j Cc ^ AJuJ J Ujuu AÜ \ jJi.S' 

.CjJlJ j U_a_x< ü jA&- ) U_j j .^a-ii ^Uuutc ,yV?^ ^^ 

Slot: 

«^h j^r 10 è!;^ rO^ J ê>^ è ,J| us** 5 J 1 ^!^ 



r 

i—i 



[Iet gedicht verhaalt van den vorst van Basrah Haris Fadilah en de 
koopmansdochter Sitti Dzawijjab ; het is nitgegeven in Singapoera 1297. Deze 
sja c ir is veel uitvoeriger dan de uitgave, doch niet door het verschil in inhoud; 
deze tekst is een langere, Bataviaasch gekleurde, gemoderniseerde omwerking 
van dien der uitgave. Deze heeft 1826, dit handschrift 2520 versregels. Zeer 
vele gedeelten zijn identisch, behoudens de gewone verschillen en vrijheden als 
omstelling der regels in het tetrastichon, wijziging der rijmwoorden e. d. Het 
verschil in omvang is ontstaan door de uitvoerige beschrijvingen en uitweidingen. 
Aan het slot — de laatste regels der uitgave vallen op bl. 166 van het hand- 
schrift — wordt nog verhaald hoe de vorst van Basrah zijnen zoon op den 
troon plaatste, en Sitti Dzawijjah, koningin geworden, verder gelukkig leefde. 
Na het gedicht volgt eene didactische nabetrachting. 

Vóór het tammat komen de regels : 



•"O" 



KAAS- Ü ) »J _) ) J Ui' C^>A.G A/jj ) ,/jj.Xo \^^Lm iS T-^l iA 1 '^" 

j •• ••■ T'j' •• •• •• j - T' j w 

CDLV. 

SJACIR SITTI DZAWIJJAH II. 

Bat. Gen. 255 A. 20 Va X 16 cM., 117 bl. 16 r., gedat. Pontianak 1864, 
de copie f .,, JjüJ) 15 Sept. 1893. 

Uit eene Inlandsche lèesinrichting. Evenals alle boeken uit die inrichting, 
is dit geschrift zeer modern en vol Europeesche woorden, zooals bv. 



342 

Het aantal versregels is iets kleiner dan dat van I. De eigennamen der 
hoofdpersonen zijn hier &>, j en düuuLi , ^.la; het slot komt overeen met dat 
van I, met welken tekst deze veelal woordelijk overeenkomt. 

CDLVI. 

SJAcIR SITTI DZAWIJJAH III. 

Collectie v. d. W. 250, A. bl. 1—87, 19 r. (33 X 20 1 /,, cM.), ged. 1272. 

Bij regel 11 begint de dateering, welke in de Singapoersche editie bij 
den eersten regel aanvangt: 

iju j_ï ) i ) « J t_A_> ._ wj *i*w« <Xa1.c (XÜ) J^ .xjj ) Üj^JS» 

Ü . iL« SJ .AA..S C . IS J J.XÜWJ cu , >«J ^-J ]) *.« &_&/*.»- *J L-0 

Tot bl. 72 is deze tekst met de uitgave overeenkomend, hoewel telkens 
minder verzen voor dezelfde zaken gebruikende; daarna wordt de afwijking 
vrij belangrijk. Het slot der editie valt samen met den vijfden versregel vóór 
het slot van dit HS. dat de beschrijving van Haiïth's regeering nog even 
voortzet, en eindigt in een eerste vershelft, nl. 

CDLVII. 

SJACIR ADHAM. 

Bat. Gen. 277, 22 X 16 cM., 30 bl. 16 r. 

(HS. Holle, zie Notulen, 1900, October I d, en 1901 Maart I. c, en 
Augustus III). 

Rechts de Maleische tekst, links de transscriptie. 

Inhoud : 

Pandita Adham heeft eenen zoon c Abdoellah en twee dochters. 

Na zijns vaders overlijden gaat c Abdoellah reizen, eene oude vrouw geeft 
hem schrijfwerk, en hij wordt een bekend pennist. De vorstin des lands wil 
ontucht met hem bedrijven, de vorst gelast in een brief den beul den brenger 



343 

te dooden en beveelt c Abdoellah den brief te bezorgen; onderweg helpt bij 
iemand, drie vrouwen van den vorst ontnemen hem den brief en bezorgen dien 
bij den beul, die ze on trials t. Zoo bleef c Abdoellah gespaard, en genoot ieders 
achting. 



'O' 



CDLV1II. 

SJA^IR RADJA DARMA ^ADIL I. 

Bat. Gen. 273. 22 X 18 cM., 336 bl. 16 r. 

(HS. Holle, zie Notulen, 1900 October I d, en 1901 Maart, T, c, en 
Augustus lil). 

Vele bladzijden en geheele quaterns zijn verkeerd ingenaaid. 

Rechts de Maleische tekst, links de transscriptie, welke hier en daar 
ontbreekt. Uit 't Soendaasch vertaald ; een waardeloos gedicht, met ver- 
zen als : 

Soepaja djangan tahoe poelisie. 

Sakalipon tiada dapat permisie. 

669 vierregelige coupletten ; bij 649 eindigt het verhaal, de rest bevat 
eene vermaning. 

Inhoud : 

In het Hindoeland is vorst Radja Darma met patih Përbangsa en zoon 
Darmatmadja en diens vriend Si Mardoed. Deze is een schavuit; hij wordt 
gevangen genomen, de prins, daarover verstoord, wil den patih omkoopen en 
wordt gevangen gezet; de vriend wordt gedood en de prins bekeert zich. De 
vader geeft hem viervoudigen goeden raad, en sterft. 

In Baratmadja is vorst Soeroesakti, die Darmatmadja aanvalt, het Hin- 
doeland verliest 't, Përhangsa wordt gevangen genomen, later ook Darmatmadja, 
Soeroesakti wordt daar vorst, is een tyran, wordt afgezet en gevangen. Darmat- 
madja wordt weder vorst, en laat Soeroesakti onder toezicht stellen. 

ODLIX. 
SJA<4R RADJA DARMA ^ADIL II. 

Bat. Gen. 398. 20 X 17 cM., 13 bl. 17 r. Latijnsch schrift. 

Fragment. Eerst 19 strophen in Asmarandana, dan 9 in Sinoin. 
Gescheurd en gehavend handschrift. 



344 

I DIA. 

SJA^IR E.MOEP. 

Bat. Gen. 217. 20 1 a X 17 eM., deel I: 190 bl. 12 r. deelIT: 191 bl. 12 r. 
Notulen 1894. Mei. bl. 60. 

Euioep is de verbastering van Imhoff (< nistaai' Willem van), en de 
geschiedenis van zijn tijd wordt in dit gedicht behandeld. Hier en daar komen 
historische notities voor bv. 

Bl. 6. Valckenier wordt 3 Mei 1737 generaal in Jacatra. 
» 7. 1061 Ceilon komt aau de Compagnie; 12 Januari 1715 oorlog 

met den Zamoerijn tot 1717. 
» 30. 1736 de fiscaal Imhoff door Abraham Patras naar Kandy gezonden. 
» 58, 174(> Imhotf naar Holland gezonden. 
» 78, 27 Sept. — 5 Oer. 1740 verbond der Chiueezen binnen en buiten 

de stad. 8 Oit. — 9 Oct. Chineezenmoord. 
. » 99, Pakoe Boeana II te Mataram ■ vraagt de hulp der ( lompagnie 

tegen de Chiueezen die Kërtasoera vermeesterd hebben; afstand 

van Noord-Ja va en Madoera in 1745. 
» 13S. Imhoff generaal te Jacatra in 174'): hij wordt baron. 

Deel II. 
» 38, 1741, 6 Nov. Valckenier gaat naar Holland, zijn vertegenwoor- 
diger is Johauues Tydens. 
» 60, 1743. 20 Mei. Van Imhoff wordt generaal. 
» 1U4. 1745. Pangeran Tjakradiningrat wordt vorst. 
» 154. 1745. 15 December. Raden Toemënorgfoeug wordt vorst in 

Bangkalan. 
» 160, Tahmidoellah wordt panëmbahan. 

» 185. Yan Imhoff sterft iu 1751. opgevolgd door Jacob Mossel. 
» 189. Mossel sterft in 1761, opgevolgd door Van der Parra. 

Na de regels 

*~> i J ._**, sj J *.- Jk_~Ji_ *_ J J 2v_i c^- 1 — »^ iJLS 

komen er nog 28. 

CDLXI. 

SJA«IR INGGRIS MËNJËRANG KOTA. 
Bat. Gen. 153, 32X20 eM., 8 bl. 30 r. Latijnsch schrift. 



345 

Fragment van een gedicht over de verovering van West- Java door de 
Engelschen in 1811. 

CDLXII. 

SJA°IR PËRANG BANDJARMASIN. 

Bat. Gen. 190, 26 ] / 2 X 21 cM., 321 beschr. bl. 15 r. gedat, 9 Febr. 1872. 
Notulen. 1890, October III. 

Gedicht over den Bandjarmasinschen krijg in 180G. 
Begin: (op bl. 20) 

yjilo-i »i)»/jj « o <kJJ »ju*j Ji l j<-'i^cj3 ^_5*jl=»- <UaJJ' ...JU) 

,j <■{)!*£ £d \i j jj ) J)JJ ^01=-.^ yyjiu>) ^a! ; ) .ia.^ 

(_5*.U«S jj Uu.S ^i o . • <K_J ,t^« (_§* -£_> J ) J J . *^»&^o <X_LLc) 

(_5*,b5 (_5".w*jj &xz ) , J l^JkwjjLe i_f r r^' y )J kJ Ü' )^^-J (Jo^lc 

Slot: 

-G.2^LjJ ^)jjk2& iX^j .«j ,j ).> .SjkSUl (. ^.^.25 I-V** s).Sv2ö 

-£_A/«0 J 8 ) . uu #_J »JU ) Lw Lo JoWjJS- L—^n^ <XX&J.) ,j£^->' 

-jü ) j . <k_aï <x_lju ) CJ^Ax^**j ft-cJ ) J J .Jki^j jj .^ Us j <xlL) 

Voorin staat: „dipersembahken kapada Sri padoeka toean Nieuwenhuijzen 
jang berpangkat raad van India di dalem negri Batavia, ini Soerat Saëer 
paprangan Pangerau Sjarif Hassim ibn Tongkoe Said Mohamad dzeen alkadsi 
ambtenaar zendeling Gouvernement di Bandjarmassin di karangken dengen 
bahsa malajoe Djohor jang tinggi moelaë përang dari taoen 1800 pada dzaman 
Sri padoeka toean Resident Verspij k sampé pada dzaman Sri padoeka toean 
Kolonel Resident Happe dan sampe pada Sri padoeka toean E. W. Tiedtke 
djadi Resident, sampe pada Sri padoeka toean C. 0. Tromp djadi Resident 
doemikianlah jang terseboet didalam ini Saëer". 

Daarna volgt in Maleisch schrift: 
bahoea inilah soerat sjair tjitëra pëpërangan Bandjarmasin jang tëlah diangkat 
pëkërdja'an ini olehnja Pangeran Sjarif Hasjim ibn tëngkoe Sajjid Moehammad 
Zajii al-Koedsi përauakan nëgëri Riouw pada masanja mëngangkat pëkërdja'an 
pëpërangan pada sëgala tanah sabëlah sëlatan dan timoer poelau Kalimantan 
apdeeling Borneo residensie Bandjarmasin disabëlah peliak tantëranja Goe- 
bernëmen Hindia Nederland pada tahoen 1801 sjahadan akan kanjata'an ini 



340 

dikaloearkën dari sëtat pan dinës jaug tëlah dimasoekkën olehnja kapada 
Goebernëinen flindia Nederland dalam kantor Bandjarmasin. 

Daarna volgt een afschrift van een brief van den kolonel Happé aan 
Paugeran Sjarïf Hasjim ter aanbieding van een eeresabel, en van een brief ter 
aanbieding eener ridderorde. Dan volgt de lijst der 69 fasl's waarin het gedicht 
verdeeld is; achteraan staat dat 13 fasl's zijn gedicht door Engkoe Radja al- 
Hadji Daöed van Pënjëngat, en 50 door Raden Moehamrnad van Siak die ook 
de schrijver is, en het den 8 Febr. 1871 voltooid heeft; op bovenvermelden 
datum (9 Febr. 1872) is het werk door eenen schrijver ter Algemeene Secre- 
tarie overgeschreven. 

De eerste vier fasl's hebben de opschriften : 

1. . ^sXz JjóM ^Mjij? U'V/ J>^h* ^ 

"• .JUwLc r~-^> .r , .'^ WJ t I^S^'T^ &*&*" ^ . »J Lc » * 

3- njif*^* r^y c^x),j >jyi.la i su j£ ^jkLï JU»- » » 

CDLXIII. 

SJAclR PÉRANG KALIWANGOE. 

Bat. Gen. 198 F, bl. 80—104, 24 r. (21 X 16 cM.) Latijnsch schrift. 
(HS. afkomstig van abbé Favre). 

Het uitvoerige gedicht handelt over den krijg in het Sëmarangsche in 
1703 H. (sic)] de taal is sterk vermengd met Javaansche Avoorden, tal van 
Hollandsche en inlandscke titels worden vermeld. 

Begin : 

Alkessa mula dikarang 
riwayat fakir hendak berpërang 
ilmu marrifat belom teranjr 



Slot: 



bertjakap hendak ambil Samarang. 

Abdulkadir orang jang tapa 
kapada allah sabantar lupa 
dirasa dirinja tidak mengapa 
tak chabarken dirinja sapa. 



347 

CDLXIV. 

SJA C IR PËRANG MUNTING HE I. 

Bat. Gen. 12, 20Xl67 2 cM., 36 bl. 16 r. gedat, 1235. 
Notulen IV: 24 (1 Febr. 1866, II, d). 

Voorin staat: „Hekeldie lit op den oorlog op Palembang 1819 — 21 aldus 
genoemd naar d. Ned. commissaris Munlinghe (Idler Menteng)". 
De Maleische schrijfwijze is ouu> P-S T \s& 

Het gedicht begint met het optreden van den commissaris Muntiughe 
en den kolonel Bakker. De term hekeldicht is in zooverre juist, dat de toon 
tegen de Hollanders minachtend en vijandig is. 

CDLXV. 
SJACIR PÈRANG MUNTINGHE II. 

Collectie v. d. W. 272, 33V 2 X 21 cM., 30 bl. 18 r. 

Tweede exemplaar van het „berijmd verhaal van den mislukten 
aanval der Hollandsehe troepen op den Kraton van Palembang in 1819 
(=1235 H.) ouder de leiding van het toenmalige lid van den Raad van 
Nederlandsch-Indië, Muntinghe, en van den terugtocht der onzen naar Bangka". 

De beide namen komen reeds op regel 4 voor: 



NL J ,j »A.o | ^j ) J SJl& * Lï .-'> (J yc, ~ v £ X-lx-i ) 

*\ltLs i_5* J l»- £ \* ij>>j ( £ * Li i\_A_ia i-ÜJu -aJ S—i ) 

ODLXV1. 

SJACIR RESIDENT DE BRAUW. 

Collectie Br. 157, VI stuk van eene portefeuille met bescheiden over 
Palembang, 57 bl. Latijnsch schrift. 

Beschreven wordt hoe de resident zich inscheepte op den Ardjoeno, na 
aankomst een feest gaf, aan met name genoemde ambtenaren opdrachten gaf, 
excursies leidde, ontmoetingen had e. d. 

De laatste bladzijden handelen over munten en wat men daarvoor 
koopen kan. 



348 

CDLXVII. 

SJAclR SCHOUW SANTVOORT. 

Bat. Gen. 169, 24 X 22 cM., 50 bl. Latijnsch schrift. 
Gedat. 15 Maart 1296. 

Gebrekkige beschrijving van de politieke ervaringen van den heer Schouw 
Sautvoort (Sehet Sampoer geschreven) in Djambi. 

CDLXVIH. 

SJ^AIR SOELTAN MAHMóED. 

Bat. Gen. 159, 21 X 15 cM., 14 bl. 13 r. gedat. 10 Dzoêlh. 1273, 
Pënjëngat. 

Dit gedicht handelt over het sterven van den radja rnoeda Mahmóed, 
de kennisgeving daarvan aan den resident Walbeehm, wiens tranen vloejen als 
de zee, de begrafenis en den algemeenen rouw. 

Als datum van het beëindigen van het overschrijven wordt genoemd 
2 Dzóelk. 1285 --= 9 April 1864. 

CDLX1X. 

SJAcIR PËRANG WANGKANG. 

Bat. Gen. 92, 21 X 17 cM., 60 bl. 9 r. 
Notulen 1877, 9 Januari. 

Gedicht over den oorlog met Wanerkang in Z. O. Borneo. 

Voorin staat: »De schrijver is Hadji Soleiman, die den oorlog mede- 
maakte en naar het voorkomt zich niet onverdienstelijk gedroeg. Enkele 
eigenaardige woorden of namen zijn in margine verklaard." de C(lercq). 



t begin 


is : 






£j+™ 


b> ] -• 


ÏLo 


L>-^ 


bJ 


SsS Ji Lc ) 


.X_C_A_> J 


ij J 


r -M JJ 


J 


^J J 


ij-+->» 




fc_AM 

J 


J O 



enz. t^aïl) 



349 
CDLXX. 
SJAcIR RADJA SIAK. 
Collectie v. cl. W. 273. 33 X 207a cM -i ^ *>1. 19 r. 

» Berijmd verhaal van de verwikkelingen in het rijk van Siak, en van 
de wijze waarop door het Nederlandsche Goevernemt daaraan in 1857 een einde 
werd gemaakt". 

Na zes regels van lofprijzing begiüt de gescheidenis: 

u5* i W-i è~t^j}^ iiT* ' iw * l -^y *N*« ^^~'' *-^' >-*-*" y 

^i.A.iJ êj m»aJ ICjLj . <j\_JLj JLj) lL£a.j»> ,jU>: (J..JCJLS' 

Slot : 

(_f . Lx* ,j5._a; j>.1_£_.w LÜ--J Li ^ -i *_j u_*« »_j' ) J jJUL». 

jLj ë ^>w«,-.o CJLj'Li <xJ..jlj »_x.sai <x.i») j yL>».ï JuLa»- 

enz : ^^^ 

CDLXXI. 

SJAcIR SOELTAN MAHMöED Dl LINGGA. 

Collectie v. d. W. 574, 33X207, cM., 117 bl. 19 r. 

Berijmd verhaal van Soeltan Mahmöed Moezaflar Sjah ibn Marhöem 
van Lingga, zijne echtgenoote en dochter. Zijn dood wordt uiet vermeld; het 
laatste is zijn terugkeer van zijne reis naar Malaka. 

luLs-wj ^ytj-j' *-Ll) *LJ ld culij Jyo oj) *-Li) *a^j 

Ci^süL) jjlkLj CJ-^A_S ^JL.O CJ«^f« ^llaLw C^sAwj J JiX*i 

IjLa.$JLj> 4l)j r^-A-i f j^ 3 eJ ^-?-^ ^^-*" li)^-* ^ r'^ 

yjjAw*-**j J Lo ^-i'La (j;^" dt-JóLS' (_>-j ^ JnJCsLs^ ja/ïs**" 
Slot: 

JU ^jlJ »juu JUU&j J L_j' JLa.« ^J sX.Ci *J^jÜL> 

J^JUj LL£*-)i ^La_aa-mi *.!LaJ) jJL*- ^j-j ii/ J 



350 

CDLXXIL 
SJA^IR SINHOR COSTA. 
Collectie v. d. W. 268 A, bl. 1—47, 19 r. (31% X 20 cM.) 

Voorin staat Sja c ir Si lëmbari. 

De in Juynboll's catalogus, bl. 20, medegedeelde inhoudsopgave is op 
dit exemplaar geheel toepasselijk; het citaat in Van den Berg's inventaris, bl. 
50, is onjuist, evenals de daar opgegeven naam der Balische vrouw Silem, die, 
evenals in cod. Leid., Milëm is. Of de spelling Costa of' Kista de juiste is, is 
uit dezen tekst niet op te maken. Over den bediende Bandau wordt niet meer 
gesproken. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1895, catal. bl. 20. 

Londen, East-lndia House, no. 68 b. 

CDLXX11I. 

SJA<TR SINGAPOERA DIMAKAN AP1. 

Collectie v. d. W. 270, 33 X 21 cM., 17 bl. 18 r. gedat. 18 Djoem. 
I, 1277. 

Gedicht door den bekenden cAbdoellah ibn c Abdilkadir Moensjï ver- 
vaardigd op den brand die Singapoera teisterde den 27en Salar 1267 H.= 
1847, 12 Februari. 

CDLXXIV. 
SJACIR PËRKAW1NAN KAP1TAN TIK SING I. 

Bat. Gen. 1G8, 1000 X 17 cM. 

Gedicht op het huwelijk van den zoon van den Chinees Tik Sing te Riouw. 

Lange aaneengeplakte strook; door de vouwen zijn bladzijden ontstaan 
welke door eenen l 2 / 2 cM., breeden band gescheiden zijn; die 37 bladzijden 
hebben elk 23 regels, terwijl de eerste bladzijde wordt ingenomen door een 
versierde kapala. 

Het gedicht is niet af. 



351 

CDLXXV. 

SJAcIR PERKAW1NAN KAPITAN TIK SING II. 

Collectie v. d. W. 271, 33 X 20 ] / 2 cM., 80 bl. 12 r. 

Hetzelfde gedicht, eveneens onvoleindigd, doch bevat meer versregels dan I. 

CDLXXVI. 

SJA<1R BOEAH BOEAHAN. 

Bat. (Ion. 254, 21 V 2 X 17 c\L, 120 bl. 16 r. gedat. 22 Nov. 1696. 
Uit eene inlandsche leesinriehting. 

In het begin vermeldt de maker dat hij met schrijven den kost moet 
verdienen en zijne werken uitleent ad ƒ 0.10 per nacht. 

Dit werk handelt over bloemen en vruchten die droornen, beminnen, 
vertellen, handelen als menschen. Op bl. 75 begint een uitvoerig verhaal van 
een Chinees wiens vrouw vruchtenmedicijn behoeft. Bijen en hommels, maagden 
en gelieven vermeien zich tusschen de bloemen, wat op enkele teekeningen 
tusschen den tekst wordt duidelijk gemaakt. 

CDLXXVIL 

SJACIR KOEMBANG DAN MëLATl I. 

Bat. Gen. 7. 21 X 17 cM., 22 bl. 14 r. gedat. 1282. 

De volledige titel is; sja c ir koembang bërmain dëngan boenga mëlati. 
Het gedicht bezingt de daden en gesprekken van eenen hommel en eene 
mëlati-bloem ; fragment zonder slot. 
Het begin is : 

Ü.X-C (J>-M P-i, r x ~"-^ ? )^ 8i**m'J jjlJ Ü^Axu J <uIj ^i 
l_$V C^vCasU; Jl3>) O )»A^«JUw) (CjLWJ i UjU: ^f.y^ 1 C^ 5 -*' 

CDLXXVIII. 
SJACIR KOEMBANG DAN MëLATl II. 

Collectie v. d. W. 239, C, bl. 58—71, 19 r. (33 X 20 1 /, cM.) 



352 



Fragment, zouder begin. 
De eerste verzen zijn: 

Achter het 
volgen nog zes regels. 

13 Ö ö 

CDLXXIX. 
SJA^IR KOEMBANG DAN MëLATI III. 
Collectie v. d. W. 240 D, hl. 84—97, 19 r. (32 X 20 cM). 

Deze tekst begint op dezelfde wijze als II, maar de teksten zijn niet 
geheel aan elkaar gelijk; vooral na de hl. 1 en 2 worden de afwijkingen 
talrijk. Het slot is in beide exemplaren hetzelfde. 

CDLXXX. 
SJA c lR KOEMKOEMA. 
Bat. Gen. 198 D, bl. 68—71, 24 r, (21 X 16 cM.) Latijnsch schrift. 

Het gedicht telt twintig tetrasticha in ouderwetsche spelling. 
Het eerste couplet luidt : 

Kumkuma dinara wastu 

Tjindee bertjaudoe didalam puau 

Saknntum tangkee diuawang batu 

Tjumbool didalam astana tuan. 

CDLXXXI. 

SJA^IR DJINTAJOE. 

Bat. Gen. 198 E, bl. 71—85, 24 r. (21 X 16 cM.,) Latijnsch schrift. 

Een gedicht over den vogel Djiutajoe. 
Eerste couplet : 

Dengarkau tuan gharib mengarangf 

tatkala masa ditana Samarans 

dai'i pada diam sa'orang-orang 

alah anggor pei basa orang. 



353 

laatste : , 

diangkat pergara dibawanja bangon 
dipimpiu fcangan dibawanja turon 
leber dipelok pipi ditjiom 
barula liidop rasanja ningson. 

CDXXXI1. 
SJA^IR NOERI I. 

Bat. Gen. 8, 21 X 10 cM , 21 bl. 20 r; de helft is onbeschreven. 
Notulen IV: 24 ( 1 Febr. 1800, II, d.) 

Het gedicht bezingt de liefde van een noeri en eene tjëmpaka-bloem ; 
voorin staat dat het door Soeltan Badroeddïu van Palembang gedicht is. 



LjÜ <X-1_Lc ) ïji^si-wj ^c)^ 

Het gedicht is niet af; de laatste regels luiden: 

CDLXXXIII. 
SJAcIR NOERI II. 

Bat. Gen. 10. 18 X 14 V, cM. 20 beschreven bl. 13 r., gedat. 1275. 
Notulen IV: 24 (1 Febr. 1800 II, d.) 

Eene andere redactie. 
Begin : 

*xl AjJ te-J f/J'K ^ tfi f" f ^ ' i^ i_s-^ ^r-^-* ^i-J 

,ly pU^ ^la ^Jj ci^o) A-i £) J> ?. ö^ •)} (Jj j ^ 

, c , \£ J -_A_cL*w lÜJLj) LmjL-o cJ ^y ^^j <*_.»«*_»- JU 

Veiiianclelinfjen. 



:gin : 




li-Ub L^i: Uw i_J -AA-j 


e/^J 


li Jla.wj f.S ij^3)ó>XJ 


aJ .J 


[JX-jJlS i ft.i_^ (J..A.£ 


er*/ 


UL*j ^jIj .jkCw-o <j^b 


,ï>Uuo 



354 

Slot: 

,j Lj .<■ Isu ij ) Ais' <x_Lo Ju**: »& U' i.j i j Ijuw ad! ) \1 Ju J 

J: I J is)»-c iU.Lo jiM.jLiJ ,j) *\s- ^j)^ )j^«j._j y&ï** 

,_£ ) , 'o -C L_wj ) J »_«j Ó_1-JUJ ,.i l**j .«■ Isu ,Ö ) <jJo tC_Lc Ju**; 

Voorin staat een s/V'vV kembang ajar mawar door den Pangeran Panöm- 
bahan Boepati, broeder van den verdreven Soeltan van Palembang. 

Ander handschrift: 

Leiden, 3340, Catal. bl. 28. 

CDLXXXIV.) 
SJAcIÈ PE LAN DOEK DJINAKA. 

Collectie Br. 109, 22 X 17 cM. 52 bl. 18 r. 

De geschiedenis van het guitige dwerghert in veizen. Uit het Onder- 
en o O Ö 

schrift J| i &~- ^^ü-*) <*-> blijkt dat dit HS. de copie van een gedrukt boek 

moet zijn; na onderzoek bleek het een afschrift te zijn van een boekje van den 
bovenvermelden titel, ook sja c ir sang kantjil geheeten. 

CDLXXXV. 

SJA°IR SANG KOEPOE-KOEPOE DëNGAN 

KOEMBANG DAN BALANG. 

Bat. Gen. 255 B, bl. 150—161, 13 r. (207 8 X 16 cM). 
Uit eene inlandsche leesinrichting. 

Didactisch gedicht (de subtitel is : akan djoega djadi nasihat) over de 
lotgevallen van de in den titel genoemde insecteu in een tuin. 

CDLXXXVI. 
SJAcIR NJAMOEK DAN LAL AT I. 
Collectie v. d. W. 239, B, bl. 28-58 19 r. (33 X 20% cM.) 
Gedicht over de liefde van een vlieg voor eene mug. 



355 

CDLXXXVII. 

SJAcIR NJAMOEK DAN LALAT IL 

Collectie v. d. W. 240. A, bl. 1—36. 19 r. (32X20 cM.) 

Eene ia I niet voorkomende inleiding van zes bladzijden gaat aan liet 
gedicht vooraf; overigens komen de teksten geheel overeen — behoudens de 
gewone kleine verschillen — tot bl. 36 onderaan (= bl. 56 van I) waar het ge- 
dicht afgebroken wordt. De volgende bladzijde behoort aan een ander gedicht. 

CDLXXXY11I. 

SJA^IR DJOHAN. 

Collectie v. d. W. 240 B. bl. 37—54, 19 r. (32 X 20 cM.) 

Onsamenhangend gedicht over de liefde van zekeren Djohan en zekere 
Sitti aan een koninklijk hof. De bl. 37 — 42 behooren tot dit gedicht, dat 
echter middenin bl. 42 het feitelijke begin vertoont. 

CDLXXXIX. 

SJA C IR BOEROENG PONGGOK. 

Collectie v. d. W. 241 A, bl. 1-8, 19 r. (34 X 21 cM.) 

Gedicht over den vogel ponggok, die kwijnde van hartstochtelijke liefde 
voor de maan. 

Daarop volgt een waardeloos gedicht, beginnende: 

^ . j £_i' Lx* L_^v*-.fc iJ,.£_U jj Lsój Si )}->* jj ) y \J* jf- J 
en op bl. 13 een dergelijk, beginnende: 

en eindigende op bl. 16. 

CDXC. 

SJAcTR IKAN TËROEBOEK I. 

Collectie v. d. W. 241 B, bl. 16—35, 19 r. (34 X 21 cM.) 

Gedicht van den visch tëroeboek, die op eene poejoe-poejoe-visch verliefd 
werd, beschreven door H. C. Klinkert in de Bijdr. T. L. en V. III, 3, bl. 369—370. 



:156 

CDXCI. 

SJA4R IKAN TÉROEBOEK II. 

Collectie v. d. W. 242. 33 X 207 s cM. 22 bL 18 r. 

Dezelfde tekst, doch met de gewone kleine verschillen. 

CDXCII. 
SJA<*R IKAN TÉROEBOEK III. 
Collectie v. d. W. 243. 33 X 20 1 3 eM. 18 bl. 22 r. 
Dezelfde tekst, echter het meest ideutisch met II. 

CDXCIII. 
SJA^IR IKAX TëROEBOEü IV. 

Collectie v. d. W. 259 B. bl. 89—108. 19 r. (33 X 20y a eM). 

Dezelfde tekst, het meest gelijkend op dien van I. 

Andere handschriften: 

Leiden, cod. 2276e en 2270 /; Catal. bl. 26. 

CDXCIV. 
PAXTOEX SOELTAX BADROEDDïX. 

Bat. Gen. 22, 60 X 11 cM. 

Notulen IV: 251 (30 Oct. 1866. VI. b.) 

Een pantoen door .^oeltan Badroeddin van Palembang geschreven tot 
vertroostiüof des harten. 

CDXCV. 

SJA^IR AMPAT POELOEH DOEA MALAM. 

Bat. Gen. 93, 21 X l7 eM., 28 bl. 9 r. 

Voorin staat: » Minnedichten en zedelessen door Radja Bongsoe, afkomstig 
van Bandjarmassin. 

Dit afschrift is zoo nauwkeurig mogelijk vergeleken met het origineel, 



357 

dat in losse gescheurde bladen aan mij werd ter hand gesteld. Van vele. 
woorden was zelfs te B. de beteekenis niet bekend, andere zijn aan het einde 
verklaard." 

Begin: 



r 



* Lwj j-i 'i . I J ^J ) t) *_i.j' > U J (J yo ~>_ ) &-X-1 ) *-^ 



WJ 



u . . (^ .. ?- C> <&■■••• ^^ J U J- 

1 IJL£ <K_j' I-s- CJ U J c ; _i' _c ) jSS ._x_»_«j <X_l_Jk_i ) 

^i'! j' ,jtj i»_j>l!o y& li' ^/Jtf (jê \.i \j»*\ y y j-i tJ A_A_i' 
De laatste verzen zijn: 



c 



CDXCVI. 

SJicIR PATOET DëLAPAN. 

Bat. Gen. 9, 21 X 15 cM., 10 bl. 12 r. 

Notulen IV: 24 (1 Pebr. 1866, Ii cl). 

Voorin staat: ;>door den Pangeran Panembahan Boepati, broeder van 
den ex-soeltan van Palembang". 

Het gedicht is van religieus-didactischen inhoud ; doch dit HS. bevat 
een fragment van het begin slechts. 

Begin : 

\j£ <-[-ï S 15" i.bo£ (J.W*.-i' jjlsJ. ï Lu 'i . yu 2 (J );' 



c ) J * L j »jJj' U jj ^ } -AiCAi c . Ie .=- ü j) 



e? ^ :: 



CDXCVII. 

SJA^IR SINDIRAN I. 

Bat. Gen. 88. 274 X 16 cM.. op een rolletje. 

Geschonden exemplaar van een hekeldicht, waarin een oudere broeder 
den jongeren didactisch toespreekt. 



358 

CDXCVIII. 
SJAcIR SINDIRAN II. 
Collectie v. d. W. 235, 33X21 cM., 15 bl. 17 r. 

Dezelfde tekst, maar de twee laatste regels van I 

ontbreken in dit handschrift. 

CDXCIX. 

SJA C IR SINDIRAN I. 

Bat. Gen. 89, 205 X 15% cM., op een rolletje. 
Notulen 1876, 9 Mei, IV c. 

Didactisch-zedekundig gedicht van dezelfde soort als het voorgaande. 

D. 
SJACIR SINDIRAN II. 

Collectie v. cl. W. 231, 33 X 21 cM., 12 bl. 17 r. 

Dezelfde tekst, doch 1 heeft één beteekenisloozen regel meer clan dit exemplaar. 

DL 
PALEMBANGSCHE GEDICHTEN. 

Collectie Br. 157, IX, a, b. en c. Latijnsch schrift. 

(Negende stuk nit een bundel Palembangsche stukken). 

a. 4 bl. Redjoengan Tjarita Djoewara Kesandoeng (roewajat orang Men- 
djoewara dipantoenken, bahsanja basaorang Moesi Oeloe jang disabelah 
oeloe sampei di marga woeloeng doesoen Ampat Lawang. 

b. 7 bl. idem, dipantoenken dengan dinjanjiken klakoeannja di dalem 
Roewajat orang Semidang (bahsa Ampat Lawang). 

c. 3 bl. njanji djoeari sargo (njauji orang soeka main saboeng dengan 
basah Ampat Lawang\ 

DII. 
SJACIR ALIF BA TA. 
Collectie v. d. W. 226 A, bl. 1—11, 19 r. (33x21 cM.) 



359 

Zedekundig gedicht op de letters van het alphabet en hunne leeringen; 
vooraf gaat eene inleiding van res regels, waarin voorkomt : 

\LS y±jLi (JiljÖ slx2D <x! ^.x*** C-Sl-i <X^\>aO) i Sj*=>- (jl^Jji 

Aan elke letter is een vierregelig couplet gewijd, beginnende met den 

naam der letter en berkata; achteraan komen de letters)!, t , ^-, t , £, , j, 

« <r C 

Cl/, ^ en daarna de woorden O, jj»J, ijr^U, ^J» ^i**?-) en ^-^ 

Het gelijknamige gedicht Cod. Leid. 1735 (LI), zie Catal. bl. 33, heeft 
eene andere indeeling. 

D1IL 

SJA^IR AL1F. 

Collectie v. d. W. 236 B, bl. 12—26. 19 r. (33 X 21 cM.) 

Didactisch gedicht, waarin de alif in verband met andere letters, sprekend 
en leerend optreedt; elke combinatie telt vier strophen ; de volgorde is alif met 
hamzah, alif met tanwin, alif met angka doea, alif met ba, alif met ta, enz. tot ja. 

Op bl. 26 staan slechts de regels : 

* A_) , S ,.•.) «_J -_A_S._i ,.-.) ,.] S $ U_i U.'_wj ï c\_«J rf-WA-J lï> 

DIV. 
GOERINDAM DOEA BöLAS. 

Collectie v. d. W. 233, 31% X 21 cM., 6 bl. 22 reg. 1263, 23 Radjab 
te Pënjëngat. 

Vooraf gaat de mededeeling van den dichter Radja Ali Hadji, dat Allah 
hem op genoemden datum de ingeving schonk om spreukdichten te maken, in 
twaalf paragrafen ; daarna volgt de verklaring van den term goerindam en het 
verschil in beteekenis met sja c ir. 

Dit geschrift is uitgegeven en vertaald door E. Netscher in het Tijd- 
schrift voor T. L. en V. K. v. N. I. 1853, deel II, bl. 1 sqq. 

DV. 
PëRHIMPOENAN PANTOEN PANTOEN MALAJOE. 
Collectie v. d. W. 276. 24 X 17 cM., 158 bl. verschillend aantal regels. 



300 

Verzameling van in omvang en in inhoud zeer verschillende pantoens. 

DVL 
SJA^IR BOEROENG I. 

Bat. Gen. 01. 20 X l^Vg cM., 38 bl. 15 r. gedat. 30 Sjawwal 1248. 

Een gedicht over gesprekken tusschen vogels over enkele hoofdpunten 
der plichtenleer. 

Achteraan ééne bladzijde met Makassaarsch. 

DVÏI. 
SJA^IR BOEROENG II. 

Collectie v. d. W. 238. 33 X 20 cM., 00 bl. 10 r. gedat. 8 Ram. 1278. 

Hetzelfde gedicht. 

DVIIL 

SJA^IR BOEROENG lil. 
Collectie v. d. W. 208 B, bl. 48—78, 19 r. (31 % X 20 cM.) 

De 5° versregel van dit handschrift komt overeen met de twaalfde 
van II, daarna zijn de regels, vergeleken met de volgorde in II, zeer 
dooreengeworpen, terwijl telkens geheel van II afwykende verzen hier voor- 
komen. De redactie is aanmerkelijk verschillend; de volgorde der vogels is eene 
andere, en ook de parallelle gedeelten zijn niet gelijk, bv. 

II, bl. 4 (in ééne kolom) 

^.iLi Cf-^1 (>»£-£■} £-1jLj) l*S ] y , c ,}XX>m ^ U yi (J yc 

l.jov m^^ i t ~^~ c itr jï~^~ r? ^^ <J^ £?*-• Li - J t? ri ^i^ 

III, bl. 49 

negen regels verder: 

dj\S .i Ai_C^ d^C Lj <Ü Ju '•^^ ^jj^-jC ) *-^) t_->)^U-J 

Cl^Jb .$1 S^JkS' c^^Lj ^IacU- ( -^\-^' jjij^ i_st^^° ^-^j^ 



361 



i 
Andere handschriften : 



Leiden, Cod. 1950 (2), bl. 260—201, 1950 (3), 3341 en 3342 (2) 
Catal. bl. 28 en 33. 

D1X. 

DIDACTISCH GEDICHT. 

Bat. Gen. 388 B, bl. 43—50, 15 r. (21 X 10 cM.,) gedat. 1872. 

Aansporing tot de beoefening der heilige wetenschappen, met een kort 
begrip der geloofsleer. 

DX. 

LOFLIEDEREN. 

Notulen VII; 17 (1809, 4 Maart, V, 3—4.) 
Bat. Gen. 47, 20 X 16V a cM., 10 bl. 10 r, gedat. 3 Juni 1800. 

Lofliederen op Allah en den profeet, en over de twintig eigenschappen, 
door Soeltan Mëlela. 

DXI. 

SJA^IR HADJ. I. 

Bat. Gen. 23 B, 8 bl. 39—41 r. (31 X 19 cM). 
Notulen IV; 204 (27 Nov. 1800, V). 

Op het schutblad staat: Sjair Makhatoel Mawaja. 

Een gedicht op den pelgrimstocht naar Mekka en de feestelijkheden aldaar. 

DXII. 

SJAcIR HADJ. II. 
Collectie v. d. W. 230 C, bl. 74—103. 19 r. (33 X 20 V, cM.) 

Dergelijk gedicht, op het einde, in het vers zelf, gedateerd: 21 Dzoelk. 
1841. 

DXIII. 
SJA4R HADJ. III. 
Collectie v. d. W. 240 C, bl. 54—84, 19 r. (32X20 cM.) 



362 

Dezelfde tekst (niet zonder de gewoonlijk optredende afwijkingen) als II, 
maar minder zuiver, vooral in het Arabisch; van den tweeden versregel van 
achteren, eerste helft, 

maakt dit exemplaar: 

j .... ' "J L.- g< 

en dergelijke. 

Andere dergelijke gedichten: 

Leiden, cod. 3335, 3336, 3337, 3338, Catal. bl. 37 en 38. 

DXIV. 
SJA^IR MAcRTFAH. 

Bat. Gen. 378. E, bl. 40—41 (22X16 cM.) 

Mystiek gedicht, in gelijkenissen met de zee. 

DXV. 
SJA<-IR 'aLAM TASAWWOER. 

Bat. Gen. 378, F, bl. 42—44, (22 X 16 cM.) 

Een ander mystiek gedichtje. 

DXVI. 
SJA°IR TA^RïF AL-HOERóEF. 

Bat. Gen. 86 D, 6 bl. 19 r. (17 X 12 cM.) 

Mystiek gedicht van Mansoer, leerling van c Abdoerra'óef over de mystiek, 
in verband met en verduidelijkt door de vormen der letters. 

DXVII. 
SJA^IRS OVER MYSTIEK EN GELOOFSLEER. 

Bat. Gen. 83, 20X15 cM., 150 bl, 14—15 r. 

Mystiek in de geliefkoosde vergelijking der tarèkat, maripat enz. met 
den klapper, den bast, den inhoud, de olie; ontwikkeling der formule man c araj'a 
nafsakoe faltad c arafa rabbakoe en de twintig eigenschappen. 

Na bl. 32 volgen vele korte sja c irs over dezelfde onderwerpen, over 



363 

de mystieke nóer, o var den veelgenoemden vogel &£ ; de naam van den be- 
kenden mysticus Hamzah Pansoeri komt telkens voor. 

DXVIII. 
SJA^IR KIJaMAïï. 

Collectie v. d. W. 228, 341/ 2 X 31 V, cM., 64 bl. 19 r. geschreven den 
5 D/.óelk. 1281 door Intjik Hoesajn den Boeginees. 

Bl. 3 is achteraan herhaald. 

Over den dood, de ervaringen in het graf, den doodsengel, den oordeels- 
dag en zijne voorboden en verschijnselen, en de opstanding uit de dooden. 

Reeds op bl. 61 komt het tammat op r. 5, het besluit eindigt op 
bl. 63, r. 8. 

DXIX. 

SJA<IR OESOêL. 

Collectie v. d. W. 229, 33 X 20 cM.. 92 bl. 16 r. (ééne kolom), gedat. 
Malaka, 1278, 1 DzÖelh. 

Op den rug staat LoLs -a^,, maar het gedicht" behandelt de geloofsleer, 
naar de gewone volgorde: de eigenschappen van Allah en der profeten, welk 
gedeelte op bl. 15 eindigt; daarna over de sabelas roekoen van het geloof in 
de leer der laatste dingen, en in verband daarmede de lijkbezorging, en wat 
de profeet in den hemel en de hel aanschouwde. 

ÜXX. 
SJAcJR MA^RIFAT AS-SALaT. 

Collectie v. d. W. 230 A, bl. 1—17, 19 r. (33 X 20 1 /» cM.) 

tDe titel Sja c ir ma rif al Allah dien v.d. Berg opgeeft is slechts eene 
tdrukking op bl. 1, r. 3 v.o. 



maar op bl. 3 r. 2 staat de titel: 



Het gedicht behandelt de voorschriften nopens de salat, en is vertaald 
uit het Arabisch. 



364 



DXXI. 



SJA e IR IBiiRAH. 

Collectie v. d. W. 230 B, bl. 17—74, 19 r. (33 X 20 1 /, cM.) 

Leerdicht over de vijf ahkam, de salat en het leven hiernamaals, niet 
voortdurende aansporing tot ernst en opvolging van de voorschriften der Wet. 
Op den omslag van het handschrift staat <xJJ ),j 'i.L^a r xs^j 

DXXII. 



SJAEIR KAWa'iD AL-ISLaM. 

Collectie v. d. W. 231, 33 X 20»/ a cM., 188 bl. 19 r. 

Op den omslag staat ^,1^) &c)J> .ks^ 

Dit gedicht behandelt verschillende punten van den godsdienst, naar 
verschillende onderdeden, nl. 

Bl. 3. (sic) jUjï) sJïc 

» 11. i)^j, &*.xi£ 

» 12. e_?Uj) ^j ^aJ 



14. 
10. 
32. 
35. 
37. 






& &' 









vele fasl over het zesde punt der geloofsleer. 

Bl. 64. 

» 08. 

» 70. 

» 81. 

Vele pëndjaga'an 's en nasïhah's. 



» 99. 
» 100. 
» 103. 



3(35 

BI. 108. ' ^JUU ujltf 

vele sjarta der sënibahjang's en de onderdeelen. 

BI. 120. ^A^W, JÜtaA^o aj hlO J^ 

vele fasl's over de Vrijdagssalat. 

BI. 130. ïjj ^^ ty Jc^ 

* 145 - u^ j^ c^y 

» 148. ye Ja ^ 

Op bl. 152 wordt de stof anders, op die bladzijde toch volgt: 
mènjalak'én kissah Singapoera dalamnja pendjaga'an en op bl. 156 eene kissah 
radja Malajoe Singapoera sedikit waarin geschiedenis en godsdienstige vermaning 
vermengd zijn. Op bl. 174 volgt eene nasihah dan pendjaga'an en op bl. 180 
de chdlimnja kissah permoela'an mmgarang. 

DXXIIL 

LEERDICHT. 

Collectie v. d. W. 232. 20 X 16V 8 cM., 116 bl. 9 r. gedateerd 15 
SjVban 1273, 10 April 1857. 

Voorin staat: »Een leerdicht afkomstig van Bali. Het origineel is in 
»het bezit van den Heer Bering — Liesberg. De Regent van Buitenzorg heeft 
»deze Copie kosteloos geleverd. Batavia, 21 April 1857. H. von de Wall". 

Het gedicht bevat eene aansporing tot een leven van plichtsbetrach- 
ting, en volbrenging der godsdienstplichten. 

DXXIV. 
SJAcIR BAJAN BOEDIMAN I. 
Collectie v. d. W. 239 A, bl. 1—27, 19 r. (33 X 20 V 9 cM.) 



Het eigenlijke gedicht begint op bl. 3, r. 10 ; gesprekken van vele 
vogels over den islam en de godsdienstplichten, in den geest van den Sja c ir 
boeroeng, waarmede dit vers trekken van verwantschap heeft. 

DXXV. 
SJAcTR BAJAN BOEDIMAN II. 

Collectie v. d. W. 240 E, bl. 96—120, 19 r. (32 X 20 cM.) 
Hetzelfde gedicht, doch getiteld sja c ir Hbddah en aan het slot sjaHr kabajan. 



360 

DXXVI. 

SJAcIR TNDJIL. 

Collectie v. d. W. 240 F, bl. 120—139, 19 r. (32 X 20 cM.) 

Gedicht van een përanakan Këling in Pinang, hetwelk bevat: 
Eerst een gesprek tusschen den kalam, den inkt en het papier ten tijde 
van c Isa, daarna de paradijsgeschiedenis, waaraan vele zedelessen vastgeknoopt 
worden, vooral over de macht van Iblïs, voorts over c Isa en zijne werken. 

De laatste regels bevatten de dagteekening 1 Juli 1834 van het »Engel- 
sche jaar" f^ ,<£) a>lS") 



AFDEELING VI. 

i s l a M, 

STICHTELIJKE LECTUUR EN RELIGIEUSE 

SUPERSTITIE. 



DXXVII. 
KOER'aN I. 

Bat. Gen. 41, 27 1 /,, X 21 cM. 33 bl. 23 r. 

Maleische vertaling van den koer'an, van het begin tot Sóerah XXVIII 
vers 26. 

Als voorbeeld volge de eerste sóerah: 

* 15 )»=»- **£> ,.j)j ,^ Lk^o *b *». *aüj c^o! iL^Ui' ,_c,la> A.i ^_) , ,C_j 
c_j \j^>£i.*o JIXaw ^!ls- l^vjIj 1JJ4 ,£—> *-Ü) LLf»»,ju (J^ ' 'r* ^J^y^ 

DXXVI1I. 
KOER'aN II. 

Bat. Gen. 110, 22 X 16 cM. 504 bl. 17 r. 

Notulen Febr. 1860 (deel XVIII), bijlage II. 

Het handschrift begint bij Sóerah XVIII vers 74 (djoez' 16) en eindigt 
bij Sóerah L vers 36. Er zijn verscheidene lacunes; in bijlage II voornoemd, 
bl. VIII, r. 6 v. o. worden ze vermeld. 

Na eiken zin volgt de Maleische vertaling of parafrase; hier en daar 
worden noten aangetroffen omtrent de wijze van reciteeren. 



368 

DXXIX. 

KOER'aNCOMMENTAAR I. 

Bat. Gen. 290, 23 X 18 cM. 539 bl. 19 r. 

Notulen 23 December 1901, I d 1" en bl. CXL1X sqq. 

Voorin staat de naam van den eigenaar ,^x*J <x_üLi _J , iC ^ 
en het jaartal 1199. 

De commentaar loopt van djoez' 21 (söerah XXIX vers 45) tot djoez' 
3i) (Söerah LXXV1I vers 50). 

De zwarte inkt heeft bijna overal doorgevreten. 

DXXX. 

KOERaNCOMMENTAAR II. 

Bat. Gen. 291. 25 X 17 1 /, cM., 967 bl. 19 r. gedat. 1260. 
Notulen als bij het vorige nummer. 

De titel is Tardjoeman al-moestafïd. 

Gevlekt, zeer geschonden, vol gaten, beschadigd door water, ver- 
bleekte inkt. 

Loopt van het begin de3 Boeks tot Söerah XVII vers 111. 
De bladzijden 205 — 233 zijn verkeerd ingenaaid. 
Achteraan staat; tammat nisf jang përtama daripada tafsïr. 

DXXXI. 

KOERaNCOMMENTAAR III. 

Bat. Gen. 322, 31 X 20 cM., 321 bl. 19 r. 
Notulen Maart 1902. II. 8° en Juni 1902. I, 15°. 

Fragment met enkele lacunes. Commentaar met vele fa idah's. van 
Söerah VI vers 121 tot Söerah XVII vers 111. 

DXXXII. 

KOERaXCOMMEXTAAR IV. 

Bat. Gen. 373, 25 X 17 cM., 528 bl. 21 r. 

Notulen 1904 December III. 2°. a en Bijl. XIV. 



369 

De titel is Tafsïr al-djalalajn. 

Maleische commentaar op Koer'an I: 1 — IX: 88, bewerkt door Sjajch 
c Abdoerra'oêf. In het Arabisch komen dikwijls fouten voor. 

DXXXIII. 

CHaSSIJJaT AL-KOER'aN I. 

Hat. Gen. 75, 20 X l ,r> °M., 343 beschreven en vele onbeschreven blad- 
zijden, 13 r. gedateerd 23 Safar 1184. 

De titel in dit exemplaar is Ohawass al-Koer'an al- c azïm. 

Het werk, geschreven door Ahmad ibn Moeham mad at-Tamïmï, bevat 
(Mme optelling van de bijzondere qualiteiten en voordeden in het dagelijksch 
leven van de verschillende sóerah's van den Koer'an. 

Voorin staat dit vers : 

yjtcï *-MrJ i_?r^-> *JLji3lsJL« (jljuó) (J_^-Lo £j'*&ji ta-i S ^^ 



J) L_)UO 5.»X< L_^^S> 5. »X-c 


eT^ TZJ'^ ^J-HJ c^ ; J 


_»A_j) yiaj u^ S^^ «*-*-* 


^yu) ^)^ ujI^ ^ij^ ^.j 


_xü^i jJ <xJLw c^sj_a! iXHi l!>=^ 


^Li-su £..> ^ 5 ) u ^-^ ^ 


^jA^jj .j Ax_r <X_i^.\^ ,_5*Lfl.wj 


^J* jI.aj ^.j rH .:) J^ij J 



waaruit blijkt dat Soeltan Ahmad Nadjmoeddïn van Palembang aan Kjahi 
Mas Fachroeddin gelast heeft het boek te vertalen, wat in de inleiding nog 
eens vermeld wordt. In die inleiding wordt ook verhaald dat de auteur zijn 
werk in Hindóestïin wegens bijzondere redenen geschreven heeft. 

DXXXIV. 

CHaSSIJJaT AL-KOER'aN II. 

Collectie v. d. W. 24, 20 X 16 cM., 384 bl. 13 r. gedat. 23 Safar 1184. 

In het jaar 1183 op last van Soeltan Ahmad Nadjmoeddin uit het 
Arabisch vertaald. 

Verhandelingen. -' 



37" 
De ervaring Tan den auteur iu Hindóestan wordt aldus verhaald : 

ï&3 Si JuJ6 aj Ci-o] ,fX ; i — lJ ^.- JA-' CL>Lj JÏJ C^-J^ _U^c 
wig aj cl^»~.-~w ^Si ^-4-V. r* 8 ^ ~ ,x - < i_S*^~ i»}* li_^^ J?r~^c i_fX' 

L" » v v -J j L /J w - 

^jJol c^a^X »j ^.j c^o) ,,^CcJ i-j 

Verder wordt vermeld hoe de auteur bij dien mau vier jaren vertoefde 
en genoot van zijne zeldzame wijsheid, hoe hij iu kennis gebracht werd met 
een geleerden sjajch, die bezig was aan een werk over de bijzondere hoedanig- 
heden van den Koer'an. welk werk de sjajch verder aan hem dicteerde. Daaruit 
maakte hij een excerpt. 

ÜXXXV. 

(AD-) DOERR AN-NAZiM. 

Collectie v. d. W. 35. 347 2 X 21 cM., 290 bl. 15 r. gedateerd 
26 Dzoelh. 1279, Taudjoeng Pinang. Riouw. 

Een werk over de bijzondere kracht en waarde in het dagelijksch leven 
van hoofdstukken en verzen van den Koer'an. samengesteld uit de werken 
klJB) ï.0 en q-«UJ) L£^fci5) van Kadi Aböe Bakr An-Nisa'ï en andere boeken 
over de zoogenaamde chassijjat van den Koer Tm van den imam Aboê llamid 
Al-KaralL 

De titel wordt aangevuld met de woorden : pada mënjatakën fadilah al- 
koer'au al c azim dan fadilah sêgala ajatnja dau sëgala dzikirnja. Verhalen van 
den profeet en de sahabah lichten nu en dan de theses toe; ook de doe c a ehatm 
al-koer'an wordt op die wijze gefundeerd. 

Aanteekeningen aan den raud duiden telkens den inhoud aan. 

DXXXVL 

TADJWïD e. a. 

Bat. Gen. 113, 22X16 cM., 278 bl. verschillend aantal regels. 



371 

Een handschrift bestaande uit verschillende deelen, voornamelijk hande- 
lende over den tadjwïd: de regelen van koer'anreciet. 
De bestanddeelen van dit n° zijn als volgt: 

A. BI. 1 — 10. Verschillende, verkeerd ingebonden, aanteekeningen. 

B. » 11—64. Over den tadjwïd. 

C. » 65 — 104. Allerlei aanteekeningen in het Arabisch, het Maleisch en 

het Arabisch niet interlineaire Maleische vertaling. 

D. » 106 — 129. Arabische verhandeling over den tadjwïd, met interlineaire 

Maleische vertaling. 

E. » 130 — 204, zie het volgende nummer. 

F. » 205 — 211. Onsamenhangende aanteekeningen. 

Gr. » 212 — 237. Sauöesï's Oemtn al-Barahïn met interlineaire Maleische 

vertaling; zie aldaar. 

H. » 238—241. Losse notities. 

J. » 242—263. Over islam en ïman, Arabisch, voor een deel met inter- 

lineaire Maleische vertaling. 

K. » 264 — -278. Losse notities. 

DXXXVII. 
MIR'AT AL-KOER'aN Fï TASHïL MA^RIFAT AT-TADJWiD 1. 
Bat. Gen. 113, 21 E. bl. 130—204 (22 X 16 r.) 

Verhandeling over den tadjwïd in 1193, in het Maleisch vertaald door 
c Abdoelmöetï ibn asj-Sjajch Moehammad Salih. Het stuk eindigt abrupt. 

DXXXVII l. 

MIRA'T AL-KOER'aN Fï TASHïL MA^RIFAT 
(ATlkaM) AT-TADJWïD II. 

Bat. Gen. 285. 24 X 17 cM., 124 bl. 15 r. gedat. 10 Dzóelk. 1285. 
Notulen 1901, 23 December I, <l, 2o. 

Hetzelfde werk, compleet. 

Aan den rand jongere aanteekeningen. 

Achteraan enkele bladzijden die niet bij het HS. behooren. 

DXXXIX. 

TADJWÏD I. 
Collectie v. d. W. 25, 32 1 / 9 X 20% cM., 20 bl. 



372 

Verhandeling over den tadjwid met verscheidene fïiidahs en lijst der 
djoez' en sóerah's. 

DXL. 
TADJWïD II. 
Collectie Br. 411, 19 X 14 1 /» cM., 29 bl. 9 r. 

Vooraf gaat eene kleine inleiding over het nnt van den tadjwid. 

De laatste twee bladzijden bevatten een sja c ir moerid kapada goeroenja. 

Het HS. is geschreven in Gang Trontji, Kampoeng Norbek. 

DXLL 
RAADGEVINGEN OMTRENT KOER'aNRECIET. 
Bat. Gen. 381. B, bl. 91—92. 22 r. 

DXL1I. 

TARTïB CHATM AL-KOERaN. 

Collectie Br. 200 D, bl. 115—131, 15 r. (20 X 13 cM.) 
Geschrift over het noodige voor het voltooien van het reciteeren 
van den Koer'an. 

Voor het grootste deel Arabische liturgie. 

DXLIII. 

TANBiH AL-MA'MóEM AL-GHaFIL BIBAJaN BA<T) 
Ma LAHOE MIN AL-MASa'IL. 

Collectie v. d. W. 11, 33V 2 X 20i/ 2 cM., 88 bl. 19 r. 

Een werk van Ahmad ibn Moehammad ibn al-marhóem Hoesajn al- 
c Ajdróes, opgesteld den 2 en Dzöelk. 1271, in Malaka, over enkele bijzonder- 
heden bij de sëinbahjangs onder eenen imam te pas komende, vooral ten aanzien 
van het koer'anlezen. 

Het boek bestaat uit eene inleiding £j . ^[^ \^Lé J»^ ,S^< ^ 

en twee fasl's, 



373 

2°. jlxlib ^)J t&só. ^\ ^) C^ïtiiXc A-J JjjW* £-AC.j) ^i^o ^ 

en de chatimah : 

^.jjuj Aa te j'li JCL.CsL.Lc ^i ) ,__f ) _ W_o £j ^^oU jCs- ^SVLu) ^ 



^ 



As 



De schrijver is Hoesajn ibn Isma c ïl de Boeginees. 

DXLIV. 

SABiL AL-MOEHTADiN LIT TAFFAKKOEH Fï 
AMR AD-DïN I. 

Collectie v. d. W. 2, 33X^1 cM. 1478 bl. 17 r. gedat, 1274. 23 Dj. II. 

Een werk over de zuilen van den islam van Moehauirnad Irsjad ibn 
c Abdillah (in het Maleisen weergegeven met anak liamba Allah) al-Boechari 
uit Bandjar, geput uit den bekenden Sirat al-moestakim van Nöeroeddïn ar- 
Ranïrï en andere werken zooals de commentaar op den minhadj van Zakarja al- 
Ansarï en die van Sjarbïni, de Nihajah, de Toehfah en vele mal u's, sjarh's en 
hdsjijah's, en wel op last van den Soeltan van Bandjar Tahmidoellah ibn 
Tamdjïdillah in 1193 H. Die last is hem verstrekt met het oog op bezwaren 
die de bestudeering van eerstgenoemd werk (de Sirat) ten gevolge kan hebben, 
gelijk blijkt uit de woorden (in de Maleische vertaling van den Arabischen passus): 
iJCjj Si, O £iü*j /wj') las» j) l_AaS" S.Iac i\i.J <X«jLi si <xj)o) JULU i — sUi 

JX^. i j^aj" As.J L^oj ^J>jJüC«j Ci^^c / c -^ eJ^ J jfr \ijft* ^J^ c/^^" ^* 

iV».J c^o) -JkCoAiJ l *.Vmj .aslLj LjJ LljU l_ja- J>Ï>L=>- £> ^Lxo £j ^^-Ij* 

js. xi) jU' yjjj \*jj^ ^; J ^-^ ^^^ e;^ ti/j^ u^*" ij^ té**^ J^*" 

•ïU, L> CSf iT < (JC.J .CLOu ^A^Ls' &> As.J ^jsAks^a &> ^jSj ****** ui^lJ 

J)JJ ybL qj CJ-J r-< J.C* <x!jLiJ )y±- (jU,J (j)j ^Afli flc As ^^'^ |^WJ 

^OlCm ^ÏJ c^Cft^' êj ^j) ^^U JC^ J)JJ ^J ^J ^W uS>^- ; J£» 

^&J JC ^)J »ƒ ^0 ^ ^- ^ÏJ f;^J U ,J ^^^^ 



374 

De laatste afdeelingen zijn : bab al-adhijah kitab as-sajd wa'dz-dzabaih, 
kitab al-at c imah. 

Het Arabisch is in het rood. Op den rugtitel staat <\*jajL> +\sü^) y^ 

DXLV. 

SABiL AL-MOEHTADiN L1T-TAFAKKOEH Fï 
AMR AD-DiN II. 

Collectie Br. 627, 21 X 17 cM., 249 bl. 15 r. 

Geschreven in 1093 (!) 

Fragment; eindigt abrupt in het slot van het hoofdstuk over de reinheid. 

DXLVI. 

GHaJAT AT-TALLaB AL-MOERiD MA^RIFAT AL- 
AHKaM BIS-SAWaB. 

Collectie v. d. W. 1, 33 1 /,, X 21 cM., 1486 bl. (in drie deelen) 17 r. gedat. 

Tjiandjoer, W, 17 Radjab 1274; het Arabisch in rood, alle bladzijden 
geëncadreerd. 

Het geheele werk, waarvan dit driedeelige manuscript slechts één vierde 
(rfU-AiJ o.) bevat, behandelt den fiqh naar verscheidene in de inleiding 
vermelde werken ; de optelling dier geschriften wordt besloten door de mede- 
deeling der korte levensgeschiedenis van de autoriteit : SjafM. 

De schrijver is Da'öed ibn c Abdillah ibn Idris al-Patani. Hij heeft zijn 
geschrift bewerkt naar gezaghebbende werken ^ * Jj^ .)j _Li-< ci^-a^ 

^J ^iCftLkAS L_jIa^ .AS <xll>) > Ui) pAA^, CUÓ ^U^ t-> r^'> 7- ƒ£ (j)^ lif*"/* 
.-L.)^ ^jlJ (^«lÜyi ,j)tJ -lO»- (j)tJ ^ij)A^c Ü-Awj ...<:*,£,.-*- 1 j) AJ b -wj ^l"Ci^w\»« 

Na de vermelding van Sjafi c i's leven vervolgt de auteur: 

U_>)^3jlj ■♦iGsJ) Ü-£^o ^,r^ U-J^Ü) ixij j) <U>=-J ^^ fl e^ J 

yï) C^Ó)J A^H t —-^ C^V i-fr^-* U^ L r- J ^'° Li/W^ ^Llc) <X_i!) AÜ* ,j)j 



375 

Na de aanrèeping van Allah begint het hoofdstak over de ïïtüeele 
reiniging, geopend door eene verklaring der gewone en der technische heteekenis 
van de woorden bdb, fad, far c , mas'alah en lahdrah. 

Gelijk uit bovenstaande citaten blijkt, is de spelling van dit handschrift 
gebrekkig; telkens ontbreken letters en lettergrepen. Het hoofdstuk der taharah 
vult meer dan de helft van het eerste deel, dat over de salat de rest van dat deel 
en ongeveer drie vierde van deel II, dat over de zakat eindigt tien bladzijden 
vóór het einde van dat deel; de laatste tien pagina's en het geheele deel III 
worden ingenomen door het hoofdstak over den hadj. 

Het besluit is : 

LtJ uJ ui üJ uJ 

Jl.wj. <XJUlC JC_Jo ) J-^5 A>fc2sAc IaJ«-«« UcS..V_wj <X.U1_0« <XAX) 1XA.I.C >1LwJ|. iLöjl. &**Oi«j)« 

(sic) (JIjuj cajuH * Ajo ,-c JuS) .o . iXxu. .»*-<' <Xi.Ic. iXasuö. &_;) irj 

Daarna volo't de flateerinff. 

DXLVII. 
SIRaT AL-MOESTAKïM I. 

Bat. Gen. 104, 21 X 15 cM., 404 bl. 19 r. 

Notulen 4 Maart 1879, II, / en 1 Apr. 1879 VII. 

Werk over de pilaren des islanis van Nöeroeddin Moehamtnad Djïlani 
ibn c Alï ibn Ilasandjï ibn Moehammad Hamïd ar-Ranïrï. 

Begin en slot ontbreken. Uit fragment bevat: het laatste gedeelte dei- 
inleiding, de reiniging (bl. 2.), de salat (bl. 62), de zakat (bl. 225). de vasten 
(bl. 254), de hadj (bl. 300) de offers (bl. 376), het begin der paragraaf over 
geoorloofd en ongeoorloofd voedsel. 

De opschriften en het Arabisch zijn in rood aangebracht. 

DXLVIII. 
SIRaT AL-MOESTAKïM II. 

Bat. Gen. 118. 30 X 20 cM., 360 bl. 17 r. 

Notulen 3 Febr. 1880, II c. en bijlage II. 

Dit exemplaar is compleet. 

Het handschrift heeft toebehoord aan soeltan Mahinóed Badroeddïn, zoon 



376 

van Moehammad Baha'oeddin, zoon van soesoehoenan Ahmad Nadjmoeddio, zoon 
van Mali moed Badroeddïn, zoon van Moehammad Al-Mansóer, zoon van soesoe- 
hoenan c Abdoerrahman, zoon van Djamaloeddïn in Palembang. 

DXLIX. 
SIRaT AL-MOESTAKÏU III. 

Bat. Gen. 284, 23 X 16 cM., 404 bl. 19 r. gedat. 1230. 

Gehavend exemplaar, afkomstig van eene bende teungkoe's in Didóh in 
September 1901 aangetroffen. Zie Notulen: 23 Dec. 1901, I, <I, 3°. 

Achteraan wordt vermeld dat het boek voleindigd is tijdens Djauhar 
al- c alam Sjah bërdaulat zill Allah fi 'l- c alam. 

DL. 
SIRaT AL-MOESTAKïM IV. 

Bat. Gen. 288, 33 X 21 cM., 167 bl. 29 r. 

Notulen 23 Dec. 1901, I, d 1° en bl. CXLIX sqq. 

Fragment van dit in 1044 H. samengesteld werk. 

Boven aan bl. 2 staat: hadza kitab Moehammad Salih ibn c Abbiis 
Koetakarang, 1301 H. 

Na bl. 155 is eene lacune; het handschrift eindigt in de paragi'aaf over 
den ihrain van het hoofdstuk over den hadj. 

DLI. 
SIRaT AL-MOESTAKÜI V. 

Bat. Gen. 327, 23 X 10 cM., 544 bl. 19 r. gedat. 10 Radjab 1055. 

Notulen Maart 1902, II, 8° en Juni 1902, I, 15°. Compleet exemplaar. 
Volgens een Atjehsch onderschrift was de eigenaar van dit manuscript 
Teuugkoe Bén Teurenrboeë. 



'O' 



DLII. 
SIRaT AL-MOESTAKiM VI. 
Bat. Gen. 344, 21 X 15 cM., 375 bl. 19 r. 

Dit HS. is n° XIX van bijlage XIII behoorende bij Notulen van 7 
November 1904, III, 2°. 



O/ ( 



DLIII. 
SIRaT AL-MOESTAKïM VII. 

Bat. Gen. 397, 23 X 17 cM., 402 bl. 19 r. 

Dit is u° VIII van bijlage XIV, behoorende bij Notulen van December 
1904, III, 2°, a. 

Behalve een Arabisch gebed met Maleische verklaring, meunadjat genaamd, 
geschreven door Moeliammad Saleh Tamboesai, bevat dit Hs. bovengenoemd 
werk, bl. 14—399, met vele randnoten. 

Volgens de aan het begin en aan het einde gegeven dateering 
is het werk geschreven van 1044 tot 1077. 

DLIV. 

SIRAT AL-MOESTAKiM VIII. 

Collectie Br. 21 X 1" cM., 347 bl. 19 r. gedat. 22 Dzóelh. 1273 en 
13 Augustus 1857. 

Bl. 1—19 ontbreken. 

Achteraan bevindt zich eene lijst der paragrafen. 

DLV. 

SIRaT AL-MOESTAKiM IX. 

Collectie v. d. W. 3. 33 X 20 V 2 cM. 580 bl. 19 r. 

Dit exemplaar begint bij het hoofdstuk over de reiniging en eindigt 
bij het slot van het hoofdstuk over de salat; van dat over den i c tikaf staat 
alleen de titel. 

Andere handschriften: 

Leiden, cod. 2223, 2226 en 3278, Catal. bl. 257 en 258. 

DLVI. 

KITaB AL-DJINaJaT. 

Collectie v. d. W. 12, 31 V 2 X 20V 2 cM. 5(5 bl. 15 r. 

Korte verhandeling over een gedeelte van het strafrecht; „verhandeling 
over de misdrijven, waartegen de straf van wedervergelding is bedreigd". 



378 
Het werkje wordt genoemd: (^ si.d &LJ^ ^/^ju Ai .-aisuc \jS SU* 

v-TO^jJ y) <)d»jAJUc.«) *.C=>- (Ji^w r_s^V. c -- , V.'^t v - J"^< ^ U-'Ijó' aIaj^ y^l) 

Op bl. 20 begint de kitab al-hoedöed == JjL i'Ux* a* ^Itf <üüü) 

De ta c zïr begint op bl. 32, op bl. 43 de kitab asj-sjahadah. 

DLVII. 
TANBïH AL-ICHWaN Fi 'SJ-SJOERöET WA'L-ARKaN. 

Collectie v. d. W. 15, 33 X 21 cM., 124 bl. 19 r. 

Korte verhandeling (pada mcnjataken barang jang iiada ilujml bagi hup 
tiap moekallaf daripada mengénal akandia) over de pilaren des.islams, opgesteld 
te Këdali in 1277 (. . . Djoem. 1) tijdens Soeltan Ahmad ibn al-marhöem Zajn 
ar-Rasjïd. 

Aan het slot wordt vermeld dat het drukken f Ck-^Lo) van dit werk in 
1280 (3 Ramadan) te Singapoera is beëindigd. 

DLV1II. 

IDaH AL-ALBaB LIMOERïD AN-NIKAH BLS-SAWaB. 

Collectie v. d. W. 14, 33x21 cM. 102 bl. 19 r. 

Verhandeling over de bepalingen van het huwelijk, een ta ,c lik lalif 
moesjtamil c ald ahkdm an-nikdh: X^ l_ iKxj ^} cAaS' lITü J.»£ L> .üjS 

,j)j ^AaüJ èJjjSji A-AC.^J (j^ (j^s <j^ £))&$£ jjó-'x^ .i i-Ar,U ,j)j L^-^ji 

^AaS") *iAsU ^Wri U^fjl' f—^]^. ! — -^ e»^^ &£M ^j 1 ^ ö'ïj^ ^1^ i^A - *' 
door den bekenden c Alï Da'öed ibn c Abdillfth Patanï te Mekkah in 1224 (20 
Sja c ban) vertaald, en ontleend aan de voornaamste Sjafi c ietische wetboeken als de 
Minhadj, de Fath al-Wahhab, de Toehfah, de Nibajah en de (sic) U)« sAc 
van Moehammad ibn Ahmad Bafarïl. 
De verschillende bab's zijn: 

^.aS'Ij c^a^j a_j CS-> yc Ai ,j\A liji.^ri LL r?- A -^' ' ' ^ r-^i or^* ^ 



379 



& ,.j) J —LCxj ,,$",, , iTjUU iii 



— IXxi J -». ij yjyujj (J^^O uii 

C^S -iUXio jjlJ \£)fy &■*£■ |U (J^ i-J? ïi .S"^ ^i-A/jg y\;)tSi d^olj' ij , c ,Ij 

<jj^.b .S'lÜjwc tij 

DLIX. 
BaB AN-NIKaH. 

Bat Gen. 308, 23 X 16 cM. 6 bl. 21 r. 

Notulen 23 Qec. 1901, I, d, 1° en bl. CXLIX sqq. 

Slot vau eene verhandeling over het huwelijk. 



DLX. 



NAZM DJAUHAR AL-^AZiZ Fi <AKD ANKiHAT AL-WAEa 

AL-WADJ1Z. 

Bat Gen. 307, 24 X 17 cM. 13 bl. 10 r. 
Notulen als boven. 

In 1263. vertaald door Teungkoe Koeta Karang in de „lisan al-Djawi 
al-ma c röef fi baladina al-Asji as-Samatarai". 

Genoemd werk, over de huwelijkswetten, is van Moehammad al-Ma c i§rawï, 
de commentaar daarop van c Abdoellah ibn Hadjazï asj-Sjarmawï. 



Klein fragment. 



DLXI. 



NlKalT. 

Bat. Gen. 347, 22 X 15 cM. 74 bl. 18 r. 

Notulen 7 November 1904, III, 2° en Bijlage XIII. 

Verhandeling over genoemd hoofdstuk, begin ontbreekt, (no XXIII vau 
genoemde bijlage). 



380 

DLXII. 

MIR'AT AT-TOELLaB Fï TASHiL MA^RIFAT AL-AHKaM 
ASJ-SJARcIJJAH LI MaLIK AL-WAHHaB I. 

Bat. Gen. 389, 34 X 22 cM., 109 bl. 25 r. 

Notulen 23 Dec. 1901, I, d. 1<\ en bl. CXLIX sqq. 

Sjafkietisch fikhwerk, op last van de vorstin Safijjat ad c dïn bint Iskan- 
dar Moeda, geschreven, ,,dëngan behasa djawi jang dibangsakën kapada bëhasa 
Pasaj"; de bewerker heeft de hulp gevraagd van twee kenners der Maleische taal, 
daar hij in die taal niet volkomen kon stellen (koerang fasahat: ^j-'X^-[*ai aiï) 

Het werk is voornamelijk naar den Fath al-Wahhab bewerkt; de naam 
van den bewerker is c Abdoerra c oêf = Abdarö c öh = Teungkoe di Koeala. 

Dit gedeelte behandelt de moe c amalat (bl. 3 ,,jang moehtadj kapadauja 
orang jang mëndjabat djabatan kadi": Lü-ft-*) ^J ^Jy ^ &A) ^^jU) 

Het exemplaar is niet af; bl. 19 en 38 zijn verkeerd ingenaajd. 

DLXIII. 
MIR'AT AT-TOELLaB etc. II. 
Bat. Gen. 399, 33 X 22 cM. 196 bl. 26 r. 

Fragment van hetzelfde werk; het HS. heeft in eigendom toebehoord aan 
Teungkoe Imam Koemala. 

Andere handschriften: 

Leiden, cod. 163 5 en 3255 Gatal. bl. 265 en 266, waar het volledige 
werk met Meursinge's en Keyzer's uitgaven wordt vergeleken. 

DLXIV. 

THAMRAT AL-MOEHAMMAH DIJaFAH LIL-OEMARa' WA'L- 
KOEBARa' LI AHL AL-MAHKAMAH. 

Collectie v. d. W. 18, 33V 2 X21 cM., 124 bl. 17 r. 

Ove de plichten van vorsten en rijksgrooten. 

Vooraf gaat eene moekaddamah over de voortreflijkheid der wetenschap. 
De eerste bab handelt over het aanstellen en het afzetten van den vorst 
en der voornaamste staatsambtenaren, en is verdeeld in enkele fasl's. 



381 

De tweede bfib behandelt het optreden der rechters en de manier van 
procedeeren, verdeeld in 12 fasl's. 

De derde bab behandelt de plichten van den vorst. 

Het besluit handelt over de slechte en gevaarlijke eigenschappen bij 
vorsten en rijksgrooten; veertien fouten worden opgenoemd. 

Deze moechtasar is gedateerd 1 Djoem. I 1277. 

De laatste acht bladzijden zijn gevuld met een didactisch gedicht. 

In den laatsten regel wordt het geschrift söerah mahkamah genoemd. 

DLXV. 
A.RKaN AL-ISLaM e. a. 

Bat. Gen. 309, 19 X 12 cM. 134 bl. 

Notulen 23 Dep. 1901, I, d, 1° en bl. CXL1X sqq. 

Bl. 1 — 99, 14 r. Fragment van een werk over de zuilen van den islam, 

begint bij de salat tahijjat al-masdjid. 
» 100 — 105 Arabische gebeden. 
» 10(3 — 134, 15 r. Over de taharah en de salat; eindigt bij den 

tawarroek. 

DLXVL 

ERF-EN HUWELIJKSRECHT. 

Bat. Gen. 56. 32X21 cM. 120 bl. Latijnsch schrift. 
Notulen 20 December 1870, III, a 2°. 

„Compendium der Jentiefsche, Machomedaansche en Chineesche Wetten". 
Bl. 1 — 30: extract van resolutiën des Casteels te Batavia van 1752 — 

1760 en 1717. 
» 37 — 76: »Chinees recht door Pieter Haksteen. met marginale aan- 
teekeningen van A. de Klerk, aangeboden aan den G. G. J. Mossel, 
21 Febr. 1761". 
» 77—120, Mohammadaansch erf-en huwelijksrecht; in het Maleisch 

en het Hollandsch. 

Gedateerd 25 Maart 1760, en op dien datum »geapprobeert in 

Raade van India." 



382 

DLXVII. 

ERFRECHT. 

Bat. Gen. 348, 17 X 10 cM., 12 bl. 19 r. 

Notulen 7 Novemoer 1904, III, 2° en Bijlage XIII. 

Defect geschrift; over de wijze van berekening van erfportiën. 
Zie genoemde bijlage, n° XXIV. 

DLXVI1I. 

KITaB AL-FARaïD. 

Bat. Gen. 375, D, bl. 148—150, 18 r. (23 X 17 cM.) 

Notulen 1904, December III, 2° a, en Bijl. XIV. 

Fragment uit een boek over het erfrecht. 

Zie Catalogus der Leidsche IISS. bl. 280—282. 



o 



DLXIX. 

MINHaDJ AL-caBIDiN ILa DJANNAH RABB AL-^aLAMiN. 

Collectie v. d. W. 5, 32 X 20% cM., 37G bl. 17 r. 

Maleische bewerking van een werk van Al-Ghazalï, getrokken uit den 
Ihja c oeloem ad-din, den Kitab al-asrar, den Kitab al-koerbah ila Allah. 
Het werk is verdeeld in zeven li_>U<Lc en wel 

1°. *_1_&J) X_jJLc 

2°. 2LjJL5) i_A_A.r 

3°. t>4^^ *-M-* 

4°. yè'AysJS ï-X-l.Z 

5o. L^rL.xJ) LxJL 



y- 



.z 



6°. J^JU) LjJL_£ 

Elke ixilc is onderverdeeld in fasl's. Aan het slot worden de veertig 
karamab's vermeld, twintig voor deze en twintig voor de volgende wereld. 

Op het laatst een tanbïh aan de lezers van den vertaler Da'oêd ibn 
c Abdillah al-Djawï Patanï, clie zijn werk in 1240 te Mekkah heeft voltooid. 
Van de laatste zeven bladzijden zijn zijn de bl. 1 — 5 in het Arabisch. 



383 

DLXX. 

SIJAR AS-SaLIKïN ILa ^IBfiüAH RA BB AL-c a BIDïN I. 

Bat. Gen. 293, 22 X 16 bl. cM., 472 bl. 19. r. 

Notulen 23 December 1901, I d 1° en bl. CXL1X sqq. 

Maleische bewerking- door c Abdoessamad al-Djawï al-Palembanï, .leerling 
van Moehammad as-Sammanï al-Madanï van den Ibja c oelóem ad-dïn van 
Ghazalï, en daarvan het vierde deel. 

De bewerking is voltooid den 20 en Ramadan 1203 in de stad van 
cAbbas, cl. i. Taif. 

Ingenaaid bevindt zich een quatern met Maleische, Atjehsche en Arabi- 
sche aanteekeningen. 

DLXXI. 
SIJAR AS-SaLIKïN ILa «IBaDAH RABB AL-<TiBIDïN TL 

Collectie v. d. W. 4, 33 X 21 cM. 2796 bl. in acht deelen, 17 r. 

Maleische vertaling van het beroemde werk I/jjd c oelócm addin van den 
grooten imam Al-Ghazalï door c Abdoessamad al-Djawï al-Palembani leerling 
van Sjajch Moehammad ibn c Abdilkarïm as-Sammanï al-Madanï. 

Hij deelt in den aanvang mede dat Allah hem de ingeving tot het ver- 
talen van den ihja gegeven heeft in het jaar 1193. De vertaling is door vele 
korte commentaties en fa'idah's voor de gebruikers van meer waarde gemaakt. 

De strekking en inhoud van het werk worden in vier Arabische 
regels medegedeeld, welke gevolgd worden door deze uitvoerige vertaling: 

ÏL ^)J oj) .^i'lLi' &)ój£) CJï&l ïj^ Jo\j £J ÜJ 1 .^: jiL C^o'o ^>.' 



384 

Volgens mededeeling op de laatste bladzijde is de vertaling beëindigd 
den 20™ Ramadan 1203 in Taif. 

Andere handschriften: 

Leiden, cod. 3285 en 328G, Catal. bl. 287 en 288. 

DLXXIL 

KASJF AL-KIRaM Fi BAJaN AN-NIJJAH «INDA 
TAKBiRAT AL-Il.lRaM I. 

Collectie Br. 200 E, bl. 133—171, -15 r. (20 X 13 cM.) 

Verhandeling van Moehammad Zajn ibn Djalaliddïn al- c Asjï, opgesteld 
om meeningsverschil in Atjèh nopens de nijjah bij de Allahoe Akbaroe-formule 
op te heffen. Het boek is te Mekka vervaardigd in één dag 8 Moeharram 1171; 
het HS. is gedateerd 4 Djoem. II 1188. 

DLXXIII. 

KASJF AL-KIRaM Fi BAJaN AN-NIJJAH ^INDA 
TAKBiRAT AL-IHRaM II. 

Collectie v. d. W. 36, 33 X 207 2 cM. 19 bl. 17 r. 

Gelijk de titel aanduidt is dit geschrift gesteld om verschilpunten ten 
aanzien van de interne bedoeling voor het » Allahoe akbaroe ' bij de salats te 
vereffenen. De auteur is Moehammad ibn Zajn ibn Djalaliddïn de Atjeher 
( ~J»)\ &ie d e taak op zich genomen heeft daar hij »tëlah akoe lihat akan 
bëbërapa manoesia bërsalah-salahan marekaitoe pada nijjat tatkala tahbïrat al- 
ihram maka akoe kahëndaki bahoea akoe bërboeat satoe kitab jang këtjil pada 
mëngoerajkën maksöed". 

DLXXIV. 

KITaB PIKH. 

Collectie Br. 395. 17 X 10 cM. 226 bl. 15 r. 

Het begin ontbreekt. 

Het handschrift vangt aan in het hoofdstuk over de Vasten. 
De Hadj begint op bl. 1 62. 

Op bl. 189 begint eene andere hand, na bl. 280 heeft de inkt geheel 
ingevreten, naam en datum zijn niet te lezen. 



385 

Op bl. 220: eene medicijn voor oogen, op bl. 224 eene doe c a maha bësar. 

DLXXV. 

TAHaRAH EN SALaT. 

Bat. Gen. 71, 10 X 8 cM. 58 bl. 
Dit HS. bevat: 

1°. Een fragment, waarschijnlijk Makassaarseh, in Arabisch schrift. 
2". Arabische formulieren ter verkrijging van zeer gewenschte zaken 

niet Maleische toelichtingen. 
3°. Fragmenten over de reiniging. 
4". Vergelijking van de zuilen der salat met de mensehelijke lichaams- 

deelen; verschillende voorschriften der salat en daarbij te reciteeren 

formules. 

DLXXVI. 

FOEROêc AL-MASa'IL WA OESóEL AL-MASa'IL. 

Collectie v. cl. W. 38, 22 ] / 2 X 16c M., 1021 bl. (in twee banden\ 25 r. 
alle bl. geëncadreerd, gedateerd: Mekka 1257. 

Werk van Da'öed ibn e AbdilIah Patanï, opgesteld in 1254, om te vol- 
doen aan de inspraak van zijn hart dat ,,hëndak poengoet aken bëbërapa soe'alafc 
sapërti moentiara dan sapërti manikam dan djawabnja sapërti doerr al-manzöem 
dan bëbërapa foeröe c jang endah-endah", genomen uit de werken : Fatwah's van 
Ramli en Kasjf al-anam c an as'ilah al-anam van Hoesajn ibn Moehammad al- 
Mahalli. 

De verschillende vragen en hare beantwoordingen betreffen zoowel de 
geloofsleer als de plichtenleer. De eerste fasl bv. behandelt vragen aangaande 
de oesoel ad-dïn, met vele foeróe c . De eerste als zoodanig aangeduide bab handelt 
over de ritueele reinheid, een volgende over den idjtihad, de daaropvolgende 
over de oorzaken der kleine onreinheid, dan een bab over den istindja, en zoo 
de gewone volgorde der wetsbepalingen nopens de vijf zuilen; de bab over de 
offerdieren, de c akïkah, de spijzen, het boek over jacht en slacht. Op bl. 375 
begint de kitab al-baj c , volgens de gewone onderdeden. Op bl. 573 begint het 
boek over het erfrecht, op bl. 594 dat over het testament, op bl. 610 dat over 
het huwelijk. 

Op bl. 894 begint de kitab al-djinajat naar de gewone verdeeling, op 
bl. 945 die over den Heiligen Oorlog; op bl. 959 de ^jl« &»A) l_>Lo 

Verhandelingen. 



386 

(kitab bërloemba-loemba clan mëloetar); dan de Eeden (bl. 961), Geloften (bl. 
975), de Rechtspraak (bl. 980) en Vrijlating van slaven. 

DLXXVIL 
MOECHTASAR. 

Collectie v. d. W. 6, 31 V s X 20 V 8 cM., 124 bl. 15 r. 

Op den rug staat : Moehtasar pada menjatakan baraiig jang wadjab. 
De titel is n sjG' ,uJ) \, ^!. s-^-c.li il S\j-x< Ai ij -toisLo ïL-^u 

Dit kort begrip begint met een epitome der geloofsleer. 

Daarna worden de pilaren des islams behandeld, in zeer kleine fasl's; 
na den fasl over den i c tikaf komt een kitab over de at c imah en een over de 
dzabaih, daarop: verboden en geoorloofde Meeding, het begin van den kitab 
al-baj c , gevolgd door een bab over den woeker. 

De tweede groote fasl behandelt de moe c amalat, ook den baj c , en het 
erfrecht. 

DLXXVIII. 

MOHAMMEDAANSCH RECHT. 

Bat. Gen. 38, 34 X 22 cM., 854 bl. 33 r. 

Latijnsch schrift, half beschreven paginas. 

Dit handschrift is een copie van Meursinge's Handboek: voor het Moharn- 
medaansche Recht, Amst. 1844. 

DLXXIX. 

RISaLAT. 

Collectie Br. 410, 21 X 14 cM., 36 bl. 9 — 11 r. 

Fragment van een met bovenstaanden titel voorzien werkje over de geloofs- 
belijdenis, de nijjab, de salat, de wasschingen, de formules der tahijiah en den adzan. 

DLXXX. 

DJIHaD. e. a. 

Bat, Gen. 294, 23 X 17 cM., 321 bl. 

Notulen 23 December 1901, I, d. 1° en bl. CXLIX sqq. 



387 

Volgeus de Notulen 1. c. „Een manuscript van Teungkoe Koeta Ka- 
rang, waarin aanteekeningen en citaten (deels Arabisch, deels Maleisen) over 
zeer uiteenloopende onderwerpen, o. a. verscheidene concepten over zaken 
betreffende den prang sabil, eene copie van den Ju^\H aU** 1) J& van 
J)y£j) lz .i &*^o, fragmenten over adab, geneeskunde, mystiek; eene ver- 
handeling tegen in 12G3 H. in Atjeh opgetreden kettersche mystieken (èleu- 
mèë salé £ ) met den titel ejuu*JJj êjil) Ja) Jl^f* «LlSJÏ ^a_^" 

De Maleische gedeelten van dezen bundel zijn: 

BI. 1 — 1G (voor een deel verkeerd ingenaaid) over den heiligen oorlog. 
» 21 — 25, § G van de &]£$) L^), Arabisch en Maleisch. 
» 2G — 27, § 7 van de £j j|^_*j ) Arabisch en Maleisch en nog vele 

stukken, die eigenlijk niet als Maleische handschriften te rekenen zijn. 

Na veel Arabisch, ook met Maleisch vermengd, volgt : 
» 127 — 150. Over den heiligen oorlog. 
» 154 — 1G2. Bekendmakingen aanvangende: dipërma c löem kapada sa- 

kalian toean, en eindigende met de woorden: kafir Holanda dipërang 

Atjeh pada Hidjrah 1291. 
Daarna aanteekeningen over de kennis der Eigenschappen, en mystieke 
fragmenten (De genoemde sjarh al-asma' begint op bl. 187 en eindigt op bl. 
2IG, gedateerd 1281 te Kaloeëng). 

Bl. 217 — 219: over teekenen van katten en kippen. 
» 248—300: over c ilmoe tibb. 
» 309 — 312: de bovengenoemde verhandeling, gedateerd 1 202, -nlëngan 

bëhasa djawi jang ma c röef dipakajnja daripada isi uanggröë Atjèh", 

in 5 bab's en eene voorrede en besluit ; van deze verhandeling echter 

slechts een klein gedeelte. 
Ten slotte volgen aanteekeningen over de sjahadah. 

DLXXXI. 

SËMBAHJANG-FORMULES. 

Bat. Gen. 74, 13 X 1 1 cM. 22 bl. 

Voorin staat : <°' ~>} >■ y <"> --* « »*» ' ï) v > <m 

Bevat 1°: formules bij den sëmbahjaug in gebruik, met Makassaarsche 
ophelderingen (8 r.) 
2°: idem met Maleische ophelderingen (G r.) 



388 

DLXXX1I. 

SËMBAHJANG. 

Bat. Gen. 320, 21 X 15 cM. 28 bl. 

Notulen 23 December 1901, I, d, 1° en bl. CXLIX sqq. 

Slechts de bladzijden 21 — 24, 23 r. zijn Maleisen; een fragment zonder 
bea;in en slot over de salafc. 



"O* 



DLXXXIIL 

SËMBAHJANG EN TAHLïLS. 

Bat. Gen. 138, 19 X 15 cM. 92 bl. verschillend aantal regels. 
Notulen 21 Juli 1885, V. b. 

Een incompleet geschrift over nijjats, voornamelijk die tot de salat, en 
over de onderdeden der salat, voor eeu deel Arabisch. 

Daarna handelt de samensteller van dit geschriftje over tahlïl's. 

DLXXXIV. 
SËMBAHJANG. 

Bat. Gen. 407, 11 X 6V 8 cM. 

Notulen November 1904, I, c. 

Vuil, klein zakboekje met aanteekeningen over den sëmbahjang. 

DLXXXV. 
TANBïH AL-caMIL Fï TAHKïK AL-KALaM Fï 'N-NAWaFIL. 

Bat. Gen. 222, 22 X 17 cM., 40 bl. 18 r. 
Notulen Juni 1895, bl. 65, I. 

„Verhandeling tot bestrijding van de bewering dat men geenerlei vrij- 
willige godsdienstoefeningen zou mogen verrichten, zoolang men nog oningehaalde 
verzuimde verplichte godsdienstoefeningen te zijnen laste had, welke valsche 
meening sommigen aan Sjeich Noeroedin (waarschijnlijk Noeroedin ar Ranïrï) 
toeschreven". 

Het Arabisch, in blauwen inkt, bevat vele fouten. 



389 

DLXXXVI. 

VERHANDELINGEN. 

Bat. Gen. 304, 22 X 15 cM., 08 bl. 

Notulen, 23 December 1001, I, cl. 1» en bl. CXLIX sqq. 

Behalve de Arabische Sanöesijjah bevat dit HS. dat geheel verkeerd 
ingenaaid is, eene Maleische verhandeling over de fatihah (14 bl.), eene 
Maleische verhandeling over de huwelijkswet, (12 bl.) en eene over den tadjwid 
(43 bl.) 

Verder kleiue Arabische en Arabisch-Maleische brokstukken. 

DLXXXVil. 

FRAGMENTEN. 

Bat. Gen. 305, 22 X 167a cM -> 60 bl - 

Notulen als bij het vorige handschrift. 

Allerlei niet bijeenbehoorende godsdienstige fragmenten, waarvan het 
langste (22 bl.) over de geloofsleer handelt. 
Geheel gescheurd manuscript. 

DLXXXVIII. 

AANTEE KENINGEN. 

Bat. Gen. 207, 17 X 12 cM., en kleiner. 

Notulen als bij het vorige handschrift. 

»Een manuscript met allerlei citaten en aanteekeningen van Teungkoe 
Koeta Karang, sommige gedateerd, (bijv. 1266 H.") 

Achterin dit HS. waarin tuschen veel blank papier eene gesteendrukte 
verhandeling is ingenaaid, komt een dertigtal bladzijden in het Maleisen voor. 
gedateerd 1266, van c Abbas al- c Asji, bevattende verschillende godsdienstige en 
mystieke aanteekeningen. 

DLXXXIX. 

KITaB FAWa'ID I. 

Bat. Gen. 117, 28 X 21 cM., 416 bl. 15 r. 
Notulen 3 Februari 1880, II, c. 



390 

Op bl. 1 staat dat dit handschrift heeft toebehoord aan Soeltan Mah- 
möed Badroeddïn ibn Moeharamad Baha'oeddïu ibn Soesoehoenan Ahmad 
Nadjmoeddïn ibn Mahmöed Badroeddïn ibn Moehammad Almansöer ibn Soesoe- 
hoenan 'Abdoerrahman ibn Djamaloeddïn van Palembang. 

Op bl. 2 staat «>iiKjiin*L»«7«./n«.uiro^ en daaronder met Latijnsche letters 
Tanadil. 

Dit uit het Arabisch bewerkte geschrift behandelt de voortreflijkheid 
van verschillende sóerah's, verzen, formulieren en eulogieën bij de salat in 
gebruik, verdeeld in honderd fa'idah's. 

Hoewel achter in het HS. staat Jj .^ •) ^)A i ,[^ ...JA^AÏ ^*s"0) 

^lytMj ^.s-amj iui.yJb su*+H JLm Si<i Jlkwj <j 
is het geschrift toch volledig. 

0}> het laatst staat een bab over het maken van c azïmah's, eindigende 
met het Hollandsche woord „Einde". 

In de eerste veertig bladzijden heeft de inkt ingevreten. 

DXC. 
KITaB FAWa'lD II. 

Collectie v. d. W. 52, 33 X 21 cM., 262 bl. 19 r. 

Dezelfde tekst, uit het Arabisch vertaald, maar, zooals medegedeeld 
wordt: ,,tiadalah mënoeroet sapërti lafz ma c na bëhasa c arab itoe mëlainkën 
mëngambil mafhöem dan mak?6ed përkata'an bëhasa c arab itoe". 

Ook dit exemplaar is verdeeld in honderd fa'idah's, met toelichtende 
verhalen en figuren. 

Op den band staat kitab chasijjat al-ism dan doe c a. 

DXCI. 
VERHANDELINGEN. 

Collectie v. d. W. 20. 20 1 /,, X 16V a cM. 200 bl. 

Dit handschrift bevat verschillende tractaatjes, nl. 
I. Verhandeling over hetgeen de moekallaf verplicht is ten aanzien van 
islam en iman (përhimpoenan pada mënjatakën hoekoem jang diwadjibkën 
Allah atas orang jang moekallaf ja-itoe c akil baligh) 11 bl. 13 r. 
II. Arabische formules en formulieren. 

III. Enkele bladzijden over de belooning hiernamaals voor het verrichten der 
onderscheidene onderdeden van de salat. 



391 

IV. Fragment eener verhandeling over de geloofsleer. 14 bl. 14 r. 
V. Over obats, toovermiddelen en djimats, 20 bl. 10 r. 
VI. Kital) adab al-moelöek datoek sjahbandar, gedateerd 1247. Een vorsten- 
spiegel op Mohammedaanschen grondslag, 34 bl. 15 r. Achterop staat: 
Üatoe Sabandar Kionw. 
YLl. Over de reiniging, 30 bl. 15 r. 
VIII. Doe c a's, de zgn. clonga angkasa en een gedeelte van de doe ( a salamat. 
IX. Doe l a na de reiniging uit te spreken. 

X. Fragment uit eene verhandeling over de taubah, 8 bl. 21 r. 
XI. Verhandeling over de ritueele reinheid, 18 bl. 17 r. (gevolgd door eene 
§ over den idjtihad in deze materie (jaitoe mënghabiskën soeatoe bitjara 
akan soeatoe dëngan sahabis oesahanja pada sëgala barang jang saroepu). 
geenszins een „fragment uit eene verhandeling over de plichten van den 
qadhi". 

DXCIL 
I.IOEDJDJAH BaLIGHAH °ALa DJAMcVAT AL-MOECHaSAMAH. 

Bat. Gen. 328, F, bl. 312—328, 17 r. (20 X 10 cM.) 
Notulen 20 October 1902, II, ,/, 1°. 

Fragment van een den 4en Moeharram 1058 ouder soeltan cAlaoeddin 
Djohan Sjah, op verzoek van vrienden des auteurs opgestelde korte verhande- 
ling over processen en bewijzen, in drie bab's, de 1<> over de rechters, de 2" 
over proces en bewijs en de 3° over getuigen en meineed. 

Ander handschrift : 

Leiden, cod. 1972, catal. bl. 290. 

DXCIII. 
ISLaH AL-HaL BITALB AL-HALaL. 

Bat. Gen. 225, 22 X 17V 2 cM., 24 bl. 22 r. 
Notulen Juni 1895, bl. 67. IV. 

Copie van de in 1298 te Batavia gesteendrukte verhandeling van Sajjid 
c Oethman ibn c Abdillah ibn Jahja al- c Alawï, verdeeld in zeven t'asl's. 

DXCIV. 
MANHADJ AL-ISTIKaMAH. 

Bat. Gen. 264. 34 1 /» X 22 cM., 76 bl. 38 r. gedat. 22 Juni 1890. 
Handschrift-Holle. 



392 

Copie van een werk van denzelfden schrijver dat in zijn in 1904 verschenen 
catalogus zijner werken onder n° 30 genoemd wordt J^soJ JUIöjLJ) 7^< ^—>^ 

i.j) r'i.z&i jJXjj ji.J JuS 'i)yi<3 i-Ju*» »A_.c.ij LP***n s»«jJ <K-£Jo (_)£*i 

DXCV. 
MA'-RIFAT AL-ISLaM WA'L-ïMaN. 

Bat. Gen. 383, 22 X 17 cM., 105 bl, 9 r. 

Fragment van een kort fikhboek tot en met het hoofdstuk over de 
Vasten. Na de vermelding der makröeh- vasten volgt, op bl. 82, £j± ^)J jj y^ 

en daarna ^LjiM. ,L*«) &J.»-*_j isluto *J L . s «L$J wat op het geheel 
betrekking schijnt te hebben. 

Wat na bl. 83 komt. is over het geloof. 

Het Arabisch is slecht, het Maleisch nog erger. 

DXCVI. 
MOEcaMALaT. 



Collectie Br. 157, IV a. (56 bl.) 

Dit eerste gedeelte van het vierde stuk uit een portefeuille met 
Palembangsche schrifturen bevat een wetboek, en wel het gedeelte over de 
rechtshandelingen, verdeeld in 44 bab's; de bab over het huwelijk is no. 
XXVIIL 

DXCV1I. 

(AL-) MAWacIZ I. 

Bat. Gen. 115 C. bl. 11—40, 17 r. (23X17 cM.) 

Notulen 1879, 3 Juni III, 4 November IV b en 2 Dec, II p. 

Ethisch werk, verdeeld in 32 fasls elk eene vermaning bevattende 
(ïlac^) = ^.ba&a), uit Allahs woord. De titel van § 1 is: ^.IssvaS ^/^a* S: 

L^jJo- J)J \^^^^.Li JUS' <üJ) (j.lsaï (JXjj jJj.J *lï.5 ,<ó 

Verder beginnen de paragrafen, zonder opschrift, alle met eene ver- 
maning direct van Allah aan de kinderen Adams. 



393 

Dxcvnr. 

(AL-) MAWa<iZ II. 

Collectie v. d. \V. 22, 20x1*3 cM., 40 hl. 17 r. 

Tweede exemplaar van de Zedelesscn uit Allahs woord. 

Voorin is de titel ..,),UȆ Juo ^UaI) 

Het aantal der lessen is 32. 

Vóór de eerste les staat a_j, ^stï J), ^j i >, ,j^J) ,*s-J) <UJ) *^-j 

cjiy *LUu> ^If W JlsJ <UJ) ^J y|)j tlfljó£ï< 

DIC. 

<OEDDAT AL-HISN AL-HASïN MIN KALaM SAJJID 

AL-MOERSALïN. 

Collectie Br. 623, 24 X 19 cM. 191 bl. 16 r. ged. 9 Sja c ban 1221. 

Excerpt uit het grootere werk van dien naam. 
Het geschrift is verdeeld in tien hoofdstukken : 
I. Fï fadl adz-dzikr wa'd-doe c a wa's-salat wa's-salam c ala 'n-nabï wa alihi. 
II. pada mënjatakën sëgala waktoe idjabah dan sëgala kalakoeannja dan 
sëgala tëmpatnja dan orang jang dimoestadjabkën baginja dan dëngan 
barang jang dimoestadjabkën 

III. pada mënjatakën barang jang dibatja ia pada pagi dan pëtang .... 
pada pehak c oemöem dan choesóes dan mënjatakën sëgala kalakoean 
tidoer dan djaga. 

IV. pada mënjatakën barang jang ta c lloek ia dëngan bërsoetji dan masoek 
masdjid dan bang dan sëmbahjang 

V. pada mënjatakën barang jang ta c alloek ia dëngan makan dan rainoem 

dan poeasa .... dan hadj dan përang sabil dan bërnikali. 
VI. pada mënjatakën barang jang ta c alloek ia dëngan sëgala pëkërdja'an jang 

diatas sapërti awan- dan kilat dan hoedjan dan augin dan boelan. 
Vil. pada mënjatakën barang jang ta e alloek ia dëngan sëgala kalakoean anak 

Adam daripada sëgala pëkërdja'an jang bërsalah 3 an dëngan sabab bër- 

salah 2 an sëgala kalakoean mareka itoe. 
r III. pada mënjatakën barang jang mëndoekatjitakën ia daripada sëgala bëla 

jang mëndatang dan mënjatakën sëgala kabinasa'an clalam hidoep hiugga 

mati. 



394 

IX. pada rnënjatakën dzikr jang télah datang fadilahnja pada hal tiada di- 

tëntoekën ia j.ada satoe waktoe daripada bëbërapa waktoe 

X. pada rnënjatakën bëbërapa doe c 'a jang sah ia daripada rasóel Allah jang 
tiada tërtëutoe ia dëngan satoe waktoe daripada bëbërapa waktoe dan 
dëngan bëbërapa sabab. 

DC. 

BIDaJAT AL-MOEBTADï BI FADL ALLaH AL-MOEHDi I. 

Bat Gen. 102 A, 152 bl. 21 r. (22 X 15 cM.) 

Notulen 1879 4 Maart II, l en 1 April VII. 

Kitab in drie bab's; I over islam, ïman, tauhïd en raa c rifah, II over 
de salat, III over de vasten. 

B, bl. 103 — 109 bevat aanteekeningen over godsdienstige onderwerpen. 

DCI. 

BIDaJAT AL-MOEBTADï BI FADL ALLaH AL-MOEHDi II. 

Bat. Gen. 105, 23 X 19 cM., 94 bl. 19 r. 
Notulen als bij het vorige nummer. 

Hetzelfde werk. 

DCII. 

BIDaJAT AL-MOEBTADi BI FADL ALLaH AL-MOEHDi III. . 

Bat. Gen. 108, 22 X 15 7 8 cM., 150 bl. 19 r. 
Notulen 1 April 1879, VI a. 

Hetzelfde werk. 

Achteraan een Atjehsch slot van twee bladzijden. 

DGIII. 

BIDaJAT AL-MOEBTADi BI FADL ALLaH AL-MOEHDï IV. 

Bat. Gen. 282, 21 X 17 cM., 179 bl. 17 r. 
Notulen 23 December 1901. I, rf, 3». 

Hetzelfde werk. 

Niet af. 



395 

DCIV. 

BIDaJAT AL-MOEBTADi BI FADL ALLaH AL-MOEHDi V. 

Bafc. Gen. 298, 21 X 17 cM., 42 bl. 15 r. 

Notulen 23 December 1901, I, d, 1° en bl. CXLIX sqq. 

Hetzelfde werk; incompleet, eindigt in § 2 over de nadjasah en de 
middelen om die te doen eindigen. 

DCV. 
BIDaJAT AL-MOEBTADi BI FADL ALLaH AL-MOEHDi VI. 

Bat. Gen. 300, 22 X 16 cM., 139 bl. 19 r. 
Notulen als boven. 

Onvolledig gescheurd ex.; eindigt met de vasten, begin ontbreekt. De 
eerste 10 bl. belmoren niet bij dit werk. 

DCVI. 
BIDaJAT AL-MOEBTADï BI FADL ALLaH AL-MOEHDi VIL 

Bat. Gen. 318, 23 X 16 cM., 134 bl. 19 r. 
Notulen als bij het vorige HS. 

Hetzelfde werk. tot bl. 106; het begin ontbreekt. 

De rest bevat de Kawa'id al-islam in het Atjehsch (beukeumeunan). 

DCVII. 
BIDaJAT AL-MOEBTADi BI FADL ALLaH AL-MOEHDï VIII. 

Bat. Gen. 324, 22 X 17 cM., 141 bl. 17 r. 

Notulen 1902 Maart II, 8° en Juni I, 15°. 

Hetzelfde werk. 

DCVIII. 
BIDaJAT AL-MOEBTADi BI FADL ALLaH AL-MOEHDi IX. 

Bat. Gen. 325, 23 X 17 cM., 126 bl. 18 r. 
Notulen als bij het vorige HS. 

Hetzelfde werk; gevlekt en onduidelijk geschreven exemplaar. 



396 

DCIX. 

BIDaJAT AL-MOEBTADï BI FADL ALLaH AL-MOEHDi X. 

Bat. Gen. 345, 24 X 17 cM., 125 bl. 19 r. 

Notulen 1904, 7 November, III, 2° en Bijlage XIII no. XXII. 

Op bl. 7 wordt dit werk Bidajat .... Allah al-mahdï genoemd. 

DCX.' 

BIDaJAT AL-MOEBTADï Bl FADL ALLaH AL-MOEHDi XI. 

Bat. Gen. 376 B, bl. 15—59, 17 r. (22 X 16 cM.) 

Notulen 1904, December III, 2° a, en Bijlage XIV. 

Hetzelfde werk, doch slechts een fragment. Op bl. 30 — 42 losse notities 
in het Arabisch en Maleisch ; op bl. 43 wordt de tekst voortgezet, maar met 
een hiaat. 

DCXT. 

BIDaJAT AL-MOEBTADi BI FADL ALLaH AL-MOEHDï XII. 

Bat. Gen. 377 B, bl. 25—197, 17 r. (22 X 16 cM.) 
Notulen als bij het vorige HS. 

Gedeelte van het werk. Bl. 171 — 173 zijn Atjehsch. 

DCXII. 

BIDaJAT AL-MOEBTADi BIFADL ALLaH AL-MOEHDi XIII. 

Bat Gen. 381 A, bl. 1—90, 21 r. (30 X 20 cM.) 

Hetzelfde werk. 

DCXIII. 
BIDaJAT AL-MOEBTADi BIFADL > ALLaH AL-MOEHDi XIV. 

Collectie Br. 409, 21 X 17 cM. 47 bl. 13 r. De titel is niet vermeld. 

DCX1V. 
BIDaJAT AL-MOEBTADï BIFADL ALLaH AL-MOEHDi XV. 

Collectie v. d. W. 17, 20 X 16 cM., 132 bl. 12 r. Later 13, 15 en 17 r. 



397 

Van dit exemplaar ziju dag en maand, niet het jaar der opstelling 
genoemd. 

Andere handschriften: 

Leiden, cod. 3280 en 3281, Catal. bl. 285—28(5. 

'sGravenhage: nos. G25 en 028 (LXI en LXII). 

DCXV. 

MASa'IL AL-MOEHTADï LI ICHWaN AL-MOEBTADï I. 

Bat. Gen. 70, 20 X 17 cM. 30 bl. 15 r. 
Gelithografeerd te Mekka in 1307. 

( 'atechismus over dogmatiek en de zuilen des islams. 
Op bl. 3 begint een vreemd gedeelte, van twaalf bladzijden, bevattende 
djinmts en berekeningen. 

DO XVI. 

MASa'IL AL-MOEHTADï LI ICHWaN AL-MOEBTADï II. 

Bat. Gen. 299, D bl. 80—94. 24 r. (23 X 17 cM.) 

Notulen 23 Dec. 1901, I, </, 1<> en bl. CXL1X sqq. 

Klein fragment van dezen catechismus. 

DCXVII. 

MASa'IL AL-MOEHTADï LI ICHWaN AL-MOEBTADï III. 

Bat Gen. 320, 22 X 16 cM. 19 bl. 19 r. 

In den titel staat jjJLiuü) J,Jl_«*.o, met de vertaling: sëgala mas'alah 
jang rnënoendjoek djalan jang bëtoel bagi sëgala soedarakoe jang bëharoe bëradjar. 
Gevlekt exemplaar; zie Notulen 1902 Maart, II, 8° en Juni 1, 15°. 

DCXVIII. 

MASa'IL AL-MOEHTADï LI ICHWaN AL-MOEBTADï IV. 

Bat. Gen. 335 B. bl. 96—99. 

Notulen 7 November 1904, III, 2° en bijlage XIII. 

Klein fragment. 



398 

DCXIX. 

MASa'lL AL-MOEHTADï LI ICHWaN AL-MOEBTADi V. 

Bat. Gen. 350, 17 X 10 cM., 51 bl. 15 r. 

Notulen als boven; bijlage XIIT, no. XXX. 

Achteraan in dit vijfde exemplaar staan enkele gebedsformulieren. 

DOXX. 

MASa'lL AL-MOEHTADi LI ICHWaN AL-MOEBTADi VI. 

Bat. Gen. 357, 17 X 10 cM., 30 bl. 1G r. 
Notulen als boven. 

Slechts de eerste negen bladzijden van dit werk zijn in dit HS. aantetreffen. 
De rest is ingenomen door eene verzameling gebeden, w. o. een bizb 
van Sajjid Moeham mad Salih Zawawi. 

DCXXI. 

MASa'lL AL-MOEHTADï LI ICHWaN AL-MOEBTADi VII. 

Bat. Gen. 277 A, bl. 1—22, 17 r. (22 X 16 cM.) 

Notulen 1904, December III, 2°, a en bijlage XIV. 

Idem. Op bl. 23 van dit HS. staat eene quaestie of de iman iets manne- 
lijks of iets vrouwelijks is. 

DCXXII. 

MASa'lL AL-MOEHTADi LI ICHW T aN AL-MOEBTADi VIII. 

Collectie v. d. W. 16, 20 X l^> l / 2 cM. 10 bl. 17 r. gedat. 28 Rabïc 
I, 1237. 

Wederom hetzelfde werk, doch met minder tekst en zonder enkele 
uitweidigen die in het volgende HS worden aangetroffen. 

DCXXIII. 
MASa'lL AL-MOEHTADi LI ICHWaN AL-MOEBTADi IX. 

Collectie v. d. W. 49 E, bl. 70— 8G, 17 r. (33 X 21 cM.) 

Dezelfde cathechismus over iman, islam, ihsan, tauhid, ma c rifah, sjahadah, 
taharah, salat en saum. 



399 

DCXXIV. 
MASa'lL AL-MOEHTADï LI ICHWaN AL-MOEBTADï X. 
Collectie Br. 226 A, bl. 1—34, 15 r. (20 Y 9 X 16 cM.) 

Het handschrift is gedateerd 1194. B, bl. 35 — 39, bevat potloodnotities 
over den sëtnbahjang. 

Ander handschrift : 

Leiden: cod. 3282 (CCCIII). 

DCXXV. 

TARGHïB AL-caMILïN. 

Collectie v. d. W. 19, 20 X 16 cM. 97 bl. 13 r. 

Op het titelblad heet het werk tl) »_ (UJ> . A _suS) Lx_«_£J) u-jLjLS' 

Volgens de inleiding verkort uit de ^Lo-jiM &_x_»_£, hetwelk uit het 

Perzisch in het Arabisch vertaald is, welks auteur is Sjajch Moehammad ibn 
c Abdillah Moehammad al-'Idji ; door een ongenoemden bewerker is de Arabische 
tekst in het Maleisch vertaald. 

Het geschrift is verdeeld in vijftig sjoe c bah's, over de geloofsbelijdenis, 
het geloof in de engelen, in de heilige boeken, in de profeten, in den oor- 
deelsdag, de opstanding, de voorbeschikking, de uiterste dingen, het paradijs; de 
liefde Gods, de vreeze Gods, de hope op Gods barmhartigheid, het godsvertrou- 
wen, en over andere onderwerpen als de ictikaf, de hadj, de djihad, al moeraba- 
tah fï sabïl Allah, de kaffarak's, het zich onthouden van verboden spijs en drank, 
de bekeering, e. d. De laatste sjoe e bah is getiteld LcUsi I t-Ac Uj CJ^^a.H 
wat vertaald wordt door bërpëgang dëngan barang jang ada atasnja itoe për- 
himpoenan c oelama. 

DCXXVI. 

TOEHFAT AR-RaGHIBiN Fi BAJaN HAKïKAT ïMaN 

AL-MOE'MINiN. 

Collectie v. d. W. 37, 20y g X 16V 2 cM., 89 bl. 21 r. 

De volledige titel is Toehfat ar-raghibin fï bajan hakïkat ïman al-moe' 
linïn wama joefsidoehoe fï riddafc al-moertaddïn, dus handelende over de waarheid 
des geloofs, en de verderfelijkheid daarvoor in den afval der moertadd's gelegen. 



400 

Het werk, dat in 1188 is opgesteld, bestaat uit drie hoofdstukken en een 
besluit ; het doel van den auteur was te leveren eene ,,risalat simpan dëngan 
bëhasa Djawi pada mënjatakën hakïkah ïman dan barang jang mëmbinasakën- 
dia sëgala përkata'an dan përboeatan dan i c tikad hati". 

Allerlei geloofsovertuigingen van ketters, secten, volken worden behandeld 
en getoetst aan het ware Geloof, en verschillende autoriteiten, o. a. de auteur 
van den Djauhar Nafis worden aangehaald; de bladen zijn verkeerd ingenaaid. 

Op bl. 58 begint een fragment van een ander werk, bij het zevende hoofd- 
stuk, hetwelk handelt over de adab van het reciteeren van den koer'an, geheel 
dooreen en verkeerd ingenaaid zoodat de fasl's in verkeerde volgorde staan. 

Bl. 70 en 71, over den sahóer, behooren in dit HS. niet thuis. 

Op bl. 72 begint een fragment van een werk over de geloofsleer, en 
wel over het geloof aan de profeten en de engelen. 

Op bl. 70 wordt de toehfat ar-raghibïn voortgezet, maar deze bladzijde 
moest feitelijk op bl. 3 volgen. 

Op bl. 8 L begint het tweede hoofdstuk, over hetgeen het geloof bederft. 

Op bl. 83 moest feitelijk bl. 47 volgen. 

Bl. 84, over den heiligen oorlog behoort hier niet. 

Het slot valt op bl. 87. 

Bl. 88 en 89 bevatten weder het begin- van het boek. 

dcxxvil 

ZOEHRAT AL-MOERïD Fi BAJaN KAL1MAT AT-TAUHiD I. 

Collectie v. d. W. 49, F, bl. 86—111, 17 r. (33 X 21 cM.) 

Verhandeling over de tauhïd (de geloofsleer) in 1178 te Mekka geschre- 
ven op verzoek van iemand die met hem de lessen van Ahmad ibn c Abdil- 
moen c im ad-Damhóerï gevolgd had, ten behoeve van hen die het Arabisch niet 
machtig zijn, door c Abdoessamad ibn ^Abdillah al Djavvï al Palembanï. 

Aan het slot worden enkele medestudenten die den takrïr van Damhóerï 
volgden vermeld. 

Het handschrift is gedateerd 1181, te Mekka. 

DCXXVI1I. 

ZOEHRAT AL-MOERiD Fï BAJaN KAL1MAT AT-TA WHïD II. 

Bat. Gen. 109 C, bl. 132—153, 19 r. (20 X 14 cM.) 
Notulen 3 Juni 1879 II, k. 



401 

Hetzelfde geschrift. 

Het handschrift is niet gedateerd. 

ÜCXXJX. 
DOERRAT AL-FARalD BISJARH AL-«AKa'ID. 

Collectie v. d. W. 20, 34 X 21 V s cM., 80 bl. 21 r. gedat. 1185. 

Sjajch Nöeroeddïn ibn Hasandji ibn Moehammad ibn Hamïd heeft dit 
werk overgezet uit het Arabisch, nl. uit den Sjarh al- c aka'id van den imam 
Sa'doeddïn Taftazanï (de commentator van den Moechtasar c aka'id van den 
imam Nadjinoeddiu c Oemar), en er bewijzen uit den hadith en nuttige wenken 
aan toegevoegd. 

Het werk behandelt het wezen van Allah, het geloof aan Hem, en de 
andere geloofspunten. 

Aan het slot wordt het werk Djauhar al-Faraid genoemd. 

DCXXX. 

(AD-) DOERR ATH-THAMïN I. 

Bat. Gen. 224, 22 % X 17 cM., 42 bl. 19 r. 
Notulen Juni 1895, III, (bl. 07). 

Fragment van een werk over de geloofsleer (pada mënjatakën i c tikad 
aëgala orang moe'minïn) van Daoêd ibn c Abdillah Patani. geschreven in 1232. 

In het begin staat „aj)£, .jó'U? maar in hetMaleisch tiga poeloeh doea. 

»Het werk is meermalen gedrukt; van den tweeden druk te Mekka in 
1303 verschenen bevat dit afschrift pg. 1 — 27 reg. 2, terwijl die geheele 
uitgave 118 bladzijden bevat". 

DCXXXI. 

(AÜ-) DOERR ATH-THAMiN II. 

Collectie v. d. W. 27, 33 X 20% cM., 218 bl. 17 r. gedateerd 17 
Sja c ban 1273. 

De volle titel is hier; (ad-) Dar (sic) ath-thamïn fï bajan a c ka'id 
al-moe'minïn. 

Het uitgebreide met vele faidahs en bewijsplaalsen voorziene werk is 
in dit HS. compleet. 

Verhandelingen. 26 



402 

DCXXXII. 

» 

(AN-)NóER AL-MOEBïN Fi KTIKAD KALIMaT ASJ- 

SHAHaDATAJN I. 

Bat. Gen. 189. 19 1 /, X 10 cM., 22 bl. 18—19 r. gedateerd 20 
Dzoelh. 1279. 

Kleine verhandeling over de geloofsbelijdenis. 

DCXXXI1L 

(AN-)NóER AL-MOEBïN Pi I«TIKaD KALIMaT ASJ- 
SHAHaDATAJN II. 

Collectie v. d. W. 39, bl. 1—49, 9—11 r. (20 X 16 cM.) 

Tweede exemplaar van de kleine verhandeling over de geloofsbelijdenis 
geschreven door , O ^) <-JoM) hïU>) Aa,J) j) ^^z ^JüA\) 

JI'-bJ) iCAil! c £_jli ,W^ii) ,C».L^ -Afijb f WS» i fi.) .^) JU. j' <SÜl> I S.LJ) 

in 1123 den 9en Radjab. 

Een fragment van eene kleine verhandeling over de sjahadah volgt, en 
daarna de Arabische tekst van de Sittin met interlineaire Maleische vertaling, 
gedateerd: 1266 Gang Pëtjenongan. 

DCXXX1V. 

(AN-)NöER AL-MOEBiN Fi I^TIKaD KALIMaT ASJ- 
SJAHaDATAJN III. 

Collectie Br. 200 P, bl. 41—71, 15 r, (20 X 13 cM.) 

Dit handschrift is gedateerd 9 Radjab 1123. 

DCXXXV. 

(AN-)NöER AL-MOEBiN Fi I^TIKaD KALIMaT ASJ- 

SJAHaDATAJN IV. 

Collectie Br. 226 C, bl. 41-65, 15 r. 
Dit exemplaar is gedateerd 1204. 



403 

Het woord kalimah staat in den titel in duali: kaliinataj asj-sjahadah, 
de vorm sjahadah in singulari. 

Beide titels hebben recht van bestaan, die van dit HS is feitelijk de 
meest juiste. 

DCXXXVI. 
(AI)-) DOERR AN-NAFïS. 

Collectie v. d. W. 32, 337, X 21 cM. 114 bl. 18 r. 

De volle titel van dit werk over eenige hoofdpunten van de geloofsleer 
is Ad-doerr an-nafia fi bajan wahdat al-af c al wa'1-asma' wa's-sifat wa dzafc at- 
takdis; het behandelt dé wahdat adz-dzat, die der sifat, die der asma' en die der 
ai v al (wezen, eigenschappen, namen en werken). 

Het werk bestaat uit ecne inleiding pada mënjatakën sëgala jang mëm- 
batilkën ia akan orang jang salik dan jang mënëgahkën ia akandia daripada 
sampaj kapada Allah Ta c ala, vier hoofdstukken over de eenheid der werken, 
der namen, der eigenschappen en van het wezen, en eene takmilah. 

Het boek is in 1200 opgesteld door Moeham mad Nafis ibn Idris ibn 
al-Hoesajn uit Bandjar, woonachtig te Mekka, Asj c ariet van geloof, Djoenajdï 
van imam, van de Kadarijjah, van de Sjatarijjah als zijn kleed, van de Naksji- 
bendijjah als e amal, chalwatï naar zijn eten, sjamanï naar zijn drank. De laatste 
bladzijde wordt ingenomen door een sja c ir van llamzah Fansöeri. 

DOXXXV11. 
DJAWallIR AL-cOELöEM Fi KASJF AL-MA^LóEM I. 

Collectie v. d. W. 10. 33 X 2 O 1 /, cM. 200 bl. 20 r. 

Een werk over de geloofsleer van Sjajch Nöeroeddin ibn c Alï ibn Hasan- 
djï ibn Moehammad Hamid, die het heeft opgesteld in 1052 ; het is verdeeld 
in crue inleiding, en vijf hoofdstukken: 

1°- ...a.Djj X.ï»xawJ ,j)j J UJ (js>- l^v. b ^j?~j ^ ^o ^i 

's **al) tj>$>) _X_Lat) si ,<2 <X_£juw 

2". c^LLs (J..Xwj i" Ua^o si 

3°. aIxwj) (JXjj -S'Lix^ si 

4°. LjL.> Li' ^ [x-c ) & Ux« si 

5°. jLj^.U.- ^Li) .^Uju) si 



en een besluit ^\ JjUL>. Ac ^LLi' ^Uju 

Aan het slot komt eene kleine biografische aanteekening voor. 



Si 



404 
DCXXXV11I. 
DJAWaHIR AL-^OEMóEM Fï KASJF AL-MA^LóEM II. 
Bat. Gen. 119, 20 X 16 cM. 236 bl. 19 r. 

Dit handschrift, een tweede exemplaar van dit werk, heeft aan denzelf- 
den vorst toebehoord als nos 117 en 118. 

Vele bladzijden zijn geheel gescheurd langs de regels door den uitbijtenden 
inkt, en op die plaatsen is de tekst bijkans onleesbaar. 

DOXXXIX. 
BIDaJAT AL-HIDaJAH I. 

Bat. Gen. 107 A, bl. 1—105, (21 X 15 cM.) 
Notulen 3 Juni 1879, II k. 

Maleische bewerking van As-Sanoêsï's Oemm al-Baralüu, het bekende 
leerboek over de Geloofsleer, door Moehammad Zajn ibn al-Fakïh Djalaloeddïn 
al-Asjï (de Atjeher) asj-Sjafi c ï in 1170 te Mekka geschreven, getrokken uit 
commentaren en glossen op genoemd werkje. 

Bl. 106 — 119 bevatten losse notities over geloofsleer. 

DCXL. 
BIDaJAT AL-HIDaJAH II. 

Bat. Gen. 295, bl. 131—136 (25X17 cM.) 

Begin van het werk slechts. 

Zie over dit handschrift Notulen 23 Dec. 1901, <l, 1 o en bl. CXLIX sqq. 

Dit HS. is ,,een manuscript van Teungkoe Koeta Karang waarin allerlei 
aanteekeningen en citaten (Arabisch, Maleisch, Atjehsch) bijvoorbeeld een ver- 
handeling over de plichten van den qadbï (Arab), een gedicht over Allahs 
eigenschappen (Atj.) recepten voor c azïmah's enz. euz". 

Verder komen in dit HS. voor: 

Losse aanteekeningen op fikk-gebied. 

Een Fragment over de twintig eigenschappen. 

Allerlei tusschen Arabische gedeelten staande abrupte Maleische aan- 
teekeningen. 

Op bl. 71 bl. 18 c Azïmah's, gebeden e. d. 



405 

DCXLI. 

BIDaJAT AL-HIDaJAH III. 

15;. t. Gen. 299 A, bl. 17—45 (23X17 cM.) 
Notulen als bij het vorige no. 

Een fragment van hetzelfde werk, voorafgegaan door aanteekeningen over 
geloof en mystiek. 

B, bl. 47 — 54 bevat voorteekenen en voorzeggingen. 

C, IjI. 74 — 85 bevat gedeelten van werkjes over geloofsleer. 

D, is reeds beschreven (Masa'il al-moehtadï). 

DCXLIL 

BIDaJAT AL-HIDaJAH IV. 

Bat. Gen. 328 A, bl. 1—132, 17—19 r. (20 X 16 cM.) 
Notulen 20 October 1902, II, /. 1°. 

Zeer gehavend exemplaar waarin na bl. 129 eene lacune voorkomt. 

DCXLIIL 

BIDaJAT AL-HIDaJAH V. 

Bat. Gen. 341 B, bl. 82—206, 19 r. (21x16 cM.) 
Notulen 7 Nov. 1904, 111, 2° en Bijlage XIII. 

Hetzelfde geschrift. 

Op bl. 208 — 211 staat een Arabische radjaz niet Maleische vertaling 
over plichten van den student, en bl. 212 — 216 idem met vertaling en eene 
'akidah bevattende. 

DCXLIV. 
BIDaJAT AL-HIDaJAH VI. 

Bat. Gen. 376 C, bl. 63—191, 19 r. (22 X 16' cM.) 

Notulen 1904, en December III 2° a, en bijl. XIV. 

Derde exemplaar. 

Op bl. 185 en 186 staan aanteekeningen. 

Op bl. 192 — bl. 199 Arabische verhandeling over de geloofsleer met 
interlineaire Maleische vertaling en losse aanteekeningen. 



40b' 

BI. 200 — bl. 238. Een Arabische nazin van c Alxloelghafóer, een Ara- 
bisch fragment over het geloof, en na andere aanteekeningen op bl. 243 een 
fragment over de nijjah tot den sëmbahjang. 

Bl. 244 — 249. Een Arabisch gedicht over den adab met interlineaire 
Maleische vertaling en andere aanteekeningen. 

DCXLY. 
BIDaJAT AL-HIDaJAH VII. 

Collectie v. d. W. 45, 32 V, X 21 cM., 124 bl. 15 r. 

„Maleische bewerking van het in den Archipel alom verspreide Ara- 
bische werk over de Mohammedaansche geloofsbelijdenis van As-Sanoêsï (-)- A. 
H. 895), in Indië bekend onder cle titels <&) jj) J en aa^jLH J.&) «JoiLc 

• -wjyuJ) tio lic iS.aJ) 
De bewerker Moebammad Zajn ibn al-fakïh Djalaladdin al- c Asji (de 
Atjeher), heeft de Oemm al-Barahin bewerkt en gecommenteerd, volgens zijne 
eigene woorden : ,,sërta akoe njatakën ma c nanja dëngan barang jang akoe lihat 
akandia satëngah daripada sjarh dan satëngah daripada luis jij ah dan akoe him- 
poenkën kapadanja satëngah fa'idah jang bërkahëndak kapadanja". 

DCXLVI. 

OEMM AL-BARaHiN I. 

Bat. Gen. 102 C, bl. 110—134, 21 r. (22 X 15 cM.) 
Notulen 4 Maart 1879 II / en 1 April VIL 

De tekst van. As-Sanoêsï's korte geloofsleer met interlineaire Maleische 



vertaling. 



DCXLV1I. 
OEMM AL-BARaHiN IL 

Bat. Gen. 113 G, bl. 212—237, (22 X 16 cM.) 

Hetzelfde, op dezelfde wijze ingericht. 

DCXLVIIL 

OEMM AL-BARaHiN III. 

Bat. Gen. 357 A, bl. 1—16, 19 r. (23 X 17 cM. 
Notulen 1904, III, 2°, a, en bijlage XIV. 



407 

Fragment eener Maleische vertaling van bet genoemde werk. 

DCXLIX. 
KITaB OESóEL AD-DiN. 
Collectie v. cl. W. 46, 33 X 21 cM., 190 bl. 17 r. 

Werk oyer de geloofsleer, geput uit de commentaren op de Oemin al- 
Barahin van Sjajcb Moebammad ibn Mansoer Hoedboedï en Sjajcb c Abdoellab 
ibn c Oemar Talemsani en anderen, benevens de glossen van Sjajcb c Abdoellah 
Sjarkawï. 

Vooraf gaat eene kleine biografie van As-Sanöesï. 

De zwarte inkt beeft bier en daar belangrijk ingevreten. 

Dit werk is een ander dan cod. Leid. 1957, Catal. bl. 260 en 261. 

DCL. 

eAKfi'ID AL-ïMaN. 

Bat. Gen. 230, 21 X 17 cM., 34 bl. 14 r. 

Copie van een in 1286 te Batavia gesebreven handboek over de geloofsleer. 
Het HS. is gedateerd 23 Sjawwal 1286. 

DCLI. 
cAKïDAH BI MIFTaH AL-cAKa'ID I. 

Bat. Gen. 102 D, bl. 135-152, 21 r. (22 X 15 cM.) 
Notulen 1879 4 Maart II, / en April VII. 

Korte geloofsleer van Lëbe c Abdoellah Peusangan in Pasaj beginnende: 

jUi' l^j)jÓ' iAr.U „iljuu Si Jl£ir) &Jlxi) CjC^, e^o) ,J riXo.£ i-j'i^ 

Q^- Si L_^%5-)j t^J^- ^J 1 "* i-S"'^' L^4_C»j^o ijUicta j^_j i süC* (JjC^j 'JJo 

s.aï .o ^jlJ (J.xzs\Wo iir.b ^J Ju, c^--cl £—> <j)l) j^jj \q*o è~> Ll^-O t \A a y 

• >Lw.J). ïA*A) ^-Alé &Jj) uy^j lK^ &>- ^J 

DGL1I. 
cAKïDAH BI MIFTaH AL-cAKaTD II. 

Bat. Gen. 340 B, bl. 26-39, 19 r. (21 X 15 cM.) 



408 

Hetzelfde werkje. 

Dit HS. is n° XV van Bijlage XIII, behoorende bij Notulen van 

7 November 1904, III, 2<\ 

DCL1II. 

GELOOFSLEER VAN AL-BOECHaRï. 

Bat. Gen. 68, 23 X 16 cM. 36 bl. 21 r. 

Korte bandleiding der geloofsleer van M. Arsjad ibu c Abdillah al- 
Boeckfiri. 

Achteraan staan enkele aanwijzingen nopens de sëmbahjangs en enkele 



gebeden. 

DOL1V. 

BAJaN TADJALLï. 

Bat. Gen. 115 A, bl. 1—6, 17 r. (23 X 17 cM.) 

Notulen 3 Juni 1879, III, en 4 Nov. IV b en 2 Dec. II p. 

Kleine verhandeling van c Abdarra'oêf Amïnaddm ibu c Abdillah al- 
Fansöeri. 

DCLV. 

(AD-) DOERRAH AN-NAZïRAH. 

Bat. Gen. 340 A, bl. 1—18, 22 r. (21 X 15 cM.) 

Notulen 7 November 1904, III, 2° en Bijlage XIII n° XV. 

Verhandeling over, de geloofsleer van Siradjoeddin ibn Djalaliddin, 
gevolgd door enkele, ook Atjehsche, aanteekeningen, eene tahkim-formule (op 
bl. 23) en nog eenige aanteekeningen. 

DCLV1. 

EIGENSCHAPPEN VAN ALLaH EN DE GELOOFSBELIJDENIS. 

Bat. Gen. 111, 15 X H ] / 2 cM. 54 bl. 11 r. 
Notulen 8 Juni 1879 II h. 

Een werkje over genoemde onderwerpen met vele Atjehsche woorden 
en later geheele Atjehsche gedeelten. 



409 
ÜCLVII. 

BAJaN ASJ-SJAHaDAH. 

Bat. Gen. 171, 19V 2 X l« cM., 40 bl. 

Na een drietal aan den profeet toegeschreven gezegden met interlineaire 
Maleische vertaling, bevat dit HS. op bl. 4 — 23 enkele vragen en antwoorden 
uit genoemd werk over de geloofsbelijdenis. 

Op bl. 23 — bl. 26: Vragen en antwoorden over den sëmbahjang. 

Op bl. 34 — 35: Arabische verzen. 

Op bl. 38 — 39: Enkele koeranverzen. 

Achteraan staat ^ j ^j^ ^ ^a*J y& \Sj&« r/ h$ ^ J*Hf &$ 
(raantri teekenaar). J ^jj ^Juu t^tfj* Jju«1 ^.^ t J^jö *Jlï 

DCLVIII. 

GELOOFSLEER— AL-KOESJaSJï. 

Bat. Gen. 109 A, bl. 1—124, 19 r. (20X14 cM.) 

Commentaar op eene berijmde verhandeling over de geloofsleer van 
Sai'ijjoeddin Ahmad ibn Moehammad al Madani al Ansari, algemeen genaamd 
Al- Koesjasjï, gelijk die gecommenteercl is door diens leerling Boerhan- 
oeddin Maula Ibrahïm. 

B, bl. 125 — 131, bevat eenige opmerkingen over het wezen van Allah. 

C. is de jj J 'i'JbU D de JJ^) J-s-i beide elders beschreven. 

DCL1X. 
GELOOFSLEER. 

Collectie Br, 200 A, bl. 1- 39, 15 r. (20 X 13 cM.) 

Een Kort Begrip der geloofsleer vormt den inhoud van dit HS. 

DOLX. 
GELOOFSLEER. 

Collectie Br. 200 C, bl. 73—113, 15 r. (20 X 13 cM.) 

Wederom eene korte geloofsleer, vooral over de Eigenschappen van Allah. 
B, bl. 41—71 is de^) ; y 



410 

DCLXI. 

GELOOFSLEER. 

Collectie Br. 2(30, 20 X 16 cM., 82 bl. 11 r. gedateerd 12 Djoera. II 1277. 

Eene verhandeling over de Eigenschappen met hare verstandelijke en 
wettelijke bewijzen, over de zes artikelen des geloofs, verdeeld in zestig artikelen ; 
ten slotte over de heerlijkheid van den Profeet. 

De laatste bladzijden handelen over de sjahadah en den istindja. 

DCLXII. 

GELOOFSLEER. 

Collectie Br. 2G2. 20 X 16V 2 cM., 62 bl. 13-15 r. gedat. 1282. 

"Wederom eene verhandeling over dit onderwerp. 
Voorin staat een versje. 

DCLXIII. 
GELOOFSLEER. 
Collectie Br. 412, 21 X 17 cM., 83 bl. 13—14 r. 

Bl. I — 67 bevatten eene verhandeling over de Namen, de Eigenschap- 
pen, het Wezen en de Werken van Allah. 

De rest is Javaansch over c alamats van natuurverschijnselen, droomen, 
staartsterren e.d. 

DCLXIV. 

GELOOFSLEER. 

Bat. Gen. 387. 21 X 17 cM., 268 bl. 

Bl. 1 — 177 zijn gevuld met Arabische, grootendeels met interlineaire 
jjaleische vertaling voorziene, verhandelingen over de geloofsleer. 

Bl. 178 — 258, 9 — 11 r. bevatten eene Maleische verhandeling over de 
geloofsleer, tevens verklaring barer termen, met ophelderende overleveringen. 

Daarna volgt een Arabisch fragment met interlineaire Maleische ver- 
taling. 



411 

DCLXV. 

GELOOFSLEER EN AANVERWANTE ZAKEN. 

Bat. Gen. 370, 18 X H cM., 46 bl. 

Notulen 1904, December 2°, d en Bijl. XIV. 

BI. 1 — 18. Verklaring van de beteekenis van Allah's namen, en van 
termen uit de geloofsleer. 

Daarna Arabisch. 

Bl. 24 — 32. Voorschriften omtrent bijzondere salats met de fundamen- 
teele overleveringen. 

Bl. 34 — 40. Faidah's uit den Targhïb al-italah; daarna gebeden. 

DCLXV r. 
GELOOFSLEER EN WET. 

Bat. Gen. 31(3, 21 X 15 cM., 114 bl. 19 r. 

Notulen, 23 December 1901, I, d, 1° en bl, CXLIX sqq. 

Gescheurd en gehavend fragment van een werk over beide wetenschappen. 

DCLXVII. 

WASIJJAT AL-ICHWaN AL-MOESTAZAWWIDïN 
LIJAUM AL-IDZN. 

Bat. Gen. 317 C, bl. 18—22, 19 r. (21 X 15 cM.) 
Notulen als bij het vorige n°. 

Uit den Kasjf al-ghammah fï ahwal al-maut wa'1-barzaeh en andere 
werken getrokken verhandeling over de geloofsleer van c Abbas ibn Moehammad 
al-^Asjï Koetakarang. 

Klein fragment slechts, gevolgd door Arabisch en fal-berekeningen 
(bl. 39-42). 

DCLXVIII. 

GELOOFSLEER IN VERMANINGEN. 

Bat. Gen. 374, 17 X 12 cM., 24 bl. 15 r. 

Notulen 1904, December 2° a, en Bijl. XIV. 



412 

Fragment van eene verhandeling over geloofsleer in den vorm van 



vermaningen. 



DCLXIX. 
TANBiHaï AL-GHaFILiN. 

Bat. Gen. 328 D, bl. 226—266, 19 r. (20 X 16 cM.) 

De volle titel van bet werkje is: tanbïbat al-ghafilïn c ala '1-istikaz 
min al-graflah bikalimat Allah la ilaha illa'llahoe. 

Dit deel van het handschrift bevat nasihats over de geloofsbelijdenis, en 
wel het begin daarvan. 

Bl. 267 — 273 bevatten verschillende aanteekeningen. 

Zie Notulen 20 October 1902, II, j, V\ 

DCLXX. 
KAWalD AL-lSLaM. 

Bat. Gen. 328 E, bl. 274—291, 17 r. (20 X 16 cM.) 

Kort leerboek over geloofsleer, vermengd met Atjehsche woorden; zeer 
gehavend exemplaar. 



.-i 



DCLXXI. 
GELOOFSLEER EN PLICHTENLEER. 

Bat Gen. 381 C, bl. 93—102, 22 r. (30 X -0 cM.) 

Kort begrip van bovengenoemde wetenschappen; niet voltooid. 
Bl. 107 — bl. 110 : Arabisch met interlineaire Maleische vertaling : gram- 
matisch. 

» 114 — bl. 116: Arabisch met interlineaire Maleische vertaling; uit 
de Asrar as-salat. 
Zes pagina's zonder iets. 

» 122: De talkin dzikr bij den sjajch en zijn moerid. 

» 123 — bl. 125 behooren bij de grammatische bladzijden. 

» 126: Teekeningen. 

DCLXX1I. 
GELOOFSLEER. 
Collectie v. d. W. 53, 20 V, X 16& cM., 23 bl. 17 r. 



413 

Fragment eener verhandeling over de eigenschappen van Allah en enkele 
andere punten der geloofsleer. 

Op het titelblad staat als titel: Nóer Moehïn, welke titel in het hoekje 
zelf echter niet voorkomt. 

DCLXXIII. 

HAJaT AL-KOELóEB. 

Collectie v. d. W. 23, 20 X 10 cM., 158 bl. 13 r. gedateerd: Buiten- 
zorg, Kampoeng Empang, 14 Radjab 1273, 10 Maart 1857. 

Over den behèl voor de reize naar het graf, in vijf hoofdpunten aan 
den hadith ontleend, vragen en vermaningen in verband met den dood en het 
inrichten van het leven met het oog op de gewenschte zekerheid bij het ster- 
ven, opgehelderd door verhalen en overleveringen. Vooral de verplichtingen 
van den sëmbahjang worden in behandeling genomen. 

DCLXXTV. 

ACHBaR AL-aOHIRAH Fi AHWaL AL-KIJaMAH, I. 

Collectie v. d. W. 48, 32 X 20 cM. 260 bl. 15 r. gedat. 4/8 1273— 18G7. 

Een werk door Nöeroeddïn ibn cAli ibn Hasandji ibn Moehammad Hamid. 
in 1052 op last van een niet verder aangeduiden Soeltan vertaald en bewerkt 
uit de Daka'ik wa'1-haka'ik en de Doerrat al-fachirah min kasjf c awamm al- 
achirah. van Ghazalï. en uit de c Adja'ib al-Mallioêt van Sjajch Ibn Dja c far 
Moehammad ibn c Abdïllah _LjCJ) en uit den Boestan van Aböe'l-Lajth en uit 
den Jj lJlJü) Jla^ ._A_^i..j', handelende over de opstanding en de uiterste 
dingen, benevens den hemel en de hel. 

Het boek is verdeeld in zeven bab's : 

1 pada raënjatakën kadjadian nöer nabi Moehammad, 

» Adam, 

» mant 

sëgala tanda kijamah dan barang jang ta c alloek 
dëngan dia. 
ah wal al-kijamah. 
naraka dan përi isinja. 
sifat soerga dan sifat sëgala isinja. 
Op het titelblad en den rug staat: „Dakajikoe'1 hakaik". 



11 


» 


» 


lil 


» 


» 


IV 


» 


» 


V 


» 


» 


VI 


» 


» 


VII 


» 


» 



414 

DCLXXV. 

ACHBaR AL-aCHIRAH Fi AHWaL AL-KIJaMAH IL 

Collectie Br. 275, 21 X 17 cM., 238 bl. 12—16—21 r. 

Hetzelfde werk. 

Schrijver en bronnen zijn niet vermeld, en de titel is: Chabar kijamat. 

DCLXXVI. 

ACHBaR AL-aCHIRAH Fï AHWaL AL-KIJaMAH III. 

Collectie v. d. W. 21, 21 X 17 cM., 106 bl. 11 r. 

Derde hoofdstak van dit werk: bab katiga pada mënjatakën kadjadian 
maut satëngah dari pada hal sakarat al-mant. 

Bijna de helft van het HS. is gevocaliseerd. 
De titel is niet vermeld. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1960(2) en 3201(1), Catal. bl. 274 en 275. 

DCLXXVII. 

SAKARAT AL-MAUT I. 

Bat. Gen. 133, 20 X l^Vs cM., 6 bl. verschillend aantal regels. 

Over den doodstrijd, door eenen Maleier uit eenen kitab tadzkirah 
geëxcerpeerd. 

DCLXXVIII. 
SAKARAT AL-MAUT II. 
Bat. Gen. 336 C, bl. 82—85, 13 r. (17 X 12 r.) 
Notnlen 7 November 1904, III, 2° en bijlage XIII. 
Dergelijke verhandeling. 

DCLXXIX. 
SAKARAT AL-MAUT III. 
Bat. Gen. 82, 14 X 10 cM., 40 bl. 13 r. 



415 

Dergelijke, maar meer uitvoerige verhandeling; dit HS. heeft toebehoord aan 
Mat Tahir in Moekim VII ( j g^j u^Xö £Jï£ ü^ ^.J «Ks^i" *jüU ,,.^jo 



DCLXXX. 

SAKARAT e. a. 

Bat. Gen. 330. H, bl. 131 — 141 13 r. (17 X 12 cM.) 
Notulen als boven. 

Over de rol der engelen bij den doodstrijd, gevolgd door aanteekenin- 
gen over mystiek, sëmbahjang, dood, e. a. 

Bl. 142 — 143 bevatten wenken voor den landbouwer, de rest (— bl. 210) 
is Atjehsch. 

DCLXXXI. 

DZIKR. 

Bat. Gen. 330, A, bl. 14—59, 13 r. (17 X 12 cM.) 

Notulen als boven, dit HS. is n°. IX der genoemde bijlage. 

Over den dzikr, zijnde het zesde hoofdstuk van een Möleisch werk (al- 
bab as-sadis fi fasl adz-dzikr \va adabibi wa kajhjatihi). 

DCLXXXÜ. 
DZIKR EN DOEca. 

Bat. Gen. 80 A, bl. 1—0, 9 r. (17 X 12 cM.) 

Over dzikr, met eenige döe e a's. 

DOLXXXIII. 
°AKa'ID EN SALaT. 

Collectie Br. 194, 21 X 14 cM. 13 r. 

Dit geschrift handelt eerst over de philosophische oordeelen en de 
eigenschappen van Allah; op bl. 18 over de woorden der sjahadab, op bl. 22 
over de c aka'id des geloofs die tot het istighna, tot het iftikar en de kalimah 
Moehammad behooren. Daarna over de teekenen des islams, en de verwoesters 
des islams, en plotseling op bl. 31 over den istindja, over de salat, gevolgd 
door gebeds- en tahijjat formulieren en poedjians. 



410 

DCLXXXIV. 

KIFaJAT AL-^IBaDAH. 

Bat. Gen. 314, 22 X 16 cM., 28 bl. 21 r. 

Notulen, 23 December 1901, I, d. lo en bl. CXL1X sqq. 

Door gebeden voorafgegane kleine verhandeling over de geloofsleer, 
gevolgd door de *.&.!) l^_;Ij) ; pen klein compendium, gelijk de bijtitel 
L^'üwi SLj. aanduidt. 

Andere bandschriften : 

'sGravenhage: HS. 024, bl. 154 en bl. 158—170. 

DCLXXXV. 

ISLfiM EN ÏMaN. 

Collectie Br. 193, 21 X 17 cM. 13 beschreven bl. 10 r. 

Klein fragmentje, met vele ledige bladzijden, van een compendium der 
genoemde wetenschappen; eindigt abrupt. 

DCLXXXVL 

ISLaM, ÏMaN EN MYSTIEK. 

Collectie Br. 220, 21 X 17 cM. 37 bl. 10 a 11 r. 

Fragment, een vod eigenlijk, van een kort begrip der hoofdregels van 
de genoemde c ilmoe's, zonder begin en slot. 

DCLXXXVIL 
KIFaJAT AL-MOEBaDï <ALa <AKïDAT AL-MOEBTADï. 

Bat. Gen. 301, 21 X 10 cM. 110 bl. 13 r. 

Geloofsleer, naar den „madzhab" van Al-Asj c arï van c Abdalmadjïd van 
Mindanao, geschreven in Atjeh onder Soeltan Mahmóed Sjah ibn Soeltan 
Djohan Sjah. 

Op bl. 82 wordt gezegd dat de geloofspunten in het kort en ten 
volle 50 zijn. 

De eigenlijke verhandeling eindigt op bl. 97. Daarna volgen: gebeden 
na de salat te verrichten, op bl. 104 verklaring van enkele termen uit de 



417 

geloofsleer, op bl. 107 een verhaal van kadi l 'Abdoellah in Baghdad, die den 
profeet in den droom zag en een bonk van hem verkreeg, op bl. 108 tahlïl'a 
en op bl. 109 een verhaal van den imam Hanafijjah die Allah in den droom 
zag en van Hem den last ontving den daaronder volgenden tasbih te reciteeren. 

DCLXXXV1II. 

BIDaJAT AL-MOEBTADï WA 'OEMDAT AL-AULaDi. 

Collectie v. d. W. 47, 33 X 21 cM., 129 bl. 19 r. 



De schrijfwijze van het laatste woord met ^j- aan het slot komt twee 
malen voor. 

De schrijver noemt zijn boek een përgantoengan jarig këtjil pada më- 
njatakën barang jang tadapat tiada bagi tiap tiap moekallaf mëngatahoei. . . . 
atau mëngatahoei saoempama jang dëmikian itoe (\dl<> &>,&*) .)) dari pada së- 
gala i c tikad kapada toehan jang bërnama Rahmau. 

Het boek is verdeeld in twee kasm's en een besluit. 

Kasm 1 over de geloofsartikelen en de geloofsbelijdenis. 
» II. over de c ibadat. 

Op den omslag staat ^j-jjvj.^) üL i >[j£ en op het schutblad i >U$ 

Het werk is gedateerd 1 Djoemadï 11 1254. 

DCLXXXIX. 

GELOOFSLEER EN MYSTIEK. 
Collectie v. d. W. 49, 33 X 21 cM., 111 bl. 17 r. 

A. bl. 1—43. 

Werk in vragen en antwoorden over de geloofsbelijdenis. 

Op bl. 34 begint eene tatimmah over de artikelen des geloofs, doch 

voornamelijk over Allah's eigenschappen, niet in catechismus-vorm. 

B. bl. 44 — 61. Verhandeling genomen uit een werk van Sjajch Joêsoef 
Mangkasar over den weg tot Allah, welke berust op de -wij, de 
/aaAaJ), de (utSLJj en de ijm%sJ 

C. bl. 62 — 65. Korte verhandeling van Sjajch Noêroeddïn Moehammad 
Djilani ibn cAlï ibn Hasan(dji) ibn Moehammad Haraïd over de 
schepping van het heelal. 

D. bl. ()ö — 69. Over de betrekking tusschen ziel, geest en lichaam. 
Verhandelingen. 27 



418 

De afcleelingen E en F hebben afzonderlijke titels en worden dus afzon- 
derlijk beschreven. 

DCXO. 
H1KAJAT SJAJCH «--ABDOELKaDIR DJïLaNï 1. 
Bat. Gen. 206, 21 X 17V 2 cM., 124 bl. 13 r. 

Leven van den stichter der Kadirijjah orde, uit het Javaansch in slecht 
en met veel Bataviasche woorden vermengd Maleisch vertaald, en ontleend aan den 
-~4Ju>!) 'LelJ>. l__)LjIS' 

Over de beteekenis van de levensgeschiedenis van dezen in 1166 over- 
ledenen grooten heilige der mystieken zie men De Atjéhers, vooral deel II, 
bl. 223, en noot. 

Er wordt verhaald dat hij de zoon was van Aböe Salih, wiens genealogie 
verder luidt : Móesa, Hindakóes, Abóe c Abdillah, Jahja, Moehammad, Daóed, 
c Abdoellah, Móesa, c Abdoellah Moehzï, Hasan, cAli, Aböe Talib. 

Volgens het op gezag van Aböe '1-Fadl medegedeelde verhaal werd hij 
geboren in 471 te Djailau (Djilan), of wel Kilan of wel Kabil of wel Djijöel 
in Tabaristan, en stierf hij in 561. Zijn uiterlijk wordt beschreven, zijne kinderen, 
jongere broeder Sjajch Allah (sic) en zijne moeder Fatimah worden vermeld; 
als zijn woonplaats onder hitte en droogte lijdt, bidt hij om regen en zijn 
gebed wordt verhoord; hij studeert bij vele leeraren, en volgt den imam Raficï 
(sic) op in Baghdad ; allerlei wonderen begeleiden zijne tochten ; met tal van 
geleerden heeft hij omgang. De volgende afzonderlijke verhalen over zijne ont- 
moetingen worden vermeld : 

op bl. 36 van c Abdoellfih c Amran Jamanï ; 

» » 43 » Sjajch c Oemar Kiinan en Sjajch cOemar ^; j (?) 

» » 46 » cArif ibn c Oemar ij ^ ; 

» » 54 » Sjajch c Abdoelkadir zijn zoon; 

» » 56 » Aböe Ghajad ibn Moehammad Azhari ; 

» » 62 » Sjajch Moehammad Azhari en Aboe '1-Moefachir ; 

» » 68 » Aboe Moezaffar ibn Moebarak. 

De volgende episodes beginnen op de volgende bladzijden: 

71, 73, 78, 81, 83, 89, 90. 97, 99. 102, 104, 107, 110, 113 en 114. 

Op de bl. 121 en 122 staat de doe c a van Sjajch c Abdoelkadir Djïlaui. 

In stede van Djilaui is overal Djajlanï geschreven. 



419 

DCXCI. 

HIKAJAT SJAJCH «ABDOELKaDIR DJiLaNi II. 

Bat. Gen. 256, A, bl. 1-167, 11 r. (2iy a X I6V9 cM.,) ged. 2 
Nov. 1892. 

Uit eene inlandsche leesinrichting. 
Dezelfde geschiedenis, met afwijkingen in de détails. 
Als geboorteplaats en-jaar worden opgenoemd: Djïlan (of Kilan of Kabil 
of Djijoel) en 470. 

De eigenlijke wonderverhalen beginnen op bl. 16; hun aantal is 31. 
Aan het slot: de fatihah en gebeden. 

DCXCII. 
HIKAJAT SJAJCH cABDOELKaDIR DJiLaNi III. 
Bat. Gen. 392, 22 X 18 cM., 64 bl. 16—17 r. 

Eene andere redactie. 

De afzonderlijke wonderverhalen zijn niet genummerd, maar als een 
doorloopend verhaal behandeld, het geheel is als eene bloemlezing uit de vele 
vertellingen. 

De volle titel is: Hikajat përi mëntjaritërakën manakibnja Arnïr al- 
aulija wa imam al-^'oelama Sjajch c Abcloelkadir Djiirxnï disëboetkën disini akan 
satëngah daripada sëgala hal ahwalnja dan kabësarannja martabatnja kapada 
Allah dan karamatnja daripada waktoe dipëranakkën oleh iboenja sahinggalah 
pada masa wafatnja. 

Op bl. 58 — 64 staan Arabische gebeden. 

DCXCIII. 
HIKAJAT SJAJCH cABDOELKaDIR DJiLaNi IV. 

Collectie Br. 285, 20 V, X 16 l / 2 cM. 211 bl. 13 r. 

Geheel gevocaliseerde, uit het Javaansch vertaalde, tekst van eene uiterst 
uitvoerige redactie. 

De eerste zgn. ,, hikajat" begint op bl. 15 (van den imam c Abdoellah 
ibn Soelajman al-Hasjimï); niet minder dan 50 hikajat's worden vermeld, de 
50 ste van Habib al-Kahhar ibn Sjajch cAbdillab. asj-Sjahroewardï; daarvan 



420 

staat slechts opgeteekend dat deze het verhaal placht te doen op gezag van 
zijnen vader. De rest ontbreekt. 

Achteraan staat een gebed in pegon. 

DCXCIV. 

H1KAJAT SJAJCH ^ABDOELKaDIR DJiLaNï V. 

Collectie v. d. W. 128, 32 1/ 2 X 20 7„ cM., 1(33 bl. 17 r. gedat, 24 
Djoem. II, 1273. 

Zeer uitvoerige redactie. 

In de genealogie komen meer namen voor dan in die van I, en ook 
wijzigingen, z. a. c Abdoellah Maharl (niet Moehzï), terwijl de generaties nu en 
clan omgekeerd zijn. 

Als geboortejaar wordt 470 aangegeven. Reeds dadelijk worden behalve 
Aboê '1-Fadl (ibn Salih ibn Safï c ) vele andere auteurs als bronnen genoemd. 
In plaats van het onzinnige Sjajch Allah van I wordt hier Sjajch c Abdoellah 
als naam van zijnen broeder genoemd. 

De verhalen komen met die van IV overeen (zij beginnen op bl. 8), 
maar midden in hikajat 29 (van Sjajch Aboê Mas'oêd Ahrnad) komt na bl. 
63, na de woorden ^jg -j :} 3 &) ó^.* <xii) &*c yi) *U.x«j Jy c^LTj J\3 

~rr ... c; x- u T-P i-j •■ c_? rr ■ • u - 

een belangrijk hiaat, want eerst in het 52 verhaal gaat de geschiedenis verder, 
met de woorden i^_>L ')jj ,UjO c^L. CJjJlj ^ijSljib ili' c^JuaL» y^o Jjó 
i^%^3>- Het ontbrekende gedeelte is blijkbaar moedwillig uit het HS. verwijderd 
nadat het was ingebonden, daar alle hechtsels zijn verscheurd. 

De laatste hikajat is de honderdste, op gezag van Sjajch Aboê '1-Kasim 
ibn Ahmad Baghdadi, over zijn sterven, dat in het jaar 660 (sic) wordt gesteld. 

Ook deze tekst is uit het Javaansch vertaald: soepaja mëuibëri manfa ( 'at 
bagi orang jang tiada mëngatahoei akan bëhasa djawi; aan het slot zegt de 
vertaler: hamba tardjoemahkën ini boekan dari pada sabab mahir kapada nia- 
lajoe istimewa kapada bëhasa djawi karëna djawi Bantën itoe soesah mafhóem- 
nja dan hamba tëlah minta toeloeng kapada c oelama dan kapada orang jang 
bidjaksana saorang pon tiada jang maoe toeloeng djadi saboleh-boleh hamba 
kërdjakën daripada sangat hadjat kapadanja dan moedah moedahan mëndapat 
madadnja daripada Sjajch c Abdoelkadir Djïlani jang moelia. 



421 

Het Javaansch waaruit deze bagiographie is vertaald is dus Bautënsch 
Javaansch. 

Op de laatste bladzijde staat de doe c a van den heilige. 

DCXCV. 
HJKAJAT SJAJCH MOEHAMMAD SAMMaN I. 

Bat. Gen. 250, 38 X 20 cM., 57 bl. 15 r. gedat. 1 Febr. 1884. 
Uit eene inlandsche leesinrichting. 

De populaire levensgeschenis van den heilige, waarover Dr. C. Snouck 
Ilurgronje (Atjèhers, II, bl. 223) ods bericht: »In het Arabisch, Maliesch enz. 
gestelde verhalen van al de wonderen, die hij wrocht, en de deugden, waardoor 
hij zich onderscheidde, meestal Hikajal Mamqib Sammdn (» Verhaal" of * Voor- 
treffelijkheden van Samman") genoemd, worden niet alleen om hunnen inhoud 
op prijs gesteld, maar men beschouwt het reciteeren of aanhooren daarvan 
als een godsdienstig werk, en niet zelden worden naar aanleiding van ziekte 
of ongeval geloften afgelegd, dat men in geval van uitredding de hikajat Sam- 
man zal laten voordragen. Men is dan overtuigd, dat de heilige, wiens levens- 
geschiedenis het voorwerp der gelofte is, zijne voorbede aan het beoogde doel 
ten goede zal doen komen." 

De tekst vloeit over van Arabische zinnen en vermaningen, de laatste 
ook in het Maleisch. 

Boven elk wonderverhaal staat : dan satëngah daripada karamat toean 
Sjajch Moehammau as-Samman; van deze hikajat's zijn er 23, behalve nog die 
welke als opschrift hebben : satëngah daripada tancla jang mënoendjoekkën atas 
hampir wafatuja. Als jaar van zijnen dood wordt 1189 genoemd. 

Op bl. 53 beginnen de gebeden na de lectuur van dit geschrift te reciteeren. 

DCXCVI. 
HIKAJAT SJAJCH MOEHAMMAD SAMMaN II. 

Bat. Gen. 38(5, 20X16 cM. 116 bl. 11 r. 

Eingszins gebrekkige tekst, waarvan de titel is: Hikajat Karamat koetoeb 
ad-dairah al-woedjóed (sic) wa chatim al-wilajah al-moehammadijjah sajjidina 
asj-Sjajch Moehammad Samman. 

Vooraan staat eene aanwijzing over hetgeen men vóór de lectuur dezer 
geschiedenis te verrichten heeft, als het reciteeren, der fatihah, het neerleggen 
van bloemen van zeven soorten, koekjes van zeven soorten, rijst, enz. zonder slot. 



422 

DCXCVII. 

HIKAJAT SJAJCH MOEHAMMAD SAMMaN III. 

Bat. Gen. 394, 21 X 17 cM., 81 bl. 16 r. gedat. Batavia 1305. 

Geene belangrijke afwijkingen van I. 

Aan het slot is de titel Hikajat kararaat chatim al-wilfijah Sjajch Moe- 
hammad Samman. 

De verhalen der wonderdaden zijn niet door afzonderlijke opschriften 
onderscheiden. 

Op bl. 79 beginnen de Arabische gebeden. 

DCXCVIII. 

HIKAJAT SJAJCH MOEHAMMAD SAMMaN IV. 

Collectie C. St. 124, 10 X 17 cM. 121 bl. 13 r. 

Het traditioneele wonderenverhaal. 

De optelling der leeraars van den heilige begint op bl. 41, de opsom- 
ming van de karamat's na zijnen dood op bl. 101. 
Voorin staat: 

DC1C. 
HIKAJAT SJAJCH MOEHAMMAD SAMMaN V. 
Collectie Br. 298, 21 X 17 cM. 65 bl. 16— 18 r. gedat. 16 Rabï <I, 1264. 

Vooraf gaat eene inleiding over de profeten en bun voorbeeld, en hunne 
gelijkenis op Samman. 

Evenals in I zijn de verhalen der wonderen aangeduid met satëngah 
daripada karamat Sjajch Moehammad Samman. 

Achteraan het gebed van den heilige. 

DCC. 
HIKAJAT SJAJCH MOEHAMMAD SAMMaN VI. 
Collectie v. d. W. 126 33 X 21 cM. 70 bl. 20 r. 



423 

Vooriu is de titel kifcab Manakib Samman, en op bl. 2; nafahat ar-rah- 
iiu'iii fi manakib oestadzina ala c zam as Samman UU^J, L_ju^k=>- ÏJLi, isA.-.i 

£jlX<«o.-cJ <Xj )l »! ) *jU«- li_i>o Li...* p a«j ï -_a*jj (>^H f""-^ £jo U^ÜS) &■> »ls\S) (jUj 

yjLwJ) Ja_cil) Li J IJLw) (. -o lx* j .a^-J) ( -^- J ^>*— ' (j*^ .wj.a.1 L_aju>wj). 

welk gebrekkig Arabisch is vertaald door: inilah soeatoe risalat jarig akoe 
himpoenkën akandia sëraja akoe mëlajoekën akandia dëngan bëhasa malajoe 
Palembang karëna hëndak mëngliamboerkën akau satëngah dari pada përdja- 
lanan sjajch masja'iehina chatim al-wilajat al-inoehammadijjah dan akoe namai 
akandia nafahat ar-rahman pada mënjatakëu manakib oestadzina jang a c zam 
as-samman. 

De vertaler is Moehammad ibn Ahmikl Kemas van Palembang, sjafi c iet 
van madzhab, asj c ariefc ((_$•*£)!) v ^n geloof, Üjoenajdï van tasawwoef, be- 
hoorende tot de tarikah Kadirijjah, van den c ilm naksjibendï, chalwatijjah in 
zijn eten en samrnanijjah in zijn drank. 

Zijn geboortejaar wordt vermeld: 1132, als zijn sterfjaar 1177. 

De verhalen zijn niet door opschriften of anderszins onderscheiden; het 
geheel vormt één doorloopend verhaal. 

Aan het slot staat: eene vermaning tot het honden van een chandoeri 
ter eere van den heilige, al ware het slechts met één pisang, in den derden 
nacht van de 12° maand, eene opwekking tot het reciteeren van den koer'an, 
de verzekering dat slechts een zeker gedeelte van het geheele verhaal is gegeven, 
het gewone gebed en de mededceling van de identiteit des bewerkers. 

DCCI. 

HIKAJAT SJAJCH MOEHAMMAD SAMMaN VIL 

Collectie v. d. W. 127, 32 X 20 cM., 122 bl. 17 r. gedat 1196. 

Andere redactie, met opgave van voor een deel andere bronnen. 

Ook deze bewerking geeft niet het geheel, doch is een excerpt (bl. 118, 
sëlësaj hikajat karamat Sjajch Moehammad Samman dëngan ichtisar). 

Het is bewerkt naar een Arabisch origineel (dipindahkën dari pada bë- 
hasa c arab kapada bëhasa djawi soepaja boleh manfa c at dëngandia barangsiapa 
jang tiada mëngatahoei ia akan bëhasa c arab) door Moehammad Moehijjoeddïn 
ibn Sjajch Sjihabiddïn al-Djawï. 

Na de lectuur moet men den koer'an reciteeren, tahlil's doen en gebeden 
reciteeren : dëngan lantaran sakalian nabi clan rasoêl dan sakalian koelawarganja 
dan sahabatnja dan sakalian aulija Allah istimewa dëngan lantaran koetb al- 
aulija Moehammad Samman. 



424 

Op de laatste drie bladzijden staat een gebed, een ander dan in VI. 

DCCTI. 
HIK A JAT WASIJJAT XAB1 MOEHAMMAD I. 

Collectie Coben Staurt, 123, 18 X 15 cM.. 46 bl. 15 r. gedat. 1200. 

Een der vele ..laatste vermaningen" van den profeet aan zijne gemeente. 
In bet jaar 740 na Moebammads dood viel c Abdoerrahman ibn Sa c 'ïd ibn Moe- 
bammad ibn Mahmóed ibn Ahmad ibn Kasim na de preek in slaap bij het 
graf van Moehammad; in den droom ziet bij den pi - ofeet met de vier chaliefen ; 
de profeet dicteert aan Aböe Bakr, en het dictaat wordt aan den slapende 
gegeven, die na zijn ontwaken inderdaad een geschrift aantreft, dat eene ver- 
maning aan de gemeente blijkt te bevatten. Na bl. 21 zijn de vermaningen 
aan c Ali gericht, verdeeld in vele kleine fasl's beginnende met ja c Ali; het 
slot is de last van Moehammad zijne vermaning naar alle landen te brengen. 

DCC1II. 
HIK A JAT WASIJJAT XABI MOEHAMMAD II. 

Collectie Br. 206. 20 X 14 1 /, cM. 28 bl. 12 r. 

Een ander exemplaar der telkens onder de inlandsche bevolking ver- 
spreide wasijjat's, waarover in »De Atjehers", vooral op bl. 186 en 187 
belangrijke mededeelingen te lezen zijn. 

Deze pësanan is geworden aan c Abdoerrahman ibn Sa c ïd ibn Moehammad 
ibn Mahmóed ibn Kasim (allen imams van de moskee te Mekka), den 10 en 
Moeharram 747. 

Dezelfde geschiedenis als in 1 wordt hier vermeld; c Ali haalt schrijfge- 
reedschap. Aboe Bakr schrijft naar het dictaat van Moehammad, en c Oethman 
geeft het geschrevene aan c Abdoerrahman. Met een telkens terugkeerend ±^> K 'j 
wordt de profeet aangesproken door den engel ,x\yS ULS" ! 

Het HS. eindigt abrupt. 

Feitelijk is deze wasijjat niet de traditioneele aanmaning aan de gemeente, 
maar eene wasijjat in hikajat-vorm. 

DCCIV. 
HADITH ARBAcïN. 

Collectie Br. 226 D. bl. 66—74, 15 r. (20 [ / 2 X 16 cM.) 
Gebeden en het begin der Hadith Arba c in. 



425 

Op grond eener overlevering, volgens welke Moehammad zou gezegd 
hebben „Wie mijne gemeente 40 traditiën in herinnering brengt betreffende 
de zaken van haren godsdienst, dien zal god ten dage der Opstanding te midden 
der geleerden doen opstaan", ontstonden vele zgn. arba e ïn verzamelingen, dat 
zijn compilatiën, waarin 40 traditiën zijn bijeengebracht. 

Tot deze soort van compilatiën behoort ook de arba c in verzameling van 
Nawawï (gest. 676). 

Zie daarover: Dr. Th. W. Juynboll, Handleiding tot de kennis van de 
Mohammedaan sche Wet, 1)1. 358. 

DCCV. 

cOEMDAT AL-MOEHTaDJïN ILa SOELöEK MASLAK 
AL-MOEFRADïN I. 

Bat Gen. 103, 21 X 17 cM. 84 bl. 19 r. 

Notulen 1879 4 Maart, II, l en 1 April VIL 

Zeer geschonden handschrift van c Abdoerra c öef's werk over de mystiek, 
waarover beneden uitvoeriger verslag gegeven wordt. 

DCCVI. 
cOEMDAT AL-MOEHTaDJïN etc. II. 

Bat. Gen. 107 B, bl. 120—227, (21 X ^ cM.) 
Notulen 1879 3 Maart II, k. 

Hetzelfde werk. 

Bl. 228 — 234 van dit HS bevatten Atjèhsche aanteekeningen. 

DCCVII. 

c OEMDAT AL-MOEHTaDJïN etc. III. 

Bat. Gen. 301, 20 X 16 cM. 140 bl. 10—17 r. 

Notulen 23 December 1901, I d, 1<> en bl. CXLIX sqq. 

Wederom het werk van Sjajch c Abdoerra'öef = Abdöra c öh = Teungkoe 
di Koeala. Van de faidah's (zie C. Snouck Hurgronje, De Atjèhers, II bl. 16 
en JuynboU's Catal. der Mal. HSS. bl. 270) zijn hier zeven vermeld evenals 
in het Leidsche HS; de opsomming der leeraren komt op bl. 111 sqq. 



426 
BI. 1 24 — 140 bevatten aanteekeningen over mystieke termen en begrippen. 

DCCVIIL 
cOEMDAT AL-MOEHTaDJïN etc. IV. 

Bat. Gen. 302. 22 X 15 cM. 158 bl. 15 — 1*3 r. 

Notulen als boven. 

Op. bl. 1 — 129: een volledig exemplaar van dit werk. 
Bl. 142 — 158: eene Arabiscbe verhandeling over den tadjwïd met inter- 
lineaire Maleische vertaling. 

DCCIX. 

-OEMDAT AL-MOEHTaDJiN etc. V. 

Bat. Gen. 375 B, bl. 20—141, 19 r. (23 X 17 cM.) 

Notulen 1904 December III, 2°, a en bijlage XIV. 

Vijfde exemplaar, met enkele aanteekeningen. 

DCCX. 

cOEMDAT AL-MOEHTaDJiN etc. VI. 

Collectie v. d. W. 41, 33. 1 /, X 21 cM., 80 bl. 15 r. 

Op bl. 72 begint de chatimah: pada mënjatakën sanad salisilab pëng- 
boeloe kita jang dibangsakën kapada djalan Sjatarijjab. ja c nï kapada djalan 
Sjajch c Abdoellah Sjatarijjab (sic) dan sanad sëgala masja'ich jaug dibangsakën 
kapada djalan Kadir (sic) ja c nï kapada djalan Sjajch c Abdoelkadir Djajlani dan 
mënjatakën përtëmoean salisilab kita dëngan kadoeanja dan mënjatakën bilangan 
sëgala sjajch jang tëlah kami mëngambil faidah dëngan mënibatja sëgala kitab 
dan isma c dari pada marika itoe didalam nëgari Jaman . . . dan didalam në- 
gari Mékah ^vCo!) dan Madïnah. 

Het opschrift der eerste faidah (zie Catal. Juynb. bl. 270) is: 

L. .so U ,jl*~^ ^^alCoJ) Iz (, ^s-). J.) ,jM j 'w_x< <J^ sJoUll (JJüi 

<_^>- «J <*_^\su Lc, -..r. (J.S- &J : »raj Lc» <X_v_ir (J.A£ajLmJ . JLJ ^X_iL=s- J 

•^ ^ • * *' J J J J -J " J •• " " J V..J \ u ? 

.Aü^p^ f-t"^ ^c^5 i_s''^' *-^ Cl^)J..o *j! j^j Lc. fi^r-^Z (J ,A ^' JjJ ^* U^O 

ërtinja maka katakoe faidah jang përtama faidah itoe pada mënjatakën përtama 
përtama jang wadjib atas sëgala orang jang c akil baligh dan mënjatakën ba- 



427 

rang jang wadjib pada hakk ta c ala dan barang jang moestakïl atasnja dan 
barang jang haroes baginja djalla wa c azza dan barang jang wadjib pada hakk 
sëgala rasoêl Allah dan barang jang moestahïl atas marika itoe dan barang 
jang haroes bagi marika itoe rahmat Allah dan sadjahtëra atas marika itoe sakalian. 

Ander handschrift : 

Leiden, cod. 1930 Catal. bl. 270. 

DCCXI. 

ASRaR (AL-INSaN Fi MA^RtPAT AR-ROÊII WA'R-RAHMaN) I. 

Bat. Gen. 336 D, bl. 86—94, 13 r. (17 X 12 cM.) 

Notulen 7 November 1904, III, 2^ en bijlage XIII, no. IX. 



Een fragment van de Asrar over den Heiligen Geest van Sjajch Noeroeddïn, 
waarover bij het volgende nommer uitvoeriger gehandeld wordt. 



DCCXII. 

(KiTaB) ASRaR AL-INSaN Fi MA^RIFAT 
AR-RoEH WA'R-RAHMaN II. 

Collectie v. d. W, 40, 33 X 20y 2 cM., 182 bl. 19 r. 

Noeroeddïn ibu c Alï Hasandjï ibn Moehammad Hamïd heeft dit werk 
over den Heiligen Geest samengesteld toen hij bemerkte dat »ichtilafiah satëngah 
manoesia pada përkata'an hakïkah röeh dan mahijahnja", en wel op verzoek 
van Soeltan Iskandar Thanï c Alaoeddïn. Uit verschillende Arabische werken 
heeft de auteur geput. 

Hij heeft het geschreven tijdens het Soeltauaat van Tadjoe- c alam Safijjat- 
ad-dïn bint Iskandar Moeda. 

Het boek is verdeeld in twee bab's: 
I, in zes fasl's. 

II, in vijf fasl's. 

Op bl. 121 wordt de titel van bab 11 volledig gegeven; nl. pada mënja- 
takën martabat adjsam dan daripada apa ia didjadikën Hak Ta c ala dan 
mënjatakën kanjata'an parentah Roeh akan djism dan mënjatakën daripada 
sëgala asrar jang ditaroehkën Hak Ta c ala pada noeschah insan dan kalëbihan 
daripada sëgala machlöek dan mënjatakën soeatoe noebdzah daripada kissah 
Nabi Allah Adam dëngan mala'ikat dan Iblis dan mëngatakën sëgala marta- 
bat röeh. 



-128 

Eeneu dergelij keu de paragrafen reeds aaudaidenden titel heeft bab l 
uiet ; zijne fasl's zijn: 

1° pada mënjatakën sëgala asma' Roeh al-A e zani dan sabab diuamai 

akandia dëngan nama bërlainlainan. 
2° pada mënjatakën sifat Röeh al-A'-zam dan hakïkatnja dan barang 

jang ta c alloek dëngaudia. 
3° is niet aangeduid. 

1° pada mënjatakën setëngah daripada c ah\val nafs dan tabi c atnja. 
5° pada rnëujatakën satëngah daripada ahwal c akl dau mahijahnja dan 

tënipat kadiamanuja dau tabi c atnja. 
6° pada rnëujatakën satëngah daripada sëgala asrar Hóeh dan kalboe 
dan nafs dan e akl dan sirr dau chafj dan daripada waridat dan 
ckatrah dan ilhatu dan walvj jang datang dari hadirat Allah jang 
raaha tinggi kapada c abd. 

DCCX11I. 

SABïL AL-HIDuJAH WA'R-RiSJaD Fi DZIKR XOEBDZAH MIX 
FADa'IL AL-KOETB AL-HADDaD. 

Collectie v. d. W. 42, 31 7 2 X 197a cM. 104 bl. 19 r. Alleen de lin- 
kerhelft der bladzijden is beschreven. 

Fa'idah 's getrokken uit het mystieke werk van Alimad ibu Hasan ibn 
c Abdillah Haddad ibn Sajjid L Aloewi Ba'aloewi. afkomstig uit Terïm iu 
Hadramaut. 

Het doel vau het werk blijkt uit de woordeu: vjo'i ï»-v.x< i^Ux* si 



«O ,.'«rJ I >0 iCI Jblö . , ».J ( 5Ü LX ^ <-.' Jil* C^-- 1 w' J»=-. >_~0 V^_^N^J 

J^Jo>.! ) iC». j: _>) &JJI iJJkC L£_>Wi &JkS As-J i, *J -mi ï ^..i Aï L^-' - 1 imJÜUmJ 

S\*» *J«) fV] .-. 'w«J 4_Ü) tVJkC Au Owi-is & |."s- ,< ,*_>JÜ) .P-^ ^5" »1_^ J 



Het werk is vertaald iu 1224 te Péujëugat. 

« 

DOCXIV. 
SJAMS AL-AFaK. 

Collectie v. d. W. 33, 33 X 20V 3 cM. 40 bl. 19 r. 



429 

Over de bijzondere waarde en mystieke kracht van Allah's namen, ver- 
taald uit het Arabische werk van bovenstaanden titel. Ism is niet in de gewone 
opvatting van dat woord, maar in die van bijzondere formulieren van verheerlijking 
van Allali gebruikt. Ook over de zegenrijke inwerking van het een bepaald 
aantal malen schrijven van enkele letters wordt in dit geschrift gehandeld, met 
toelichting door schematische figuren, welke verwant zijn aan die welke djimats 
kunnen genoemd worden. 



rr 



DCCXV. 

HIDaJAT AS-SaLlKïN Fï SOELöEK MA SLAK 
AL-MOETTAKïN I. 

Bat. Gen. 202, 20 X 16 cM. 198 bl. 23 r. 

Notulen 23 December 1901, I, d, 1° en bl. CXLIX sqq. 

Maleische bewerking van Ghazalï's Bidajat al-Hidajah door c Abdoessamad 
Djavvï al-Palembanï, waarover uitvoeriger bij het volgende n°. 

Het slot ontbreekt. Ingenaaid zijn enkele vreemde paginas met Maleische 
en Arabische aanteekeningren. 



o v 



DCCXVÏ. 

HIDaJAT AS-SaLIKïN Fï SOELóEK MASLAK 
AL-MOETTAKïN II. 

Collectie v. d. W. 43, 32 1 2 X 21 cM., 294 bl. 17 r. 

Vertaling door c Abdoessamad Djfiwï al-Palembanï van Al-Ghazalï's 
Bidajat al-Hidajah, vermeerderd met »bëbërapa mas'alahnja jang baik baik jang 
tiada dapat tiada daripadauja" (vertaling van 'i^xaj JoL^ üjl>: ■<.<) 

Het werk bestaat uit eene inleiding, zeven hoofdstukken en een besluit. 
De inleiding behandelt » ( 'ilm nafi c jang mëmbëri manfa c ah dan mënja- 
takën kalëbihanuja", het besluit; »adab sërta orang jang bërkënal kënalan dan 
orang jang tiada bërkënal kënalan daripada ^oemöem sëgala moeslimïn" 
Ba,b 1 (bl. 10) pada mënjatakën c akïdah. 

bërboeat 1a c ah jang zahir. 

pada mëndjaoehi sëgala ma'sijah jang 

zahir. 

mëndjaoehi sëgala ma c sijah jang batin. 

sëgala ta c ah jang batin. 

fadlah dzikr dan adabnja dan kajfijahnja. 



» II ( » 23) 


» 


» 


» III ( » 134) 


» 


» 


» IV ( » 100) 


» 


» 


» V ( » 201) 


» 


» 


» VI ( » 230) 


» 


» 



430 

Bab VII ( » 260) pada raënjatakën aclab bërsoehbah' dan moe c asjarah ja c ni 

bërkasih kasihan sërta machlöek dan 
sërta chalik. 
De vertaling is voleindigd in Mekka, 5 Moeharrain 1192. 

Andere handschriften : 

Leiden, cod. 1710, 1958 en 3284, üatal. bl. 262 en 263. 

DCCXVII. 

DALiL DAN HADITH KALOEAR DARIPADA 
BIDaJAT AL-HIDaJAH. 

Collectie v. d. W. 44, 24 X 20 V 2 cM. 48 bl. 17 r. 

» Verzameling en Maleische vertaling van de Koeran-plaatsen en de 
overleveringen omtrent den Profeet, aangehaald in het, in het vorige HS. 
bedoelde werk van Al Ghazali £_j\j*J) &_j)iX> getiteld". 

Achteraan volgt eene do'a tegen oogziekte, 

DCCXVIII. 
KITaB AL-HIKAM I. 

Collectie v. d. W. 28, 33 X 21 cM., 60 bl. 21 r. gedat. 25 Moeharram 1280. 

Het werk over de mystiek van den imam Tadjoeddïn Aboê '1-Fadl Ahmad 
ibn Moehammad ibn c Abdilkarïm ibn c Ataoellah. 

Het Arabisch (in rood) wordt, zin na zin, gevolgd door de Maleische vertaling. 
Het manuscript is geschreven te Tandjoeng Pinang, Riouw. 

DCCXIX. 
KITaB AL-HIKAM II. 

Collectie v. d. W. 30, 33 X 21 cM., 74 bl. 21 r. 

Dezelfde tekst; het Arabisch is niet door andere kleur onderscheiden; 
dit HS. heeft veel grooter schrift. 
Niet gedateerd. 

DCCXX. 

KITaB AL-HIKAM 111. 

Collectie v. d. W. 29, 33 X 21 cM., 354 bl. 17 r. gedat. 29 Rabi^ II 1275. 



431 

Uitvoerige bemerking der Hikam, aldus ingeleid : tëlah mëniinta akan- 
dakoe satëngah saoedarakoe jang salik bahoea mëntardjoemahkën akoe akan- 
dia dëngan bëliasa djawi soepaja mëmbëri manfa c at dëngandia sëgala orang 
jang moebtadï maka koepërkënankën atas jang dëmikian itoe dëngan sakira 
kira jang difahatnkën Allah Ta c ala akandakoe dan adalah akoe mëmandjangkën 
sëdikifc përkata'annja karëna akoe mëmasoekkën përkata'an sjarhnja dëngan 
sakadar kifajah bagi orang jang moebtadï mëngatahoei dia. 

De commentaar is bijzonder uitvoerig; de tekst zelf maakt slechts een 
zeer gering deel van het boek uit. 

DCCXXL 

KITaB AL-HIKAM IV. 

Collectie v. d. W. 31, 34 ] / 2 X 21 cM., 200 bl. 19 r. gedat. 9 Moeharram 
1252 te Pënjëngat. 

Andere, met vele toepassalijke uitweidingen en verhalen verrijkte be- 
werking der Hikam. 

Aan het slot komt eene kleine verhandeling voor over de nijjah tot den 
sëmbahjang, en de onderdeelen daarvan. 

DCCXXII. 
TADZAKKOER AL-GHABï. 

Bat. Gen. 106, 23 X 17 cM., 4 50 bl. 21 r. 
Notulen, 3 Juni 1879, II, k. 

Uitvoerige Maleische commentaar op de Hikam. 

De ongenoemde schrijver verklaart in den aanvang, in het Arabisch, 
eiken zin gevolgd door de Maleische vertaling: ij ^sW>&L> _ JÏ, <xll>) ^)d 

v_S^lrs- (j^> ^-^ s,*^J L> ^juJ) j£& hij erkent niet berekend te zijn voor 
de moeilijke taak van het ^jj ^U- ^J^i Jiï Ar*- l-JjS ilju^o 
^j i^-JJuo doch rekent op de hulp van Allah, die hem den rechten weg zal 
wijzen. 

DCCXXIII. 

KITaB MOECHTASAR I. 

Bat. Gen. 120, 32 X 20 cM., 56 bl. 17 r. 
Notulen 3 Februari 1880 II c. 



432 

Mystiek werk, waarover uitvoeriger bij II. 

ÜCCXXIV. 

KITaB MOECHTASAR II. 

Collectie v. d. W. 7, 32 X 20 cM., 76 bl. 18 r. (alleen de linkerhelft 
der bladzijden is beschreven). 

Zeer beknopt werk over mystiek, voornamelijk over het wezen van 
Allah, oorspronkelijk van Sjajeh al-Walï Rislan ad-Damasjkï, in het Maleisch 
vertaald soepaja moedah bagi sëgala orang jang moebtadï mëmfahamkëndia. 
De vertaler heeft enkele commentaties ingevoegd (sasoenggoehuja tëlah koe- 
masoekkën sëdikit daripada përkata'an sjarhnja . . . .) uit de commentaren 
Fath ar-Rahmau van Zakarja al-Ansari en ^ilsuS) ï-^- van Sjajeh 'Abdoel- 
ghanï ibu Isma c il en andere: dëngau sakadar kifajah bagi sëgala orang jang 
salik jang moebtadï mëngatahoei dia. 

Op de laatste bladzijde noemt zich de bewerker: Kemas Fachroed-din 
in Palembang. 



*o' 



DCOXXV. 
KITaB MOECHTASAR III. 

Collectie v. d. W. 8, 32 V 3 X 20 cM., 42 bl. 27 r. gedat. 1272 (alleen 
de linkerhelft der bladzijden is beschreven). 

Hetzelfde werk. wederom met den naam van den bewerker en gedateerd. 
Op den band staat: Fathoe 'rrahman. 

Ander handschrift: 

Leiden, cod. 1712, Catal. bl. 20(3. 

DCCXXVI. 

FATH AR-RAHMaN. 

Collectie v. d. W. 9, 38 V, X 21 cM., 30 bl. 21 r. gedat. 8 Safar 1280 
te Riouw. 

Commentaar van Sjajeh Aboê Jahja Zakarja al-Ansari op de bovenstaande 
verhandeling van Walï Rislan. 

Het Arabisch (steeds in rood) is voortdurend gevolgd door het Maleisch. 



433 

DCOXXVII. 

DLJa 'L-WARa ILa SOELöEK TARïKAT AL-MA^BoED 

AL-^OELa I. 

Bat. Gen. 328 B, bl. 136—199, 17 r. (20 X 16 cM.) 
Notulen 20 October 1902, II, ;, 1«. 

Werk over de mystiek verdeeld in vier bab's : de islam, de ïman, de 
ma c rifah en de tauhïd. 

Bl. 2D0—201 bevatten aanteekeningen over mystiek. 

DCCXXVIII. 

DlJa 'L-WARa ILa SOELoEK TARïKAT AL-MA^BöED 

AL-^OELa II. 

Bat. Gen. 341 C, bl. 218—275, 19 r. 

Notulen 7 November 1904, III, 2° en Bijlage XIII, n<> XVI. 

Hetzelfde werk. 

DCCXXIX. 

DJOEMLAT AL-MA^RIFAH AT-TARiKïJJAH. 

Bat. Gen. 378 B, bl. 4—14, 15 r. 

Notulen December 1904, 2° a, en Bijl. XIV. 

Over mystieke kennis, gevolgd door eene uitweiding over de uitdrukking 

DCCXXX. 

HILL AZ-ZILL I. 

Bat. Gen. 109, D, bl. 154—165, 19 r. (20 X 14 cM.) 
Notulen 3 Juni 1879, LI, /,-. 

Verhandeling in vragen en antwoorden van Sjajch Noeroeddin ibn c Alï 
ibn Hasandji ibn Moehammad Hamïd tegen de pantheisten, bewerking van diens 
Noebdzab fï tabjïn dacwa, 'z-zill. 

Zie H. N. v. d. Tuuk, Bijdragen tot de T. L. & V. K. v. N.I. 3° volgr. 
I, bl. 462 sqq. 

Verhandeling-en. 28 



434 

DCCXXXÏ. 

HïLL AZ-ZILL II. 

Bat Gen. 339, A, bl. 1-38, 12 r. (20 X 12 cM.) 

Notulen 7 November 1904, III, 2" en Bijlage XIII, n° XIV. 

Dit gedeelte bevat dezelfde verhandeling. 

DCCXXXIL 

SJIFa 'L-KOELóEB I. 

Bat. Gen. Il 5, B, bl. 7—10, 17 r. (23 X 17 cM.) 

Mystiek werk van denzelfden auteur; het ontbreekt in de bovenbedoelde 
lijst van zijn werken bij v. d. Tuuk, 1. c. 

Dccxxxur. 

SJIFa 'L-KOELöEB II. 

Bat. Gen. 339 B, bl. 39—49, 12 r. (20 X 12 cM.) 
Notulen als bij het voor-voorgaande nummer. 

Hetzelfde werk van den auteur over hetzelfde onderwerp als het boek 
Hill az-zill. 

Ander handschrift: 
• 's Gravenhage, 624 (LXIII), bl, 76—79. 

DCCXXXIV. 

WAT VÓÓR DE SCHEPPING WAS. 

Bat Gen. 109 E, Bl. 166—172, 19 r. (20 X 15 cM.) Gedat. 1235. 

Verhandeling van den zelfden auteur over genoemd onderwerp; zie v. d. 
Tuuk, 1. c. 

DCCXXXV. 
(AL-)KlTaB AL-MADJMöEc. 

Bat. Gen. 223/ 22 V 8 X 17 Va cM - 28 bl - 21 — 22 r. 
Notulen Juni 1895, bl. GG, II. 



435 

Voorin is door den heer Snouck Hurgronje geschreven: ,,Eene gebrek- 
kige copie van een kort begrip der geloofsleer en van de voornaamste gods- 
dienstplichten, mystiek-ethisch gekleurd. 

Aan het slot heet het c .^^\a!) e_>li£!) = de compilatie, een andere titel 
komt er niet in voor. Het kan echter wel zijn dat het onder den naam h)s> 
..jJkJLuJ) gangbaar is, en dan is de op deze bladzijde geschreven naam (nl. 
jlÜa.JJ l>Jkw") door een onkundig afschrijver daaruit verbasterd. De voornaamste 
merkwaardigheid van het boekje is deze, dat de indeeling der stof en sommige 
technische uitdrukkingen ervan in tallooze primbons over de populaire pantheïs- 
tische mystiek voorkomen, waar zij dan in geheel andereu zin gebruikt (naar 
den zin des auteurs van dit boekje misbruikt) worden. Men mag daaruit beslui- 
ten, dat dit werkje als leerboek voor beginners zeer populair is geweest in 
den tijd toen men die kettersche verhandeling schreef". 

DCCCXXXVI. 

SJATTaRiJJAH I. 

Bat. Gen. 336 D, bl. 60—82, 13 r. (17 X 12 cM.) 

Notulen 7 November 1904, III, 2° en Bijlage XIII, n° IX. 

»Elementaire verhandeling over de tariqah Sjattariah met persoonlijke 
silsilah van cAbdoerra'öef, door dezen opgesteld op verzoek der soeltanah 
(^afijjatoeddin Sjah". 

DCCXXXV1T. 

SJATTaRiJJAH II. 

Bat Gen. 349, 20 X 15, cM., 20 bl. 21 r. 

Hetzelfde; zie genoemde bijlage, n° XXV. 

DCCXXXVIII. 

PËRATOERAN DAN ASAL KADJAD1AN. 

Bat. Gen. 336 E, bl. 96—104, 13 r. 

Verhandeling over de eenheid van het zijn, welker volle titel is: Përa- 
toeran dan asal kadjadiau sakalian calam dan asal kadjadian sëgala insan. 
Met een aanhangsel. 

Bl. 104—112 zijn in het Atjehsch. 



430 
DCCXXXIX. 
HAKiKAH RóEfl. 
Bat. Gen. 336 F, bl. 113—118, 13 r. 

Kleine verhandeling over den geest Gods, met een aanhangsel over de 
wegen tot Allah. 

Voor de Notulen zie boven. 

DCCXL. 

MADJMöEc AL-MASaIL I. 

Bat. Gen. 336 G, bl. 119-130, 13 r. 
Notulen als boven. 

Verhandeling over mystiek van c Abdoerra'aef. 

DCCXLI. 

MADJMOEcAL-MASa'IL II. 

Bat. Gen. 343, 21 X 16 cM.. 22 bl. 

Bl. 1 — 12. Hetzelfde. Over den verderen, geheel heterogenen inhoud zie 
genoemde bijlage n°. XVIII. 

DCCXLII. 

(AL-) MAWa^IZ AL-BADïcAH I. 

Bat. Gen. 323, 23 X 17 cM., 82 bl. 19 r. 

Notulen 1902, Maart, II, 8° en Juni. I, 15°. 

Op bl. 5 — 75 van dit HS. vindt men genoemd godsdienstig- 711 oreele 
vermaningen inhoudend geschrift, »eene in 50 pëngadjarans verdeelde Maleische 
handleiding der mystieke moraal (pëngadjaran is de vertaling van *Jr>r ■!■*)"• 

Op de andere bladzijden voor- en achteraan staat »een doe c a Si Radja 
Gajö, welker gebruik tot alle gewenschte doeleinden leidt, mits men zich daarbij 
in gedachten vereenzelvige met den goeroe (van Javaansche afkomst) Abdoel- 

radjak; en andere gebeden en recepten aanteekeningen over eene boe- 

delverdeeling van vijf Gajösche broeders (in het Atjèhsch), en een Atjèhsch 



437 

formulier, waarin de vier namen voorkomen, welke volgens de Atjèhsche overle- 
vering met den oorsprong der padi in verband staan. (,,De Atjehers", II, 169), 
en waarvan bet reciteeren allerlei heil verzekert". 

DCCXLIII. 

(AL-) MAWa<'IZ AL-BADi^AH II. 

Hat. Gen. 341 A, bl. 1—80, 19 r. (21 X 16 cM.) 

Notulen 7 November 1904, III, 2° en bijlage XIII, no. XVI. 

Tweede exemplaar ,, volgens het onderschrift bewerkt in 1250 H. Dit 
moet echter op het afschrift betrekking hebben, want het werk is van c Ab- 
doerra'oêf, dus uit de 17 e eeuw onzer jaartelling". 

De juiste dagteekening is ... . dari pada mëntardjoemahkën kitab ini 
Hidjrat Nabi 1250, 27 Sjawwal. 

DCCXLIV. 
MOENJAT AL-MOESALLï. 

Bat. Gen. 379, 22 X 17 cM., 119 bl. 17—19 r. gedateerd: Mekka, 15 
Dzoê'lh. 1242. 
Notulen 1904, December III 2° a bijlage en XIV. 

Verhandeling over cle mystieke waarde en beteekenis der salat, toegelicht 
met overleveringen en verhalen. Na bl. 107 is een hiaat. 

Op bl. 117: Eene Koetika voor eiken dag in verband met den përdjalauan 
van de profeten <\Tsf», Moehammad, Ibrahïm, Da'oêd, Sjïth, Adam en Moêsa; 

op bl. 118. Fal voor eiken dag in tabellen; 

op bl. 119. Bede bij het chatam. 

DCCXLV. 

(AN-) NASïHAH AL-ANiKAH LIL-MOETALABBISiN BITARiKAH. 

Bat. Gen. 275, 22 X 18 cM., 46 bl. 19 r. 
Handschrift-Holle. 

Een werkje van Sajjid c Oethman ibn c Abdillah al- c Alawï over de ta- 
rikats, als antwoord op tot hem gerichte vragen. 



438 

DCCXLVI. 

■ AN-) NöER AL-HaDi ILa TARïK AR-RASJaDï. 

Bat. Gen. 69, 23 X 18 cM., 138 bl. 

Mystieke verhandeling, grootcndeels met interlineaire vertaling in het 
Boegineesch of Makassaarsch, met Arabisch schrift, in verband met de Eigen- 
schappen, de salat e. a. 

DGCXLVII. 

SJAMS AL-MA^RIFAH. 

Bat. Gen. 287, 21 X 16 cM., 24 bl. 18 r. 

Notulen 23 December 1901, 111, I, d, 2°. 

Brokstuk (laatste gedeelte), geschonden, vim een mystiek werkje (risalah) 
onder bovenstaanden titel, getrokken uit den joc^) _1=xwj van Ahinad al- 
Koesjasji. 

DCCXLVIII. 

TARïKAH JANG DlBANGSAKëN KA PAD A KADIRUJAH 
DAN NAKSJ1BENDIJJAH. 

Fat. Gen. 149, 21 X 15V 8 cM. 32 bl. 13 r. 

Na de vermelding van sjajch Ahmad Chatïb ibn c Abdilghaffar van 
Sambas, te Mekka woonachtig, worden dzikr's en litanieën, enkele technische 
termen en begrippen der beide orden vermeld; daarna de verschillende aanwen- 
dingen der fatihah en vau sommige gebeden. Verder: over in- en uitwendige 
teekenen, de twintig marakabah met verklaring, tevens harmonistiek der 
beide orden. 

Het werkje is geschreven te Mekka door Moehamrnad Ma c röef ibn 
Abdillah Chatïb Palembang. 

DCOXL1X. 

BrSMI'LLaHI'RRAHMaNIRRAHiM. 

Bat. Gen. 72, 83 X 45, plano. 

Over de mystieke beteekenis van de woorden en de letters van 
bovenstaande formule. 



439 
DCCL. 
ALLaHOE AKBAROE. 
Bat. Gen. 73, 55 X 32, plano. 

Over de beteekenis der letters van bovenstaande formule, en het belang 
van de bekendheid daarmede voor het verrichten der sëmbahjangs. 

DCC-LI. 

BISMILLaHIRRAHMaNIRRAHïM e. a. 

Bat. Gen. 80, C, 26 bl. 19 r. (20V 3 X 17 cM.) 

Mystisehe verklaring van de letters; mystische vergelijking tusschen pen 
en inkt; over de mystische beteekenis der letters van bovenstaande formule; 
mystieke beschouwingen, gebeden, over ontkenning en bevestiging in de sjahadah. 

DCCLII. 

GRAFISCHE VOORSTELLING VAN MYSTIEKE ZAKEN. 

Bat. Gen. 85, 30U X 30 V s cM. plano. 
Notulen 9 Mei 1876, IV, b. 

Grafische voorstelling van het wezen van Allah, zijne eigenschappen, de 
mystieke viertallen, de martabat toedjoeh, hier en daar met verklarenden tekst. 

DCCLIII. 

MYSTIEK DES HUWELIJKS. 

Bat. Gen. 110, 15 X 10 cM. 188 bl. 17 r. 
Notulen 8 Juni 1879, II, k. 

Over het huwelijk van Aboe Hoerajrah en de geheime, mystieke wetten 
van huwelijk en liefde, gestaafd door voorbeelden uit Moehammads leven, de 
ma c 'rifat al-chijal, en de c ilmoe gha'ib., de elementen in het lichaam des 
menschen, en verder van mystieken inhoud over erotische zaken. 

DCCL1V. 

ORTHODOXE MYSTIEK. 

Bat. Gen. 281, 22 X 17 cM., 103 bl. L9 r. 
Notulen 23 December 191, I, d, 3°. 



440 

Een werk zonder begin en slot over den orthodoxen tasawwoef, mee 
betrekking tot de plichten en geloofsleer. Op bl. 4 begint fasl 4 over de sëgala 
c 'ilmoe jang ditoentoet akandia fard c ajn (Arab. i- ,*Jj ^->ils J>-'-\ <*»^0 

De laatste fasl (uit een bab II over de asrar at-tabarah) behandelt den 
istindjii 

DCCLV. 

MYSTIEK. 

Bat. Gen. 57, 21 X 14 cM., 44 bl. 

Het geschrift begint niet eene paragraaf over zelfkennis als nuttig voor 
dit leven en dat hiernamaals, en behandelt daarna de lichaamsdeelen als zetels 
der hartstochten, de martabat toedjoeh, mystieke formules met teekeningen. 
en enkele mystiek-casuistische vragen. 

Het HS. eindigt abrupt. 

DCCLVI. 

MYSTIEK. 

Bat. Gen. 114, 22 X 15V 8 cM., 94 bl. verschillend aantal regels. 
Notulen 1879, 3 Juni III, c; 4 Nov. IV b en 2 Dec. II p. 

Mystiek, voornamelijk verklaring van termen. 

Op bl. 20 komt een stuk voor van c Abdoellah ibn c Alawï Al-lladdad; 
verder verschillende stukken uit mystieke werken. 

DCCLVII. 

MYSTIEK. 

Bat. Gen. 163, 17 X 10 cM., 40 bl. 14 r. 

Over het bewaudelen van den weg tot God, de ma c rifah, de elementen 
en hunne mystieke beteekenis. Aan het slot djimats. 

DCCLVI1I. 

MYSTIEK. 
Bat. Gen. 166, 15 X 10 cM., 54 bl. 10 r. 
Het begin ontbreekt. 



441 

BI. 1—30. Mystieke beschouwingen over de sjahadah en de salat, de 

martabat la ta c ïroe e.a. 
,, 40 — 43. Kleine mystieke verhandeling getiteld ^i^ ,£jLu Ss J^a.j 

,, 44 — 54. De beteekenis van den term islam. 

DCCLIX. 
MYSTIEK. 
Bat. Gen. 170, 177 2 X 11 cM., 126 bl. verschillend aantal regels. 

Over de mystische beteekenis der formule bismillahirrahmanirrahïm en 
der fatihah, de ma c rif'ah, de Eigenschappen, de martabat toedjoeh, den naam en 
het wezen van Allah en de beteekenis der letters van dien naam. 

Bl. 84 — 113 zijn Arabisch met interlineaire Maleische vertaling. Daarna 
volgen gebeden. 

BCCLX. 

MYSTIEK. 

Bat. Gen. 315, 24 X 17 cM., 20 bl. 10 r. 

Notulen 23 December 1901, I, d, 1° en bl. CXLIX. 

Fragment, Arabische tekst met Maleische vertaling en parafrase, van een 
werk van Tadjoeddïn ibn Al-Fadl Ahmad ibn Moehammad ibn c Abdilkari ibn 
c Ata Allah. 

DCCLXI. 

MYSTIEK. 

Bat. Gen. 346, 17 X 11 cM., 58 bl. 

Notulen 7 November 1004, III, 2° en bijlage XIII, no. XXI. 

, .Verzameling gebeden enz. (vooral behoorende bij de lijkbezorging), een 
paar mystieke fragmenten over de vier elementen (daarvóór wordt Sjèh Tiro 
genoemd), over de a c jan thabitah en de zeven graden van het Zijn, mystieke 
viertallen en doerah's". 

DCCLXII. 

MYSTIEKE BEGRIPPEN. 

Bat, Gen. 328 C, bl. 202—220, (20 X 16 cM.) 
Notulen 20 October 1902, II, ƒ, 1°. 



442 

Compleet opstel over mystieke begrippen; verkeerd ingenaaid. 
BI. 220 — 225 bevatten mystieke aanteekeningen. 

DCCLXIII. 

MYSTIEKE TERMEN. 

Bat. Gen. 317 B, bl. 16 — 17. 

Notulen 23 December 1901, I, ,1, 1° en bl. CXLIX sqq. 

Klein fragment, gedateerd 1271. 

DCCLXIV. 
MYSTIEKE VERKLARING DER GELOOFSBELIJDENIS. 

Bat. Gen. 341 D, bl. 276—282. 

Notulen 7 November 1904, 111, 2° en bijlage XIII, no. XVI. 

Verklaring met figuren. 

DCCLXV. 
MYSTIEK IN GELIJKENISSEN. 

Bat. Gen. 378 D, bl. 30—39 (22 X 16 cM.) 

Notulen 1904, December III, 2° a en Bijl. XIV. 

Mystiek in den vorm van gelijkenissen met schip, roer, zeilen, vaart, enz. 
getrokken uit de Moeschat al-hakk, de c Oemdat al-moehtadjïn en andere werken. 

DCCLXVI. 

PR1MBON. 

Bat. Gen. 99, 21 X 17 cM., 466 bl. verschillend aantal regels. 
Notulen 11 Juni 1878, III. 

Een primbon, of kitab tip of tèh of dalaè, met gemengden inhoud: o. a. 

teekenen van goede en kwade dagen, tijden, slaven, vrienden, zaden, enz.; 

fal-tabellen met Arabische verklaring; 

over het tellen en berekenen van bijzondere dagen bij allerlei gelegenheden; 

over de ridjal al-ghajb, volgens Abóe Hoerajrah ; 

het kennen van het verborgene met behulp van het abdjad; 

rasi's van allerlei strekking ; 

de kracht van medicijnen in verschillende maanden ; 



443 

de zeven planeten, wichel tab ellen, overleveringen omtrent het gebruik 
van geheime berekeningen ; 

geheime regelen voor scherpschieten, de teekens van den dierenriem in 
verband met allerlei gebeurtenissen ; 

voorspellingen omtrent buwelijkszegen, voorteekenen bij zeereizen, goede 
en minder goede namen; 

Acrostice (bv. l^_> 44 r. de 8 r, de CJ 8 r.) over deze zaken ; 

aphrodisiaca en de eoitus des profeets; 

over de teekenen der afstamming; 

over de bijzonderheden van het blad der Senna makkï; en nog meer 
dergelijke onderwerpen. 

DCCLXVII. 

PRIMBON. 

Bat. Gen. 232, 16 X U cM., 064 bl. (besckreveue). 
Notulen 1899, 13 Februari, VI, 1°. 

Over deze verzameling gebeden, formulieren, koeranstukken, djimats, 
recepten, figuren enz. is door Dr. C. Snouck Hurgronje een uitvoerig en ge- 
detailleerd verslag gegeven in genoemd deel der Notulen, op bl. 37 — 41, naar 
welk referaat verwezen wordt. 

DCCLXVI11. 

MYSTIEKE FRAGMENTEN. 

Bat. Gen. 329, 18 X 12 cM., 110 bl. 

Notulen 20 October 1902, II, j, 10. 

Allerlei dooreengeworpen gebeden, formulieren, tabellen voor naamge- 
ving, en paarticuliere aanteekeningen. 
Slechts weinig Maleisch. 

DCCLXIX. 

MYSTIEKE FRAGMENTEN. 

Bat. Gen. 330, 18 X 12 cM., 128 bl. 
Notulen als boven. 

Allerlei kleine stukken, meest van mystieken aard, ook de beukeumeunan. 



444 
DCCLXX. 
MYSTIEKE FRAG MENTEN. 
Bat. Gen. 331. 21 X 16 cM. 24 bl. 24 r. 
Allerlei aanwijzingen, bezweringen en djimats. 

DCCLXXI. 

H1KAJAT SI BOEROENG PINGAJ. 

Bat. Gen. 42, A. bl. 1—16, 14 r. (21 X 1' cM.) 
Notulen 28 April 1868, IV, 6°. 

Dit mystieke verhaal is reeds vrij uitvoerig beschreven door Prof. Pijnappel 

in de Bijdragen tot de T. L. r. Y. K. v. N. I. 3 C volgr. Y, bl. 156, waarheen 

verwezen wordt. 

Een sjair over dit onderwerp komt voor in cod. Leid. 2016, bl. 68; 

zie Catal. bl. 35. 

Ander handschrift: 

Leiden, cod. 1626 (1), Catal. bl. 273. 

DJIMATS. 

DCCLXXII. 

Bat. Gen. 62. 21 V 2 X ^ cM., 28 bl. 8 a 10 r. 

Begin ontbreekt ; goede en kwade voorteekenen e.d. afgewisseld door 
gebeden, met magische figuren. 

DCCLXXIII. 
Bat. Gen. 63, 12 V, X 11 cM., 22 bl. 

DCCLXXI V. 
Bat. Gen. 6 , 31 X 21 cM., 18 bl. 
Niet bij elkander behoorende bladen. 

DCCLXXY. 
Bat. Gen. 67. 20 X 17 cM., 34 bl. 



Uo 



K 



Djimats, gevolgd door een gedichtje van godsdienstigen inhoud, en eene 
onvoltooide verhandeling over geloof en ongeloof. 

DCCLXXVI. 

Bat. Gen. 86 B. 

Losse stukken. 

DCCLXXV11. 
Bat. Gen. 164. 17 X 10 cM., 46 bl. 

Voornamelijk met het oog op dieven en vrouwen, gevolgd door aan- 
teekeningen over familiegebeurtenissen, geschreven 16 April 1865. 

DCCLXXVIII. 

Bat. Gen. 210, 165 X 15 Va cM., plano. 
Notulen 7 Augustus 1894, IV, a. 

üjimat met twee groofce teekeningen, tevens almanak. 

DCCLXXIX. 

Bat. Gen. 395, 770 X 8 cM. 

Notulen 16 Juni 1902 IV. 

Bestaat uit vele aaneengeplakte stroken, met eigenaardige teekeningen 
van wapenen van profeten, van c Alï e. a. 

DCCLXXX. 

Bat. Gen. 403. 

Notulen November 1904, I, c. 

Pakje djimats, zeer geschonden. 

DCCLXXXI. 

Bat. Gen. 404, 16 X 10 cM. 
Notulen als boven. 

Vuil aanteekenboekje, gedeeltelijk gevuld, met doe c ;Vs en djimats. 

DCCLXXXII. 
KITAB T1BB. 

Collectie v. d. W. 227, 33% X 20% cM., 342 bl. 19 r. 



446 

Uitgebreid werk over de menschelijke ziekten en hare genezing, de mid- 
delen om de ziekten te herkennen, de methoden om talismans en andere afwerende 
middelen te maken, de verschillende berekeningen om de kwalen te bezweren. 

Het boek begint met het verhaal van een koning Soelajnian die den 
profeet smeekte zijne kinderen te genezen, waarop Moehammad door tusschen- 
komst van Djabrail het opperhoofd der ziekten \j^x^. jMJ (ook t^oU» «, ge- 
schreven) ontbood (in het Maleisch weergegeven met angin merah in het 
Arabisch *~J) ^y., lees ^c^Jj) ^oJ)) die hem nitlegt hoe hij de ziekten doet 
ontstaan; Djabra'il brengt een schotel van lichtglans met de ^^n-^ ~, tcJ, en 
de profeet geneest, na die doe c a gereciteerd te hebben, de twee knapen, waarna 
die doe c a in de wereld bleef tot heil der menschheid. 

Daarna volgt een verhaal van den imam Asj-Sjafi c ï die in den droom 
den profeet om genezing zijner ziekte verzocht, bevenens eene overlevering van 
van Loekman over eene genezing van vergiftiging. 

Na aanwijzingen van bijgeloovige middelen om enkele kwalen te be- 
strijden, volgt een fasl over het ghalib en maghlöeb in het Perzisch (bëhasa 
c 'adjam) volgens de beste, door alle vei'standigen gebruikte, wijze van berekening 
met letters en cijfers; de Perzische telwoorden zijn hier aldus weergegeven: 

terwijl de juiste vormen zijn: ^JLj, ^, ^ L>., ^Jj, ^ü, e^ias» C^Aa> *j. 

Daarna volgen geneesmethoden in verband met den naam van den patiënt 
en dag der applicatie, waarbij verschillende aftrekkingen en optellingen gebe- 
zigd worden. Allerlei schemata van letters en cijfers, alsmede doe c a's en 
liturgieën worden uitvoerig aanbevolen. Aan de winden uit de verschillende 
windstreken wordt eene groote beteekenis toegekend, terwijl verhalen uit oude 
tijden als bewijzen aangehaald worden. Hierop volgt eene reeks van medicamenten 
tegen koorts, hoofdpijn en andere kwalen ; de djimats spelen ook hier eene belang- 
rijke rol. Eene eindelooze reeks van bab's en fasl's is met de optelling van ziekten 
en hare menigvuldige geneesmethoden gevuld; ook de genezing van zielsziekten 
wordt behandeld, evenals ook slangenbeten en andere accidenteele indisposities. 

De laatst behandelde obats zijn die tegen wurmen en buikloop. 

Het geheel is geen eigenlijk doktersboek, maar een echte dusgenaamde 
boekoe tip, waarin de superstitie de grootste rol speelt. 

DCCLXXXIII. 

KITaB TIBB. 

Collectie C. St. 94, 21X17 cM., 111 bl. 17 r. gedateerd: Garoet 1277. 



447 

Voorin staat; naar een handschrift, afkomstig van den heer K. F. Holle. 
Een dergelijk werk. 

De eerste bladzijden zijn gevuld met mystieke formnles en figuren. Daarna 
over de a>, de J, de ^jJÜLui ( ^ e *a^, de C, en allerlei diagnosen. 

Op bl. 8 begint de eigenlijke c ihuoe tabib, met eene lijst van 79 me- 
dicijnen. 

De laatste bladzijden bevatten barakah's, fa'idahs en chassijjahs. 
Het afschrift is gemaakt te Batavia, Këbon Djëroek, 18G9. 

Andere handschriften : 

Leiden, de nommers CCCXL— CCGXLVII, Catal. bl. 305—307. 

DCCLXXXIV. 

BAHR AL-^ADJa'IB. 

Bat. Gen. 121, 21 X 17 cM., 310 bl. 15 r. gedat. 1223. 
Notulen 3 Februari, 1880, II, c. 

Berekening van toekomstige .gebeurtenissen door Moehammad ibn al- 
Marhoèm Ahmad al-Palembanï op last van Soeltau Mahmoêd Badroeddïn uit 
het Arabisch (Bahr al-Woekoêf fï c ilm at-taufik wa'1-hoeroêf van c Abdoerrah- 
man ibn Moehammad ibn ^'Alï ibn Ahmad al-Bistamï). 

Door het invreten van den inkt is het HS. bijna geheel onleesbaar. 

O}) het titelblad staat de naam van genoemden Soeltau. 

DCCLXXXV. 

KOETIKA'S EN FaL'S. 

Bat, Gen. 64, 33 X 21 cM., 58 bl. 

Gevocaliseerd en fraai geschreven handschrift, gedateerd 1200; aan het 
slot vervormde Latijnsche hoofdletters. 

DCCLXXXVI. 

Bat. Gen. 65, 30 X 20 cM., 92 bl. 

Van dezelfde hand als het vorige n°, voor een deel gevocaliseerd ; niet af. 

DCCLXXXVIL 

Bat. Gen. 170, 133 X 16 cM., in plano. 



448 

Afkomstig van Siboga; met eigenaardige teekeningen. 

Achteraan staat ü.»_jui L.j ( ^^S)sxc f\-^*> ^y ^jJ \jS*&£ ï)<yu 

Sr y v e/- n/» > C •■ li^v ^ v v C> ^ -V 

1850 ^1^ 

DOCLXXXVIIL 

Bat. Gen. 233. 

Notulen 13 Februari 1899, VI, 2». 

Zestien-hoek met 16 beschreven segmenten, bevattende fal's van profe- 
ten. Straal: 17 cM. 

Gevonden in Kampong Tjöt Phiëng, 22 Juli 1898. 

DCCLXXXIX. 

Bat. Gen. 30(3, 23 X 17 cM., 12 bl. 17 r. 

Notulen 23 December 1901, I, d en bl. CXL1X. sqq. 

Een fragment over geluksberekening. 

DCCXC. 

Bat. Gen. 311, 22 X 17 cM. 00 bl. 17 r. 
Notulen als boven. 

Fal. Gedateerd 26 Djoem, II, 1301; achteraan J) JU S^ )sx 

DCCXCI. 

Bat. Gen. 312, 22 X 16 cM., 16 bl. 24 r. 
Notulen als boven. 

Fragment, eindigt in een fasl met het opschrift ciALoU;). .jüu.aIL 

DCCXCII. 

Bat. Gen. 337, 17 X H cM., 162 bl. 

Notulen 7 Nov. 1904, III, 2° en bijlage XIII, no. X. 

Koetika's, djimats, gebeden, tabellen, recepten, met de gewone figuren. 
Bl. 37 — 38 : sjattaritische silsilah van c Abdoerra'oêf. 



449 
DCCXCJII 

Bat. Gen. 338, 18 X 10 cM., 24 bl. 
Notulen als boven, no. XII. 

Idem. 

DCCX1V. 

Bat. Gen. 342, 24 X 17 cM., 194 bl. 
Notulen als boven, no. XVII. 

Behalve het Arabsch (101 gebeden, met inleiding in het Maleisch, bl. 
22 — 67) treft men hier aan : détails over den sëmbahjang, diverse gebeden, 
formulieren, adjimats en citaten, waaronder eene bepaling van de nisab voor 
de djakat in Atjehsche maten door Sjeh Marahaban (op bl. 17) „aanwijzing 
voor de keuze van namen voor kinderen, gebed aanbevolen door Teugkoe di 
Koeala (Abdoerra'oêf)" (op bl. 21); van bl. 71 — 95 recepten, van bl. 96 — 126, 
17 r. methoden voor berekening van geluk (phaj, koetika) met andere adjimats, 
gebeden, koetika, berekening van den naga met figuren, der ridjal al-ghajb 
(bl. 132), ghalib maghloêb (bl. 138), koetika's (bl. 141), en op bl. 144—155, 
16 r. „het geluk der dagen van de maand en der jaren van de wiudoe", op 
bl. 156 verschillende voorschriften omtrent smeedkunst, op bl. 160 voorschrif- 
ten betreffende het schrijven van djimats, gebeden, spreuken, Arabische gewijde 
overleveringen met Atjehsche verklaring, Atjehsche redevoering bij eene bruiloft 
en pantön's. 

DCCXCV. 

Bat. Gen. 351, 17 X H cM., 30 bl. 17 r. 
Notulen als boven n° XXXII. 

Fal met behulp van den koer'an, benevens gebeden ten behoeve der 
vischvauo:st en andere werkzaamheden. 



'O' 



DCCXCVI. 

Bat. Gen. 352, 17 X 10 cM., 25 beschr. bl. vele onbeschrevene. 
Notulen, als boven, n° XXXII. 

Koetika's o.a. ridjal al-ghajb en naga, verder Atj. aanteekeningen. 

Verhandelingen. 29 



450 

DCCXCVII. 

Bat. Gen. 353 17 X 10 cM., 39 beschr. zeer vele onbeschr. bl. 
Notulen als boven, n° XXXV. 

» Verschillende gebeden, koetika's en andere geluksberekeningen, bene- 
vens aanteekeningen betreffende mensehen en geweren en opsomming der 
binnen de linie aanwezige lieden van zeker gebied in het jaar 1311 H." 

DCCXCVII 1. 

Bat. Gen. 367, 16 X H cM., 20 r. 

Notulen 1904, December, 2° en Bijl; XIV. 

Ridjal al-ghajb, naga, e.a. later gebeden en djimats. 

DCCIC. 

Bat. Gen. 368, 18 X 12 cM., 100 bl. 9 r. e. a. 
Notulen als boven. 

Van bl. 2 tot 20 Arabisch. Het Maleisch der berekeningen en voor- 
spellingen is somtijds op eigenaardige wijze gevocaliseerd. 

DCCC. 

Bat. Gen. 378, A, bl. 1—4, (22 X 16 cM.) 
Notulen als boven. 

Djimats, berekeningen enz. 

DCCCI. 
Bat. Gen. 382, 26 X 21 cM., 36 bl. 
Idem; achteraan eene doe c a pauërang hati, met vele fouten in het Arabisch. 

DCCCII. 

Bat. Gen. 283, 22 X 17 cM., 29 bl. gedat. 1315. 
Notulen, 23 December 1901, I d, 3°. 

Fal Dja c far as-Saddïk, in aansluiting aan de verzen der fatihah en 
andere koer'angedeelten, met tabellen en figuren. 



451 

GEBEDEN, LAPAL'S EN FORMULIEREN. 

DCCCIII. 

Bat Gen. 334, 17 X 11 cM., 260 bl. 

Notulen 7 November 1904, III, 2° en bijlage XIII, no. II. 

Gebeden. 

Op bl. GO— 64, gebed tegen ongelukken. 

» » 64, » » ziekte en zware bevalling. 

Daarna Arabisch en Atjehsch. 

Verder een klein gedicht tot onderwijzing in het geloof, eene kleine 
verhandeling over de geloofsleer e. a. 

Zie uitvoeriger genoemde bijlage, no. II. 



DCCCIV. 

Bat. Gen. 335 A, bl. 1-95, (17 X 10 eM.) 
Notulen als boven, no. III. 

Bl. 1 — 16, Maleische gebeden. 

» 24 — 52, » bezweringen en recepten. 

Daarna Atjehsch. 
Bl. 62 — 72 (verkeerd ingenaajd); iets over den prang sabil toegepast op Atjeb. 

» 72 — 79, recepten en formules van f als e. d. 

» 80—95, ledig. 

DCCCV. 

Bat. Gen. 355, 17 X 11 cM., 30 beschr. bl. 

Gebeden en recepten. 

Zie genoemde bijlage, no. XXXVII. 

DCCCVI. 

Bat. Gen. 369, 16 X H cM., 152 bl. 

Notulen 1904 December III, 2<> a, en bijlage XIV 

Gebeden en andere. 

Bl. 1, over de ritueele slachting, 

» 2 — 20, Arabisch, 

» 21—23, voorschriften van erotischen aard. 



452 

Berekeningen, over slachting, gebeden, over de vasten met gebeden; 
bl. 45, djimat tegen ziekte en tegenspoed, 

» 49 — 58, gebeden van Moehammad, 

» 59, acrostice over Moehammad's leven, 

» 63 — 83, didactisch godsdienstig gedicht, 

» 84 — 93, naamgeving, 
Arabisch, 

» 98 — 105, didoctisch godsdienstig gedicht, 

» 106—120, gebeden, 
tot bl. 141 Arabisch. 

Daarna gebeden en djimats. 

DCCCVII. 

Bat. Gen. 371, 13 X 8 cM., 74 bl. 8 r. 
Notulen als boven. 

Bl. 8 — 11, 94 formules tot afwering van kwaad, 
» 12 — 41, de formules en teekens zelven. 
Daarna, behalve djimats, gebeden voor bepaalde tijden. 

DCCCV11L 

Bat. Gen. 372, 17y 2 X H cM.. 176 bl. 
Notulen als boven. 

Bl. 1 — 9, Berekeningen omtrent echtgenooten. 



» 
» 



Arabisch, 



13 — 21 over de verklaring van aardbevingen. 



» 22 — 29 over berekeningen van de waarschijnlijkheid van sterven bij 

ziekte, van den afloop van oorlogen, e. d. 
» 30 Atjehsch, 

» 32 — 53 over de volgens de Sjattarijjah voorgeschrevene gebeden. 
» 54 — 74, fa'idah's van de salat, 
» 74 — 76, gebeden volgens de Chalwaijjah, 
» 77 — 109, in den hadith medegedeelde vermaningen omtrent gebeden 

en te reciteeren koer'anstukken, ui et fa'idah's; en bezweringsformules 
» 110 — 123, gebeden, en over de Sjattarijjah. 
» 123 — 129, over de Chalwaijjah; sëmbahjang's en lapals. 

Daarna mystieke figuren, en gebeden (Bl. 152 : Atjehsch), 

Lapals bij aanbevolene sëmbahjangs, in het Arabisch. 



453 



DCCCIX. 



Bat. Gen. 375, C. bl. 141—146, 20 r. 
Notulen als boven. 

Bijzondere gebeden en lapals bij enkele sëmbahjangs. Bl. 147 is Arabisch. 

DCCCX. 

Collectie Br. 197, 19V 2 X 15 V» cM., 34 bl. 

Bl. 1 — 11, recepten. 

Verder gebeden, meest gevocaliseerd, formules, ook in het Javaansch, 
in pegon, radjah's en koetika's. 



AANHANGSEL. 
REGISTER DER IN HOOFDSTUK VI VERMELDE AUTEURS. 



Coll. v. d. W. 19 (j^sl* *U ójlc ^) x^^) ^js»?) 

Bat. Gen. 68, Coll. v. d. W. 2, Coll Br. 627 (&) ^ J\ j&\ j^^) J^) 

Coll. v. d. W. 32 (^wsJ) ^ yvJjCi) ^i) ^mu J^sv) i^sBüUil 

<>Üi) Uac j) .»j JU) ^^ M-^ ^a2£c<i j) Jwat»-) (JwAiJ) j_j) jji ) _U' 

Coll. v. d. W. 28—31. Bat. Gen. 315. 

^y-a.!) jULJu .jJj****- ^ r^-J ^ .Xwl) j) t^Jie i aj-jÜn -A_jJH) 

Coll. v. d. W. 39, 42. Ju-**»" 

Bat. Gen. 307 pK ^Y 4 &j 

Coll. y. d. W. 26 (^jj) ^) JïjSiïï] 

Bat. Gen. 75 (j^» a ^) j^)) u $**«ul) 

Coii. v. d. w. 127 (^jj) ^u.^ ^ ^jj) ^^ j*^) ^.u:) 

Bat. Gen. 283 ^^) y^ 

» » 120. Coll. y. d. W. 7, 8. ( d L ; ) JUUtf 

Bat. Gen. 104, 109 D, 109 E, 115 B, 118, 119, 222, 284, 288, 327, 
329, 336 D, 339 A, 344, 397. 

Coll. v. d. W. 3, 10, 26, 40, 48, 49 C, Coll. Br. 201. 

Bat. Gen. 357 ( ^ s ^ ^jfrf] 

» » 102, 107 A, 113 G, 295, 299 A, 328 A, 341 B, 375 A. 

376 C, Coll. v. d. W. 45. „, JU] 

» » 294 (J^ ^ ^^) J^) 

* * 297 ' 317 C &K uy/ "^ïï j^. ^'^U 



455 



Bat. Gen. 



103, 107 B, 301, 302, 375 B, Coll. (J)^j y^j) ^J^J) uae 
v. tl. W. 41, Bat. Gen. 289, 323, 336 B, 336 G, 341 
A 343, 349, 373, 399 



j)iXs\l) 



S*> 



L 



e/ 



j) <X_ll) A>r 



» » 



xLj iX.il) A>£ 



v-S -> 



114. 

102 D, 340 B. 

» » 113 E, 285. p^lLs iUm<i -i*x& j) 

» » 225, 264, 275 ^jlaJ) jw ^) aJdï jor ^) ^LjLc 

Coll. v. d. W. 11. f Wi. j) Jva^^o .>\ x*s*-)) f^jji^xsé) 

» 4, 5, 43, Bat. Gen. 292, 293. jy 

» » 1, 5, 14, 27, 28, (^ ; J) ^>) <x_l!) A> £ ^) jjb) ^iJwiï 



Bat. Gen. 224. 
» » 120, Coll. v. d. W. 7, 8. 



-)t3J I Ja. 



109 C, 292. 293, Coll. v. d. W. 4, 43, 49 F (±^) ^A MAM 



Coll. v. d. 
Bat. Gen. 

» » 
Coll. v. d, 
Bat. Gen. 

» » 
Coll. v. d. 
Bat. Gen. 

» » 
Coll. v. d 



W. 126. 
121 
115 A. (*ü) 






Axc j) .V^S) ^A^c) i — J«*J) A.l£ 






W. 35. (j^U- ^) 

1 09 A, 287 (<_$« Laj}l) JaJ) a^^^o ^) a*^.< ja!) ^s*" 9 ) ^^-^ 
107 A, 341 B, 376, C, ^ü) ^sl) uk ^) ^j J^ 



W. 36 (45), Coll. Br. 200 E. 
149 ÜxAi L^fJai- &JÏÏ Axx „p} 

307 

W. 49. 






AFDEELING VIL 

VARIA. 



DCCCXL 

KITaB TA^BïR I. 
Collectie v. d. W. 217. 32 X 20 cM.. 104 bl. 19 r. 

De volledige titel van dit droomboek is : kitab pada mënjatakën dëngan 
tiga ta c bïr përtarna ta c bïr mimpi, dan kadoea gërhaua boelau dan matahari dau 
katiga lindoe dan lagi gërak dan laksana koetjing jang bërtoeah dan jang 
tjilaka, het volledige uitleggingsboek dus over droomen. zon- en maansverduis- 
teringen, aardbevingen, lichaamstrillingen, en over de kenteekenen van katten, 
zooals voorkomt in de handschriften te Leiden en te 's Gravenhage, naar welker 
beschrijving moge verwezen worden. 

Het gedeelte over uitlegging der droomen volgens hunne onderwerpen is 
gedateerd 25 Radjab 1273; het geheele werk 5 Sja c ban 1273. 1847. 

De beschrijving van het Haagsche handschrift (LX VI) is geheel op dit 
HS. toepasselijk. 

Slechts de linkerhelft der bladzijden is beschreven. 

DCCCXII. 
KITaB TA^BiR II. 

Bat. Gen. 376 A. bl. 3—13, 17 r. (22 X 10 cM.) 

Notulen 19<)4 December III, 2°, a en Bijl. XIV. 

Alleen de droomuitlegging, naar de onderwerpen, in 20 bab's. 

DCCCXIII. 
KITaB TA<BïR III. 

Bat. Gen. 317 A, bl. 1—15, (23X17 cM ) 

Notulen 23 Dec. 1901, I, //, 1° en bl. CXLIX sqq. 



457 
Alleen de verklaring van de onwillekeurige trillingen in het lichaam. 

DCCCXIV. 

KITaB TA^BiR IV. 

Collectie Br. 208, 19% X 15 1 /, cM., 92 bl. 13 r. 

Het volledige boek der uitleggingen. 

Gedateerd: Bogor 27 Augustus 1843, 29 Radjab 1259. 

Andere handschriften : 
Leiden, cod. 1695 en 1966, Catal. bl. 304. 
's Gravenhage, no. 604. (LXVI). 

Cambridge, Bijdr. T. L. & V. K. v. N. I. 6 e volgr. II, appendix van 
het Account. 

DCCCXV. 
KITaB BINTANG. 

Bat. Gen. 101, 33 1/ 9 X 23 cM., 44 bl. 

Notulen 1878, 16 Juli V en 17 Sept. V. 

Chronologische en astronomische tabellen en figuren, met verklarende 
aanteekeningen. 

DCCCXVl. 

KITaB BINTANG. 

Bat. Gen. 208, 46 X 30 cM., 89 bl. 34 r. 

Aangekocht uit de nalatenschap van Dr. J. J. de Hollander. 

Voorin staat: „Copij van een Manuscript, in handen van Tjaija, hijgen' 1 
Baginda Alam, van de kampong Tandjong, in de afdeeling Semangka, Resid. 
Lampongsche Districten, Telok Betong 6 November 1866". 

Astronomie en astrologie, in 24 fasl's, eerst in het Arabisch gevolgd 
door de Maleische vertaling van elke §, later uitsluitend in het Maleisch. 

DCCCXVII. 
KITaB BINTANG. 

Collectie v. d. W. 225, 32 X 20 V, cM., 72 bl. 20 r. 



458 

Werk over de astrologie, den invloed van den stand der sterren en dei- 
constellaties, de dagen en uren en allerlei siderische bijzondere gevallen op het 
lot des menschen, goede en kwade tijden, de gevolgen van het verschijnen van 
kometen, e. d. opgehelderd met teekeningen en tabellen. 

DCCCXVIII. 
KITaB BINTANG. 

Collectie Br. 289, 12 X 7 1 /, cM., 85 bl. 11 r. 

Astrologie, voornamelijk over den dierenriem. 

BI. 76 — 81 Arab. — Javaausche formulieren, gevolgd door een formulier 
in Latijnsch schrift. 

DCCCXIX. 
CHRONOLOGIE. 
Collectie C. St. 46, 20 1 /, X 17 cM., 55 bl. 16 r. Latijnsch schrift. 

Voorin staat: » Arabische. Egyptische (Diocletiaausche) eu Europeesche 
(Juliaansche) tijdrekening, naar een handschrift afkomstig van den heer K. F. 
Holle te Garoet, afgeschreven door Tjakra Arnidjaja, Batavia 1866". 
Bab I in 4§§ handelt over het Arabische jaar, 
» II » 7» » » » Egyptische » 

enzoovoorts tot bab XII over het Europeesche jaar. 

DCCCXX. 

KITaB TARaSOEL. 

Bat. Gen. 52 A, 59 bl. 15 r. (19 X 15 cM.) 
Notulen 1869, 3 Augustus, IV b. 

Modellen voor brieven. 

Voorin Boegineesch of Makasaarsch. 

Op bl. 1 — 16 echter allerlei gebeden. 

DCCCXX1. 

KITaB TARaSOEL. 

Bat, Gen. 81, 22 X 16 % cM., 26 beschr. en vele onbeschr. bl. 17 r. 
Latijnsch schrift. 
Notulen 1874, 7 Juli, II, en 9 Juni II, /. 



459 

Voorin staat: »Inie boek tersoel djikaloe haudak kirim soerat atawa 
balessie pada Raja Raja serta orang toewa toewa lagie njang pangkat moeda 
atawa anak". 

Eindigt abrupt. 

DCCCXXIL 

KITaB TARaSOEL. 

Bat. Gen. 272, 21X17 cM., 95 bl. 17 r. 
Handschrift-Holle. 

DCCCXX1II. 

KITAB TARaSOEL. 

Collectie v. d. W. 220, 207 3 X ÏO 1 /, cM. 116 bl. 13 r. 

Modellen voor briefstijl. 

Op de laatste bladzijde een djimat en eenig Boegineesch of Makas- 
saarsch schrift. 

DCCCXX1V. 

KITAB TARaSOEL. 

Collectie v. cl. W. 221. 32 X 20 l / 3 cM. 52 bl. 19 r. 
Ander brievenboek, met eenige pantoens. 

Andere dergelijke handschriften: 

Leiden: cod. 1742, 1764 en 1921, catal. bl. 307 en 308. 

Londen: Royal Asiatic Society, no 79. 

9 

DCCCXXV. 
DAR1 HaL OEDARA. 

Bat. Gen. 167, 16 X 20 cM. 4 beschr. bl. 24 r. Larijnsch schrift. 

Over den dampkring en zijne gesteldheid. 

Opgesteld door Ko Mo An te Djokjakarta, 26 April 1888. 



460 

DCCCXXY1. 
<TLMOE BOEMI. 

Bat. Geu. 262, 33 X 23 cM. 31 bl. 30 r. Latijnsck schrift. 

Handschrift-Holle. 

Aardrijkskunde en cosmografie in 22 lesjes. 

DCCCXXVII. 
HIKMAT HIKMAT °ILMOE. 

Collectie v. d. W. 216, 38 1 /, X 21 cM. 82 bl. 19 r. 

Voor de school gemaakte „verhandeling over de nieuwe uitvindingen 
en instellingen van Europa en Amerika, benevens verklaring van eenigen der 
meest voorkomende natuurverschijnselen, b. v. de wolken, den regen, enz." 
Op den band staat ten onrechte Ac r '&*&>. r \&^ 

ÜCCCXXVIII. 
KITaB TËKA TëKI TëRBANG. 
Collectie v. d. W. 224, 33 X 20 1 /, cM., 54 bl. 19 r. 
Spel- en Leesboek; de stof is uit Europeesche boeken ontleend. 

DCCCXXIX. 
cILMOE HISaB. 

Collectie v. d. W. 226, 33 */„ X 2U/ 2 cM., 44 bl. 25 r. 

Boek over de rekenkunde, met vele Arabische woorden en kunsttermeu. 
geheel naar den trant van een kitab samengesteld. 
Overgeschreven te Riomv 15 Sja c ban 1281. 

DCCCXXX. 
BOESTaN AL-KaTIBïN 1. 

Collectie v. d. W. 218. 33 X 21 cM., 56 bl. 20 r. 

Maleische schriftleer en spraakkunst, gesteendrukt te Singapoera en 
door schrijver dezes vertaald in het Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en 
Volkenkunde, deel XL1V, bl. 512—581. 



461 

De eigenlijke Boestan is gedateerd : Pënjëngat, tijdens Jangdipërtoean 

moeda Radja c Alï ibn Jangdipërtoean moeda Radja Dja c far, 20 Sja c ban 1273. 

Na de dateering staat nog : C^iu lï^SU ^t) u_>ljtf ^^Le) & ^yj) 

^ui .JuJuw*eJ) aJUsvl. Ui)»i-i). lü-uli^. Ui <jdi) Jlc 

De laatste drie bladzijden zijn gevuld met eene handleiding over het 
maken van verzen in drie fasl'sk 

DCCCXXXI. 
BOESTaN AL-KaTIBiN II. 

Collectie v. d. W. 219, 21 X 16 cM. ; 88 bl. 14 r. 

Hetzelfde werk. 

De paragrafen zijn niet genummerd. 
De datum is: 18 Dzöelk, 1267 te Rioaw. 

De in het vorige HS. voorkomende handleiding over de verskunst is 
hier niet aan te treffen. 

DCCCXXXII. 

TJÈRËMIN MATA. 

Collectie v. cl. W. 213, 33 X 20 7 S cM., 120 bl. 17 r. 

Verzameling van opstellen over niet-Inlandsche zaken, voor de school 
gemaakt; verzamelingen onder dezen titel zijn uitgegeven te Batavia 1866, en 
te Singapoera 1858 en 1859. 

De inhoud is reeds in Van den Berg's inventaris medegedeeld; hier 
worden de bladzijden der onderdeelen opgegeven : 
I. Kapitein Cook, bl. 1 — 5. 
II. De mannen der Sandwich-eilanden naar Amerika, — bl. 11. 

III. Rntk, — bl. 25. 

IV. Een prins van Labore wordt Christen, — bl. 41. 
V. Si L- Alï, met moraal - — bl. 50. 

VI. De wind — bl. 62. 

VII. De godsdienst der Grieken (genoemd § 4 !) — bl. 68. 
VIII. Fragment van c Abdoellah's reize naar Mekka, — bl. 80. 
IX. Verschijning bij Baghdad, — bl. 89. 

X. Geschiedenis eener prinses die met 40 mannen huwde, met moraal — 
bl 97. 



462 

XI. Een scheepsbrand, — bl. 107. 
XII. Spreuken van Salomo en Maleische spreekwoorden. — bl. 111. 
XIII. Gedicht over den val van Adam en Eva, — bl. 118. 

DCCCXXXIII. 

PëRHIMPOENAN PëRKATA'AN MALAJOE. 

Collectie v. d. W. 222, 33 X 20 1 /, cM., 102 bl. 19 r. 

Maleische woordenlijst, niets dan stamwoorden. zonder verklaring, in 
drie kolommen, door c Abdoellah ibn c Abdilkadir Moensjï, met zeer vele door- 
halingen. 

Op de eerste bladzijde staat aangeteekend : »De blauwe en groene aan- 
teekeningen zijn van Hadji Ibrahim van Riouw, v. tl. W. De met een blauwe 
punt aangestipte woorden zijn te Singapoera te onderzoeken", v. d. W. 

DCCCXXXIV. 

KITAB ALIF AL1FAN. 

Collectie v. d. W. 223, 31 X 20 cM.. 6 bl. 

Alphabet en de namen der twintig eigenschappen. 

DCCCXXXV. 

REISVERHAAL. 

Bat. Gen. 46. 32 X 20 cM. 34 bl. 28 r. Latijusch schrift. 
Notulen, 4 Maart 1869, V, 3—4. 

Verslag van eene reis naar Laras Kapoer van Si Moedin bërgalar 
Radja Magek anak sëkola Poear Datar, aangevangen 10 Juni 1866. 

DCCCXXXVI. 

REIS NAAR MEKKA. 

Bat. Gen. 158, 32 X 20 cM. 12 bl. 23 r. 

Onbelangrijk reisverslag van Raden Dëmang Pandji Nagara en zijn 
gezelschap, van Soemëdang naar Mekka en terug; de reis begon 27 Sjawwal 
1269, de aankomst te Mekka was op 18 Dzóelk., en den 29 Safar was men 
terug te Soemëdang. 



463 

Geheel gevocaliseerd. 

Geschenk van den heer A. W. Kinder de Comarecq. 

DCCCXXXVII. 
PËLAJARAN cABDOELLaH. 

Collectie v. d. W. 214, 33 X 20 7 9 cM. 110 bl. 19 r. 

Verhaal van de zeereis van c Abdoellah ibn c Abdilkadir Moensjï, meer- 
dere malen gesteendrukt te Singapoera eu uitgegeven door J. Pijnappel, Leiden 
1865, en H. C. Klinkert, ibid. 1889. 

DCCCXXXVIII. 
PÉLAJARAN cABDOELLaH KA MËKKAH. 

Collectie v. d. W. 215, 19 X 15 cM. 24 bl. 16 r. 

Zeereis van den zelfden naar Djeddah en verdere reis naar Mekka, 
eveneens door Klinkert uitgegeven achter zijne bovengenoemde uitgave. 

DCCCXXXIX. 
BaB RADJA RADJA. 

Bat. Gen. 332, 35 X 21 cM., 5 bl. 40 r. Latijnsch schrift. 

Afschrift van een poesaka in het bezit van een marga in de landstreek 
Lëbong; eerst quasi-Arabisch, dan over Iskandar Dzóe'l-Karnajn, genealogie, 
in onduidelijke transscriptie. 

Aan het slot eene vervloeking over ieder die den drager van deze 
poesaka, waar hij zich ook bevinde, doodt. 

DCCCXL. 
BaB SJART AL-BADAN. 

Bat. Gen. 286, E, bl. 263—268 (33 X 21 cM.), ged. 8 Sja°ban 1272. 
Notulen 23 Dec. 1901, I, d, 2°. 

Een hoofdstuk over allerlei lichaamsverrichtingen, in 18 sjart's. 
Achteraan losse aanteekeningen. 



464 

DCCCXLI. 

GESLACHTSL1JST. 

Bat. Gen. 235, 264 X 32 plano. 

Notulen 6 October 1891, T, f. 

Geslachtslijst van Adam tot Moeharnmad. 

DCOCXLIL 

PëNGADJARAN ADAB. 

Bat. Gen. 274, 22X18 cM., 118 bl. 25 r. 

Handschrift-Holle. 

Boek over manieren en plichten, verdeeld in 14 hoofdstukken, bv. 
II over adabs van patih's, 8 adabs. 

III » » » wëdana's 9 » 

IV » » » onderdanen 11 » 
Tot besluit een toepasselijk vers. 

DCCCXLIII. 

SCHOOLBOEK. 

Bat. Gen. 276, 21 X 1 7 cM. 33 bl. 20 r. 

Handschrift-Holle. 

De titel van dit den 18 September 1861 door een schoolknaap geschreven 
boekje met lees-verhaaltjes is: kitab akan dibatja anak anak sëkola di Painan. 

DCCCXLIV. 

PINTOE GÉRÉBANG PËNGATAHOEAN. 

Bat. Gen. 193, 27 X 21 cM. 378 bl. 26 r. Latijnsch schrift. 

Voorin staat: Pintu Gerbang Pengatahuwan itu apatah dibukakan guua 
orang orang padudokh tanah Minaliasa ini oleh J. G. F. Riedel. Dit werkje is 
uitgfeo-even in 1862 — 74. 
De inhoud is : 
„Bahagijan I, ilmu tanaman, 

» II, pada manjataken babarapa perkara deri pada ka'ada'an 

manusija, bahagijannja ruhh itu. 



465 

„Bahagijan V. Hikajat tuwah tanah Minahasa sampaj pada kadatangan orang 
kulit putih Nederlanda itu (bl. 196 — 215 ondersteboven). 

» VI. Ilmu peratoran rumah tangga persakutuwan manusija itu. 

» IX. Ilmu tanipat padudokhan manusija atawa negrij negrij itu." 

Outvangeu in September 1889. 

DCCCXLV. 
OBSCOENA MALAICA. 

Bat. Gen. 231, 34 -j- 20 V, cM. 22 bl. 24 r. 

Raadgevingen, benevens een gesprek tusschen c Ali eu c Abdoellah over 
obscoena en aphrodisiaca. 

DCCCXVI. 
REGISTER TJATJAH DJLWA DISTRICT AMPëNAN 1905. 

Bat. Gen. 400, 34/21 cM., 28 bl. Latijnseh schrift. 

Verdeeld in rubrieken ; namen der districten, dasa's, klians, inwoners, 
titels, vee e. a. 

DCCCXLV1I. 
DAR! HaL TANAMAN BAMBOE. 

Bat. Gen. 269, 35 X 22 cM., 18 bl. 39 r. Latijnseh schrift. 
Handschrift-Holle. 

Nota van den regent van Dëmak over het nut van het aanplanten van bamboe. 

DCCCXLVIII. 
1NSTRUCTIE-LOEAR BATANG. 

Bat. Gen. 267, 35 X 217 a cM., 12 bl. 38 r. Latijnseh schrift. 

Handschrift-Holle. 

Instructie voor de beheerders van het graf van Hoesajn ibn c Alï al- 
c Aj droes te Loear Batang, Batavia, op verzoek van den priesterraad te Batavia 
na bekomen last van den Assistent-Resident, opgesteld door Sajjid c Oetbman 
ibn c Abdillah ibn c Akïl ibn Jahja, verdeeld in 11 §§, Achteraan staat vermeld 
dat de regeling zal ingaan op 1 Rabï c II, 1309. 

Verhandelingen. 30 



466 
DCCCXLIX. 
DARI HiïL KRADëNAN. 
Bat. Gen. 212, 34 X 21 cM., 12 bl, 40 r. Latijnsch schrift. 

Opgesteld door den wëdaua van Kradënan Wirjakoesoema, over de won- 
deren geschied bij den Blëdoeg, angkër's in Tjangakan, Medang en Kesongo, 
en een verhaal hoe Praboe Djakaradja Mëdangkamolan een zoon had die in een 
slang veranderd werd. 



'o 



DCCCL. 

LEESBOEKJES. 

Bat. Gen. 1. A. 

Notulen 1864, 12 Maart, III. g. 

Afschriften van werkjes in de scholen in de Padangsche Bovenlanden 
in gebuik. 

1 en 2 zijn Minangkabansch, 

3 is een verhaaltje van een armen visscher, 32 X 20y 3 cM., 1 bl. 22 r. 
gedateerd Pajakombo, 26 Mei 1862, 

4 is een verhaaltje van twee bedelaars, 32 X 20y g cM., 2 bl. gedateerd 
ibid. eod. temp. 

5 is een verhaaltje van een rijken koopman, 32 X 207a cM., 2 bl. id. id. 

DGCCL1. 

LEGENDE VAN EEN KANON OP BOANO. 

Bat. Gen. 1, E, 27 X 21 cM., 27 bl. 
Notulen 28 April 1868, V, b. 

Maleische tekst bl. 1 — 10, 16 r. transscriptie, bl. 11 — 25, 32 r. 

„Verhaal van Sultan Ali Haris van Ambon-poera strekkende tot toelich- 
ting van een kanon met inscriptie, gevonden op het eiland Boano Mauipa-groep 
bij Cerara". 

Voorin staat: uwj.U- 'l- Soeltan Aliharis, vorst van Ambon poera, 
aldaar aangesteld door zijn vader Praboe Baginda Ali Asgar f A^) jlA 
Keizer ( t j*axS') van Roem, zendt aan dezen een vogel met brief, met verzoek 
om wapenrusting enz. die hem daarop gezonden wordt met een brik, onder 



467 

geleide van den vogel, terwijl tevens zijn naam veranderd wordt in Soeltan 
Babah Koeni Ali Haris Sangoelela ; onder de gezonden geschenken bebooreu 
twee kanonnen genaamd Matahari Matan en Patiwabil. 

BRIEVEN. 
DCCCLII. 

Bat. Gen. 1, B. 

Notulen 19 Sept. 1865, V, 23. 

1. Brief van den rijksbestuurder van Pontianak aan den heer J, B. de 
Linge, van 22 Juni 1838; 40 X 33 cM. 

2. Brief van idem aan idem, van denzelfden datum; 40 X 33 cM. 

3. Brief van den Soeltan van Pontianak aan idem, van 27 November 1838, 
38 X 21Vi cM. 

DCCCLIII. 

Bat. Gen. 1, D. 

Notulen 25 Juni 1867. II, 3. 

Afschrift van een brief van het Britsch Bestuur op Java aan de Lain- 
pongsche hoofden, van 26 Pebr. 1812, te Buitenzorg geschreven. 41 X 33 cM. 
Transscriptie daarvan, 33 X 20 1 / 2 cM. 2 bl. 

DCCCLIV. 

Bat. Gen. 172, 34 X 22 cM. 14 bl. 

Notulen 6 Januari 1880, II, /. 

Vier Brieven, afkomstig uit Atjeh, over geldzaken, gedateerd: 9 Rabi e 
I 1296, 22 Moeharram 1296, 17 Safar 1253 en 2 Sja c ban 

DCCCLV. 
Bat Gen. 174 277 a X 18 cM. 758 bl. 

Bundel Maleische brienen, afkomstig van H. v. d. Wall, Gouverueinents- 
eigendom, ontvangen in September 1889. 

DCCCLVI. 
Bat. Gen. 175, 35 X 22 cM. 146 bl. 

Geheel als boven; andere bundel. 



468 

DCCCLVII. 

Bat. Gen. 396, B, (21 X 17 cM.) 

Notulen, November 1904, I, c. 

Afschriften van twee Djambiscke brieven, welker oi'igineel in het be- 
zit is van den depati van Soleman. 

DCCCLVII1. 

TJANGKRIMAN. 

Collectie Br. 157, I, 4°, 22 bl. 

Eerste bundel van eeue portefeuille bevattende afschriften van Palembang- 
sche geschriften, in Latijnsch schrift. »Soerat memoening inain mainan orang 
boedjang gadis oeloean Lernatang. Kata orang rnalajoe tanggoe tanggoean 
kata orang Palernbang tjangkeriman namanja." 

DCCCLIX. 

AUTOBIOGRAFIE. 

Bat. Gen. 266, 35 X 21V 2 cM., 31 bl. 35 r. Latijnsch schrift. 

HS. Holle; zie Notulen Oct. 1900, I, d, 1901 Maart, T, c. en Aug. III. 

Autobiografie van Raden Adipati Soeta di Ningrat, regent van Bantën. 

DOCCLX. 
PRALAMBANG. 

Coll. Br. 34, 21V 2 X 17 cM., 10 bl. 14 r. gedat. 15 Djoem. II 1885. 

V T oorin staat; »uit een handschrift in leen ontvangen van Raden Djaja- 
poetra. djaksa te Bëksih". 

Djajabaja's voorspellingen; de negen walis, de c alam wahjoe, de c alam 
röebijjah, de c alam bidajah, de bewogen tijd van hongersnood, oorlogen en ver- 
woesting, de c alatn c alamat, de dadjdjal en de tijd van den adab Allah tot 1246. 



AANHANGSEL. 

WOORDENBOEKEN EN WOORDENLIJSTEN. 



DCCCLXI. 

„SUMATRAANS MALEISCHE WOORDENLIJST". 

Bat. Gen. 194, 36 X 22 cM., 120 bl. 40 r. 

Notulen 18, 59 VIII 4 Juni en 13 Juni 1876 IV. 

Vervaardigd door den l en Luitenant F. W. F. Nix; woordenlijst van 
beperkten omvang en eigenaardige inrichting. 

DCCCLXII. 

MALEI SCH EN NEDERDUITSCH WOORDENBOEK. 

Bat. Gen. 195, 35 X 22 cM.. 695 bl. 32 r. 

Het HS. bevat de woorden van ) tot Jjj; van onbekende herkomst, 
waarschijnlijk uit de eerste helft der 18 e eeuw. 
Op den perkamenten rug staat ^. 

DCCCLXIII. 
DICTIONNAIRE MALAIS. 

Bat. Gen. 237, 21 X 13 cM. 

Deel I, 822 bl. 

Frausch-Maleisch woordenboek, uit de nalatenschap van den heer Jeanneret. 
Deel II, 327 bl. met wit papier dooi-schoten. 

De volgorde der woorden is die van het Fransche a. b. c, en het 
Maleisch is, evenals in deel I, in Latijnsch schrift. Onvolledig en niet belangrijk. 

DCCCLXIV. 
DICTIONNAIRE MALAIS. 
Bat. Gen. 238, 22 X 17 cM. 



470 

Deel I, f)—^Sj 424 bl. 24 r. 
» II, (_— £,) 545 bl. 24 r. 
Het Maleisch is in Arabisch schrift; betere inrichting dan die van het vorige. 

DCCCLXV. 

BEREDENEERD MALEISCH-HOLLANDSOH WOORDENBOEK. 

Bat. Gen. 401. 

Notulen 1905, 7 Augustus, III, e en 9 Oct. X n. 
Deel 1, 35 X 22 cM., I— ■&*, 740 bl. 

» II, » » » E — lowak, 192 » 

» III, » » » M— R, 640 » 

» IV, » » » S— Z, 912 » 

DCCCLXVI. 

WOORDENLIJST VAN HET BATAVIAASCH MALEISCH. 

Bat. Gen. 402. 

Notulen 1905, 3 Juli, III, t. 

1. Eerste honderdtal van Homan, 21X17 cM., 12 bl. Latijnsch 
schrift. 

2. Tweede honderdtal van Homan, » » » 8 » » 
schrift. 

3. Alphabetisch register daarop, 20 X 16 cM., 8 bl. Latijnsch 
schrift. 

4. Volledige lijst der Bataviasche woorden, met aanteekeningen. 
21X17 cM., 60 bl. Latijnsch schrift. 

De eerste nommers zijn uitgegeven door H. N. v. d. Tuuk. 

DCCCLXVII. 
PASOEMAHSCH-PALEMBAN GSCHE WOORDENLIJST. 
Collectie Br. 157. XI, 3 bl. 

DCCCLXV III. 

p 

ENGELSCH-MALEISCH EN MALEISOH-ENGELSCH WOORDENBOEK. 
Collectie, v. d. W. 318. 2 deelen, 36 1 /, X 24 cM., 168+354 bl. 



471 

Voorin staat : Severs, 4 Chatham Place. Black Friars. 

Het Maleisck is in Arabisch schrift. 

Deel I eindigt met de kolom : 

Odd — gasab. 

Odor perfumee — doopa smell bawoo 

Odorifusus — wangee baik baawoo 
Dit deel heeft veel te lijden gehad van muizen. 

Deel II begint met : 

Of — eang pada dirree derre pade. 
Het Engelsch Maleische gedeelte eindigt met 

Zeal longing desire — rindoo, chita ingin. 
Het Maleisch-Engelsche gedeelte begint met 

Abang eldest — soodara abang eldest brother, en eindigt met: 

Zemawn — time, age, period of time 

— ■ danloo times past. 

Noten van lateren tijd zijn in het geheele handschrift verspreid. 

Beide deelen dragen het stempel van het Ministerie van Koloniën. 

DCCCLXIX. 
MALAKASCHE WOORDENLIJST. 

Collectie v. d. W. 319, 32 l / 2 X 22 cM., 24 beschreven en 26 onbe- 
schreven bladzijden 36 r. 

Op de eerste bl. staat: Verzameling van Malaka'sche woorden van den 
Heer Lion Playfair, met de verklaring daarvan in het engelsch door den Heer 
0. Claesen, waarvoor $ 20. — 

Het begin is : 

Abang Elder brother 

Akoo zamin 

Aday braday Brotheren 

het slot : 

Kan cl e e 

Konchi manga A pad lock 

Karaii£im A kind of lame red auks. 

DCCCLXX. 
MALEISCH-NEDERDU1TSCH WOORDENBOEK. 

Collectie v. d. W. 320, 32 X 20 cM. 352 bl. met wit papier doorschoten. 



472 
Op het titelblad staat J. D. G. Schaap, en verder: 

i. e. 
Dictionarium Malaico-Belgicum 

of 

Maleisch en Nederduitsch Woordenboek: uit 

de echte Schriften der Maleiers opgestelt, 

en in behoorlijke Alphabethische order 

gebragt door den groten Taaiken uer 

Ds. Melchior Leidekker 

Zijnde na sijn Eerw. vervolgt, en met eene grote 

meenigte van woorden, spreekwijzen, en Phra- 

seologien uit de echte Maleische schrijvers 

vermeerdert door den beroemden 

P. van der Vorm en H. Werndly 

I e Deel. 

Werdende nog dagelijks vervolgt, en met diergelijke 

echte aantekeningen uit gemelde Schrijvers 

als anderzins vermeerdert door een 

Liefhebber dier Tale: 

Onder de zinspreuk 

Indorum Me Miseret. 

La Yh. 

en daaronder het stempel van het Ministerie van Koloniën. 

Op de eerste bl. bovenaan staat Melchior Leidekker. Het eerste artikel is: 
Aba Aba = Gereedschap, toestel, Jav. anders in 't Malayisch. , a£aLj n >) 

s ) ._• tl_?) Gereedschap tot of van een vaartuig 

<x_^ , , r\ ') toestel van een huns 

j ^S n >) Gereedschap tot een paard. 

Het laatste woord dat behandeld is, is 
1 U r Aatthaar. Ar. L. G. 1599 een Apoteker, artzenybereider 

waarbij is geschreven: 

c eethru, apoteeke, artzenvwiukel. 



473 
DCCCLXXI. 
ALGEMEEN MALEISCH-NEDERDUITSCH WOORDENBOEK. 
Collectie v. d. W. 321, 32—33 X 20 cM., 2020 bl. in vier deelen. 

Dit woordenboek is volgens den titel „naar de gesprekken, brieven en 
handschriften der Maleijers Mitsgaders naar de bestaande gedrukte en onge- 
drukte woordenboeken en aanteekeningen Op last van het bestuur van Neder- 
laudsch-Oost-Indië Vervaardigd door P. P. Roorda van Eijsinga". 

Voorin is een „Register van de beteekenis der verkorte schrijfwijs in 
dit werk voorkomende", en ingeplakt bevindt zich een brief van den auteur 
aan den Minister van Koloniën, dd°. 2 Augustus 1853. 

De laatste beschrevene bladzijde is 1977 en het laatste woord is ^jóft. 

Eene aanwijzing omtrent het drukken, gedateerd Batavia 31 Maart 1845 
gaat vooraf. 

Ook dit Htë. heeft het stempel van het Ministerie van Koloniën. 

DOCCLXXIT. 

NEDERDUIJTSCH EN MALE1SCH WOORDENBOEK. 

Collectie v. d. W. 322, 2(5 \', X 21'/, cM., 2278 bl. 

Op de eerste bl. staat: toegeschreven aan Zomerdijk. 
Elke bladzijde heeft twee kolommen. Het geheel is in Latijnsek schrift. 
Ook dit werk heeft hetzelfde stempel. 

DCCCLXXIÏI. 

MALEISCH WOORDENBOEK VAN LEIDEKKER. 

Collectie v. d. W. 324, 30 V a X 19V 9 cM., 2262 bl. in 7 deelen. 

De titel staat op den rug der deelen, die alle met wit papier doorschoten 
zijn. Wederom hetzelfde stempel. 

Over het manuscript woordenboek van H. v. d. Wall in 12b' quartodeelen — 
in elk deel zijn eenige woorden opgenomen, tusschen eene groote hoeveelheid 
blank gebleven bladzijden — zie men Notulen 17 September 1878. 111. 



AFDEELING VIII. 
MINANGKABAUSCHE HANDSCHRIFTEN. *) 



DCCCLXXIV. 
KABA MALIM DIMAN. 
Collectie v. d. W. 209, 20 1 /» X 15 V a cM., 19 hl. 17 r. 
Begin : 

(jUcx-i (sic) ^[jS -J*^-* t > -^^ Jj-^ / c - i_T J '• ~ a5: <*• (j*^ (i/; ;*^ tA "*- l 4 

U-j'j^ J^J ^-»- *»j c'j ^Ji) 1^'^ ^ ■^aïJ ^ ^w ^ ^C»a£ *j\j Jb ^j) .! 

(JIG c^?»i ^lió»- ajuj lLTIjuu ^c^ «UuJ. t_s*^ ^y^l) eula Jj 1^^ F^ 1 
CUUJ CJ--< , C .U^c i-I_5 ilis- isui' JLÜJ <XjuJ i^owni' ^jJ /wJ'bJ ,_^j'j j^J) ^Jju 

e; (> cT C u ^- J • J 4S • (_• v^ » l_? •• 

tj+j) llSi^ mI^M o'-^ j (Jtf?" f^ ^);^->^ LL/iLjui «ïta iJ' 1 -^ ' 9t j» J -^ s,Uc 

1 iijkAJ' jjjcyxj' ^a'J c^ó-0 .alj .cJ Jo ^r^- .jfoy* ^'^J (j£*iï j*a*j *J 
Slot: 

<)d .M/vJw« 5jA»j ,_5\UO 'Ia! OlJki <_S"i^5*-i *-& 9 'S <X&Jl« i_S*^ JU /wl« 

CSJ* AAS ^^ ^ ^S ^\£ JS Js^ ^.J js-y^c ^Ui' i^U Jüj ij»-*) 

1). In afwijking van de bij de beschrijving: der Maleische manuscripten R-evolg-de werkwijze 
wordt van de Minangkabausche verhalen niet immer de inhoud opgegeven, vooreerst omdat de 
teksten veelal bedorven zijn. voorts omdat de meestal in gebonden stijl gedichte, van eigenaardige 
uitdrukkingen overvloeiende. Minangkabausche kaba's zoovele moeilijkheden opleveren dat een 
résumé van een dergelijk verhaal bijkans eene studie over dat geschrift moet worden, wat niet in 
het karakter van eenen. zij het ook beschrijvenden. catalogus past. 

Bij Mohammedaansche legenden bestaat bedoeld bezwaar niet. 

Voor indeeling in klassen is het aantal der Minangkabausche HSS te gering, doch bij de bier 
in acht genomen volgorde is zoo veel mogelijk met de indeeling der Maleische manuscripten, welke 
in dezen catalogus is toegepast, rekening gehouden. 



475 

yjy *AX! »i)J />»ijUa*i J^—i C^sii ,OÜ ÜA^jC*/ (j"S )U ^J"J U^" (Jj^ /MkÜAw 

Van de Atjèhsche legende Malém Diwa is in De Atjèhers, deel II, bl. 
130— =-134 eene uitvoerige inhoudsopgave gegeven; van de Minangkabausche 
redactie, in dit HS. voorkomende, wordt medegedeeld dat zij „geeft een verhaal 
van de lotgevallen van dien held (Malim Diman) met Poetri Boengsoe. dat in 
sommige détails van den Malém Diwa afwijkt, in hoofdzaak er mede overeen- 
stemt, maar vooral veel uitvoeriger is. Van Dalikha of de beide andere bemin- 
den van Malém Diwa wordt daarin geen gewag gemaakt, en hetgeen omtrent 
Malim Dimans jeugd wordt medegedeeld, luidt geheel anders dan in de 
Atjèhsche hikajat." 

DCCCLXXV. 
KABA SI TOENGÓA I. 

Collectie v. d. W. 210. 20 1 /, X 16 cM. 102 bl. 17 r. 
Begin: 



»^.x tM JlS r Juo , iakj»^<: r 5.^i) Jj._i l^i ïJLï *jl& ü.Uc .ÜJi ,c)I (_c)I gtJUj 

ï »^j .£J y\|.lr^a«j //At.J.Jki oo^lLc JU.uJ (JjJ^- N ^)JÖ$j ^ Ju o ^yü** v^Jj ^ 

juiuw JUo -i <_s*Lw ï.»«j £_£»** ^5*,.^ jaJlï /«o Li Judas (^Lj ï.'o »ili ^j*^ 

Ü(U«J jj.*-«^j [JXa-J ,j »-' CuliJ »! 5) 5.»wj c^^o lJV,^^ <j>^ 

Slot: 

y*\u c ;J ) yu ^ ÖJ ^ ^yj yu ^j^a c ;5 ) ^ ^) l^jU» Jï 

(Jï -só J «xiu-i. ^ .13' ^J rfj ,.^jii ^w-jJii .. _> o (JXsj (jy ij; ^-' l> — "^ ' 

cjJ)j (/wJ^J .%>j) *-3 ^^ PJÓJ ^^J yjl *J d .*J C^^J ^T^ 1 ^ S *'^" *J^ ^^ 



476 

. .y3 ü|« cuUIj ^si kSjj* fj^^ {**»& t^ ^^ kS^S &i£ £ (_T)'^ 

jiijli' (jj^JÖ (JXrJÏ ^jJ i : ^l=»- ^J asuJJiJ JÜLoJ ^.^ ^J <J£r-J ^y' ^-C<0 

jS^Cji CuImj (jAAJ ClAïi CLTyi 

Voorin staat: 

,,Inie katarangan kabar Sie tanga namanja dijanja orang tikoes Paraija- 
man massa dahoeloe bana" en op den omslag: Kitab Ibarab. 

DCCCLXXVI. 

KABA SI TOENGGA II. 

Collectie v. d. W. 211, 20 X 15 1 /, 128 bl. 17 r. 

Het begin vangt aan bij de laatste woorden van het boven afgedrukt 
begin van I, nl. 

ijlXj». %. ü i Sy^cJ &*uJli C_£.=»- ï,Ur-> CljljJ (J.XX«^J (Jv£*J jjlji e^lio ^ 

^ AiOS" ^ó' ^att l ^j ; J ^ J^ ^fiy» ^yJj^J ^ ] ) i^ J'^ ^ Xjt» 

Ufy? J^f- ^^ &^ ^S^c )Ss£ ULf\£ji JU 2 ) ^cj?- £;«3 J^' (J^ |»^3 
^tXLe <x!Lc <UiL £?-)£ ^ u/ 1 ^^ "" ^ ^^^^ i^JS -CtiOUc <j£sJ' ^a- c/ ' 

^y^ilc ^iXLc lL/^. 4^'^ *_5"^< 8 ) lS^ &))?& <~^^ &5* ^JT" ' ff" 

iSjyï' U ) L^Jlyjj ^jJU L_>»^\JU Jk£yc)j 10 ) J: iXLc ÏUÜ 9 ) £=*-^ tjh^ ^/^ 

16 ) ^ 15 ) ^ ^^ u ) u»j ^ yyiïï 1S ) ^ u^ 12 ) ^ /V ^ 

Varianten in I : 

L-^a; 3 ) ^ftó *) ontbreekt; h ) ontbreekt; ö ) uJSs, 7 ) J^', 8 ) ontbreekt; 
9 ) ontbreekt'; lu ) ,->& 1] ) ^L, ; 13 ) ontbreekt; 1S ) rJLt.M u ) &>};& " ont " 
breekt; lfi ) ontbreekt. 

Slot: 

e^o) ijljoü A^i»^c s»^ »Jl (»f J ^ ^y^- ; ^ y^V c;'^ 1 ^-^ ki/^ Ci^c 

ab.j J._xXij sJ _). yoly ^''i' J\}£ ))±£ J\j$ y>U ^^< C^-i^AX< L«^«.3> 



477 
JX^ ëyu^j J)j 4^^ <^>U> y^ ; ^' ^-^ ^j'U-XJ .i«j ^^^ ^ ^jjl) «,^^ 

^oli ^U s^S ,—ïj _^^ oi:Uó l> _c^y _j»- L>^ ƒ?" «w-^*^ ^j'J ƒ=- <w-^ü -clï 

DCCCLXXVII. 
KABA SI TOENGGA TIL 

Bat. Gen. 32, 34X21 cM., 165 bl. Mal, links, 17 r; transscriptie 
rechts, 34 r. 

Voorin staat: Tjaritëra Sitong Magat Djabang. 

Het begin is als in II, maar de redactie ervan gelijkt meer op bet 
overeenkomstige gedeelte van I : de transscriptie ervan is : 

Laloe barkato Toewan tonggal sambiel barkato bar iebarat djakalan die 
karang pienang Nan loemoettan laloe diekaiet sierieh nan diebolei gadang nan 
doewo balas moesien oemoer nan doewo balas tahoen toeroen katana laie ba- 
loem toewan tonggal oerang Nan tjongka laloe barkato kapado mande kan- 
doengnjo kieto bardjalan paie toeroen mandie kalau soeko mande malapaskan 
hambo hauda toeroen mandie katonjo djoewo toewan tonggal mandangar kato 
damiekieijan laloe bardjalan boedjang salamad mano mande soeto soerie toean 
tonggal na toeroen mandie kaloe soeko mande malapaskan katonjo garan boe- 
djang salamad mandangar kato damiekieijan mandjawab mande soeto sorie ija 
ala toewako rabiden rasie rasie kalamoentoeng. 

Slot: 
yjlJi y^S ,jl-c 5)ï ~.), Xihi' CijÜÓ barkato Toewan koe radja toeho mano 
J ^S^*, )J^ C-£j) IaL*. ïSz J ^.juuo kamoe pardano mantrie Nan adat sa- 
a£ cJ\Myi c.).*) ^L>)y^ cl^UU- f<S lamo ieko ada rodie nan kamoe djawat 
Jxx*iU a).j) cJiüS ji) Jw^^c ?).)) Sawatoe oerang barnieago kadoewo oe- 
\zA.y, ^ffh* Q)) \J^M ^J) jjii" ran g mangambiel aijar katiego oerang 
-V fi)y ^J\S 'JJrsJ UL. SUc &Jïi) mangambiel kaijoe apie kampat oerang 
et..) <xlL) .ÏJoj^-ju, is\J£). zxc+< sy mahantarkan soerat ietoela adat salamo 
J)joJ }j£)ój&- J &^ ^ cü^jf- J> naQ g ko katon J° toewankoe radjo toeho 

^5* b iU f <Jl^ manjamba rangkaijo sie habandar ietoela 
oerang tjaradie laie tjadiek lai tjando 
kieijo diedalam kampoeng malabarie. 



478 
DCCCLXXVIIL 

KABA TJINDOER MA TA (KABA TOEANKOE NAN MOEDA) I. 

Collectie v. cl. W. 206, 19i/ 2 X l&U cM., 334 bl. 17 r. gedateerd 15 
Djoem. II 1266, 30 Mei 1850, te Padaug Pandjang. 

Begin : 

JS 'i ),}) .Ai- tjyS-o) J^i S-^?.^ (jy L <^ y3JO ^f UL &! ,j»iLs:) iXj jjJu:) 

^jl.) J)j (jyuy _, ixi ë)A^ ^l^o^jj Ui i_?J c^U/ili' ^.15" £..} £.a>o ^r^- 
JÏJ Ci^S" e^V Lij .y ëjj..l& dJ)»^ JlJ y-i" oJiju Jlc Jta Icy ëypJi 
Na de vermelding van den naam van den schrijver (cï.,1 *=J. IjL» 
p)i\^ ci;ȣ\ en de bede om verschooning voor zijne fouten volgt het slot: 

C^Svil ,i*OUJ' -X^JUJ J ^S; 5)«Ujl) Jlc (JJ^U C^CSÓ' /MiJ'ljJ J)j CyO 

rc)yo' v_f^U' ^^i ^^ v^;^ c)^^ fW <S^ { *^^ (jV *^ J '^ M^^** 
(j)oai' S*J>l«J ^S-^ <^5y ^y^" L _5^ c ^' ^ ^/ i "*^ (^) p^r* )^ { J?~ ^ïf &&>p 

De Tjindoer Mata is uitgegeven door C. A. van Ophuysen, en een 
gedeelte van den poëtischen tekst door J. L. v, d. Toorn in 1886 (Verhand. 
Bat. Gen. XLV, 2°st.) met vertaling en aanteekeningen. 

DCCCLXXIX. 
KABA TJINDOER MATA (KABA TOEANKOE NAN MOEDA) II. 
Collectie v. d. W. 207, 19 V 2 X 15% cM., 316 bl. 17 r. 



Begin : 

^j c;/ ^U ^ ^ £y.j;/> ^/ ^ 
Slot: 

J^sjJ J J *-^4^ cj;<^^^ i^Sr^ 9 ^ <£***> ^ ^w-IjCuwj ,yl& ,_e^ j»- /-^ i>ji.]i 



479 

DCCCLXXX. 

KABA TJ1ND0ER MATA (KABA TOEANKOE NAN MOEDA) III. 

Bat. Gen. 33, 33 X 21 cM., 352 bl. 19 r. links de Maleische tekst, 
rechts de transscriptie, 38 r. gedat, 1850. 

Begin : 

<*^~fc& c^La». ^a-o! ^J\S S-"^ ij^-^ fóy> l>^. j v-T 1 ^ r <j.?^ 

De transscriptie is: 

Ampou Saija de Toeankoe, Am poen Bariboe kalie Ampoen, chabar 
oerang hambo cluibarkan. joeko Bohoeng oerang, Kamie Tiedak sato, dek Lama 
bar kalamaan Sadang la Radja Parampoean dalam oela tandjoeng Boengo dalam 
Alam meinangkarbau dajam koto Pagaroeijoeng nan baruama Pariek koto dalam. 

Slot (het HS. is onvoltooid) 

J43 /piü jjjjj-* (J>^ -^ JtiuJLe .1^ i_Sj^ J?* (^A^ iJv^ 1 .s^; jsXaij <xiu>ju> 
v_^Juö ai) *£&! .._> .& ÜUi ^^ 'liu^, (j»^->. <*->li jjIj >?)j>i JUujlc Juu (_fJ^ 

jLc yóltüJ c^i^J' C-£j^ ufr* ( -^ s ^ C-£=>- ! "A»^ ^Ailo ^ió 

De transscriptie is : 

Lapas poelo darie sanaa manampoe, padang lawas nantoen, lapas poelo 
darie sanan manampo galauggang ramie nantoen lapas poelo darie sanan ma- 
nampoe balei lelo main lapas poelo darie sanan, manampoe padang kaijoe 
tanam, riemboen rampak boekan kapalang harienjo langgam langgam alang 
tampat barliendoeng kapanassan, pardamaijan toe diesanan, sagalo ana moedo 
moedo, tampat barhamboeng siepak rago, bakas malapas laijang djoko koetieko 
hari baek tampat pandekar maien. 

DCCCLXXXI. 

KABA TJINDOER MATA (KABA TOEANKOE NAN MOEDA) IV. 

Bal. Gen. 30, 2V/ S X 17 cM., 298 bl. 15—21 r. gedateerd: 10 April 1867. 
Notulen V, 74 (30 Juli 1867, II f). 



480 

Voorin staat: „Hikajat Tjindamata: Reizen van de West- naar de Oost- 
kust van Sumatra, stichting van 't rijk van Indrapoera enz. beschreven door 
Toewankoe Oraug Moeda van Pager Roejoeng". 

Begin : 

^ys-o) jio\»j' ^J ^Iwj ülijLo) ^v^y ^r j ' l r i ^ M n/^s ^axO ^j- AjuuJ 

Slot: 

JÏJ LU-Jjj' C^OjÜ UJ.JÜÜ fyj\& v_fr& J^ C^aS' ^iJ' &J«.)j <ÜjÖ //>jJ> <»}ij 

.juwio p»^o} />wöl)j .yu^ (J>aaos^jJ J lL£x«. s.UjJ JU ^«sJuc c^^j (/*J'lo 

DCCCLXXXII. 
KABA TJ1NDOER MATA (KABA TOEANKOE NAN MOEDA) V. 
Bat. Gen. 279, 34V 8 X 21 cM., 179 bl. 24 r. 

Begin : 

JU <$Lj ^^J s)«Uj ,jyu>) Jo «jijjj <jy-^ y^>J s^ J i_f^ ^ «jy-^ 

ÜaJ& f£\ij3 /pj.U«j *5! IjuJ jj*»-} cu).y*i CJ^sj «.Ij • e-*'^ «£)jJu> ^Jjl<j.jj' ^j«i 
jjli' ix< JU J^^ eJ^ / TT 1 ) ^^ p)j^ ^tUi^j U$ <-5"d liJ P'^rf ^* 
J)j c Jui' C^o»s J^,^ kCjAC}^^ c^V ^^ p)^« p *Jjj l& j_5*,Xj J)j 
Slot: 
y»J'-> s)j«aw £»j«i LG^ i*« <xJ) Jlss-J c^o^y UUj i_s*^y^ iJW~r? CJ^ 

1 j.lï _H«>^ ^.CJu^ JÏ<jjJ ,jS LCixj jij ^AcU tj^f. )5'° x ' i*^" cv*y^'^ 

«jli* iLc Jlc JÏ<jjJ 

DCCCLXXXIII. 

KABA TJINDOER MATA (KABA TOEANKOE NAN MOEDA) H. 

Bat. Gen. 79, 20 X 16 cM., 151 bl. 16 r. gedateerd 3 September 1862, 
te Boekit Tinggi (Fort de Koek). 






481 

Voorin staat: èfyj* fi)£ iL-s- 
Begin: 
£p±j£ )^Ój ^L. ^f-A y/V/ &?£ ^ ^^^lO ^Joij ^sóJJ 

^J <xi.«U y^_}i' pb <Xiu)U *J) ,J L_^«J ^-ja-lf* ybJLfc c^Ar). I ^aï> ^clS** aJu^ 

Slot: 

oU ,«Ai=- 3J^i jJ^rf M.^ O.^ ULj (jUü _}=- .sJjJ^. ^jU eb? ^jLï ^£b 
Ll£A> ,w-^> .j) -A*^ <^ SjAvS' )aÏj (jl'jLw^ l^^j^Lo ^)jvAJ> ëy.lG JbixIjsAw 

jjLU^l jj^jl L^J-ajj ^.Xiljjj C^Cxwj (^'."i J"^ C)J »x>Ö -J <Kj) ^JIIju) yjljUw.l 

Cxax^w /W"*' .cl.»Jo ^Jjbxj (j^s Cl^l»>jj ^I^awj »»- UcWi jjU/jj.I clj bso c • , *. •.> 

JuiUal i_$».Ü ^^ yV;li.»A<*AW ^.cb O^oILj ^.AAXS^ J>ls> <Xl li**w £U& ^Jaï 

^U».y* ëo^.lü (^X) «i^ .J Aj^lji ^clt) (J»l2> yjyAJA^ ^CaW f»- Syy <-»CsL> tl) 

<J) C-}y*J ibj &_VCl. C .AÏ> ^jOLsJL* ^JÜ &_Jkj»J iui..<) *!»JJ *U ÜJ 

daarna een besluit beginnende : 

b£j>t&L« *!lr (J»^^ <Ü«J eJ^ 0- * Pï 1 ^^ ^"? c^U' ^b»A.-cl ^jyL*) jj»a^«) 

*JU L$L« 

DCCCLXXX1V. 

KABA TJINDOER MATA (KABA TOEANKOE NAN MOEDA) VIL 

Bat. Gen. 28, 34 X 21 cM., 123 bl. 17 r. 

Notulen V, 10 (29 Januari 1867, VII, b). 

Dit HS. is in 1867 voor 's Genootschaps rekening (f 18.60) ter Alge- 
meene Secretarie afgeschreven naar een manuscript outvangen van den 
toenmaligen Gouverneur van Suraatra's Westkust. 

De titel is: „Hikajat Toewankoe Radja Moeda Menangkabau". 

Voorin staat: 

„Hikajat Toewankoe Radja Moeda Menaugkabouw kampoengnja Paga- 
roejoeng tjerita dehoeloe kala tatkala Tjindoermata anakanda toeankoe moeda 
handak maninggalken negrinja, ija membawa satoe koeda naraanja si Goemaraug 
Verhandelingen. 31 



4-_ 

dan satoe karbouw naraanja si Banoeang, koetika ija handak berdjalau maka ija 
emoe kapada ajah bondanja dengan soeka hatinja serta maminta ampon 
kapada bondanja jang bondanja soedah kandoeng kapadanja. sasoedahnja Tjin- 
doermuta bertemoe ajah bondanja. maka berdjalanlah ija dengan satoe koeda 
dan satoe karbouw sampei di boekit Tamboeatoelang adalah satoe begal ataw 
ranipok maka disitoelah ga berprang dengan begal itoe. sakoetika itoe T;in- 
doerraata pa;ah berprang. maka Tjindoermata berkaia kapada karbonja begimana 
halnja. laotas karbonja mengamok. tiadalah sampei kala Tjiüdoermata berprang 
dengan begal it . - -oedahnja itoe maka Tjindoermata berdjalanlah liwat ka 
Degri lain." 

Het begin is als van bet voorgaande N 

Slot : 
- . XsJ>x< ~- .-...' - *. . .o pJÉ JÏJ ;._>>. o '_■ 4 — ' 

t% a. % ■ /> -». | 

— Ui C -~. . 2 . , v..-^ _^-. -e. ,~ .. i _ .0*** _ C J "'■, . _ ! 

- - - i » p i 

- ■--.. J cj __■ .< .O £sl* . — . J«-< .=>- . .' _ 

v. L— J- - ~ ^ — ? J ' J K, 

■i . ï .. 1 |j uw] . . *_VJ~ V • .. .._ ï eJULfeuu *JJ '.\< ,»J . 

kt, y5)-] , lt4-,U .^ LU . J - Uy* to.1 yGy ^ 

■ — ->- _> • i_— er- - / ' c— 

eb cai . j... .o XsU -— .— ' .*. -.- -.-? IjJo ;. .. 'j t < >- 

-«. S - % I * --"Il I • 

pCb-CJ,» p».U -^ - - -a—U ... & _r . 3«J .... _f • *-' 

--■--* öir ~ — -v - — r - : . • ^ «r e^ ^> J : i 

_r.^. .. ^ Ija* bJj _r_ pttAjJ JlOa: ^ . 

DOOGXXXV. 

H1KAJAT XABi . T ES EF. 

lectie v. d. W. 111. 16 X 10 cM.. 33 bl. 14—15 r. gedateerd: 2 
Moeharram 1275. 



Br_i.". 












; - — :■ ~- i il -^ 






483 

^J *Lo ^J &A*« laj £j*^ ^ {J^-J^ ^ C -— ^ &^)J f^-f H. lJÏ* ' **"# 

Slot: 
Jj^iiJ ^w fj^u** lüX .i». ^a-oj l_s^^ CSstbji (JAaj' £.j) .-Jut? 

,J»J ^-^V.' ' avJ »;> &**>-» L^CsLi-O , C iO ^Laau 5jJu) ^'r? Ci^v>l I &a»j 4.) l "^l> 

jj^c (JjiJ *VS\*jj UUU Jc1ïl3»wj lI_5 Ji.A^c (Jj.laji <« ^0.35 (Jtóftï LÜ^lftJ c Jbt. L^/'OyJ 

...ii^AjJ ii/'^ J ^ J ' ..w*^ lLT»*w Ll^vj) i_Aoj»j / m) L> ,ï>J Ji\aj' ,cJ c^üiJ 

.xxXji c)^ C/"l^ cJ^ A^-f***' ^-^ ^ ^^ Siilvc iclio ^uyjj Jy>w iXlsJou ouw 

Ac) &A\)m ClA e Xa&aaw (J »^o .J 

In zeer slechte spelling is in dit HS. een deel van de geschiedenis, 
welke in de twaalfde söerah van den koeran verhaald wordt, naar clc gegevens 
der anbij a-legende op gebrekkige wijze teboekgesteld. 

DCCCLXXXVL 
HIKAJAT POETRI BALOEKIH. 
Collectie v. d. W. 103, 16 X 10 cM., 104 bl. 15 r. 

Begin : 

<d*j) <xi!U ^^»aaJ <Sj^ .x^lsJ) l_j. <xi! Aas^S) & Ks ^^ e/*^r^ ^ f*"^ 

.ajJL^ ,.»^« JUaX-c <UJi\5> r Jl« ,ö L^%jJ*S- Jj .Au/i *i*^o AJ .i.alij LL>^c 

enzoovoorts, gelijk getransscribeerd is in aanteekening 15, op bl. G7 van 
D. Gerth van Wijk's uitgave dezer hikajat in de Verhandelingen van het 
Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, deel XL1, eerste stuk. 
Daar in de Aanteekeningen de van het door den bewerker tot grondslag 
zijner editie genomen handschrift afwijkende lezingeu van dit manuscript (door 
hem met B aangeduid) zijn opgegeven, behoeft de tekst hier niet nader be- 
handeld te worden. 

Slot: 



484 

y e; ■ - {_■■■• j ^j j • •>• L • W- cj >•-> <-S v *^> 

, *«AJ.Ï CU»J ,,i»J J.JÓ»- 4»- _UL^e <*Vc«,J .aJ C^~*4, <UAJ»wj CU.J .,)..> «IC»- »a>- Jls-J 

,j,_.j' ^ji e^*!) Ci-i-< ,j-^ M ^ (^ dji \iP^ *?■ƒ iv/^* *-ilaA**j «j-t**J /bJ ^'^ 
Hierin zijn verscheidene varianten op den uitgegeven tekst. 
Op de laatste pagina staat: 

_1L> J> ó 5«iJ <XX.1 -JU ..jlx^Juu ,^c)»>jj ,.j,0 SUuKLï (XXO ..M.Jki- (J>V^I <X«J4au ~)Ub»J 

iirJ c/ •■•> C" r J J C" u J ■■'•• ' Sry ••• >> 

^Jf-AZ .IsvX* '^li^J-Xkw ^X> &aiJ S^,.i J*-^ uS'r^ *->&> *V9 UJ ë l.liL-0 >l> ,__5» . Lï) 

^j^aj .i&s- i_Tr^ J^uoJ iX.^/»xw ,.>>"■" -'^^ *4^ tj&ü ^l^A (JJir t_yJ»J .jC^ 
/'•AjÜ AiC»- , ció JJuuJ <x£«a*j ..,aju« JUjJ ^a!»j f»ti>JÓ c^J) iJ<8-c jJo ,cJ (liir 

DCCCLXXXVII. 
HIKAJAT NABL 

Collectie v. d. W. 77, 15V 2 X 10 1 /, cM., 46 bl. 14 r. gedat 24 
Moeharram 1275. 

Begiu: 
JXju i^aS' JU LLC^ üi^ ftj')j CS-< Jlfiï <^il) r>»X£J» ,c)j Jtó- 

Slsj <X-Ü^ _>i\'<ö' xJ CJ^-o <X-il) e « ..m.xïIL )ü>iiS' .ülj <LJu>l ^Iaju ö.AJXjJ 
us >•• üJ Sf- w >- C w • C y " 

.j S*JO ->J , c .»wj ë »jI« J 4^1 ..i« ,»i XsJ c xX> &X) .[%> ^». *jij c'j^*^ <K-X<I 

Slot: 
> -r' (_; ^ ^ • • W J cj7 c; •• j ' j ' T' j- j 

<l«.. -Aj) ^ix< jo «ji c^>o t j jJü >U ju^ ü_.i ö*£As6 £&*)£ >%j y^ j^i i_s")'^ 

Jij' //^-^ (J«i ,S"ü»ii.AiJ (J.i ^1 (y^*^ vs^ ,«'j tj^i^ '^ ^ Ü'.*^*' ( «- r ^-«> 2:i 
fe&JÓs»- yjJ Üls;Jk.<3 i-J-i J_»3 (J, ^J .jb j^ÏJ Jy (J*-^. (_i" J *^3* C^a.<! 
».. Ui 5J4^ ^Ü^ jdxii^ lL^^J soj J.S' -j) <id Jji p[> «j'Iaam J) rU«j c)\;uf J ^^ 



485 

Onderaan staat: )j) >j LICa*. Hikajat Nabie ada. 

o 

Dit HS. bevat een verbaal van een gedeelte van bet leven van den 
profeet beginnende met de verschijning die zijne moeder Aminab in bare 
zwangerschap bad, bare mededeeling daarvan aan e Abdoel-Moettalib en bet 
bezoek van c Atikab, die haar verder bewaakte. Toen deze was ingeslapen, ver- 
scheen aan Aminab uit den hemel eene bidadari met een schitterenden stoet; 
zij bracht badwater uit de paradijsrivier en bemelsche kleederen, waarvoor de 
zeven hemelpoorten geopend werden. Verbaasd vroegen de engelen aan Allah 
naar de reden daarvan, waarop Allah ban antwoordde dat de profeet geboren 
werd; inderdaad was Moebammad ter wereld gekomen met eene algemeene 
opschudding in de geheele natuur, en in eenen lichtglans die het geheele huis 
vervulde. Na eene week kwam de blinde ^^ss. a ) die in de taurefc gelezen 
bad dat alleen Moebammad zijne blindheid genezen kon; eene aanraking met 
den voet des profeets deed hem geheel herstellen. Hij deelde uit zijne tauret 
mede dat Halïmah den profeet zoogen moest; reeds hadden zeventig minnen 
te vergeefs het beproefd. 

Daarop volgt de gewone, uit de Traditie ontleende, geschiedenis van de 
zooging en verpleging des profeets door Halïmah, de wonderen zooals de 
vereering der afgodsbeelden, de herleving van dorre boomen e. d. van Chadïdjah 
die in de tauret over de nóer van de profetie en de witte beschaduwende wolk 
als teeken van Moebammad las (elders wordt dit van Fatimah de Syrische 
bericht), hare opdrachten aan haren dienaar Moebasarah, de wondervolle reis 
van Moehammad iu haren dienst, de lagen van Abóe Djabal tegen hem. de vorst 
Rahib (de in deze landen uit den monnik, rahib, die Moebammad's grootheid 
voorspelde verbasterde figuur Radja Rahib), en de voorbereidingen tot het huwe- 
lijk van Moehammad met Chadïdjah. 

DCCCLXXXVIII. 
HIKAJAT RADJA RAHIB. 

Collectie v. d. W. 74 15 1 /, X 10 cM. ; 21 bl. 15 r. 

Begin : 
^JucJ üJ: i .%y&. _J. £>l£»- jJii' öj)j }[&i <x_Ü) tJ^-i' ^/^ ^J^- 

l) Latei jC=» rr*=-' bedoeld is Boezoerdjmihr al-Hakïm, bekend uit de Hamzah-legende. 



486 



>_;> 



...> I nJO i^kj /^XÏ^/jj £j ./«J C^»3 &~*2>- '. V -v _->^ A—UI ,J«XAJ AJ ,^J 

Jj Jfc Jl^< *1ÏJ Culj .,-Cc^J <Xj .-oi O^-J JÓi _^<: *J ( <O^J *V=J, ,»^J 

,_5*bi y£Ê) ^-^ a! lU*J3 'JS^- UU.Ijj .JUw u 5"'^.> »£c] (jpl (jJl-oJ '-^r^ AJ t *j' 

ju>1 ÜJomi ^LoJ ^J ilflLC! ^i] <U ^ ^JLi) jlUï Ci^ ^a*») ÜJjuw 

Slot: 

yyl^w - ; .) *U JU Jï <dji c>iu>) jJ — . «U ..U Lik* <riy ui~su>) ^ — , 

> v hr > Sr " y 

De christeumonnik (ia het Arabisch /v/A/// genaamd) wiens ontmoeting 
met Moeham mad op zoo vele wijzen in het Maleisch en het Javaansch is 
bewerkt — zie bv. Tijdschrift Toor Ind. T. L. en V. K. uitgegeven door het 
Bat. Gen. v. K. en W. deel. XLIV bl. 97 sqq — heeft in het Minangkabausch, 
of althans Minangkabausch gekleurd Maleisch, aanzijn gegeven aan het in dit 
HS. vertegenwoordige verhaal, waarvan de inhoud aldus is: 

Kamarijjah. de vrouw van Radja Rahib, krijgt in eenen droom den last 
om het kind dat zij baren zal Sitti Sjarat te noemen als het een meisje, en 
Sajjidina Amïn als het een jongen is. Een jongen wordt geboren, en ontvangt 
den afgeproken naam. Drie maanden wil hij niets drinkeu of eten; een geschrift 
waarop de geloofsbelijdenis geschreven is valt uit den hemel en wordt door het 
kind ingeslikt, waarop hij de geloofsbelijdenis uitspreekt. De ouders zien in 
hunne fcauret dat hun kind eenmaal hun godsdienst zal omverwerpen, en 
zijn vader dringt er bij hem op aan het gedurig verheerlijken van Allah 
en zijn gezant na te laten; als hij het niet nalaat bindt hij hem en 
brengt hem met de moeder naar het zeestrand om hem te verdrinken; 
na eene laatste vergeefse be vermaning werpt hij den knaap in de zee, 
waarin deze zeven dagen ellende doorstaat. De profeet in de ka c bah ver- 
zoekt de engelen htt kind te verlossen, eene stem uit den hemel gelast hem 
naar zijne ouders terug te keeren, hij komt thuis, en tracht zijne ouders tot 
den islam te bekeeren. De vader ketent hem, en werpt hem in een diepen kuil 
dien hij vult en met dorens overplant. Daarna gaat hij met Kamarijjah naar 



487 

lniii land f ^ , W J, soms ^J, en ^ J l \ terug. Het kind riep in den 
grond den profeet aan, waarop hij hem door de engelen laat verlossen; we- 
derom keert hij tot zijne ouders terug, de moeder koestert hem, maar de vader 
laat hem door zijne veertig vasallen ketenen en den wilden dieren voorwerpen. 
Wederom roept hij den profeet aan, en deze laat hem door den engel Kidwau 
eten brengen; verschrikt vluchten de wachters naar hnis terug. Hij blijft in 
het tijgerkok; de tijger komt, houdt hem voor een walï Allah's en bevrijdt 
hem; ook de olifant spaart hem. De groote slang noodigt hem uit zijn lichaam 
te bestijgen en zoo naar Mekka te rijden. Eerst ontmoet hij c Alï die hem naar 
het huis van Fatimah draagt, en zij verpleegt hem. De profeet, van hem zijne 
geschiedenis hoorende, gelast c Alï het ongeloovige land waar zijne ouders wonen 
te bekeeren. De vader weigert zich te bekeeren en vindt den dood ; Kamarijjah 
bekeert zich, zeggende steeds voor Rahib niet haar geloof te hebben durven 
belijden; de veertig vasallen bekeeren zich met het geheele volk. Sajjidina 
wordt daar vorst. 

DCCCLXXXIX. 

HIKAJAT NARAKA. 

Collectie v. d. W. 100, 15 1 /, X 10 cM. 42 bl. 15 r. 

Begin op bl. 1 . 

Verder is bl. 1 ledig. 
Dan op bl. 2: 

A^o ,jj Adj\ ^A^ t>J^ ^> jc.w <j^ m A*^y 4^ J jh**" x -^ u?"j &<Ji -^ 

^si U»J J)óS jJSy j)ójï Ji ö la> Jfuj c^.^ ^c^sü». 
Slot: 

<x! eJ^ gjwi l_s ;; ^j jUu Lüy. ^J = ;5 I ^c)j ^3ji CS* £Sj& p^ 

1) Op het laatst ,jLj ö'i blijkbaar verbasteringen van Zaman Toeran het lan.1 dat. 
met Zaman Iran. in vele Maleische profeten-en andere verhalen zoo dikwerf genoemd wordt. 




488 



r 0" 

(J«i (X.l *.0 \LS JL a!)J ^'j <j»i &.*£>-. ,jJ lLTjmi *l)j ^u ^.i <x_^i.> ,<~r< 
\j^jS JLj&y ^y&Uo iJ Jk_C©lJ (_$»)! ^^;J ^jliXxJ ^-^li ,j^ ei^Uw ^.r^X-AJu 

^"V J iZJJ • • ■• <J" • J J -/ « <— S> » TT > " U" • J 

De inhoud van dit HS. wordt gevormd door een verhaal van den 
profeet die onder geleide van Djabrail de hel zag, en na eenige moeite van 
Allah de vergunning kreeg om eenigen van zijne gemeente daaruit te bevrijden. 
De gemeenteleden beschreven hem hunne ellende en pijn en smeekten hem 
om verlossing, waarop de ka.fi rs hem bespotten. Hierdoor ontstond eene twist, 
waarvan het relaas tevens eene opsomming der straffen en eene uiteenzetting 
van hare oorzaken is. De aartsengel legt van dit bezoek verslag af aan Allah, 
die den profeet verlof geeft zijne gemeente uit de hel te halen en in den 
hemel te brengen. Moehammad begeeft zich daartoe met alle anak anakan bida- 
dari hellewaarts, en laat alle asch en verbrande beenderen met hemelseh water 
behandelen, waarop ze volkomen en levend worden. Bij de weging blijkt echter 
dat de zonden zijner gemeente nog te zwaar zijn, zoodat de pas verlosten wederom 
naar de hel terug moeten; tot drie keeren toe wordt gewogen, maar steeds is 
de zoude-kant de zwaarste. Eindelijk trapt de profeet op de schaal der goede 
werken, zoodat deze daalt, doch de weegengel wil niet toegeven; de profeet stelt 
voor Allah's beslissing in te roepen, maar de engel wil met den uitverkoren 
profeet geen twistgeding hebben, en geeft toe. Zoo komen allen in den hemel 
maar daar schamen zij zich dermate voor de hemellingen dat zij de hel verkiezen. 
Daarop gelast Allah den profeet hen naar de zee van het levenswater te bren- 
gen, opdat het op hun voorhoofd geschrevene worde uitgewischt; in diezelfde 
zee werden ook de verkoolde resten van de nog in de hel achtergeblevene 
gemeenteleden gewasschen. waarna de lichamen weder als op aarde werden. 
Zoo kwamen allen in den hemel, waar geen pijn meer was. 

DCCCXC. 
HIKAJAT HASAN DAN HOESAJN I. 
Collectie v. d. W. 99, 15 V, X 10 cM., 11 bl. 13—16 r. 
Begin : 

.x<) JÓ_G Jota* eiV &*[£=»■ &Ax>) c_£-« JUji &X) tJ^öJ ufi^ -^ 



489 
jJo &->**» üljj ..ws- .*.«) iXiG s)^ ,A*- .a.<) jJkC) CJ--* JÜoJ ,w.=»- 

JOIXJ £&$ fjUj ^AJJS ,e<*U <X_Ü) J»«j). j-G.iJ l> ^i'-i' J*J .X.Cxo)j <xjj) J^w. 

*Jjlw' <x_U) uy*) y^\vV. (•y"**^ iif^^ *V" i*/' 1 '^ i_r^ ^vCv<,)j ^,w.=>- (j)J .A=*- 

*JJ) ö) M j y^.-V ^^ ^r^ ^4;^ { ^-£?\ i . Cl*^o) A> /ji^ '-^^ e^;>) JU: 
Slot: 

/mAaju ^f^Ssttu *lï //AiUii jU*i' 4.Ci:»J.j.=^ Jla J: » iuS J JÓJo .Ij (j.tó &JuA.<; 

^j .U.X./Ü _5 li) S»J ^.ï-J .J '"w-Si-** ^J^u' />Jo ( __5* J «-Ij' W:>- jjj J ,.aw^>- 

&J *JkS»J lLTILc (_S*4>- X-Jj 8. »fjJo «U fc]»ï (j-XAA.i (.Ü^AJki B»J , ^. <xS <sd»S êi»ji 

.ZSJ.-0 ».GÜ U jjjJl / w«. «.SVAJÖ ».C\Ü5> /aai. &J (/*>££ £>•&£ Syiyjj sAu <k_jo<\« &£* 

C^Jt«J d^X.»i JÜ.SAjÜb ».C\AÏ> ^^i A_,~ini AaLIJ ,j»J (J^ ';y <X^\jJ>i>- ^o A^V 



^ " ^-o.' 



Op eene bladzijde achteraan staat nog: 



l_9 



ï.^c) AJió Aa^wj ->sï)jj C.5^^c (r^J-'O ^5*^ l!_T^ (^5*) (JjCJü ,j^*j>- <j^ (^f- 1 ^-^ 

^jj) <X_Ü) Jyi, y^AAxj Ij »S'^i:»^virs. 'o ^lii ^j.ij) «UJ) Jy^i ^-^ l^P t 1 l KUJ> ~ 

jIS' .^^.a^* ^jJ <X_1H (Jv^i Ll^"* C^aJ aIaw S) jJ.KXsi )&k£ ^,J^J ^AJ.» js) 

enz. blijkbaar een verkeerd begin. 

De taal van dit HS. is veel meer Maleisen clan Minangkabauseh, maar 
aangezien het overigens tot dezelfde soort als die der hier behandelde ma- 
nuscripten behoort, was het beter het niet in de beschrijving der Maleische, 
doch in die der Minangkabausche handschriften op te nemen. 

Het boekje begint met het verhaal van Hasan en lfoesajn, de kleinzoons 

des profeets, die een mooi kleed verlangden, en door bemiddeling van Djabrail 

de kleederen ,-;Ljuuj) > M *±J^ en JjójT verkregen; die het groene kleed ver- 
u j' ij- j f ° 

kreeg zon door vergif sterven, die bet roode verkreeg door de hand van Jazid's 



400 

krijgslieden. Djabra'il deelde deu profeet mede dat de dood zijner kleinzoons 
eerst na zijn verscheiden zou plaats hebben: daarna koos Hasan het groene 
en Hoesajn het roode kleed. De profeet noemde het andere kind van c Alï : 
Moehammad C AH Hanafijjah. tegeu den zin van Fatimah, aan wie hij toen den 
dood der beide andere kinderen voorzeide. en mededeelde dat ook de derde zoon 
door geweld zou sterven, weshalve hij er op gesteld was dien den bewasten 
naam te geven. Daarna barstte Fatimab in eene lange jammerklacht uit. 
Zie verder bij het volgende uummer. 

D< K3CXC1. 

HIK A JAT HASAN DAX HOE>AJX II. 

Collectie v. d. W. 98-, 15 l / 2 X 1" cM., 27 bl. 16—17 r. 

Het begin vertoont eene betere spelling en betere taal, gelijk blijke uit 
het volgende specimen : 

■ J ^ J 

. „->- r< wVJJÓ /.AA,: tS~ .'c_sr^ XjJÓ) . _~ ddl! _'_Ü-: ^2 .\s- 



J^f J ff ^ 2 <J S ~^ W** *>~ : - ~^ r Ü^ J : ^ ^ o'"~^ 

,~~=*- 5I-«1 iX&J i)j5t ,w^ r k^\ Jao '_L^-< ,£»s.a=- _ .- L£>J ,£&- 

t_ y * O > J Mi- J- • KTV • • ü ü " U 

^■' O" O" o •> • > y -' V -* *■" " 
-j»j .\GloJ .,^-xiJ ,i*J ï^.i J^J lA . J .Wit». ^J - ^s- 'J_C-c ...- , ..* ~AJ»3 

^-^ ^ ^ l_S C/" > — ? O -/ • > > > •• c/ 

i_> ,-' -"O ■i'JÓ.i _<J - ' --■■.- 2JLÜ1 ^! ,V~.^w ,..-. ^»rsA>- .S~' i,»~. — kT>- 

C- CJ" • J «_5 O- -y O > ■ • ^ > Cl- ••• 

J«w. Juuu JÜ" J) iliu.J «__--•-- sj^x) 

Het slot van I valt hier op bl. 10, wederom met betere spelliug. bv. 

JU s^j in plaats van ,C*iai *J«j. 

Het slot van het H>. is : 

■J^.< ^J ^>.' ».<_ > »Cc] .o i ;.i-v ..jmiücJ .i ,'-v^- ^<^ JÖ.0 ^^-^ __;•.< 



491 



,.jj <X.-C«(Ai- /"JAAÏ5 ,^k\-c)J .-^J.=^ 'Uto L-_^«.5> /.]»JJ) L ^A^h Ï,J Ij ,JW5> 



l^j) &Xxm .k^.'C (jlJ .aÜs aCw ,i ,j)J iss^A»- ilAxwj (J.Cjj itkai AjiA-o ^-Jk-o^c 

<xCc ijj.^ (_f) *S) ^r'Vy^ CX-o ^yJu) ^US <)dj) C_£-« 

Daaronder staat: 

Het verhaal van het groene en het roode kleed komt in de verschillende 
exemplaren der Hikajat Moehammad Hanafijjah niet in het begin voor; in 
v. d. W. G9 (no. CCCXXV) bv. vindt men het op bl. 100, als volgt vermeld: 
pada soeatoe hari baginda rasoel Allah doedoek diroemah Oemmi Salamah rnaka 
diribanja tjoetjoenja Hasan dan Hoesajn maka Djabrail pon datang mërabawa 
pakajan daridalam soerga maka bahoeasanja soeatoe pakajan hidjoe dan soeatoe 
merah maka oedjar Djabrail ja nabï Allah bahoea inilah pakajan daridalam soerga 
dinoegërahakën Allah soebhanahoe wata c ala kapada tjoetjoe toeanhamba kadoea 
itoe dan soeroeh pakaj amir Hasan dan amir Hoesajn maka baginda pon di- 
pakajkënüjalah tjoetjoenja itoe satëlah soedah mëmakaj kadoeanja pakajan dari- 
dalam soerga itoe maka përgilah kapada boendauja maka oedjar Djabrail ja 
nabï Allah bahoeasanja firman Allah ta e ala mënjoeroeh bërtanja kapada toean- 
hamba kasihkah toeanhamba kapada tjoetjoe toeanhamba itoe maka sabda 
rasoel Allah bëhkan kasih haraba akandia maka oedjar Djabrail adapoen tjoetjoe 
toeanhamba jaug mëmakaj pakajan hidjoe itoe akan kamatiannja itoe tërboe- 
noeh di padaug Karbela dan kapalanja pon ditjërajkën dëngan toeboehuja enz. 

In dit HS. wordt de jammerklacht van Fatimah voortgezet en verder 
verhaald dat na het overlijden van den profeet, c Alï, Fatimah, Aböe Bakr, 
c Oemar en c 'Oethman het rijk (^U^)^' , ) aan Hasan en Hoesajn kwam, en dat 
beiden bij een bezoek aan het graf van den profeet een gesprek met dezen 
voerden in half wakenden toestand. In dat gesprek zinspeelt de profeet op 
hunnen aanstaanden dood, en op het hooren van het verhaal dier ontmoeting 
barst Hasan 's vrouw Fatimah Zajnab in weeklachten uit, en troost haren zoon 
Abóe '1-Kasim. Kort daarop wordt Hasan vergiftigd. Zij wilden hem in het 
graf van den profeet begraven, maar Jazïd verhinderde dat. Daarna beraadslaag- 
de Jazid met de zijnen over de wijze waarop hij Hoesajn zou dooden, en Abóe 
Hoerajrah wordt naar Madinah gezonden om hem te bewegen naar Köefah te 
gaan. Hoesajn, zijn leugenverhalen geloovende, wil hem volgen, maar zijne 
vrouw Soehra Banóen dwingt hem eene belofte af van nog zeven dagen te 
wachten: immiddels gaat zij naar Mekka om de ka c bah te vereeren. 



402 

Hiermede eindigt het fragment. Het verhaal wijkt geheel af van dat in 
PIS. v. d. W. 69, waar de hier aan Aböe Hoerajrah toegekende rol wordt 
gespeeld door 'Abdoellah Zijadah (bl. 200 sqq). 

DCCCXC1I. 

HIKAJAT MOEHAMMAD 'AU HANAFIJJAH 
TATAKALO KATJIË £ . 

Collectie v. d. W. 73, 15 1 /, X 10 cM., 54 bl. 14—15 r. gedat. 24 
Moebarram 1275 — 1858. 

Begin : 
_}. Jlc .*&£ _), _ »>- ixii»- cu.i ,.J t>>) ddbl .^ sJJJ ,.tJ iïl if^ »Jo 

i_c) <x! - jL>r> '— ■■■< r*^ *aLU .. |J >)) ,A~.s>- ,)j J ,^^ I.i3«u .Uil JUjJ 

jj) «J i^l) ^j ^ «?l? rdj) ^j (lees ^) ^ ï jy * ^ ^ ^p ^j 

,UJ c 1 

Slot : 

^(JJLS (_5*^ l_L^~"C (_? u ^T^ ^»^»~ J .,- i ^— N- v tvU.X=>- -Ie S-O.^ ~< .r^r? ' * >--«- 

liT UT • J' tv' C >-J/* uS O r • 7- >•• c/y^ 
.s-lsuJ «xil ,'j.i.' ,Jk> p,,) dd^JbJ CJ-^i .,i<., uJ.ili .-,»i.x=^ Jx Aa^.c il C-^jU i .- .* 

Na den datnm : ^jju ) t J\j '.^ Jj n,.^ ï.^^v ^ ; 
In hond : 

Moebammad 'Ali Hauafijjah woonde als zevenjarige knaap in Ban ij ar 
en trachtte zijne stadgenooten, die vroeger moslims geweest waren, den islam 
weder te doen aannemen, maar hij ondervond smaad en hoon. eu zette zich 
weer aan het weven, en vroeg zijne moeder wie toch zijn vader was, daar men 
hem voor va'üerlooze uitschold. Daarop deelde zij hem mede dat de heer van 
Mekka en Madina, L 'Alï. zijn vader was. hoe deze haar had opgedragen haar kind 
Moehammad c Ali of' als het een meisje zou zijn Sadarijjah te noemen, en als 
het kind naar Madina zou willen gaan het den stok van Hamzah als amauat 
mede te geven. 



493 

Na eenige wonderteekenen, en nadat hij, een in den droom gegeven last 
van den profeet volgende, alle knapen van de stad had doen sterven door ze onver- 
wachts los te laten toen zij op door hem omlaag gedrukte takken zaten, vielen 
allen op hem aan, maar hij joeg ze op de vlucht door zijn toovermacht. Daarna 
aanvaardde hij den den tocht over de vlakte van Karbela naar de twee heilige 
steden; herders die hem beleedigden deed hij door middel van zijnen staf' verbran- 
den, landlieden die hem vruchten weigerden strafte hij, venters die grof tegen hem 
waren deed hij hunne waren verliezen totdat zij berouw toonden, eenen lompen 
kokosnootplukker tuchtigde hij ; eindelijk wees een oude man, na hem eten te 
hebben gegeven, den kampoeng van de Medinensers op die vlakte; het gelukte 
hem echter niet de aandacht van zijnen vader te trekken. Hij ging baden in den 
vijver van 'Ali waar niemand baden mocht; c Ali zelf gelastte hem er uit te 
gaan, maar hij weerstond hem, hij bevocht den knaap, en telkens verdween 
deze door een engel weggerukt, beiden riepen Allah aan om hulp, en ten slotte 
begreep c Alï dat het zijn zoon was die hem bestreed. Hij bracht hem naar zijn 
huis en liet hem daar slapen, zelf naar de ka c bah gaande om Fatimah met 
FTasan en Hoesaju te roepen. Inmiddels kwamen dezen en sloegen den onbeken- 
den slaper de deur uit. doch weldra kwam c Alï en helderde alles op. Daarna 
gingen allen met hem naar den profeet, nadat Chadïdjah hem van een nieuw 
wit kleed voorzien had. Later ging hij, zeer naar zijne moeder verlangende, 
terug naar zijn land, een heel eind weegs begeleid door de vier anderen, later 
alleen, uiterlijk te voet gaande, innerlijk voortgedragen door engelen, en bereikte 
Banijar, dat zich weldra tot den islam bekeerde. 

DCCCXCIII. 

HIK A JAT NASOÊHa. 

Collectie v. d. W. 244, 15 1 /,, X 10 cM., 2G bl. 13— 16 r. gedateerd 
25 Moeharram 1275. 

Begin : 

^J J.*i, jdjAs- *xll\i ^ teWs ^^5) Jojlsüu f**~j l £pJ*^ ^=^- j&3>ji 

ty^, ijuas^o X=^.iL« ^ijl.) ^.O c^ülwj yVr*& £/*}* f* J (JV.'I/*'' (_5^ é/l 



q\ Ju«wo «SUS' JÏ£ r^j'j ^xx^n^c (sic) £)) Jij^^d i) Us.^ai ^J ^ 



il 



1) Later steeds U^.ao; 
j 



494 

Slot: 
AiJ jj ^.IJ r'i*st') *L1>) ,^/^J fMAÏ.j JUi' <xU) ÏAai' ^wla J)j U».^ai 

De iuhoud van dit Sjair Nasoêha getitelde verhaal is als volgt: 
Onder de Israëlieten was een goddeloos man, Nasoêha geheeten, die 
leefde van diefstal; niemand kon hem weerstaan of zijne lagen verijdelen. Ein- 
delijk bekeerde hij zich en gaf al het gestolene terug, en vestigde zich met 
zijne vrouw in het woud, waar zij gebrek leden. Drie dagen lang hadden zij 
niets gegeten toen hij eene geit vond en die in bewaring nam om ze te ver- 
zorgen ; van haar melk leefden zij. 

Om de vijf dagen jongde die geit, zoodat het aantal niet te schatten 
werd. Daarna legde hij tuinen aan, die overvloedig vrucht voortbrachten ; één 
deel daarvan gebruikte hij voor zich, de rest voor aalmoezen, rantsoen zijner 
bedienden en zaailingen. Hij dreef een voordeeligen handel, en legde eene 
versterkte stad aan, waar velen samenstroomden wegens de rechtvaardigheid van 
Nasöeha, die uiterlijk een koning doch innerlijk een heilige Godes was. Na 
verloop van tijd zond Allah Djabrail om zijne ziel te halen, en deze komt bij 
hem zeggende de eigenaar van de vroeger door hem gevonden geit te zijn; hij 
krijgt de geit terug maar eischt ook al de jongen die uit haar voortgekomen 
zijn met de gelden die de verkochte geiten hebben opgebracht. Daarop liet 
Nasöeha alles wat hij bezat vóór den eischer brengen : ook het paleis en de 
vesting eischte deze op, en alles stond Nasoêha af, zelfs zijne kleederen. Daar- 
na ging hij met zijne vrouw naar hun oude hol terug en trokken de versleten 
kleederen van weleer weder aan, toen de jonge onbekende ook vergoeding vroeg 
voor het gebruik dat hij van den geitemelk gemaakt had, en Nasöeha niets 
meer had af te staan, eischte hij dat Nasöeha eenen berg zou verplaatsen. 
Werkelijk begonnen hij en zijne vrouw te graven en te spitten, maar de onbe- 
kende greep hem bij de hand, en maakte zich bekend als Djabra'ïl die gekomen 
was om de kracht van zijn geloof op de proef te stellen. 



195 
DCCCXCIV. 
RADJA PËRUANGAN KAWIN KA NËGËRI ATJÈH. 
Collectie v. d. W. 208, 16 7 2 X 10 cM. 62 bl. 14 r. 

Begin : 

_ , rfjdjyLwLj CJ-^o JU: cLmjJ .S) Atuob ^X* JjCiï (. .*♦.' dlxi) lLS.< 

\JS$) ^f^ *-^#J V. "-^J vjlfi ^^f. j-*' er^.^^^-o ^^ (/-^ ^£j£ ^^jS 

C^rJ^ jL j^ ( lees ^AjuX) jSJÓ \U) fc\ j&j^ c^o) CJ^ Ll/ji] ^a ^J 
Slot: 

Ll>-< Cl»* Uw ->0 .XlAi^wj t*w*_'Uw ( *->i'~« /UJ.&J ,Jj J jiiOU (JjJvJJ LH^-M r i_5"; ^J ,J 

Jy <x! J yy^«>»i j^-jj >0 «k! ^jy C_^-< e/ir^- *^ f»^ Ul£-c tC^^^ Üa^ r<xJ) 

^J.lï t_5"J Ul^Ol «Xliwj / C iJ-'w (_£*X Xli ^4*wj LLS-^c yóy <X! £j*£ (Jl^AwJ. ,J »ï 

In het begin wordt verhaald dat na de weigering van een huwelijks- 
aanzoek een aanslag op Batipoeh werd beraamd, maar niet ten uitvoer werd 
gelegd. 

Daarna wordt vermeld dat in oude tijden toen de zee ajër masin heette, 
het eiland: Langapoeri, tëloek; pinang, weer een eiland: Andaloes, de berg: 
Sagoentang Pëndjaringan, de goenoeng: goenoeng barapi, het dier aldaar: koeda 
sëmboerani, balaj: balajroeng paudjang, toen verscheidene laras andere namen 
hadden, volgens de overleveringen ontvangen van Datoek Katoemënggoengan en 
Datoek Përpatih, die ze had van Datoek Soeriadiradja, die ze weder had van 
den Jangdipërtoeau, er oorlog was tegen ons van de lieden van XI 1 Kota. 

Naar Silaban konden zij wegens hoog water niet doordringen, het reeds 
veroverde Kota Toeha werd hun ontnomen, en de vrede werd gesloten. Ten 
einde voor overvallingen beveiligd te zijn legden de acht datoek's van Përijangan 
eene sterkte aan: Padang Paudjang. Wederom braken oorlogen uit, en XII 
Kota werd overwonnen. 

In Padang heerschten de Atjehers gestreng. Een der Padangers ging 
zich daarover beklagen bij de Compagnie, en de commandeur beloofde daar te 






490 

komen; hij fnuikte den Atjëhschen invloed, sloot eene overeenkomst met de 
pëngboeloe's en vestigde zich te Oedjoeng Karaug. 

Daarna wordt melding gemaakt van verschillende nieuwe combinaties 
van laras, onderlinge gevechten, den strijd tusschen hitaui dan poetih, den 
snijd van Loeboek Agam en Batipoeh tegen Kota Lawas. gevolgd door andere 
kleine oorlogen, ten slotte van de komst der Compagnie in Tanah Darat, den 
tocht der Eugelsche Compagnie naar Padang, de gevechten door de Compagnie- 
geleverd, de vestiging te Fort de Koek f Jï&jj ^^y) <-S"- Py*» *ii uS* J ) 
en het verder voortdringen der Compagnie. 

Het geschrift is niet voltooid, en eindigt abrupt. 

Ander handschrift : 
Leiden, no. 174!'. 

(CDX1V). 

OEN DANG-OENDANG ADAT. 

Collectie v. d. \V. 60, reeds behandeld sub bovenstaand nummer. 

(CDXV). 

OENDANG-OENDANG MOKO-MOKO. 

Collectie v. d. W. 61, reeds behandeld sub bovenstaand nummer. 

DCCCXCV. 

OENDANG-OENDANG MINANGKABAU I. 

Bat. Gen. 27, 20 X 1" eM., 112 bl. 15 r. gedateerd te Padang l.Djoem. 
I, 1282. 23 September 1865! 
Notulen IV: 204 (27 November, 180(3. V). 

Een der talrijke exemplaren der Geschiedenis van Minangkabau, (veelal 
Tambo, ook Tambo radja radja genoemd) in verband gebracht met de wetten 
en instellingen der Minangkabausche landen. 

Dit HS. is afgeschreven door Soetan Mangoen zoon van den laatsten 
Dipërtoean van Minangkabau. 

Achteraan, na de dagteekening, staat: 



,_c) r^jC&Aiu „>^~-< i_cla*«i juavwJ J^J *-ilï «J&J ci^, 



b 



497 

In het Indisch Archief, Tijdschrift voor de Indien, 2° jaargang, deel 
III, bl. 33 — 68, heeft E. Netscher deze „verzameling van overleveringen van 
het rijk van Manangkabou" vertaald en toegelicht. 

Het HS opent met 24 medaillons, op twee bl., bevattende namen van 
vorsten van Atjèh, Indrapoera, Pegoe, Palembang, Bintar, Djambi, Rökan, 
Singapoera, Indragiri. Siak, Maudaheling, Tamboesi, enz. 

Na de uitvoerige doxologie begint het geschrift met de schepping van 

Adam en Hawa, hunne ontmoeting en tocht naar Safa (waarbij Söerahll: 153 

aangehaald wordt) en de afdaling uit den hemel van hun huis. Daarna wordt 

het aantal hunner nazaten genoemd (201, bij Netscher, bl. 38: 99, elders 39 of 

49), de geschiedenis van Sjïfch verhaald (veel korter dan bij Netscher waar de 

naam zelf niet voorkomt), en dan die van Iskandar Dzöe'l-karnajn (wederon 

veel korter dan bij Netscher, daar over zijn ontstaan niets medegedeld wordt '). 

en daarna de nederdaling uit den hooge van de voor hem bestemde widadari 

Jlc r u beschreven. Waar op bl. 41 o. c. verhaald wordt dat de hemelnymphen 

het weefsel Saugsat Kala, een klein mes en een sigoe landak hadden, worden 

hier aan de genoemde widadari toegekend: het weefsel sangsit, een kroon, een 

bijzonder zwaard, een zit matje e. a. Na onderricht nopens recht en rechtspraak 

van Djabrail ontvangen te hebben daalde hij met zijne vrouw op het matje 

naar de aarde af, en belandde op den top van den berg Kaf; eene aardbeving 

woedde, een vaandel wit als het schuim der zee ontplooide zich, en Adam en 

llawa verlangden onstuimig naar hunnen opgevaren zoon Sjïth, waarop Allah 

hun de oogen opende en hen met alle nazaten naar den berg Kaf liet gaan ; 

daar bemerkten zij dat Sjïth Iskandar geworden was. Deze ging van daar naar 

een land tusschen hemel en aarde (antaro boemi dan langP antara boeki^ Si- 

goentang goentang Mangiran namanjo ijolah ditanah Roem), en trok vandaar 

verder met een door Djabrail aangebracht vaartuig. De engel had ook een 

vogel medegebracht en deze kreeg last een ander land te zoeken ; de vogel 

was aangeland in Langkapoeri, tusschen Palembang en Djambi, en bracht aarde 

er van bij Iskandar. In een oogenblik was deze naar het nieuwe land overge- 

varen, de Biopari en Tjati Bilang Pande waren hem behulpzaam ; daar werd 

hij als vorst gehuldigd. Daarna doolde hij rond in alle hemelstreken (aangehaald 

wordt eene overlevering omtrent een gesprek van Moehammad met de joden 

over Iskandar), en sloot, gelijk in de overleveringen verhaald is, Gog en Magog 

in eene vesting, waar zij tot den dag der opstanding moesten blijven. Na eene 

ontmoeting met lieden van 120 ellen lengte kreeg bij drie zonen, die hij op 

Allah's aanwijzing Alif, Dipang en Diradja noemde (Netscher, bl. 41 : Alif, di 

1). Er staat alleen dat Sjïth na zijne hemelvaart den titel Iskandar Dzöel-Karnajn kreeg. 
Verhandelingen. 32 



498 

Radja eu Dapang, alleii met Sari Maharadja er vóór, hier met Si Mariaradja). 
Zijn einde voelende naderen vermaakte Iskandar den limoen sangsit aan Diradja 
en stierf onmiddellijk daarna. De Biopari hielp de drie zonen in alles, en met 
Tjati Bilang Pande maakte hij voor hen een paleis in Laugkapoeri, en drie 
vaartuigen, waarop zij spoedig daarna de groote zee gingen bevaren. Door een 
storm overvallen ankeren zij ergens tnsschen Roem en Tjina; drie widadaris 
woonden daar. De ankers raakten vast, zoodat ze niet meer te lichten waren, Diradja 
dook er naar en vond de drie nymphen «o \j& , JU.xi en ^Ip- <_$•< .^x*^,, 
met wie hij weer opsteeg uit het water; de eerste bleek voor Alif bestemd te 
zijn, de tweede voor Dipang; vier engelen sloten de drie huwelijken. Spoedig 
na hunne weldra voortgezette reis kregen zij oneenigheid over eene kroon, 
welke zij allen begeerden, totdat een engel hun aanbood de zaak te beslissen 
en de kroon in de zee van Ceilou wierp, waardoor zij schitterde een maand 
varens lang; onmiddelijk omkronkelde de groote slang de kroon. 

In eeneu storm raakten de drie broeders, die trouwens reeds tot scheiding 
besloten hadden, uiteen; Alïf belandde in Rgem, Dipang in China en Diradja 
op den Barapi in gezelschap van den Biopari. 

Op dat eiland oogstte hij goud uit de rijstaren, en daarmede wilde hij 
de verloren kroon namaken; hij voer met Tjati Bilang Pande naar de zee van 
Ceilon, en liet daar eenen goudsmid in een glazen flesch afdalen; de groote 
slang liet de kroon los, en de goudsmid, Si Oelèh getiteld, maakt haar na; 
nadat hij de voortreffelijk gemaakte kroon afgeleverd had, werd hij op last van 
Diradja en met instemming van hem zelven van het leven beroofd. Diradja 
verhuisde naar den top van den berg en woonde daar; aldaar ontsproot een 
heete bron in het yoetspoer van eene ree, en op die plek liet hij van zijn 
vaartuig een paleis bouwen; op die plaats, eerst Para^an Kidjang genoemd, 
verrees Përijangan. Aan' den voet van den Goenoeng Boengsoe verrees Paga 
Roejoeng; alles bloeide en groeide in het Minangkabausche land onder het 
rechtvaardig bestuur van Diradja, den bezitter van de kroon, het weefsel, den 
gouden zwaluw, het uit zich zelf ontstane goud en het goud dat spreken kon, 
en het goud \'U_ <xïls- (bij Netscher, o. c. bl. 42 Si djati-djati), en van vele 
andere uit zich zelve ontstane insignia (De optelling daarvan vult de bl. 60, 
61 en 62). 

Na zijnen dood huwde Jlx .juu met den Biopari, die den titel Datoek 
Soeria Diradja had (Netscher, bl, 43 Datoe Sa'ri Diradja), en kreeg twee zonen 
en vier dochters; de zonen Datoek Katoemënggoengan getiteld Soetan Padoeka 
Bësar en Parpatih Sabatang getiteld Tjoematang Soetan werden later de be- 
stuurders. Met den vader kwamen zij overeen om het land in laras' en loeboek's 



499 

te verdeden, en voor elk landschap de wetten en inzettingen vast te stellen. 
Deze nu zijn de negen wetten, elk verdeeld in vijfhonderd anak's; nl. ta c alloek 
kapada 1" radja radja, 2° pënghoeloe, 3° 'alarn, 4° pakajan, 5° përmainan, 
G° boeni boenian, 7° rami ramian, 8° jang tërpakaj pada c alam dan pada ka- 
basaran, 9° hoeloebalang, waaronder de strafwetgeving begrepen is. Deze wetten 
werden ingevoerd in elk land waar de familieleden der drie hoofden, vier in 
ééne stad, vijf in ééne stad of meer in ééne stad, zich gevestigd badden; in 
elke stad werd een pënghoeloe aangesteld, en die pënghoeloe's waren van vier 
soorten: «W fey «d«j, *!^i en Jlü *) Zij moesten gantangs vervaardigen van 
48 tahil, boengka's en tjoepaks van 12 tahil, waarvan aan iedere kota één 
gegeven werd. Daarna bakenden de drie hoofden de grenzen af van Kota Pi- 
liang en Kota Tjaniaga (Netseher, bl. 51 Bodi Tjaniaga). Over die verdeeling 
geraakten de broeders in oorlog. Datoek Katoemënggoengan gaf aan de twee 
plaatsen de namen Lima Kaoem Doeablas Kota (met bijnaam Gadjah Gadang) 
en Soengaj Tarap; die drie landschappen zijn de alleroudste (met Përijangan nl.) 
waarvan alle andere afstammen. De vrede werd gesloten en de afstammelingen 
van beide broeders hnwden onderling. 2 ) 

Van hier af (bl. 68) is de tekst geheel, soms woordelijk, gelijk aan 
Netschers bewerking, van af bl. 52, r. 5 v. o. (In de drie pantoens van bl. 56 
aldaar staat hier . lü>jt>,s in plaats van . laU^, J en Jui> t j »Jutf> <luö <xïli 
in plaats van Ij^j Ju? ^^)) .e)&ü), behalve: 1° meerdere kortheid inde 
vermelding der landschappen en poesaka's van bl. 57, 2° het ontbreken 
van het geheele gedeelte over den strijd tegen de Hollanders (wat blijkbaar 
beleef dheidshalve is geschied; de samenhang is verstoord door die omissie), 3° 
het ontbreken van het gedeelte over den pinangstok, en de gevolgen van de 
weddingschap (bl. 64 en 65 tot r 4). 

Het slot van Netschers bewerking valt in dit HS. op bl. 84 r. 4. 

Dan volgt de wetgeving der negen poetjoeks, welke is verdeeld in drie 
deelen; dat wat op Atjeh van toepassing geworden is, op Miuaugkabau en op 
wat in Roem gebleven is. Deze wetgeving heeft 5000 anak's; 500 gelden 
in Këling, 500 in China, 500 in Benggala, 500 bij de Engelschen en de Ko- 



JUi vi. V J\ó W ^JübJLiJ uj^JlC-j jh üutf ££». oj) *5Ui ^$j\ ^ ^< ] 

JU ^Um, 

f ° 

2) Over de daarmede gepaard gaande oude gebruiken welke hier vernield worden zie men 
Netseher, o. c. bl. 52. 



'O 

djah's, 500 in __^. 500 in het Westen f^^). 500 in het Oosten (^J^J) 
500 in het Zuiden. 500 in het Noorden, 500 in het Westen (Barat . 5 1 "» in 
het Oosten (Timoer) 1 ). Xa de vermelding van de onderscheidene namen dei- 
wetten en der drieledige verdeeling van het begrip e akl wordt op hl. 87 het 
eigenlijke boek besloten met de woorden: tammatlah kitab almoesamma dangan 
tambo toeroen toemoeroen daripada Datoek nau batiga tadi dan jang basoedara 
badoea sanak Datoek Katoemënggoengan dan Datoek Parpatih Sabatang itoelah 
nan baoeliëh ehalifat daripada Datoek Soeria Diradja Datoek Soeria baoeliëh 
ehalifat daripada daulat jangdipertoeau Soeltan Maharadja Diradja Si Maha- 
radja Diradja baoeliëh ehalifat daripada bapa'njo Soeltan Iskandar Dzóe'1-E.arnajn 
Soeltan Iskandar Dzöe'l-Karnajn baoeliëh ehalifat daripada bapa^njo Nabi Allah 
Adam c alaihi 'ssalam ehalifat Aliah. 

Daarna worden alle Minangkabausehe laras' en loeboek's opgesomd, 

dan wordt de ontwikkeling gegeven van het begrip doenja. Dit wordt gevolgd 

door de VIII wetten en de Xll wetten, welke laatste toegelicht worden: ze 

luiden: I X~ ,.»^w.. II wJu., oi,».-.. III .~~. ^>~c^- 1> ,. i»s-). ~jJ- » -Lu.* 

c.^. VI Jij 5 JU VII iU,^, VIII ft il^, IX ^JU l^obü* 

. JSi ï^.»b X .jJo ,. XI „Cis- *-> .^- XII cJ.J i^.<o V~.-< . ,\i .^ t o.o ,#Jj ÜKtoa^ 
<j~ Cs* J "J > • ->■ L.JJ G u o> 

^cyu^ -'- ft>»J) êU JS& ~<.. JiU ►< ejb- Daarna komen de 12 tando 
beti, waarvan de eerste zes behooren tot de da^wa toedoeah, de tweede tot de 
da c wa tjemo. Daarna volgt eene strafwet, telkens met bewijsplaatsen uit koer'an 
en traditie gestaafd, afkomstig van Iskandar Dzóe'l-Karnajn en de sajjids die 
van Mekka naar den berg Pendjaringan kwamen. Op bl. Iu2 begint een hoofd- 
stuk over den c akl en den c ilm. hetwelk besluit met eene beschouwing over 
de bekende termen sjarï e ah. tarikah. hakikah en ma c rifah. en de vermelding 
van de 10 martabat's der vorsten, de 6 der pëughoeloe's, de 4 der aanstaande 
hoeloebalaugs en die van andere soorten van menschen. Het geheel wordt be- 
sloten met eene verklaring van enkele wetstermen. en eene moreele vermaning 
en opwekking. 

DOeCXeVX 
OEXDAXG OENDANG M1NANGKABAU II. -) 

Bat. Gen. 40, 30 X 19 cM., 52 bl. 34 r. (alleen aan de rechterhelft 
beschreven). 



1) Dus feitelijk 11 X 500 = 5500! 

2) Ten onrechte staat dit HS. als eene Hikajat Iskandar vermeld, en dat wel volgens eenen 
voorin staanden -inhoud volgens een inlander". 



501 

Na het Arabische begin en de vermelding van de traditioneele verdee- 
ling der wetten in negen poetjoek's van 500 anak's, begint de eigenlijke 
tambo geheel en al gelijk aan de bewerking van Netscher; alleen ontbreekt 
hier de vermelding der eerste vorsten van Atjeh, Indrapoera, Palembang, 
Bautën (Netscher, bl. 36 en 37), en is een enkele maal eeue afwijkende 
spelling te constateeren. Het door Netscher behandelde gedeelte eindigt hier 
op bl. 23, r. 13 v.o. Daarna wordt vermeld dat de wetten der negen poetjoeks 
ti_' verdeelen zijn in drie deelen, een voor Atjèh, een voor Minaugkabau en één 
voor Roem, d.z. de wetten in Roem, Mekka, Madinah, en de eilanden midden 
in de zee; 500 anak's gebruiken wij (kito), 200 vallen op Kalinga, 500 op 
China, 500 op Mangga(la) d.z. die der Engelschen en Franschen, 500 op 
Abessynië, 500 op den Masjrik en Maghrib. 500 op het Z., 500 op 
liet N., 500 op elk der eilanden midden in de zee van Ceilon. Daarna 
worden de onderscheidene namen der wetten in betrekking tot bepaalde onderwer- 
pen opgrnoemd. Dit gedeelte is gedateerd 9 Radjab 1263. Daarna wordt de 
stamboom van deze oendang oendang gegeven van Iskandar Dzóe'l-Karnajn af 
tot op „mij. die getiteld ben Kadi Radja di Soengaj Batang" ; — verder verklaard 
met de woorden ^ c.) .IC* f^rfr* lk Jf-^ ^y» ft jd~i ^/^^ t_S^ *-S y>) 

Op bl. 28 begint eene beschouwing over den tweevoudigen hoekm, dien 
volgens de adat en dien volgens den sjar c ; de eerste is zesvoudig, nl. 1° tjoepa c 
nan a*li, 2° tjoepak nan boeatan, 3° kato poesaka, 4° kato moepakat, 5° kato 
dahoeloe kato batapati, 6° kato koedian kato batjari. Deze zes punten worden 
nader ontwikkeld. Voorts wordt de viervoudige verdeeling der wetten in oendang 
oendang nagari, oendang oendang dalam nagari, oendang oendang loea c an, 
oendang oendang doeapoeloeh besproken en in nadere ouderverdeeling ontwik- 
keld ; taalkundige toelichting wordt nu en dan ingevlochten. 

Dit gedeelte is gedateerd 1 Radjab 

Op bl. 36 begint de uiteenzetting van den hoekm volgens den sjar c , 
gegrondvest op dalil's uit koer'au en traditie, en van de verplichtingen der 
mautri's met dergelijke bewijsplaatsen, overgaande in eene behandeling van het 
Moeham medaansche procesrecht. 

Dit gedeelte is gedateerd 13 Ramadan 

Op bl. 48 vangt het hoofdstuk over proces en bloedwraak (de kitab al- 
akdijjah wa'sj-sjahadat) der moslimsche fikhboeken aan, om weldra afgebroken, en 
door een kitab over de mantri's opgevolgd te worden ; dit gedeelte eindigt abrupt. 



502 

Dcccxcvn. 

OENDANG OEXDAXG MINANGKABAÜ III. 

Bat. Gen. 94. 22 X U 1 /, cM. 142 bl. 15 r. (enkele 'bl. onbeschr. en 
vier met aanteekeningeu). 
Notulen 10 April 1877, II, h. 

Zeer fraai exemplaar met veelkleurige vignetten. 

Geheel dezelfde redactie als de voorgaande; het door Netseher behan- 
delde gedeelte loopt hier tot bl. 52. r. 3. Daarop volgt het gedeelte over 
de 9 poetjoek's, en de verdere serie van verhandelingen, doch veelal korter, 
maar later is de behandeling van allerlei eigenschappen, kenmerken, adat's, 
graden, betrekkingen, soorten, deugden, ondeugden enz. veel uitvoeriger. De 
ontwikkeling van den tjoepa" a<li begint op bl. 67. en in andere termen 
dan in II. 

In dit HS is voorts het volgende vermeld: 

bl. 72 ^xe-. JiL ^llu si 

» 73 c^JbW. sXi » » 

» 74 \Sj JL. J r^Ail 

» 75 fj^.^ J> 7 9-^ 

» 77 )y:j ^Ux< si 

» 83 JU^ jUsoui ^1 ^j] JSJjji Jjj.il ( _ s «*5lf« JJL » » 

» 89 jSy Jty fjj) UiO ^U^ü ^^ 

» 105 aocJ r/«o!j*»i i-J ï tj'~ AJ,J &..KJUW 

Dit grootendeels in 11 ontbrekende gedeelte eindigt met twee i Aia^; 

de tien zaken van hen die „akan naië" gadang", en de tien roekoens van hem 
die den koer'an reciteert; het is gedateerd met een maand, zonder jaar. 
Op hl. 125 en 126 staat aldus over het voorgaande geschreven: 

^J y ^ ijjjjsal* J\3 ry«j £.1 e^wj r^ 'iSz x Jliy^ J\d ^JÜ ^)j 
ë-Sï ^IfAwj '^-<ti '^ dfKJ J^'j c .J c^.^ sJbJla ,jlj (_s*.'ij cy.** 2LLc 
lI/^mj J)JJ f.4*-* AiG &_wü r ii\j .. ; ^$0 cij,^< êj ijytj) l^j-< (jta »y J^s? 

Rj <X„i.y L/^V ( .^ (S. L/";^ y^* '^ L-T^ '""^T" ^.Ji-AJ ,j»ilt)) . JLj ft_xj 



503 

BI. 127 — 142 bevatten eenen Arabischen tekst over het hoofdstuk der 
da c wa en wat daarmede samemhangt. 

Geheel achteraan staat een ^joUj CS 'y* J)j <A! ^Cy sljlfc dxi JL)y£ 

DCCCXCVIII. 

OENDANG OENDANG MINANGKABACJ IV. 

Bat. Gen. 280, 21 X 17 cM., 92 bl. 17—22 r. gedat 13 Moeh. 1812 
(lees 1312) te Ajar Hadji. 
Notulen 1901, 23 December, I, m. 

Dezelfde redactie als van II. Het door Netscher behandelde gedeelte 
eindigt hier op bl. 30, r. 8 v. o. Daarna volgt eene reeks van filosofische be- 
schouwingen over verstandelijke begrippen, eene optelling van gewoonten en 
wetten, die voor een deel aan Datoek Katoemënggoengan worden toegeschreven; 
zeer veel van dit alles is ook in de andere teksten aan te treffen, zij het ook 
met verschil in omvang en in afwijkende volgorde. Hetgeen onmiddelijk volgt 
is de uiteenzetting der negen poetjoek's en de landen waar ze vigeeren. Op 
bl. 39 vindt men eene vermelding van de eerste vorsten van Atjeh, Bintan, 
Djambi, Palembang, Përijaman, Indragiri, in den trant van de opgaven bij 
Netscher, bl. 37 en 38; deze vermelding wordt besloten met de woorden 
p)»j ,£..) Jös'.J (jiv*i j.jj ..vlLw -J ,\1 Lw -J^J;J -*J& ^>i y^ * ^J I L^v«ö 



Dan volgen 


bl. 


41 


bl. 


45 


» 


48 


» 


55 


» 


G5 


» 


68 


» 


75 *jjij 


» 


83 


» 


84 




iXz St,ó » 

^sX> »ï) s-yt J) /«jJ fi ajö" Si u/L«o JlCw ^ill^o Si 

.ü J <xLsLu p}*ri ^/»^< |*W^. 



504 
DCCCIC. 

OENDANG OENDANG MINANGKABAU V. 

Collectie v. cl. W. 54, 30 X 20 cM., 48 bl. 30 r. gedat. 6 Januari 1848. 

Zonderling dooreengemengde tambo en oendaug oendang bestaande uit 
de volgende bestauddeelen. 



■"o 



bl. 1 f.^ Ss *.G>. ,jJ ïJlc si ^G>- 

waarvan de eerste in zessen verdeeld is (de verdeeling is evenals 

in II. asli is hier Lj.) geschreven, evenals oesali bij Van den 

Toorn, s. v. (j3fs^) 

» 5 (met vele Arabische citaten) &J .^Jü i-cljj) 

» 11 c^i 1 ^ Sxi Xi'-Ou JJ 

» 1 1 m/^ P^ 

» 12 |,lO Ua! (C^-J 

» 14 J.*JJ (JX*i J.ii' .jiU cJ^jvio*- <J£*. ioLuu Ai 

» 17 'ij &.iu, _ï. k^i'^ 

» 24 begint de tambo geheel volgens de redactie- Netscher, doch zonder 
de vermelding der eerste vorsten, en veel korter aan het slot. 

Op bl. 37 begint een kitab over den kadi, waarin elke Arabische volzin 
in het Maleisen is vertaald en toegelicht. Op bl. 43 vangt de verhandeling 
over den c akl aan, waarin de verschillende martabat's in de wereld vermeld 
worden met aanhalingen uit den hadith, en die eindigt met eene verklaring van 
beteekenissen van wettelijke termen. 

CM. 
OENDANG OENDANG MINANGKABAU VI. 

Collectie v. d. W. 03, 19 X 15 Va cM., 216 bl. 19 r. rechts de tekst, 
links de transscriptie. 

Dit HS. bevat: 

Eerst de optelling der oudsten, gelijk bij Netscher; dan eene verheer- 
lijking van Iskandar Dzöe'l-Karnajn, daarna (bl. 1 1) de gewone tambo, tot bl. 
86; voorts; de negen poetjoek-wetten, de c akl, (de transscriptie is 28 bl. 
meer beslaande dan de tekst); de hoekm's (bl. 132), de vereischten van den 



505 

kadi (bl. 134) volgens den fikh; het proces volgens den fikh (bl. 150). (De 
transscriptie vereischt 10 bl. meer dan de tekst). Het landrecht van Minang- 
kabau is in dit HS. dus ternauwernood vertegenwoordigd. 

CMI. 
OENDANG OENDANG MINANGKABAU VIL 

Collectie v. d. W. 202, 20 X 10 cM., 175 bl. 15 r. gedat, 25 Djoem. 
II, 1273 en achteraan: 3 Dzoelli. 1274—1808. 

Dit HS. bevat: 

Eene inleiding over wet, adat. plicht, oendang oendang en limbago ; de 
nöer Moehanimad als de oorsprong van alles, de schepping van Adam, de 
verschillende namen voor verstand, begrip en oordeel; eene ontwikkeling van 
het begrip c akl; de negen poetjoeks, hunne negen onderwerpen, de landen waai- 
de verschillende 500 anak poetjoek vigeeren; de namen der wetten naar degenen 
op wie ze van toepassing zijn; voortzetting der geschiedenis van Adam, begin 
van het tambo-verhaal (1)1. 20). De tambo eindigt op bl. 77. Dan volgt een 
gedeelte over c akl, poesaka, hoekm, en de verschillende tjoepa £ 's met de gewone 
uiteenzetting van de plichten der vorsten, en pënghoeloe's en eene strafwet, 
gewoonlijk genaamd de XX wetten, feitelijk een dubbelstel van XFI en VIII. 
Verder : 

bl. 93 +t~^ Sm ,Gx« si 

» 90 'i^ iJXy (Jir 

» 108 \£j ^J^) JJb 

» HO \£j ^i^j ( j i 3) Ujj ^U-yCi 

Dit is eene zeer lange verhandeling over filosofische begrippen, eindi- 
gende in eene beschouwing over het verschil tusschen hoekoem sjar en hoekoem 
'adat; de daarin ontwikkelde leer is van oude tijden afkomstig en ook nu nog 
van kracht, want uit Roem is zij in de Maleische landen gekomen bi] Datoek 
Katoemënggoengan en Parpatih van Sabatang. 

Dan op bl. 154 .\Sji \j^sc«) ^Sj A/J., 



154 ,\S.i «xJJLi r—), 

156 S£j+A jü.> is^ fa} 

158 \Sj f) ^S » 

159 \SJ iuAi *a! ijïtë yjj i'vJlt 



< 
» 



50(3 

Dan op 1)1. 163 ,'<^ ^Ijw, ^_JJu &JÖ-* 

» 173 ,\SJ +ü ^uJ) ^bjlyt) ï- v - 

CMII. ; 

OEXDAXG OENDANG MINANGKABAU YIII. 

Collectie v. cl. W. 203. 21 1 /, X 15 1 2 cM., 21(5 bl. 13 r. 

In de inleiding wordt verklaard dat uitgelegd zullen worden de r ±sj\ 
^JkAwj Cj r^-Cs- ^J -i'j' jjlj JLc (JX^j Gj^s_> pjS ^jj lPj?" (<j)^ i^-A*^J 

De eigenlijke tambo. zeer gelijkend op die van Xetscker, vangt reeds op 
bl. 2 aan. en eindigt op bl. 43. Daarna volgt de traditioneele stof die in alle 
tot nog toe vermelde HSS. voorkomt: bv. op bl. 04 de verhandeling over den 
e akl. daarna de vele martabat's, op bl. 78 de tjemo's. en daarna een dertigtal 
menschelijke eigenschappen en talenten. De plichten van de man tri 's beginnen 
op bl. *98, en op bl. 100 de martabat manoesia; bet vervolgt bestaat uit een 
aantal korte fasl's over allerlei zaken van wet en adat en plichtenleer, allen 
duidelijk vau opschriften voorzien. Op bl. 181 komen de oendang oendaug nan 
salapan in behandeling; daarna bevat het HS. nog: 

bl. 193 ji3U fy) JljsJi iSjc* i_>ltf 

.» 211 jjJU üJlc &Lü] 

» 213 Jtë j~- ; ^-< S^lsOu üJlc 

CMILI. 

OEXDAXG OEXDAXG MINANGKABAU IX. 

Collectie v. cl. W. 204, 30 X 19V 2 cM., 50 bl. 30 r. gedat. 18 Febr. 1848. 

Dit HS. (waarvan door het invreten van den inkt bijna niets meer leesbaar is) 
bevat eene korte inleiding, reeds op bl. 1 overgaande in den tambo beginnen- 
de met de vermelding van de 39 nazaten van Adam die onder elkander huwdeu. 

De negen poetjoek's (bl. 22), de roekns vau menseken iu verschillende 
betrekkingen en toestanden, de verwantschappen en verschillen tusschen adat 
en sjar c . de afdeeling over de tjerno (bl. 29), de XX wetten (bl. 30), het proces 
(bl. 31), de uiteenzetting van den c akl (bl. 36), allerlei martabat's van mautri's, 
hoeloebalangs, pënghoeloe's en vorsten, de tjoepa^s, en ten slotte de tien punten 
van den waren koer'an- reci teerder. 



507 

CMIV. 

OENDANG OENDANG MINANGKABAU X. 

Collectie v. d. W. 205, 33 X 21 cM., 141 bl. 28 r. Latijnsch schrift, 
alleen de rechterhelft der paginas is beschreven, gedat. 1847, 
4 Jan. 

Gemoderniseerde copie van den tekst van het vorige HS. met veran- 
dering van Minangkabausche woorden in Maleische, soms in Bataviasche (zooals 
bikin en de uitgang /'//), en vaak in Hollandsche woorden, bv. en, genaamd, 
hoofdstuk, eiu, twie. (sic, sic) enz. Aan het slot staat: 

Talah soedah die salin Boek ini die Tanah Solak Pada 4 arie dari boelan 
ijanuarrj ij aar 1847 saija ijang manjalin Genaamd chatib Maharadjo Soetan. 

Audere handschriften : 

Leiden, cod. 1962, 1745, 1772(1), 1773(1), 1915(2) en 3382, Catal. bl. 

245—248. 
's Gravenhage, nos. 570 en 222(1), (XV en XVI). 
Zie ook sub nos. CCCXCV en CCCXCVI van dezen Catalogus. 

(CCCXCV.) 
OENDANG OENDANG TANAH DATAR I. 
Bat. Gen. 35. Reed3 behandeld onder bovenstaand nummar. 

(CCCXCVI.) 
OENDANG OENDOENG TANAH DATAR II. 

Bat. Gen. 30. Reeds behandeld onder bovenstaand nummer. 

(CD VI.) 
OENDANG OENDANG LOHOK TIGA LARAS. 
Bat. Gen. 396 A. Reeds behandeld ouder bovenstaand nummer. 

CMV. 
HIKAJAT KIJaMAT. 

Collectie v. d. W. 34, 15V 2 X 10 cM., 27 bl. 13 r. gedat 1858. 



ö08 



K 



Begin : 

J--.'fr" cP Ü"^ i^ 5 ^ CJ'^V *lflJ (jJ »tt) f/Sf*" <jW tif^;^*^ ^'^ s** 1 ^' s y lv * 

-Cü; &Lc r,j*.VAJ-j jjlc ,<jjjI -k-o (XbJlp^ »5 ,i;»-^j.=^ 
Slot : 

^J ^W^c -oJt^Jii jJO ddii) ,Cc ^JjAi.» ^1 (J.XJ.J) CStJlj f/M /^ "^ 

.Wj <ïd.<i (J<A^c!j »Slj)j U^..AjJ jjli ^£sUJ) U J.i dd;) ..^<£>U> L^jJ uf'^ *-*!; 

,j»£/«.wj klü ï»J -C-oJ &»jsji/jj (> w - ) 'i //Ji-Jlj/jj r .f'^y' rV^") S.X'C >U" Ó»J Ct\.0 /jJ»J 

jj_J ë^ iyl«j j , C .J xJ <xili ^JlXaj' J <*j»S' .ju,.c J^b *♦& ,J <x5ls ^ ^^>- c^j) 
r^J.J ..Ai cJÜ 8.l£ ix.<! ^J .>«j »:>-»:>- ^.^ S.JliJ .S"»j <XjJj) i\j £ili 
jiAwv ^AJU>. U.£a> .«--VS [_g^4 L^'Tv f^* <^^J (_$*■* ^H -^r* c/^*^ O ** i«^*i 
^s Ij j_yjlsw.ii ulXxAi L-Aa..*»- ë»J J^ ë.J ^^'o _5"_vs\JLio <kjU' »j.£ yV»A>Cjj *lj .».«asvc 
^.IjoJo JLe po '^xXj-uji ^jUij) t_f.jJ i__^.:d..o _j£jli C^-*^ d- r..;J' _))A.i.J _jj'o 
jci c--v«J ^-«.i ^jv *-CiLvJ.J' (Jü'li iS)Jt> *}$*) <^M' L/^'M (•'') i_S^-" ^-V 

Ju:) Ai])j AaaÏ _5\U ijlX>- 

Gedeelte van een verhaal van de voorspellingen der gebeurtenissen in het 
laatste der dagen, den dag der opstanding zelven, de samenkomst op de 
mahsj ar- vlakte, de weging der zielen, enz. volgens de gewone voorstelling 
der moslimsche eschatologie. 

Vergelijk Cod. Leid. 1626/6 

CMVI. 

SJA C IR NAHOE. 

Collectie v. d. W. 237, 15V 2 X 10 cM., 8 bl. 13—15 r. 
Begin : 

•i/j lS}^~ |*-*-^ C-^&->) rJw ?,)) ~oLS" &ÜU) a-As-J) -A-.-J) <xJJ) *^--j 
(_)XiLï ,jdCw Ujjj _j/»~0 J15 ,jJ lSt^ Ï^***tJ ïJ^jv L/^ L^2-\j) ,.•./*'•) *jlI 
^UiUjJ AïUj) (J>Cw i/«>=- uS" 1 ^ . p 't'"^' ^ cJ** <XxLi».j X.aX:^ i/^)) fdjl/«^j tj.s^l. 
ji^iJ^o tJ>i» ) . £:s\jj ij (_$*»»- ^>Xal> jjXtJ ^t^^du ^_A_S.) c^aj) rï 55^' /V. ^^ 

lJ>^-]« r^r^ ^Jj'^J (C-^-^ ^ UJ^^ Cl^J) (j^ »* ö'5^ r^'*'^ 

Slot: 



509 



y^Ui Jti .)l< i alsJ (jj^lsü) Jj ,jy ,jJ ^.i ^jJ )^o i_L£ü ..*..£*_> ^t^ 

Jüj ^|»aujX<i Jil^jJ (sic) jjalj' JU d.'fc**j y) 0^^ u->U*al b Jlc) <X_U). ^0"=- 

Eenc korte les in slechte spelling over de arabische pronomina personalia 
en iets van de Leer der nomina. 

CMVII. 

SOERAT l'ADATO ARAK GADANG ATAU HALEK GADANG. 

Bat. Gen. 39. 32 X 21 cM., 27 bl. 31 r. Latijnsch schrift, alleen aan 
den rechterkant beschreven gedat. Juni 1850. 

Dit boek voor ceremoniën en toespraken bij feesten (met halek is i\\é z = 
x) bedoeld) vangt aan met een vers dat aldus begint: 
Kasieijan pamenan lalok, ka 
tjiempoeng pamenan mandie 
bieda tabielang lahatok 
Sambah djo siempoeh pandjalanie. 
Reeds op bl. 2 begint het prosa-gedeelte der toespraken. 

Het slot is : 

Kang tjieno marantjoeng kalam 
dierantjoeng anak biedodarie 
Sambah diehieijasie dangan salam 
Sambah laloe salam koembalie 
Koembalie kapado nan poenjo. 



AFDEELING IX. 
N A G E K O M E X H A X DSC H I! I Y T E X. 



i MVIII. 
HIKAJAT XAB1 BëRTJOEKOER VIII. 

Bar. Gen. 408 A. bl. 1—10, 16 r. (2 X 13 eM.) 

Xotulen 1908, bl. 117 VII a. 

Ook dit exemplaar vangt aan met de verzekering dat aan een ieder die 
dit verhaal leest, aanhoort of opschrijft zijne zouden zullen vergeven worden, en 
zullen afvallen vau zijn lichaam evenals de bladeren afvallen van de twij_ 

CMIX. 

HIKAJAT XABI BëRTJOEKOER. 

Bat. Keu. 409 A. bl. 1—10, 1-3 r. (21 X 13 cM.) 
X ruien als boven. 

Dezelfde tekst, seheel van vokaalteekens voorzien. 

_ 

CMX 

HIKAJAT XABI MI RaDJ IX. 

Bat. Gen. 412. 21 X 1" cM., 122 bl. 15 r. gedat. 3 Rabr I. 1_" . 
Xotulen als boven. 

Xcgende exemplaar van het verhaal van Aloehammads hernelreize. Ook 
dit H>. van<rt aan met de verzekering aan c Abbas gegeven dat een ieder die 
dit verhaal leest, aanhoort of opschrijft van het begin tot aan het einde zijne 
zonden zullen vergeven worden, zoodat zij zullen afvallen van zijn lichaan. 
zonder dat e'e'ne overblijft, evenals de bladeren afvallen van de twijgen. 

Het geschrift eindigt, na de vermelding der legende, abrupt met de woorden 



511 

J>} hj> <J^ <^- > ^W*' l — **-}**> ^f" <*-^ (Jj"J, (»KV9 SÏjjli' JjSSWj ^5") JJI CS^, 

*_£JÜU AAs-) ^Jt> yylLj yjy <x_Ü) J^ (J_£,<, *-ll) <JL*. ji.<f ^Ij JUJ <x_Ü) 

^Aaa^J (KjlXrs- yjji J^-s.) C_£-<o ( -^- l J ^aCoJ kCc) 

Op bl. 117 en 118 sfcaut een Arabisch gebed met het Javaansche opschrift 

Jj«j. iUj lU^J* en °P bl. 119 en 120 eeue formule en werkwijze genaamd 

'.. jj') -Lxc.^ ó) .Jol üs^D J^ met verklaring in het Javaansch, en op bl. 

1 2 1 en 1 22 een fragment uver de besnijdenis met interlineaire Javaansche vertaling. 

Eene fcransscriptie (met vele lacunes) is vervat in no. 412 a . 

CMX1. 

IIIKAJAT NABI WAFaT V. 

Bat. Gen. 408. B, bl. 11—32. 16 r. (20 1 /, X 13 cM). 

Notulen als boven. 

Zeer korte redactie van het verhaal over het zalig uiteinde des profeets. 

CMXII. 
111 KA JAT NABI WAFaT VI. 

Bat. Gen. 409 B, bl. 11—34 16 r. 

Notulen als boven. 

Wederom de korte redactie, maar in veel betere spelling en met meer 
regelmaat in den geheelen tekst, welke met alle vokaalteekens voorzien is. 

CMXIII. 

H1KAJAT SAMacöEN III. 

Bat. Gen. 411, 21 X 17 cM., 143 bl. 13 r. (bl. 1—45 zijn gevocaliseerd.) 

Notulen als boven. 

Dit exemplaar mist de laatste bladzijde ; na de laatste woorden xl=- 

^IsvmJ LH^Lc <xli) (J.XJ.AW f- 's LuJ J)l)J XlXaïJ CS»~ (j^ <*il) &&! jlS' ^c^ 

heeft de trausscriptie (HS. 41 l a ) nog zes regels. 

In het begin wordt vermeld dat dit verhaal uit het Arabisch in het 
Maleisch is vertaald. Hierin wijkt het af van v. d. W. 92, doch overigens is 



512 

de tekst zeer verwant aan dien van v. d. W. 92, en niet met C. St. 31, met 

uitzondering van een eenigszins andere woordenkeus. Voor bijzonderheden 
omtrent dit verhaal worde naar de sub no. CCCIX genoemde verhandeling 
verwezen. 

CM XIV. 

HIKAJAT SJAJCIi cABDOELKaDIR DJILaNi VI. 

Bat. Gen. 410, 21 1 /, X 17 cM., 54 bl. 19 r. gedat. 1279, 22 Hapit. 
Notulen als voren. 

Ook van dezen tekst getuigt de schrijver dat hij dien vertaald heeft uit 
het Javaauseh, soepaja manfa c at bagi orang jang tiada mengatahoei akan bë- 

hasa Djawi, en ontleend aan de -i-Ut-fcJ) 'Le'L.s- Het HS. is zeer na verwant 

aan dat van I (DCXC), maar de verhalen zijn hier genummerd (hun aantal is 
25), en de eigennamen zijn hier beter gespeld. Achteraan staat de doe'a van 
den Heilige. 

Eene transscriptie (waarin evenals bij de n os die voorafgingen de 
moeilijke woorden opengelaten zijn) ligc in dit manuscript. 



AFDEELING X. 

LATER AANGETROFFEN HANDSCHRIFTEN. 



De volgende handschriften zijn indertijd ten onrechte als Arabische 
manuscripten beschouwd, en onder de verzameling Arabische HSS. opgenomen. 

CMXV. 
KOER'aNCOMMENTAAR V. 

CCXXXIII, 29V 2 X 20 cM., 290 bl. 38 r. 

Notulen 1899, bl. 69. 

Maleische bewerking van den Tardjoeman al-moestafïd genaamden 
commentaar, welke in het Maleisch is overgezet door Amïnoeddïn c Abdoerraóef 
ibn c Alï al-Djawï al Fansöerï, en waaraan iets is toegevoegd door zijnen 
leerling Aböe Da'óed al- Djawï ibn Isma c ïl ibn Agha c Alï Moestafa ibn Agba 
cAlï ar-Róemï, voornamelijk uit Al-Chazin en uit enkele van des leeraars 
eigene mededeelingen, en dat wel op last van den leeraar. 

Dag en maand en plaats van beëindiging van het HS. zijn genoemd in 
het slot: 
-suiü) C^V J (sic) qjJ) ^.jkj) i (Ksvsvi} ^J jQ& J (J^r* r****^' Ci^.<AJ 

Het Arabisch is in het rood, en de koer'anplaatsen zijn veelal van 
vocaalteekens voorzien. 

Dit fragment vangt aan met djoez' 12 (Söerah XVIII: 74) en eindigt 
bij het slot (Söèrah CXIV: 4) de laatste comaaentatie is: 

i'l^sO Ss.ó Oj) Ll_f ?^j] v£JU> tJSLu ^$>y' <c^ C^^ójo ^ CS-^-^o £> 

-^oLc ,j)j .=»- <\j.J ^ioU LU_>lk (JnLoj l>.J ^m)j«j^ t _sv^o ^5") o 
Verhandelingen. 33 



514 

Dit HS. is afkomstig uit Segli; zie de aangehaalde plaats der Notulen. 

CMXVI. 

MIR'AT AT-TOELLaB Fï TASHïL MA^RIFAT AHKaM 
ASJ-SJAR C IJJAH LI'L-MaLIK AL-WAHHaB III. 

CCXXXIV. 29 X 20V S eM., 696 bl. 27 r. 

Notulen als bij het vorige HS. 
Compleet exemplaar. 

Over het werk zelf en zijnen auteur zie men de opgaven sub n" s 
DLXI en DLXII. 

Achteraan zijn de namen van den eigenaar en den copiist genoemd. 

CMXVIT. 

BIDaJAT AL-MOEBTADï BI FADL ALLaH AL-MOEHDi XVI. 

CCLL 31 X lS^a cM., 122 bl. 17 r. 

Notulen als bij het vorige HS. 

Zie over dit werk de n°s DC— DCXIV. 

Op bl. 120 begint de derde bab over de Vasten, waarvan slechts drie 
bladzijden aanwezig zijn. 

Vooraf gaan enkele gescheurde paginas van het begin van een ander 
exemplaar van dit werk. 

CMxyiii. 

DJAWaHIR AL-^OELOÊM Fï KASJF AL-MAcLOÊM III. 

CCCLVIII A. bl. 1—270 bl. 19 r. (21 X 157 2 eM.) 

Notulen als bij het vorige HS. 

Zie over dit werk de n<> s DCXXXVII en DCXXXVIII. 

Dit gedeelte is gedateerd: 11 Rabï c II, 1076. 

Na deze vermelding wordt in het Arabisch medegedeeld dat na de be- 
eindiging van dit werk de auteur naar Ranïr terugkeerde in 1054 en een zijner 
leerlingen gelastte het voort te zetten, en dat het Besluit uit het Perzisch in 
het Maleisch is vertaald. 

Vooraan zijn eenige bladzijden met Arabisch (o. a. het begin van as- 
Soejoêtï's commentaar op de Alfijjah: Lit]?] ^ Jl j 2>^è^ <te>*ól)) 

bijgebonden. 



515 
OMXIX. 
HTLL AZ-Z1LL III. 
CCLV1II Iï, bl. 271—284, 19—21 r. (21 X 15 V a eM.) 

Zie over dit werkje de n°« DCCXXX en DCCXXXL 

Achteraan is (ondersteboven) een fragment van een werk over de ge- 



loofsleer ingenaaid. 









ALPHABETISCH REGISTER. 

I. MALEISCH. 



A. 

Aanteekeningen. Bat. Gen. 297, bl. 389 

Ach bar al-achirah fï aliwal al- Coll. v. d. W. 48, Coll. Br. 275, | 

kijamab. 
c Adat Palernbang. 
c Adat radja radja Malajoe. 
c Aka'id al-ïman. 
c Aka'id en salat. 
c Akïdah bimiftah al- c aka'id. 
Allahoe Akbaroe. 
Anbija (Kitab al- en Kisas al-). 



Arkan al-islam. 

Asal Djagat Pasoemab. 

Asal Oesoel Bangkahoeloe. 

„ ,, ToeanGadangBatipoe. 

,, radja radja Palernbang. 

,, ,, „ Sambas. 

,, toeroenan radja Baros. 
Asrar al-insan f i ma c rifah ar-röeb 

wa'r-rahman. 
Autobiografie. 



Bab an-nikab. 

,, radja radja. 

,, sjart al-badan. 
Bachtijar-en andere verbalen. 
Babr al- c adjaib. 



91 

?1 51 H >ï ui -' 




f 


413- 


-414 


Bat. Gen. 265, 270 




» 


309- 


-310 


Coll. v. d. W. 64 




» 


309 




Bat. Gen. 230 




» 


407 




Coll. Br. 194 




» 


415 




Bat. Gen. 102 D en 340 


B. 


» 


407- 


-408 


,, ,, 73 




» 


439 




„ „ 203 A, Coll. v. 


d. 


1 






W. 66, 67, 68, Coll. C. 


St. 


;» 


212- 


-216 


122, Coll. Br. 421 H. 




j 






Bat. Gen. 309 




» 


381 




Coll. Br. 157, VIII 




» 


283 




Bat. Gen. 143, 148 




» 


280 




„ „ 160 




» 


281 




Coll. Br. 157, III 




» 


281- 


-282 


„ v. d. W. 198 A en 


B 


» 


279 




Bat. Gen. 162 




» 


281 




„ „ 336 D. Coll. v. 
W. 40. 


d. 


!• 


427- 


-428 


Bat. Gen. 266 




» 


468 




B. 










Bat. Gen. 308 




» 


379 




,, ,, 332 




» 


463 




„ „ 286 E 




» 


463 




„ „ 197 




» 


91- 


-92 


„ „ 121 




» 


447 





.18 



Baj an asj -Sj ahadah . 

., at-Tadjalli. 
Bapa Bilalang dan Lëbe Mftlang. 
Bidajat al-hidajah. 



Bidajat al-rnoebtadi bi fadl Al- 
lah al-moebdï. 



Bat. Gen. 171 



Bidajat al-moebtadï wa c oemdah 

al-auladi. 
Bidajat al-moebtadin, zie bij 

Kitab (al-) al-Madjmóe c '. 
Bismillahi'rrahmani'rrahïm. 
Bismillahi'rrahmani'rrabïm e. a. 
Boenga Rampaj. 
Boestan al-Katibïu. 

„ as-Salatïa. 
Brieven. 



Chassij jat al-Koer'au . 



Chronologie. 



Dalil dan hadith kaloear davipada 

Bidajat al-hidajah. 
Dari hal Kradënan. 

,, ,, Oedara. 

,, ,, Tanaman bamboe. 
Didactisch gedicht. 
Djawahir al- c oelóem fï kasjf al- 

ma c löem. 
Djihad e. a. 
Djimat's. 



„ „ H5 A 

Coll. v. d. W. 212 

Bat. Gen. 107 A, 295, 299 ] 
A (B en C) 328- A, 341 B, } 
376 C, Coll. v. d. W. 45. J 

Bat. Gen. 102 A (en B) 105, 
108, 282, 298, 300, 318, 
324, 325, 345, 376 B, 381 
A ; Coll. Br. 409, Coll. v. d. 
W. 17, en CCLI. 

Coll. v. d. W. 47 



Bat. Gen. 72. 
Bat. Gen. 86 

„ „ 24 
Coll. v. d. W. 218, 219 
Bat. Gen. 286 B, C, D, 310 
Bat. Gen. 1 B, 1 D, 174, 175 [ 
396 B, f 

C. 

Bat. Gen. 75, Coll. v. d. W. 24 
Coll. C, St. 46 

D. 

Coll. v. d. W. 44 
Bat. Gen. 212 

» ., 167 

„ „ 269 

,, ,, 388 B, 
Coll. v. d. W. 10, Bat. Gen. 119 [ 

(en CCLVIIl A) f 

Bat. Gen. 294 
Bat. Gen. 62, 63, Q6, 67, 86 B, [ 

164, 219, 395, 403, 404. f 



bl. 409 

» 408 

» 185 



404—406 



394—397 
en 514 



417 



» 438 

» 439 

» 88—91 

» 460—461 

» 76—77 

» 467—468 



» 369—370 
» 458 



» 430 

» 466 

» 459 

» 465 

» 361 

» 403en514 

» 386—387 

» 444—445 






bl. 


433 


» 


403 


» 


370 


» 


401 


» 


408 


» 


401 


» 


415 


» 


415 



519 

Djoemlat al-ma c rifah at-tarikij- 

jah. Bafc. Gen. 378 B, 

Doerr (ad-) an-nafïs. Coll. v. d. W. 32 
Doerr (ad-) an-nazim. ,, ,, ,, „ 35 

,, ,, ath-tbamïn fï bajan 

caka'id al-moe'minïn. Bat. Gen. 224, Coll. v.d. W. 27 
Doerrah (ad-) an-nazïrah. ,, ,, 340 A 

Doeraat al-faraid bis jarhal- c aka'id. Coll. v. d. W. 26 

Dzikr. Bat. Gen. 330 A 

,, en doe c a ,, „ 86 A 

D. 
Dija '1-warfi ila soeloek tarïkat 

» 433 

» 282 

» 408 
» 381 
» 382 

» 432 

» 385—386 
» 389 

G. 

Gebeden, lapal's en formulieren. ,, ,, 334, 335 A, 355, 369, 

371,372, 375 C, Coll. Br. 197 f" 

Geloofsleer. Coll. Br. 200 A, 200 C, 260, ï ... , 1A 

» 409 — 410 

262, 412, Bat. Gen. 387, > , 10 , 10 

en 412 — 413 

Coll. v. d. W. 53 J 

van Al-Koesjasji. Bat. Gen. 109 A (en B) » 409 

Geloofsleer en aanverwante zaken. Bat. Gen. 370 » 411 

„ mystiek. Coll. v. d. W. 49 » 417—418 

,. plichtenleer. Bat. Gen. 381 C » 412 

„ wet. „ „ 316 » 411 

in vermaningen. ,, ,, 374 » 411 — 112 

van Al-Boecbari. „ „ 68 » 408 



al-ma c böed al- c oela. 






„ „ 328 B, 341 C 
E. 


Eerste Atjeh-expeditie. 






„ „ 98 


Eigenschappen van Allah 


en 


de 




Geloofsbelijdenis. 






„ „ Hl 


Erf- en huwelijksrecht. 






„ 56 


Erfrecht. 






„ „ 348 
F. 


Fath ar-Rahman. 






Coll. v. d. W. 9 


Foeröe c ' al-masa.il wa oesoel 


al- 




masail. 






QO 

i? 11 H 11 °° 


Fragmenten. 






Bat. Gen. 305 



1f 



520 



Geschiedenis der Preanger. 


Bat. 


Gen. 165 


bl. 


285- 


-286 


Geschiedenis van Blëdoeg, Ngem- 












bak en van Djono 


11 


„ 211 


» 


286 




Geschiedenis van Java. 


11 


80 


» 


286 




,, ,, Pasëmah. 


ii 


„ 234 


» 


283 




„ ,, Tamboesi. 


ii 


„ 100a, 1006. 


» 


283- 


-285 


Geslachtslrjst. 


n 


„ 235 


» 


464 




Ghajat at-toellab. 


Coll. 


v. d. W. 1 


» 


374- 


-357 


Goerindarn doea belas. 


Coll. 


v. d. W. 233 


» 


359 




Grafische voorstelling van mys- 












tieke zaken. 


Bat. 


Gen. 85 
H. 


» 


439 





Hidajat as-salikin fï soelöek 

maslak al-moettakkïn. „ „ 292, Coll. v. d. W. 43 » 429—430 

Hikaiat l ) Aboe Noewas. Coll. C. St. 132 A, Coll. Br. I 

209, Coll. v. d. W. 124 A. f 
„ Samah. Bat. Gen. 146, 198 C, 203 B, I 

1 \ 9 \n 9J.Q 

388 A, Coll. v. d.W. 76B,97. f " 

„ Agoeng Sakti. Bat, Gen. 260 » 32— 33 

„ Ahmad Moehammad. „ „ 127, 185, Coll. C. ] 

St. 107, 120, Coll. Br. 435, J» 112—119 

Coll. v. d. W. 131. J 

,, Ahmad Sjah, zie Hikajat 

Indra Dewa. 
„ c Ali Kawin. Bat. Gen. 42 F, 58 

„ Amir Hamzah. „ „ 23 A, Coll. C, St. [ 

138, Coll. Br. 145 f 

,, Angkawidjaja. Bat. Gen. 180 

„ Anom Mataram. Coll. v. d. W. 135 

„ Ardjoena Mangoendjaja. Bat. Gen. 191 
,, Asal bangsa djinn dan 

dewa dewa. Coll. v. d. W. 187 

„ Atjèh. „ v. d. W. 196 

„ Bachtijar. Coll. Br. 121, 503, Coll, v. d. [ 

W. 179 f* 



» 254 




» 248- 


-250 


» 20 




» 51- 


- 61 


» 27 




» 294- 


-295 


» 279- 


-280 



84— 86 



1) Dit woord is, daar het in het Maleisch burgerrecht gekregen heeft, niet op zijn Arabisch 
met een h gespeld; ook in den Catalogus niet. 



» 231—232 



521 

HikajatBajan Boediman. Coll. Br. 357, 102, 115, 545, I 

Ooll. v. d. W. 173, 174 f bL 81 ~ 84 
„ Bërma Sjahdan. Bat. Gen. 216, Coll. C. St. 118 » 106—109 

,, Bigrama Ia dra zie Hika- 
jat Maharadja Bikrama 
Sakti I. 
„ Bikrama Tjindra. Bat. Gen. 239 » 150—151 

,, Boedjaugga Maharadja 

Indra Maharoepa. Coll. v. d. W. 156 » 203—205 

„ Bajan Boedimau. Coll. Br. 357, 102, 115. 545, [ 

Coll. v. d. W. 173, 174 f" 81 ~ 84 

„ Boelan bërbëlah. Bat. Gen. 365 B, Coll. v.d.W. 

95 en 96 (ook in v.d.W. 102 
bl. 200—214) 

,, Boeroengsibëharoebëharoe. Bat. Gen. 151. C » 124 

„ Darma Tasijjah. „ „ 42 B, 198 B, Coll. [ 

Br. 421 E, Coll. v.d.W. 124 B f* 18(3 ~ 187 
,, Darmawangsa. Coll. v. d. W. 143 » 16 — 17 

„ Dewa Mandoe. Bat. Gen. 16, 202, Coll. v.d.W. [ 

157, 158, Coll. C. St. 136, 137 | 
„ Mëagindra. Bat. Gen. 126, Coll. v.d.W. 159 » 176—177 

,, ,, ,, Laksana. ,, ,, 128 » 151 — 153 

,, Djajalangkara. ,, ,, 53 » 162 

Djaran Kinanti Asmarandana. ,, ,, 181, Coll. Br. 158 » 42 — 47 
,, Djaran Sari dan Djaran 

Poernama. „ „ 179 » 72— 74 

„ Djauhar Manikam. Coll. v. d. W. 121, 122, 123. » 127—129 

„ Djoeragan Djaja Indra. „ C, St. 134 » 159—160 

„ Fartana Islam. Bat. Gen. 42 D. 388 D, Coll. I 

B, 42, D. h 23? 

,, Fatimah bërkata-kata dë- 

ngan pëdang e Ali. Bat. Gen. 378 G » 254—255 

,, Gëlaran Pandoe toeroenan 

Pandawa. „ „ 253 » 25— 27 

„ Ghoelam. Coll. v. d. W. 132, 133, 134 » 86-- 88 

„ Hang Toeah. Bat. Gen. 207, Coll. v.d.W. 186 » 119—120 

,, Hasan Damsjïk. ,, ,, 192. » 124 — 125 

„ lblis dan Nabi. Coll. v.d.W. 93, Coll. Br. 421 B » 232 





522 








b Indra Bangsawan. 


OoU. C. St 127, Coll. v.d.W. 










160, 161 A, 162, Coll. Br. 430, 


bl. 


191- 


-194 




Bat. Gen. 245. 








„ Dewa. 


Coll y.d.W. 129, 13<) 


» 


165- 


-167 


.. Djaja Pahlawan. 


,. 152 


» 


205- 


-209 


„ Laksana. 


„ C. St. 139 


» 


190- 


-191 


.. Maulana. 


Bat. Gen. 393. 


» 


147- 


-148 


Indranata. 


„ „ 3. Coll. v.d.W. 163, 
Coll. C. St. 74. 131 A, 135 


i 
1* 


95- 


- 97 


Indrapoetra. 


Bat. Gen. 125, Coll. v.d.W. 168 


» 


97- 


- 99 


Indra Walsoeki. 


Coll. C. St. 141 


» 


L46- 


-147 


Iskandar Dzóe'l-Karnajn. 


„ v. d. W. 112, 113. Bat. 










Gen. 1. C 


» 


255- 


-260 


Isma Jatim. 


Coll. v.d.W. 170, 171.172, Bat. 










Gen. 137. 


» 


178- 


-179 


lstamboel. 


Coll. Br. 319 


» 


288- 


-289 


Joesoef. 


Coll. v. d. W. llo 


» 


216 




Kaliiah dan Daininah. 


Bat. Gen. 29, 135. 229, Coll. 


| 








Br. 146, 321, 510, Coll. 




77- 


- 81 




v. d. W. 184, 185. 


1 







Këroemoeng, zie Hikajat 
Na ja Koesoema, III, IV. 
Koemala Bahrajn. 
Koerajsj. 

Langlang Boeaua. 
Maharadja e Ali. 

,, Bikrama Sakti. 

Boma. 



•' 


,, 


Djaja Asmara. 


•• 


. * 


Garëbak Djagat. 


11 


, , 


Indra Kila zie Hi- 
kaj at Indra Bang- 
sawan VI. 


11 


.. 


Moending Giri dan 




Panggoeng 'Këraton. 



Bat. Gen. 129, Coll. v.d.W. 182. » 104- 
Coll. v. d. W. 146, 147. » 139- 

Bat. Gen. 20. » 75- 

Coll. v. d. W. 106 A. 107. [ 

108, Bat. Gen. 198 A. [ 

Coll. 0. St. 121, 128. Coll. v. [ 

d. W. 165. 166, 167. f 

Bat. Gen. 215, 360, Coll. v. d. ( 

W. 142, Coll. Br. 1. 154. ( 
Coll. v. d. W. 148. 187- 

Bat. Gen. 251. » 20- 



-106 
■143 

- 76 

22' »— 222 
135—138 

92— 95 

-190 

- 22 



Coll. v. d. W. 14: 



» 209—211 



523 



Hikajat Mali moed. 

,, Marakarma zie Hikajat Si 

Miskin II. 
„ Marapati Emas dan Mara- 

pati Peral<. 
,, Martalaja. 
,. Masjhöed llakk. 
,, Mesa Gimang. 
„ Mesa Oevip Pandji Djaja 

Lëlana. 
,, Moehammad Hanafijjah. 



Moeham mad Moekabil. 



Bat. Gen. 42 K, (ook 24, lo verh.) bl. 139 



Bat. Gen. 249. 

n n 5. 

Coll. v. d. W. 180, 181. 
138. 



1! 11 11 



Nabi. 



11 11 



11 11 



bërtjoekoer. 



dan orang miskin. 
mëngadjar c Ali. 
mëngadjar anaknja 
Fatimah. 
Mi c radj. 



Wafat. 



.. Nachoda c Asjik 
,, ,, Moeda 

„ Naja Koesoema 

,, Nëgëri Djohor 

,, Nöer Moehammad 



„ Pandawa 



Bat. Gen. 187. 
„ „ 184, 359, Coll. v. d. 

W. 69, 70, 71, 72, Coll. C. 

St. 157, Coll. Br. 211. 
Bat. Gen. 151 B. 
„ „ 205, Coll. v.d.W. 102. 
„ 60, 256 B, 365 C, 

388 E, 405, 406 A, Coll. Br. 

192. Bat. Gen. 408 A, 409 A. 
Bat. Gen. 42 H. 
Coll. Br. 421 C. Bat. Gen. 4 2 C. 
Bat. Gen. 52 B, 388 C. Coll. 

v. d. W. 94. 
Bat. Gen. 123, 186, 199, 358, 

364, 389 A, Coll. v.d.W. 78. 

Coll. Br. 207, Bat. Gen. 412. 
Bat. Gen. 42 G, 365 D, 389 

B, Coll. Br. 421 A, Bat. Gen. 

408 B, 409 B. 

Bat. Gen. 261. 

77 
ii ii ' • • 

„ „ 131, Coll. v.d.W. 139. 

,, ,, 130 „ „ 140 
Coll. v. d. W. 192 en 193. 
Bat. Gen. 96, 378 C, 388 F, 

406 B, Coll. v.d.W. 75, 76 

A, Coll. C, St. 119. 
Bat. Gen. 15. 
Coll. Br. 177. 



» 174—175 

» 74— 75 

» 177 

» 61— QÖ 

» 6Q 

1 

J>» 250—254 

J 

» 123—124 

» 225—226 

}» 226—228 
en 510 

» 232—233 

» 228 

» 228—229 



I 



eii510— 511 



l 
( 

j» 220—231 

|» 233—234 

[ en 511 

» 173—174 

» 134—135 

i» Q9^- 72 

» 275—276 

» 222—224 

» 12 

» 15— 16 



524 



Hikajat Panclawa Djaja 




Coll. Br. 2 


11 11 


Lëboer 




Coll. v.d.W. 144 


11 ii 


Lima 




„ Br. 3. 


ii ii 


Pan tja 


Kaliraa 


„ C. St. 111. 


,, Pandita 


Raghib 




Bat. Gen. 3G3. 


„ Pandji 


Hoeda Soemirang 


„ „ 177, ( 



bl. 


13— 


14 


» 


17— 


20 


» 


14— 


15 


» 


12— 


13 


» 


239 





177, Coll. Br. 126, [ 



,, „ SoesoepanMesaKëla- 
na, zie HikajatPraboe Anom. 
,, Pantjalogam 

,, Pëlandoek Djinaka 

,, Poerasara 

,, Praboe Anom 

,, Rabi c ah 

,, Raden Alit 

,, Radja Adjnawi zie Hikajat 

Nachoda Moeda. 
,, Radja Bërekoer 
,, ,, PandjardanKo- 

taringin. 

,, Radja Boedak 



11 


11 


Chajbar 


11 


11 


Damsjik 


11 


11 


Dëntadjaja dari në 
gëri Sëntapoeri. 


11 


11 


Djoemdjoemah. 



Handak. 



Coll. St. 125. 



Bat. Gen. 17, Coll. Br. 428, 

Bat. Gen. 385. 

„ „ 156. 

„ „ 178. 
Coll. C. St. 129. 
Bat. Gen. 42, E. 
Coll. v. d. W. 194. 



47— 51 



» 
» 


182- 
120 


-184 


» 


29— 


31 


» 


67— 


69 


» 


187 




» 


276 





Bat. Gen. 84. » 162- 

Bat. Gen. 2, 43, 48, 124 157, 

218, Coll. v.d.W. 200 Bat. < » 270- 

Gen. 44. 
Bat. Gen. 6, Coll. v.d.W. 153, | 

154. j 

Bat. Gen. 365 A, Coll. v.d.W. I 

> SS 9 

79, 80, 81. ( 

Coll. v.d.W. 164. » 122 



-163 

-274 



130—132 

^37—239 
-123 



}» 218—219 



Coll. v. d. W. 155 » 185 

Bat. Gen. 228, 388 G, Coll. 
v.d.W. 106 B, 109, 161. B. 
Coll. C. St. 131 B. 
C. St. 131 B. 

Bat. Gen. 188, 362, 380, Coll. 
v.d.W. 87, 88, 90, 91, Coll. 
C. St. 106, Coll. Br. 276 
Bat. Gen. 42, L. 



-186 



234—236 



525 



Hikajat Radja Këraog (Indra 
Laksana) 
Pëkar Mëdi. 
,, ,, Ta c bir 

,, Sjaf Dzöe'l-Jazan. 

,, Sama c óen. 

,, Samsoe Bahroen. 

,, Sang Samba, zie Hikajat 

Maharadja Boma III. 
„ Sariboe Masail. 



,, Sëreugga Bajoe zie Hi- 
kajat Ahmad Moeham- 
mad VI. 

„ Seri Rama. 



,, Si Boeroeng Pingaj. 
„ Si Miskin. 

., Sitti Sara zie Hikajat Na- 

choda Moeda. 
,, Sjah Mandewa. 
„ Sjahi Mar dan. 



,, Sjahr al-Katnar. 
„ Sjah roei Indra. 



,, Sjajch c Abdoelkadir Djï- 
lanï. 



Bat. Gen. 18, Coll. 0. St. 

117. bl. 179 

Coll. v. d. W. 169 » 167 

„ C. St. 142. » 161 

Coll. v. d. W. 114, 115, 116, ( 

117 f 

Bat. Gen. 31, Coll. v.d.W. 92 I» 243- 

en Bat. Gen. 411 { en 511- 



Coll. C, St. 132, B 



-182 
-171 
-162 

260-267 

-244 
-512 
-146 



145- 



Bat. Gen. 19, 59, 200, Coll. ] 
v.d.W. 82, 83, 84, 85, 86 [ 
(ook in v. d. W. 102, bl. [ 24 °" 
253—296). J 



-243 



Bat. Gen. 78, 136, 204, 252, ] 

Coll. v.d.W. 141, Coll. C. I 

St. 143, Coll. Br. 14 (zie ook ( " 

Bat. Gen. 209 deel 1 en II). J 

Bat. Gen. 42 A. 

„ „ 384, Coll. v.d.W. 175, [ 

176, 177, 178. ( >: 



Bat. Gen. 243. 
„ „ 51, 147, Coll. v.d.W. ) 
149, 150, 151, Coll. C. St. ) 
140, Coll. Br. 536. J 

Bat. Gen. 213. 
„ „ 14, 4, 242, 366, 390, 
391, Coll. C. St. 145, 146, 
Coll. Br. 436. 

Bat. Gen. 206, 256 A, 392, 
Coll. Br. 285, Coll. v.d.W. 
128 en Bat. Gen. 410. 



133—134 



143- 


-144 


109- 


-112 


118- 


-150 


153- 


-159 



418—421 



en 5 1 2 



526 



Hikajat Sjajch Moeham niad Sant- 
in an. 

,, Soeltan Ibrahim. 



,, Soeltau Taböerat. 
,, Taniim ad-Darï. 



,, Tawaddoed. 

,, Tjauclra Hasan. 

., TjarangMesaGambira zie 

Hikajat Xaja Koesoema 

I en IL 
,, ïjekel AA'aneng Pati. 



., Tjindabaja. 

,, Wasijjat Loekinan al- 

Hakïm. 
,, ,, Nabi Moeham niad. 
„ Zakarijja. 

zonder naam. 



bl. 421-^-424 



» 120—122 



Bat. Gen. 250. 386, 394, Coll. 

C. St 124, Coll, Br. 298. 

Coll. v. d. W. 126, 127. 
Bat. Gen. 155, Coll. v. d. W. 

118. 119. 120. Coll. C, St. 

130 A. Coll. Br. 421 G. 
Bat. Gen. 183, 257, 258, 259 » 194—203 

.. „ 151 A, Coll. v. d. AT 

101, Coll. C.St. 130 B. Coll. 

Br. 421 F. 
Bat, Gen. 42 J. 
Coll. v. d. AY. 183. 



» 244—247 



» 138 
» 177 



Bat. Gen. 132, 139, 142, Coll. 
v. d. W. 136, 137. Coll. C.St. 
113, 1136, Coll. Br. 168, 175, 

175./. Coll. Br. 281, 303, 
Coll. Br. 206. 

.. v. d. W. 125. 



)>» 33— 42 



» 163—164 



» 216—217 



„ C. St. 123, Coll. Br. 266. » 424 
Bat. Gen. 201, Coll. v. d. AA T . [ 



104, 105. 
Coll. C. St. 126. 



I 



» 217—218 



» 144—145 



H. 



Hadith Arba'ïn. 
Hajat al-koelóeb. 
Hakikab Kóeli. 
Hikmat Hikmat c ilmoe. 
Hill az-zill 

Hoedjdjab baligbab cala djama- 

c at al-moecbasamab. 
Hoekoem Kanoen. 



Coll. Br. 226 D. » 424—425 

„ v. d. W. 23. » 413 

Bat. Gen. 336 F. » 436 

Coll. v. d. AT 216. » 460 

Bat. Gen. 109 D, 339 A, en [» 433-434 

CCLTHL B. f en 515 



Bat. Gen. 328 F. 
Coll. v. d. W. 13. 



» 391 
» 398 



527 



Idah al-albab limoerïd an-nikah 



bi's-sawab. 


Coll. v. d. W. 


14. 


bl. 


378- 


-379 


c Imoe oemi. 


Bat. Gen. 262. 




» 


460 




„ Hisab. 


Coll. v. d. W. 


226. 


» 


460 




Instructie-Loear Batansr. 


Bat. Gen. 267. 




» 


465 




Islah al-hal bitalb al-halal. 


?? m 225. 




» 


391 




Islam en ïman. 


Coll. Br. 193. 




» 


416 




„ ,, ., en mystiek. 


„ ,, 220. 




» 


416 





457_458 



K. 
Kasjf al-kiran fi bajan an-nijjah 

cinda takbirat al-ihram. Coll. Br. 200 E en Coll. v.d.W. 36 » 384 

Kifajat al c ibadah. Bat. Gen. 314 » 416 

„ „ moebadi c ala c akidat 
al-moebtadi. „ „ 3tfl » 416—417 

Kitab al-djinajat. Coll. v. d. W. 12 » 377—378 

„ al-faraid. Bat. Gen. 375 D » 382 

„ al-hikam. Coll. v. d. W. 28, 30, 29, 31 » 430—431 

„ (al-) al-madjmöe^. Bat. Gen. 223. » 434—435 

alif alifan. Coll. v. d. W. 223 » 462 

bil itang. Bat. Gen. 101 , 208, Coll. v.d.W. [ 

225, Coll. Br. 289 f 

fawaid. Bat. Gen. 117, Coll. v.d.W. 52 389—390 

fikh- Coll. Br. 395. » 384 

moechtasar. Bat. Gen. 120, Coll. v.d.W. 7, 8 » 431—432 

„ oesoel ad-diu. Coll. v. d. W. 46 » 407 

m tacbi r . ?i ?j ^ 217, Bat. Gen. [ 

376 A, 317 A, Coll. Br. 208 f 
„ tarasoel. Bat. Gen. 52 A, 81, 272, Coll. | 

v. d. W. 220, 221, f 

„ tëka tëki tërbang. Coll. v. d. W. 224 » 460 

„ tibb. „ v.d.W. 227. C. St. 94. » 445—447 

Kleine verhalen. Bat. Gen. 263 » 173 

Koetika's en fal's „ „ 64, 65, 170, 223, 

306, 811, 312, 337, 338, 
342, 351. 352, 353, 367, 
378 A, 382, 383 
Kroniek der Molukken Bat. Gen. 173. » 288 



1! 
»5 



» 456 — 457 
» 458—459 



>» 447—450 



•-- 



Kanoen Macau 




IL y. <L W. 




bL 




Kawaid al-islam 




B^ . E 




> 


412 


Koer'an 




41. 116 




> 


367 


- 




.. .. _ _ 1 


.. _ 


> 


en 






en B XXXLU. 

T 




513— 51 4 


Lakon Djaka Soekara. 








> 


31—32 


-i::_^:^.. 




.. .. _"- 




> 


310 


I-r ü - 




ColL v. d. W. 232 




> 


' 


Ltt-": :-£--- . 




Bat. On. 1 A 




> 


466 


Legende Tan een kanon op 


Boano 


.... 1 E 




» 


1 


_ fl-r IrTrl. 




~ 




> 


361 



Madjmoë c al-masaiL 

Manakib Samman zie Hitajar 

Sjajeh Moehammad Samman 

TI. 

Ma c rifat al-islam wa'1-ïman. 
Masail al-moebtadi li iehwan al- 



M. 

Bat. Gen. 336 G. 343 



- 



- - 



> 391—392 

: _ 



.. .. " _ i .. : r | 
B. _ " ■ a . .;. 



t. d. W. lö. 49 E ColL Br. 
.. A len B) 



\ > " — 



Mawa' :: - 


B lLT.d.W._. 


> 


.— ;:-c 


.. bad i -ah. 


.. ;.: 341 a 


> 


436—. " 


Minhadj al-*-abïdïn ila djannah 








rabb al- c alamïn 


IL v. <L W. 


> 


182 


Mir'at al-koer'an fi tashil ma- 








-riiat (ahkam) at-tadjwïd. 


Bat. Gen. 113 E _ 


> 


71 


Mir'at at-toellab fi tashil ma- 








•-rifat al-ahkam asj-sjar^ijjah 








li Malik al-Wahbab. 


_. 399 en CV XXXIV 




en514 


rCamalat. 


ColL Br. 157. IV. *. 




. 


-chtasar. 


IL v. d. W. 


> 


- 


Moenjat al-moesallL 


Bat. • 


> 


- " 


Ifohanunedaanseh Recht. 


38 




- 



529 

Mystiek. Bat. Gen. 57, 114, 163, 166, I 

>bl 440—441 
176, 315, 345 j>di.44U 

„ des huwelijks. Bat. Gen. 110 » 439 
Mystiek in gelijkenissen. „ „ 57, 378 D » 442 
Mystieke begrippen. „ „ 328, C » 441 — 442 
fragmenten. „ „ 329, 330, 331 » 443—444 
,, termen. „ „ 317, B » 442 
,, verklaring der geloofsbelij- 
denis. „ „ 341 D » 442 
Nafahat ar-rahman fï manakib 
as-Samman, zie Hikajat Sjajch 
Moehammad Samman VI. 
Nasïhah (an-) al-anïkah li'l-moe- 

talabbisin bitarïkah. Bat. Gen. 275 » 437 
Nazm djauhar al- c azïz fï c akd 

ankihah al-wara al-wadjiz. „ „ 307 » 379 

Nikah. „ „ 347 » 379 
Nóer(an-) al-hadï ila tarïk ar- 

rasjfidi. Bat. Gen. 69. » 438 

Nöer(an-) al-moebïn fï i c tikad „ „ 189, Coll. v.d.W. 39 

kalimat asj-sjahadatajn. Coll. Br. 200 B, 226 C. 

O. 

Obscoena Malaica. Bat. Gen. 231. » 465 
c Oeddat al-hisn al-hasïn min ka- 



» 402—403 



lam 


sajjid al-moersalïn. 


Coll. Br. 623. 






» 


393—394 


c Oemdat al-moehtadjïn ila soe- 
löek maslak al-moefradïn. 


Bat. Gen. 103, 107 B 
375 B, Coll. v. < 


,301, 
1. W. 


202, 
41. 


}■ 


425—427 


Oemm 


al-barahin. 


Bat. Gen. 102, 113 


G, 375 A. 


» 


406—407 


Oendar 


ig oendang c adat. 


Coll, v. d. W. 60. 






» 


308 


M 


i, Djambi, 


„ Br. 157, IL 






» 


303 


»l 


,, Djohor. 


„ v, d. W. 50, 






» 


306—307 


H 


„ Këdah. 


Bat, Gen, 25, 






» 


299—300 


M 


H Koetaringin, 


1) H 46, 






» 


300—301 


H 


,, Korintji, 


h h 134. 






*» 


300 


»i 


„ Lohok Tiga Laras. 


„ „ 396 A, 






» 


303 


»» 


,, Malajoe. 


Coll. v. d. W. 59. 






3» 


307—308 


»1 


„ Malaka. 


Bat. Gen. 152. 






» 


297—298 


Verhandelingen. 










34 



M 



11 
V 



530 

Oendang oendang Moko Moko. Coll. v. d. W. 61. bl. 308 

„ „ Paleinbang. Bat. Gen. 150, 140, Coll. v. I 

d. W. 58. [ ' 301 - 302 

„ Bolang 

Teügab. Bat. Gen. 1 F. » 302 

Pasoemah. Coll. Br. 157. X. » 304 
përboeatan da- 
toek bësar dë- 

hoeloe. Coll. v. d. W. 57. 
,, ,, Simboer Tja- 

baja. Bat. Gen. 141. 

„ ,, Tanab Datar. „ „ 35, 36. 
„ „ dan atoeran 

Palembang. Coll. Br. 157. IV, b. 

Orthodoxe mystiek. Bat. Gen. 281. 



Palembangscbe gedichten. Coll. Br. 157. IX. 

,, verhalen. „ ., „ V. 

Pantoen Soeltan Badroeddïu. Bat. Gen. 22. 

Pëlajaran ^Abdoellah. Coll. v. d. W. 214. 

„ ., ka Mëkkah. .. v. d. W. 215. 

Pëngadjaran adab. Bat. Gen. 274. 
Përatoeran bambang dalam në- 

gëri Bangkahoeloe. ,. „ 144. 

,, dan asal kadjadian. „ „ 336 E. 
Përhimpoenan pantoen pantoen 

Malajoe. Coll. v. d. W. 276. 

„ përkata'an Malajoe. ,, v. d. W. 222. 

Piagëm Djanibi. Bat. Gen. 396, C. en D. 

„ lndrapoera. „ ,, 396 E. 

,, orang Pasoemah Lebar. Coll. Br. 157, VII 

Pintoe gërëbang pëugatahoean. Bat. Gen. 193 

Pralambang. Coll. Br. 34 

Primbon. Bat. Gen. 99, 232 

R. 

Raadgevingen omtrent k.oer'an- 

reciei M M 381, B » 372 



» 


305- 


-306 


» 


303 




» 


298- 


-299 


» 


302- 


-303 


» 


439- 


-440 


» 


358 




» 


171- 


-172 


» 


356 




» 


463 




» 


463 




» 


464 




» 


310 




» 


435 




» 


359- 


-360 


» 


462 




» 


310 




» 


310- 


-311 


> 


304 




» 


464 




» 


468 




» 


442- 


-443 



531 

Register tjafcjah djiwa district 

Ampënan 1905. Bat. Gen. 400 bl. 465 

Reis naar Mekka. ,, ,, 158 » 462 

Reisverhaal. ,, ,, 46 » 462 

Riouwsche contracten. Coll. v. d. W. 62 II, III, IV » 278—279 

Risalah Hoekoêm Kanoën. Bat. Gen. 154, Coll. v. d. W. 55 » 296—297 

Risalat. Coll Br. 410 » 386 

S. 

Sabil ai-hidïtjah wa'r-risjad fi 
dzikr nioebdzah min fadail al- 

koetoeb al-haddad. Coll. v. d. W. 42 » 428 

Sabü al-raoelitadïn li't-tafakkoeh 

fi amr addin. „ „ „ „ 2, Coll. Br. 627 » 373—374 

Sadjarah Wangsagoprana sagara^ 

herang. Bat. Gen. 268 » 286—287 

Sakarat al-maut. „ „ 133, 336 C, 82 » 414—415 

Sakarat e. a. „ ,, 336 H » 415 

Salasilah Koetaj. Coll. Br. 513 » 285 

Sariboe Dongeng. Bat. Gen. 240 » 172—173 

Schetsen over den Java-oorlog. ,„ ., 97 » 287 

Schoolboek. „ „ 276 » 464 

Sëtnbahjang. „ „ 320, 407 » 388 

,, en tahlïl's. ,, „ 138 » 388 

Sëmbahjangformnles, ,, ,, 74 » 387 

Sërat Konda. „ „ 209 » 7— 12 

Sijar as-salikïn ila c ibadah rabb 

al-calamin. „ „ 293, Coll. v. d. W. 4 » 383—384 

Sjadjarah ka'ada'an nëgëri Ban- 

doeng. Coll. v. d. W. 199 » 285 

Sjadjarah Malajoe. Bat. Gen. 11, Coll. v. d. W. ( 

188, 189, 190 f 

W. 201 290—294 

„ 191 » 274—274 

„ 195, 62, VI. ( 
62 I, 62 V, 197 f 

Sjacir ^Abdoelmoeloek. Coll. v. d. W. 257 321- 

c 'Abdoessamman. ,, ,, ,, ,, 269 » 340 



268—270 



nëgëri Këclah. 


Coll. 


v. d. 


radja radja Malajoe. 


)! 


1) !» 


., ,, Riouw. 


»5 


5? J) 



276—278 



532 



Sja L ir Adham. 




Bat. Gen. 277 




bl. 


342- 


-343 


11 


c Alam tasawwoer. 




„ „ 378 F 




» 


362 




•• 


Alif. 




„ „ 236 B 




» 


359 




il 


„ Ba Ta. 




„ „ 236 A 




» 


358- 


-359 


• • 


Ampatpoeloehdoea n 


lalam. 


,i ii "3 




» 


356- 


-357 


11 


c Ardan zie Sja c ir 
Zoehrah II. 


Sitti 












11 


Bajan Boedinian. 




Coll. v. d. W. 239 A, 


240 E 


» 


365 




11 


Bidasari 




Coll. v. d. W. 256 




» 


315 




1' 


boeah boeahan 




Bat. Gen. 254 




» 


351 




n 


Boedjang 




Coll. v. d. W. 239 D 




» 


331 




u 


Boeroeng 




Bat. Gen. 61, Coll. i 
238, 268 B 


'.d.W. 


!■ 


360- 


-361 


11 


„ Ponggok 




Coll. v d. W. 241 A 




» 


355 




11 


Damar Woelan 




Bat. Gen. 19,0, Coll. Bi 


r. 122 


» 


316- 


-318 


11 


Djintajoe 




., „ 198 E 




» 


352- 


-353 


11 


Djohan 




Coll. v. d. W. 240 B 




» 


355 




•1 


Enioep 




Bat. Gen. 217 




» 


344 




11 


Hakajat Radja Damsjïk 


Coll. v. d. W. 260 




» 


336 




11 


Hadj 




Bat. Gen. 23 B. Coll. 
230 C, 240 C 


v.d.W. 


!• 


361- 


-62 



Harith Fadilah zie Sja c iv 
Sitti Dzawijjah 

c Ibarah Bat. Gen. 230, B » 364 

Ikan Tëroeboek „ „ 241 B. 242, 243, [ 

259 B f 

Indjil Coll. v. d. W. 240 F • » 366 

Indra Laksana zie Sja c ir 
Silindoenof Dalima. 



» 355 -356 



Inggris mënjërang kota 


Bat. Gen. 15 \ 








» 


344- 


-345 


Jatim Noestapa 


Coll. v. d. W. 25 ï 








» 


315- 


-316 


Ken Tamboehan 


Bat. Gen. 247, Coll. v 


.d.W. 


247 


» 


312- 


-313 


Koembajat 


11 il "dd 








» 


324- 


-326 


Koembang dan mëlati 


Bat. Gen. 7, Coll. 
239 C, 240 D 


V. 


d. 


W. 


}• 


351- 


-352 


Koemkoema 


Bat. Gen. 198 D 








» 


352 




Kahr Masjhóer 


Coll. v. d. W. 246 








» 


330- 


-331 


Kawaid al-islam 


Coll. v. d. W. 231 








» 


364- 


-365 



533 

SjVir Kijamah Coll. v. d. W. 228 , 

Lalakon Mesa Koemitar Bat. Gen. 182 

Madï Coll. v. d. W. 254 

Mambang Djauhari ,, ,, 264 

Ma c rifah Bat. Gen. 378 E 

Ma^rifat as-salat Coll. v. d. W. 230 A 

Njamoek dan lalat „ v. d. W. 239 B, 240 A 

Noeri Bat. Gen. 8, 10 

Oesöel Coll. v. d. W. 229 

Patoet Dëlapan Bat. Gen. 9 

Pëlandoek Djinaka Coll. Br. 169 

Përang Bandjarraasin Bat. Gen. 196 

,, Kaliwangoe ., ,, 198 F 

Muntinghe „ „ 12, Coll. v. d. W. 272 

„ Wangkang ,, ,, 92 
përkawinan kapitan Tih 

Sing. Bat. Gen. 168, Coll. v.d.W. 271. 

Poetri c Akal. ,, „ 21. 

,, Handëlan zie Sja c ir 
Poetri c Akal. 

Radja Darma cAdil. „ „ 273, 398. » 343 

Siak. Coll. v. d. W. 273. » 349 

Resident De Brauw. Coll. Br. 157, VI. » 347 
Sang koepoe koepoe dëngan 

koembang dan balang. Bat. Gen. 255 B. » 354 
Saudagar Boediman zie 
Sja c ir Soeltan Jabja. 

Schouw Santvoort. ,, ,, 169. » 348 
Seri Boenian zie Sja c ir 
Silindoeng Dalima. 



bl. 


363 




» 


313- 


-314 


» 


333- 


-334 


» 


3 '6- 


-337 


» 


362 




» 


363 




» 


354- 


-355 


» 


353- 


-354 


» 


363 




» 


357 




» 


354 




» 


3,5- 


-316 


» 


346 




» 


347 




» 


348 




» 


350- 


-351 


» 


320- 


-321 



Si Boeroeng Pingaj. 




„ „ 42 A. 


» 


444 




Sidï Ibrahïm. 




Coll. v. d. W. 245. 


» 


329- 


-330 


Silindoeng Dalima. 




Bat. Gen. 34, Coll. v. d. W. 
251, 252. 


{ 

r 


318- 


-320 


Sindiran I. 




Bat. Gen. 88 Coll. v.d.W. 235. 


» 


357- 


-358 


II. 




„ „ 89 „ „ 234. 


» 


358 




Singapoera dimakan 


api. 


Coll. v. d. W. 270. 


» 


350 




Sinhor Costa. 




„ v. d. W. 268 A. 


» 


350 





534 



i c i 


r Sitti 


D 


zawijjah. 






Bat, 

V. 


Gen. 214, 255 A. 
d. W. 259 A. 


Coll. 


j, 


340- 


-342 


11 


?* 


Zoehrah. 






Coll. 


v. d. W. 261, 262, 


263. 


» 


326- 


-329 


1» 


Soeltan 


Jahja. 






II 


v. d. W. 249. 250. 




» 


322- 


-324 


»1 


» 




Mahmöed. 






Bat. 


Gen. 159. 




» 


348 




» 


»i 




di 


Liu 


££ a - 


Coll. 


v. d. W. 274. 




» 


349 




n 


»» 




Man8Öer. 






•• 


v. d. W. 265. 266. 




» 


337- 


-339 



,, „ Sjarïf zie Sja c ir 
Sitti Zoehrah III. 

„ Soengging. 

„ Tadjoel moelóek. 

„ Ta c rïf al-hoeröef. 

., Tjarita Wajang. 

,, Tjinta Birahi. 
Sja c irs over mystiek en geloofs- 
leer. 
Sjams al-afak. 

,. al-ma c rifah. 
Sjattaryjah. 
Sjifa '1-koelóeb. 
Soerat Tjarita Goepërnëment 

Wolanda përang nëgëri Atjèh. 



Sirat al-moestakïm. 



11 


v. d. W. 248. 


» 


332- 


-333 


11 


v. d. W. 258. 


» 


334- 


-335 


Bat. 


Gen. 86. D 


» 


362 




jl 


„ 248. 


» 


314 




Coll. 


y. d. W. 267. 


» 


339 




Bat. 


Gen. 83. 


» 


362- 


-368 


Coll. 


v. d. W. 33. 


» 


428 




Bat. 


Gen. 287 


» 


438 




»i 


„ 336 B, 349. 


» 


435 




!• 


., 115 B. 339 B 


» 


434 





271 



S. 



282 



Bat, Gen. 104. 118. 284, 288, ] 

327, 344, 397. Coll. Br. 201, }» 375—377 
Coll. v. d. W. 3. J 



Tadj as-Salatin. 

Tadjwid 

„ e. a. 
Tadzakkoer al-Ghabï 
Tafsïr al-djalalajn zie Koer'au- 

commentaar IV. 
Tabïh al- c amil fitahkïk al-kalam 

fï'1-nawafil. 



Bat. Gen. 122, 236 A. Coll. [ 
v. d. W. 65, Coll. Br. 394. ( 
Coll. v.d.W. 25, Coll. Br. 411 
Bat. Gen. 113, A— D en F— K 
„ „ 106 



» 129—130 



371- 
370- 
431 



-372 
-371 



Bat. Gen. 222 



388 



535 

Tanbïh al-ichwan fi 'sj-sjoeröet 

wa'1-arkan Coll. v. d. W. 15 bl. 378 

Tanbih ma'raóem al-gkafil biba- 

jfinba c dmalahoeminal-masail Coll. v. d. W. 11 » 472—373 

Tanbïhat al-ghafilïn Bat. Gen. 328 D » 412 

Tardjoeman al-moestafïd zie 

Koer'ancommentaar II en V. 
Targhib al-c&milin Coll. v. d. W. 19 » 399 

Tartib chatm al-koer'an Coll. Br. 200 D » 372 

Thamrat al-moehammah dijafah 

li'1-oemara wa'1-koebara li ahl 

al-mahkamah 
Tjangkriman 

Tjarita Bandoeng Bondowoso di 
Prambanan 

„ Praboe Anggalarang 

„ Radja Bërekoer 
Tjaritëra Asal Soeltan Atjèh 

„ Taboet 

,, Toean poetri didalam koelit 

moetiara, zie Hikajat Marapati 

ëmas dan marapati perak. 
Tjërëmin Mata 
Toehfat ar-raghibïn fi bajan 

hakïkat ïman al-moe'minin 



Taharah en salat 
Tarïkah jang dibangsakën kapada 
Kadirijjah dan Naksjibendijjah 



Verhandelingen 



Coll. v. d. W. 


18 


» 


380- 


-381 


Coll. Br. 157. 


, I 


» 


468 




Bat. Gen. 49 




» 


287 




„ „ 50 




» 


287 




ii ii 84 




y> 


162- 


-163 


991 




» 


282 




„ ,. 145 




» 


255 





Wajang Ardjoena 

,, Pao doe 
Wajangverhalen 



Coll. v. d. W. 213 


» 


461—462 


ii ii 37 


» 


399—400 


T- 






Bat. Gen. 71 


» 


385 


„ „ U9 


» 


438 


V. 


• 




„ „ 304, Coll. 


l* 


389 en 


v. d. W. 20 


f 


390—391 


W. 






Bat. Gen. 244 


» 


28— 29 


ii m 241 


» 


22— 25 


». .» 220 


n 


33 



i36 



Wasijjat al-ichwau al-iuoesta- 
zawwidïn li jaum al-idzn 

Wat was er vóór de Schepping ? 

WoordeD boeken en woordenlijs- 
ten 



Bat. Gen. 317 C bl. 411 




.. „ 109 E » 434 




.. „ 191, 195. 237,238, | 




401, 402. Coll. Br. 157. XI [ 

Coll. v. d. W. 318. 319. 320. f* 469 ~ 


-473 


321,322,324 | 





z. 

Zoehrat al-moerïd fï bajan ka- Coll. v. d. W. 49 F, Bat. Gen. 

limat at-tauhïd 109 C [* 40 °— 4ül 



II. MINANGKABAUSCH. 



Hikajat 


flasan dan Hoesajn. 


Coll. 


v. d. W. 98, 


99 






bl. 


488- 


-492 


» 


Kija mat. 


ii 


34 








» 


507- 


-508 


11 


Moeham tn ad c Ali Hana- 




















fijjah tatakalo katjië^. 


ii 


73 








» 


492- 


-493 


11 


Nabi. 


ii 


77 








» 


484- 


-485 


ii 


,, Joesöef. 


ii 


111 








» 


482- 


-483 


ii 


Naraka. 


ii 


100 






- 


» 


487- 


-488 


ii 


Nasöeha. 


ii 


244 








» 


493- 


-494 


ii 


Poetri Baloekih. 


ii 


103 








» 


483- 


-484 


ii 


Radja Rahib. 


•i 


74 








» 


485- 


-487 


Kaba 


Malim Diman. 


ii 


209 








» 


474- 


-475 


ii 


Si Toengga. 


ii 


.,210,211, 


Bat. Gen. 32 


» 


475- 


-477 


ii 


Tjindoer Mata (Kaba 
Toeankoe nan Moeda). 


ii 


„ 206, 207, Bat. 
28, 30, 33, 79, 


Gen. 
279 


!• 


478- 


-482 


(Oendai 


ig oendang c 'adat; reeds bij 


















de Mal. HSS). 


ii 


„ 60 








» 


496 




(Oendar 


ig oendang Lohok Tiga 


















Laras 


, reeds bij de Mal. HSS). 


Bat. 


Gen. 396 A 








» 


507 





Oendang oendang Minangkabau. 

o o o 



(Oendang oendang Moko Moko, 
reeds bij de Mal. HSS). 

(Oendang oendang Tanah Datar, 
reeds bij de Mal. HSS). 

Radja Përijangan kawin kanëgëri 
' Atjèh. 

Sja c ir Nahoe. 

Soerat Padato Arak gadang atau 
halek gadang. 



„ „ 27, 40, 94, 280, Coll. 

v. d. W. 54, 63, 202, 203, J>» 496—507 

204, 205 



Coll. v. d. W. 61 



Bat. Gen. 35, 36 



» 496 



» 507 



Coll. v. d. W. 208 


bl. 495—496 


„ v. d. W. 237 


» 508—509 



Bat. Gen. 39 



» 509 



34« 



LIJST VAN 

DE NUMMERS DER HANDSCHRIFTEN MET DE VOLGNUM- 
MERS IN DEN CATALOGUS. 



Bat. Gen. No. 

1 A DCCCL 
B DCCOLI1 
C CCCXXXVII 
D DCCCLIII 
E DCCCLI 
F CDIII 

2 CCCXLVI 
LXXXIV 

CLXIV 
LI 

6 CXXXVII 

7 CDLXXVII 

8 CDLXXXn 

9 CDXCVI 

10 CDLXXXIII 

11 CCCXLII 

12 CDLXIV 

13 ontbreekt; zie Not. 
XIII: VUL 



3 
4 



5 



14 

15 
16 
17 

18 
19 
20 
21 



CLXIII 

IX 

XCI 

CXCVI 

CXC1Y 

CCC 

LU 

CDXXXIV 



No. 

22^ CDXCIV 

23 'A CCCXX 
B DXI 

24 LXXVII 

25 CCCXCVII 

26 is eene lithografie. 

27 DCCCXCV 

28 DCCCLXXX1V 

29 LVII 

30 DCCCLXXXI 

31 CCC VIII 

32 DCCCLXXVII 

33 DCCCLXXX 

34 CDXXXI 

35 CCCXCV 

36 CCCXCV1 

37 is Hollandsen. 

38 DLXXVIII 

39 CMVII 

40 DCCCXCVI 

41 DXXVII 

42 A DCCLXXI 
B CCI 
C CCLIX 
D CCXCI1 
E CCV 
F CCCXXXI 



No. 

G CCLXXVII 

H CCLXXVI 

J CLI 

K CL1I 

L CCXCI 

43 CCCXLVII 

44 CCCLIII 
45" CCCXCIX 

46 DCCCXXXV 

47 DX 

48 CCCXLVIII 

49 CCCLXXXV 

50 CCCLXXXVI 

51 Cl 

52 A DCCCXX 
B CCLX 

53 CLXXIV 

54 is Javaansch. 

55 ,, ,, 

56 DLXVI 

57 DCCLV 

58 CCCXXXI1 

59 CCCI 

60 CCLI 

61 DVI 

62 DCCLXX1I 
03 DCCLXXIH 



539 



64 


DCCLXXXV 


98 


CCCLXXI1 


124 


CCCXL1X 


65 


DCCLXXXVl 


99 


DCCLVI 


125 


LXXXIX 


66 


DCCLXX1V 


100a 


CCCLXXVI 


126 


CLXXXV 


67 


DCCLXXV 


1006 


CCCLXXVII 


127 


CVII1 


68 


DCLIII 


101 


DOCCXV 


128 


CLXII 


69 


DCCXLVI 


102 A-B 


DO 


129 


XCV11 


70 


DCXV 


C 


DGXLVI 


130 


XL VIII 


71 


DLXXV 


D 


DCLI 


131 


XLVI 


72 


DCCXLIX 


103 


DCCV 


132 


XXVI 


73 


DCCL 


104 


DXLVII 


133 


DCLXXVII 


74 is 


Makassaarsch en 


105 


DCI 


134 


CCCXCVII1 


Jav. 


106 


DCCXXII 


135 


LV1II 


75 


DXXX1I1 


107 A 


DCXXXIX 


136 


11 


76 ou 


tbreekt. 


B 


DCCVI 


137 


CXC1II 


77 


CXLV 


108 


DCH 


138 


DLXXX11I 


78 


I 


109 A-B 


DCLVI11 


139 


XXVII 


79 


DCCCLXXXI1I 


C 


DCXXVI1I 


140 


CDI 


80 


CCCLXXX11 


D 


DCCXXX 


141 


CDV1I 


81 


DCCCXXI 


E 


DCCXXX1V 


142 


XXVIII 


82 


DCLXX1X 


110 


DCCLIII 


143 


CCCLXVII 


83 


DXVII 


111 


DCLVI 


144 


CDXX 


84 


CLXXV 


112 is Atj 


èhsch. 


145 


CCCXXXIV 


85 


DCCLII 


113 A-D 


DXXXVI 


146 


CCCXIV 


86 A 


DCLXXXII 


E 


DXXXY11 


147 


CII 


B 


DCCLXXVI 


F.H-J 


DXXXVI 


148 


CCCLXVIII 


C 


DCCLI 


G 


DCXLVI1 


149 


DCCXLVI1I 


D 


DTV1 


114 


DCCLVI 


150 


CD 


87 is 


Atjèhsch. 


115 A 


DCLIV 


151 A 


CCCX 


88 


CDXCVLT 


B 


DCCXXXI1 


B 


CXXIV 


89 


CDXCIX 


C 


DXCV1I 


C 


CXXV 


90 is 


Ogam-Oeloesch. 


116 


DXXVIII 


152 


CCCXCIII 


91 „ 


>» >» 


117 


DLXXX1X 


153 


CDLXI 


92 


CDLX1X 


118 


DXLVIII 


154 


CCCX Cf. 


93 


CDXCV 


119 


DCXXXV1I1 


155 


CXVII 


94 


DCCCXCVII 


120 


DCCXXIII 


156 


CXVI 


95 is 


Atjèbsch. 


121 


DCCLXXXIV 


157 


CCCL 


96 


CCXLTI 


122 


CXXXIII 


158 


DCCCXXXVI 


97 


CCCLXXXIV 


123 


CCLXI1I 


159 


CDLXVI1I 



540 



160 


CCCLXV1I1 * 


198 


A 


XL1 


230 


DCL 


161 


is Lampongseh. 




B 


ecu 


231 


DCCCXLV 


1 . 


CCCLXIX 




C 


ceexv 


232 


DCCLVII 


163 


DCCLVII 




D 


CDLXXX 


233 


DCCLXXXVIII 


164 


DCCLXXVI1 




E 


CDLXXXI 


234 


CCCLXXIV 


165 


CCCLXXX 




F 


CDLXI1I 


235 


DCCCXL1 


166 


DCCLYI1I 


199 




CCLXV 


236 


is lithografie. 


167 


DCCCXXV 


200 




OCCII 


237